Exit minderheidsaandeelhouders makkelijker, dga pas op

De in 2012 aangepaste wettelijke uittredingsregeling wordt in recente rechtspraak toegepast en uitgelegd. Aan een vordering tot uittreding lijken daarbij minder zware eisen te worden gesteld en dat biedt kansen voor beknelde minderheidsaandeelhouders. Directeuren-grootaandeelhouders moeten dus beter op hun tellen passen.

Als een aandeelhouder door een andere aandeelhouder zo erg in zijn rechten of belangen is geschaad dat niet meer van hem kan worden gevraagd dat hij nog langer aandeelhouder blijft, kan hij tegen zijn medeaandeelhouder een vordering tot ‘uittreding’ instellen. Die vordering houdt in dat hij wordt uitgekocht. Als de vordering wordt toegewezen, benoemt de rechter een of meer deskundigen om de prijs te bepalen. Tegen de toewijzing en tegen de aanwijzing van de deskundige is geen hoger beroep meer mogelijk. Hoger beroep kan alleen nog worden ingesteld tegen het eindvonnis (waarin de overdracht en afname worden bevolen tegen een vastgestelde prijs). De procedure is daardoor versneld.

De rechtspraak stelde steeds zwaardere eisen aan een vordering tot uittreding. De rechter verlangde daarvoor “bijkomende zwaarwegende omstandigheden”. In twee uitspraken van 2014 met betrekking tot Multi User Informatiesystemen (‘MUIS’) en Med-IP lijkt deze zware eis echter te zijn losgelaten.

In zijn algemeenheid geldt dat iedereen binnen een vennootschap (dus ook de aandeelhouders) zich tegenover elkaar moet gedragen “naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd”. Daar hoort bijvoorbeeld bij dat gevraagd (en ongevraagd) relevante informatie moet worden verstekt en dat een redelijk dividendbeleid moet worden gevoerd. Het weigeren om informatie te verstrekken en de weigering om een redelijk dividend uit te keren kunnen al reden zijn om een vordering tot uittreding toe te wijzen.

In de MUIS-uitspraak oordeelde de Rechtbank Noord-Holland verder dat de klachten niet hoeven te zien op gedragingen “in de hoedanigheid van aandeelhouder”. Ook als (zoals in MUIS) een aandeelhouder zich in zijn positie van bestuurder onredelijk opstelt, kan dat reden zijn voor toewijzing van een uittredingsvordering. Evenmin zijn “misdragingen” of schade bij de vennootschap nodig.

Sinds de aanpassing van de uittredingsregeling per 1 oktober 2012 kan de vordering tot uittreding ook worden toegewezen tegen de vennootschap. In de MUIS-uitspraak heeft de rechter beslist dat daar alleen de vennootschap mee wordt bedoeld waarvan de aandelen moeten worden overgedragen, dus niet (ook) dochtervennootschappen. De rechter oordeelde verder dat niet nodig is dat een verwijt aan de vennootschap kan worden gemaakt. De vordering tegen de vennootschap kan alleen niet worden toegewezen als niet is voldaan aan het vereiste van de balanstest (artikel 2:207 BW), maar daar moet de rechter dan wel op worden gewezen. Wordt hier – zoals in de MUIS-uitspraak – niets over gezegd, dan gaat de rechter ervan uit dat inkoop mogelijk is.

De wet stelt overigens als eis dat een aandeelhouder in zijn belangen ‘is’ geschaad. Gedane zaken nemen dus geen keer. Ook gedragingen in het verleden kunnen reden zijn voor uittreding.

De gewijzigde uittredingsregeling biedt tot slot de mogelijkheid voor een “billijke verhoging” van de koopprijs. Dat kan echter alleen als de gedragingen van de gedaagde aandeelhouder hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de aandelen. In de MUIS-zaak oordeelde de rechter dat daarvan bij het niet uitkeren van dividend geen sprake is. De rechter stelde daarnaast vast dat ook kosten die een aandeelhouder heeft moeten maken, geen invloed hebben op de waarde van de aandelen (en dus geen grond kunnen zijn voor verhoging van de koopprijs).

De uittredingsregeling heeft met de wijzigingen per 1 oktober 2012 en de recente rechtspraak aan kracht gewonnen. Voor beknelde aandeelhouders kan zij een interessante exit-mogelijkheid zijn. Directeuren-grootaandeelhouders zijn gewaarschuwd.

(Bron: Accountant.nl)

Updated: 5 februari 2015 — 08:35