All posts in Kennisbank voor het MKB(BV), belastingen, investeren

Gevolgen WOZ-waarde bedrijfspanden door corona

Categories: Kennisbank voor het MKB(BV), belastingen, investeren, Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV)
Reacties uitgeschakeld voor Gevolgen WOZ-waarde bedrijfspanden door corona

De coronacrisis heeft flinke gevolgen voor burgers en bedrijven. Maar heeft de crisis ook gevolgen voor de WOZ-waarde van bedrijfspanden?

Peildatum doorslaggevend

In een zaak die onlangs door een horecaondernemer voor de rechter werd uitgevochten, werd beslist dat de WOZ-waarde van een bedrijfspand voor het jaar 2017 nog niet door corona werd beïnvloed. De zaak werd pas jaren later voor de rechter uitgevochten, maar voor de WOZ-waarde van panden is de peildatum doorslaggevend.

De peildatum voor de waardebepaling in het kader van de WOZ ligt in de regel op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de WOZ-waarde wordt vastgesteld. Voor dit jaar is dat dus 1 januari 2020.

Anders bij ‘bijzondere omstandigheid’

Dit kan anders zijn als sprake is van een ‘bijzondere omstandigheid’. Bij een verandering in waarde door een specifiek voor het pand geldende bijzondere omstandigheid, wordt de waardepeildatum namelijk een jaar vervroegd. De waardepeildatum voor WOZ-beschikkingen van 2021 is dan 1 januari 2021.

Corona bijzondere omstandigheid? 

De vraag is of de coronacrisis zo’n bijzondere omstandigheid is. De Waarderingskamer controleert en beoordeelt gemeenten op de uitvoering van de Wet WOZ. Onderzoek in opdracht van de Waarderingskamer bracht aan het licht dat corona inderdaad zo’n bijzondere omstandigheid kan zijn.

Let op! Een voorwaarde is dat er door de coronacrisis sprake is van een substantiële waardedaling. Wat dit precies is, is niet bekend, maar duidelijk is dat het niet om kleinigheden mag gaan.

(Bron: De Jong & Laan)

linkedin
facebook
twitter
email

Gevolgen voor de horeca en de detailhandel

Inmiddels is duidelijk dat met name de horeca, maar ook veel detailhandelszaken, geconfronteerd worden met een aanzienlijke omzetschade door corona. Daarbij is de duur van deze omzetschade onbekend. Het is dan ook verdedigbaar te stellen dat veel panden, waarin horeca of detailhandel wordt uitgeoefend, fors in de WOZ-waarde zijn gedaald als gevolg van het leegstandsrisico.

In die gevallen is er voor de WOZ-waarde sprake is van een ‘bijzondere omstandigheid’, wat ertoe leidt dat de waardepeildatum voor dit jaar te bepalen is op 1 januari 2021 in plaats van 1 januari 2020. Dit zal dan resulteren tot een lagere WOZ-waarde.

Het kabinet stimuleert bedrijven om investeringen te doen met een nieuwe investeringskorting, de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). Deze tijdelijke regeling zorgt ervoor dat bedrijven ook in deze roerige tijden blijven investeren in bijvoorbeeld nieuwe machines.  

De start van de aanvraagperiode is gepland vanaf 1 september 2021. Aanvragen kan maximaal 4 keer per jaar (1 x per kwartaal).

Na eerdere goedkeuring door de Tweede Kamer heeft ook de Eerste Kamer op 15 december 2020 goedkeuring verleend aan het Belastingplan 2021, waarin de BIK was opgenomen. Een volgende stap is groen licht van de Europese Commissie. Bij definitieve duidelijkheid over de vormgeving van de regeling gaat de RVO de BIK uitvoeren in samenwerking met de Belastingdienst.

Voor wie?

De BIK is bestemd voor bedrijven die vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting verschuldigd zijn en loonheffing voor personeel afdragen. Bedrijven moeten een BIK-verklaring aanvragen bij RVO. Zij kunnen de daarin opgenomen investeringskorting in de loonaangifte toepassen op de af te dragen loonheffing. De regeling is zo vormgegeven dat ook het mkb er gebruik van kan maken. Er is een staffel ingebouwd zodat kleinere investeringen een grotere tegemoetkoming krijgen dan grotere investeringen.

Budget

Het kabinet heeft voor de BIK een budget beschikbaar gesteld van in totaal € 4 miljard, voor de jaren 2021 en 2022. Eind 2021 wordt ingeschat in hoeverre het budget van € 2 miljard voor 2021 zal zijn benut.
Het gaat om investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen van meer dan € 1.500. Het totale bedrag aan investeringen bedraagt minimaal € 20.000 per aanvraag. Voor investeringen tot en met € 5 miljoen krijgt de onderneming per kalenderjaar een korting van 3,9% van het investeringsbedrag. Voor grotere investeringen is de korting 1,8% voor het deel boven de € 5 miljoen. Afhankelijk van het nog beschikbare budget kunnen de percentages per 2022 hoger of lager uitvallen.
Als de Europese Commissie goedkeuring geeft om als ‘fiscale eenheid’ gebruik te maken van de BIK, is dit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021. Mocht deze goedkeuring om gebruik te maken van dit specifieke onderdeel niet komen, dan worden de percentages van de BIK met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 verhoogd. Bij grote investeringen in een jaar bedraagt de korting tot € 5 miljoen in dat geval 5%, daarboven 2,08%. Meer informatie vindt u in de Kamerbrief BIK in relatie tot investeringen in het buitenland.

Voorwaarden

De regeling geldt voor investeringen in 2021 of 2022. Om van de regeling te kunnen profiteren moet een bedrijf de investeringsbeslissing hebben genomen op of na 1 oktober 2020. De volledige betaling moet plaatsvinden in 2021 of 2022, daarnaast moet er sprake zijn van een nieuw bedrijfsmiddel dat binnen 6 maanden in gebruik wordt genomen. Zodra de regeling definitief vorm heeft gekregen leest u alle voorwaarden op onze website.

Combineren met andere steunregelingen

Bedrijven kunnen de BIK combineren met andere steunregelingen zoals de Energie Investeringsaftrek (EIA) of de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Dit maakt groene investeringen nog aantrekkelijker. Voor kleinere investeringen door het mkb kunnen de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en de BIK samengaan.

(Bron: RVO)

De zes-maandenregeling in de overdrachtsbelasting

Categories: Kennisbank, Kennisbank voor het MKB (BV), Kennisbank voor het MKB(BV), belastingen, investeren
Reacties uitgeschakeld voor De zes-maandenregeling in de overdrachtsbelasting

Een in de praktijk veel gebruikte regeling in de overdrachtsbelasting is de zes-maandenregeling. Bij de aankoop van een onroerende zaak is overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde in het economisch verkeer (of hogere tegenprestatie). Wanneer dezelfde onroerende zaak echter binnen zes maanden na een vorige verkrijging wordt verkregen, zal voor de overdrachtsbelasting de waarde van de onroerende zaak verminderd worden met het bedrag waarover de eerste verkrijger al overdrachtsbelasting verschuldigd was. Als gevolg hiervan zal een nieuwe verkrijger minder (of soms zelfs helemaal geen) overdrachtsbelasting verschuldigd zijn.

TOEPASSING VAN DE REGELING

Voor toepassing van de zes-maandenregeling moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • De onroerende zaak wordt binnen zes maanden opnieuw verkregen door een ander
  • De eerste verkrijger was bij de aankoop overdrachtsbelasting verschuldigd
  • De eerste verkrijger heeft de omzetbelasting die in rekening is gebracht niet afgetrokken (bij aankoop van een nieuwbouwwoning is er in de regel 21% omzetbelasting)
  • De eerste verkrijger heeft niet minder erf- of schenkbelasting moeten betalen door de betaling van de overdrachtsbelasting (de verkrijging van een onroerende zaak krachtens erfrecht is vrijgesteld van overdrachtsbelasting en de bij de schenking van onroerend goed verschuldigde overdrachtsbelasting kan in mindering worden gebracht op de schenkbelasting)

Indien aan deze voorwaarden is voldaan, wordt voor de overdrachtsbelasting de waarde van de onroerende zaak verminderd met het bedrag waarover de eerste verkrijger overdrachtsbelasting verschuldigd was en is de nieuwe verkrijger minder (of soms helemaal geen) overdrachtsbelasting verschuldigd. Deze vermindering levert een voordeel voor de laatste verkrijger op. De eerste verkrijger kan echter contractueel bedingen dat dit voordeel hem toekomt. In dat geval zal de eerste verkrijger doorgaans een extra vergoeding ontvangen. Dan is wel overdrachtsbelasting over deze extra vergoeding verschuldigd.

WAAR MOET U OP LETTEN

De voorwaarden van de zes-maandenregeling lijken in eerste instantie helder. In de praktijk merken wij echter dat bij het gebruik van de zes-maandenregeling, in relatie tussen particulieren en met name in familieverhoudingen, geen rekening wordt gehouden met het toepasselijke civiele recht, zoals bijvoorbeeld de consumentenbedenktijd.

De consumentenbedenktijd houdt in dat de koper van een onroerende zaak na het sluiten van de koopovereenkomst drie dagen verplichte bedenktijd heeft. Deze bedenktijd is bedoeld om, indien gewenst, deskundigen te raadplegen en te voorkomen dat de koper een te overhaaste beslissing neemt. Door deze bedenktijd is het echter niet mogelijk om de onroerende zaak direct na het sluiten van de koopovereenkomst (onvoorwaardelijk) te leveren. Voor het gebruik van de zes-maandenregeling dient de bedenktijd dus binnen de zes maanden te vallen, anders kan niet tijdig geleverd worden en zal geen sprake zijn van een verkrijging binnen de gestelde termijn.  In sommige gevallen is het gelukkig mogelijk om van de bedenktijd af te zien. Mocht u hier gebruik van willen maken, dan verdient het aanbeveling om u hier goed over te laten adviseren.

(Bron: Mazars)

Als u investeert, komt u in bepaalde gevallen in aanmerking voor investeringsaftrek. De ontvangen aftrek moet u terugbetalen als u de betreffende bedrijfsmiddelen binnen een bepaalde termijn weer verkoopt. Dit is de zogenaamde desinvesteringsbijtelling. Hoe kunt u dit voorkomen?

Wat valt er onder de investeringsaftrek?

Het betreft aftrekmogelijkheden voor kleinschalige investeringen en die voor milieu- en energievriendelijke investeringen. De aftrekken zijn fors en bedragen maximaal 28%, 36% respectievelijk 58% van het bedrag aan investering.

Wanneer moet u de investeringsaftrek terugbetalen?

Alleen als u het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin u investeert verkoopt, krijgt u te maken met de desinvesteringsbijtelling. U moet het percentage aan aftrek dat u destijds gekregen heeft berekenen over de verkoopprijs die u ontvangt. Dit bedrag telt u op bij de winst en hierover betaalt u belasting. Verkoopt u na vijf jaar, vervalt de desinvesteringsbijtelling.

Voorbeeld: U investeerde op 4 maart 2012 voor €20.000 in een professionele filmcamera, en ontving hiervoor 28% investeringsaftrek, ofwel €5.600. Verkoopt u deze filmcamera in 2016 voor €10.000, dan moet u 28% x €10.000 ofwel €2.800 bij de winst optellen. Verkoopt u de camera in 2017, dus vijf jaar na aanschaf, heeft u geen desinvesteringsbijtelling.

Let op! U hoeft de investeringsaftrek alleen terug te betalen als u in één jaar voor meer dan €2.300 aan bedrijfsmiddelen verkoopt.

Voorbeeld: U investeerde op 4 maart 2013 in een fotocamera van €10.000 en ontving hiervoor 28% investeringsaftrek te weten €2.800. U verkocht deze een paar jaar later, eind 2016, weer voor €2.000. Dit is het enige product dat u in 2016 verkoopt. Dan blijft u met €2.000 onder het drempelbedrag van €2.300 en hoeft u niets bij uw winst op te tellen.

Tip: Vroeg in het jaar investeren beperkt dus de termijn van terugbetalen van de investeringsaftrekken.

Bedrijfsmiddel verhuren?

U kunt het terugbetalen van de investeringsaftrek voor milieu- en energievriendelijke investeringen ook voorkomen door uw bedrijfsmiddel te verhuren als u het zelf niet meer nodig heeft. Deze optie bestaat niet voor het ontgaan van de desinvesteringsbijtelling voor kleinschalige investeringen, zoals de filmcamera. Die moet u ook terugbetalen bij verhuur van het bedrijfsmiddel.

(Bron: Koenenenco)

 

Een bedrijf starten kost geld. Of je nu een bestaande onderneming overneemt of een startup vanaf de grond wilt opbouwen: als ondernemer zul je – zeker in het begin – in jouw bedrijf moeten investeren. Gelukkig heeft de overheid hiervoor een aantal goede regelingen in het leven geroepen: 5 investeringsregelingen voor ondernemers.

1. Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek maakt deel uit van de overkoepelende investeringsaftrek. Van deze investeringsregeling kun je als startende ondernemer relatief snel gebruik maken omdat het hierbij gaat om het investeren in bedrijfsmiddelen. De belangrijkste voorwaarde is dat een bedrijfsmiddel minimaal 450 euro kost en daarnaast in aanmerking komt voor investeringsaftrek. Heb jij bijvoorbeeld een speciale zaagmachine aangeschaft of een computer gekocht voor het bijhouden van jouw administratie? Dan mag je gebruikmaken van de KIA-regeling.

Let op: het bedrag dat je uiteindelijk van de winst mag aftrekken, hangt altijd samen met het totaalbedrag dat je dat boekjaar in het bedrijf hebt geïnvesteerd. Daarnaast speelt de rechtsvorm een rol. Als je met anderen een bedrijf hebt, zoals een vennootschap onder firma (VOF) of een maatschap, moet je de aftrek berekenen door een percentage te nemen van de totale investering van het samenwerkingsverband (en dus niet kijken naar iedere afzonderlijke investering).

Sinds 2014 zijn de voorwaarden aangescherpt. Zo is de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek op zuinige personenauto’s niet langer van kracht. Verder komen de volgende investeringen ook niet (meer) in aanmerking voor investeringsaftrek:

  • Investeringen in bepaalde bedrijfsmiddelen, zoals woonhuizen, grond, dieren, personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer, vaartuigen voor representatieve doeleinden, effecten, vorderingen, goodwill en publiekrechtelijke vergunningen.
  • Bedrijfsmiddelen die zijn bestemd voor verhuur of voor gebruik in het buitenland.
  • Bedrijfsmiddelen die minder dan 450 euro per stuk kosten
  • Transacties tussen een lichaam en personen of rechtspersonen (bijvoorbeeld bv’s en nv’s), die voor ten minste een derde deel een belang hebben in dat lichaam. Als je bijvoorbeeld aandeelhouder bent van een bv en je verkoopt een bedrijfsmiddel aan de bv, dan heeft de bv geen recht op investeringsaftrek.

2. Energie-investeringsaftrek (EIA)

Ook de Energie-investeringsaftrek (EIA) valt onder de investeringsaftrek en is dus een fiscale aftrekregeling. Ondernemers die zich actief bezighouden met het investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie doen er verstandig aan om de mogelijkheden op dit gebied te bekijken.

Behalve de afschrijving kun je van de investering (aanschaf- en voortbrengingskosten) in deze bedrijfsmiddelen namelijk 41,5 procent extra aftrekken van de winst. Controleer om teleurstellingen te voorkomen van tevoren wel goed of je echt aan alle voorwaarden hebt voldaan:

  • Het bedrag aan energie-investeringen bedraagt minimaal 2.500 euro.
  • Het bedrijfsmiddel is niet eerder gebruikt.
  • Het bedrijfsmiddel staat op de energielijst van RVO.nl.
  • Je kunt voor hetzelfde bedrijfsmiddel geen energie-investeringsaftrek én milieu-investeringsaftrek tegelijk krijgen. Je moet dus een keuze maken tussen beide regelingen.
  • Bedrijfsmiddelen die niet op de energielijst van RVO staan, maar wel energie of fossiele brandstoffen besparen en een algemene besparingsnorm halen.
  • De kosten van een energieadvies (onder bepaalde voorwaarden)

Meer weten over hoe je als ondernemer gebruik kunt maken van de EIA-regeling? Lees er alles over op de website van de Belastingdienst.

3 + 4. Milieu-investeringsaftrek (MIA) en Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL)

De Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) zijn subsidies voor ondernemers op het gebied van milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen. Kort samengevat kun je met de MIA-regeling jouw fiscale winst verder verlagen. Het is mogelijk om tot 36 procent van het investeringsbedrag in mindering te brengen op de gemaakte winst. Of jij straks daadwerkelijk dit maximale percentage mag toepassen, is afhankelijk van de milieu-effecten en de gangbaarheid van het bedrijfsmiddel in kwestie.

De VAMIL is een methode om een investering op ieder gewenst moment te kunnen afschrijven, zodat jouw totale fiscale winst uiteindelijk lager uitvalt en je over dat jaar dus minder belasting hoeft te betalen. Let op: de bovengrens van deze willekeurige afschrijving is sinds 2011 vastgesteld op 75 procent. Veel ondernemers kiezen er echter voor om de MIA en VAMIL te combineren. Dit is toegestaan, mits je aan alle gestelde voorwaarden voldoet:

  • Het bedrijfsmiddel staat op de milieulijst van RVO.
  • Het bedrijfsmiddel is niet eerder gebruikt.
  • De investering moet betrekking hebben op aanschaf- en voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel.
  • Voor de MIA moet het bedrag aan milieu-investeringen minimaal 2.500 euro zijn.

5. Desinvesteringsbijtelling

De desinvesteringsbijtelling is een vreemde eend in de bijt. Het is namelijk geen investeringsregeling waar je als ondernemer voordeel uit kunt halen, maar is wel een consequentie waar jij (of jouw boekhouder/accountant) op termijn rekening mee moet houden.

Als jij namens jouw onderneming bijvoorbeeld ooit bedrijfsmiddelen hebt vervreemd (verkocht, geschonken etc.) en daarvoor in eerdere jaren gebruik hebt gemaakt van de investeringsaftrek, kan het namelijk zijn dat je later een deel van die aftrek zult moeten terugbetalen aan de fiscus. Dit is in ieder geval zo wanneer:

  • Je de betreffende bedrijfsmiddelen binnen vijf jaar verkoopt of schenkt na het begin van het kalenderjaar waarin je de investering hebt gedaan.
  • De waarde van deze bedrijfsmiddelen bij elkaar opgeteld hoger is dan 2.300 euro. [Bron: Belastingdienst]

Het goede nieuws is dat deze uiteindelijke bijtelling nooit hoger zal uitvallen dan het bedrag dat je eerder hebt kunnen aftrekken. Dat maakt het toepassen van de eerder genoemde investeringsregelingen dus nog steeds de moeite waard. Tip: voorkom een misrekening en neem voor het bedrag dat je moet bijtellen hetzelfde percentage dat je bij de eerdere investeringsaftrek hebt toegepast. Zo weet je zeker dat je niet te veel of te weinig terugbetaalt.

(Bron: Ikgastarten)

 

Ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen hebben onder voorwaarden recht op kleinschaligheidsaftrek (KIA). Het totale investeringsbedrag moet in 2014 meer dan € 2.300, maar minder dan € 306.931 bedragen. De aftrek bedraagt 28% van het investeringsbedrag en kent een maximum van € 15.470. Vanaf een investeringsbedrag van € 102.311 daalt de investeringsaftrek met 7,56% van het meerdere. Voor samenwerkingsverbanden geldt het gezamenlijke investeringsbedrag als uitgangspunt voor de aftrek.

Tip! Optimaliseer uw recht op KIA door investeringen uit te stellen tot na 1 januari 2015 of door geplande investeringen naar voren te halen naar 2014.

Let op: Sinds 1 januari 2014 kwalificeren zeer zuinige personenauto’s (14%-bijtelling) niet meer voor de KIA. Milieu-investeringsaftrek (MIA) is nog wel mogelijk voor (semi-)elektrische auto’s. De vervroegde afschrijving voor milieu-investeringen (Vamil) kan per 1 januari 2014 niet meer worden toegepast op personenauto’s.

Bij vervreemding van bedrijfsmiddelen waarvoor u KIA hebt gehad binnen vijf jaar na het kalenderjaar van aanschaf, moet u een desinvesteringsbijtelling doen. De desinvesteringsbijtelling is alleen verschuldigd als u voor meer dan € 2.300 aan bedrijfsmiddelen vervreemdt in 2014.

Tip! Het kan zinvol zijn de verkoop van bedrijfsmiddelen uit te stellen tot na de jaarwisseling om een desinvesteringsbijtelling te vermijden.

(Bron: Schuiteman)

Staatssecretaris geeft toelichting op innovatiebox

Categories: Kennisbank, Kennisbank voor het MKB (BV), Kennisbank voor het MKB(BV), belastingen, investeren
Reacties uitgeschakeld voor Staatssecretaris geeft toelichting op innovatiebox

In een besluit heeft de staatssecretaris van Financiën het regime van de innovatiebox uitvoerig beschreven, nader toegelicht en verder ingevuld.

Beyond Access/FlickR

Beyond Access/FlickR

Voorwaarden innovatiebox

De innovatiebox is een faciliteit die alleen geldt voor vennootschapsbelastingplichtige lichamen. Dit kunnen binnenlandse lichamen zijn of buitenlandse lichamen met een vaste inrichting in Nederland. De kern van de innovatiebox is dat de netto-opbrengsten uit bepaalde immateriële activa zijn belast tegen een effectief tarief van 5%. Het moet daarbij gaan om zelf voortgebrachte immateriële bedrijfsmiddelen waarvoor één of meer octrooien of S&O-verklaringen zijn verkregen. Als onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden zijn uitbesteed, kan nog steeds sprake zijn van een zelf voortgebracht bedrijfsmiddel. Het kan dan wel handig zijn om aan de hand van documentatie aannemelijk te maken dat het lichaam voldoende belangrijke functies vervult bij het voortbrengen van het bedrijfsmiddel. Het octrooi moet bovendien in belangrijke mate bijdragen aan de te verwachten netto-opbrengsten uit het zelf voortgebrachte immateriële bedrijfsmiddel. Het lichaam kiest in de aangifte vennootschapsbelasting voor het plaatsen van het bedrijfsmiddel in de innovatiebox.

 

Indeplaatstreding

Binnen internationale concerns kan het gebeuren dat een buitenlandse groepsmaatschappij op basis van het concernbeleid alle octrooien aanvraagt. Dus ook de octrooien voor onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden door Nederlandse werkmaatschappijen. Omdat het octrooi niet wordt verleend aan de werkmaatschappij, kan deze de innovatiebox niet toepassen. Maar de buitenlandse groepsmaatschappij voldoet evenmin aan de voorwaarden. Zij heeft namelijk niet zelf het desbetreffende activum ontwikkeld. In zijn Besluit van 1 september 2014, nr. BLKB2014/1054M wijst de staatssecretaris van Financiën op de mogelijkheid van indeplaatstreding. Specifiek noemt hij de geruisloze inbreng in de bv en de bedrijfsfusie, juridische fusie en (af)splitsing. In deze situaties kan het lichaam dat het octrooi of S&O-activum overneemt van de verdwijnende onderneming in de plaats treden van deze onderneming. Deze indeplaatstreding werkt ook door naar de innovatiebox. De overnemer kan dus in deze situaties de innovatiebox toepassen als hij voldoet aan de rest van de voorwaarden.

 

Werking innovatiebox

Het effectieve tarief van 5% wordt bereikt door de netto voordelen uit kwalificerende activa maar voor 5/H in aanmerking te nemen. ‘H’ staat hierbij voor het hoogste vennootschapsbelastingtarief. Op dit gedeelte van de winst is vervolgens het normale vennootschapsbelastingtarief van toepassing. Overigens stelt de staatssecretaris dat het bepalen van de voordelen uit een bedrijfsmiddel in de innovatiebox een individuele benadering eist. Een vaste rekenregel of vast percentage is dus in beginsel niet toe te passen.

 

Forfaitaire voordeelberekening

Als de voordelen van de innovatiebox niet opwegen tegen de administratieve laste van het bepalen van de toerekenbare voordelen, mag een lichaam de forfaitaire voordeelberekening toepassen. Het lichaam moet dan wel in het desbetreffende jaar of in de twee voorafgaande jaren een octrooi- of S&O-activum hebben voortgebracht. Bij de forfaitaire methode wordt 25% van de fiscale winst als positieve innovatiewinst voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking genomen. De op deze forfaitaire wijze bepaalde positieve innovatiewinst is gemaximeerd op € 25.000. Als voor deze methode wordt gekozen, ziet de keuze op alle kwalificerende immateriële activa. Men kan per jaar kiezen voor de forfaitaire methode. Als men in de volgende jaren niet meer kan of wil kiezen voor de forfaitaire methode, kunnen de voordelen nog wel op de gebruikelijke wijze in aanmerking komen voor de toepassing van de innovatiebox.

 

Drempel

Het 5%-tarief is pas van toepassing op de opbrengsten uit immateriële bedrijfsmiddelen voor zover deze opbrengsten een drempel overschrijden. Deze drempel is gelijk aan:

  • het saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten aan het einde van het voorafgaande jaar; plus
  • de voortbrengingskosten van de octrooi- en S&O-activa waarvoor het lichaam in het desbetreffende jaar heeft gekozen voor toepassing van de innovatiebox; plus
  • een eventueel verlies uit de desbetreffende octrooi- en S&O-activa; minus
  • de positieve voordelen uit de desbetreffende octrooi- en S&O-activa die zijn genoten in de periode van het jaar van aanvraag van het octrooi tot en met het jaar vóór het jaar waarin het octrooi is toegekend. Deze voordelen leiden alleen tot een vermindering voor zover zij de som van de in de eerste drie onderdelen genoemde bedragen niet overschrijden.

Grofweg gezegd leidt de drempel ertoe dat het effectieve tarief van 5% pas van toepassing is vanaf het moment dat het totaal aan over de jaren genoten winsten uit het octrooi- of S&O-activum meer bedraagt dan de totale voortbrengingskosten en verliezen met betrekking tot dit bedrijfsmiddel. De Belastingdienst stelt het saldo van de nog in te lopen voortbrengingskosten vast in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit gebeurt gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting over dat jaar.

 

Bepaling arm’s length beloning

In het eerder genoemde besluit nr. BLKB2014/1054M wijst de staatssecretaris op het volgende. Bij gelieerde lichamen moet men eerst een arm’s length beloning berekenen voor de functies die het lichaam heeft uitgeoefend, de activa die het lichaam heeft gebruikt en de risico’s die daarbij zijn gelopen. Pas nadat deze beloning is bepaald, is het mogelijk vast te stellen welk deel van deze beloning in de innovatiebox kan vallen.

(Bron: Taxence)