Raad voor Jaarverslaggeving tegen wijziging waardering materiële vaste activa in IAS 16

De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft de door de IASB voorgestelde wijzigingen in richtlijn IAS 16 met betrekking tot de waardering van materiële vaste activa afgewezen.

De voorgestelde wijziging voorziet in een verbod op het in mindering brengen van inkomsten uit de verkoop van goederen die zijn geproduceerd terwijl de betreffende activa op de locatie en in de conditie wordt gebracht die nodig is om te functioneren, bijvoorbeeld wanneer er getest wordt. In plaats daarvan zouden de inkomsten van de verkoop en de kosten van het produceren ervan in de winst- en verliesrekening moeten worden verantwoord.

Grondige overweging nodig

De raad is niet overtuigd dat de wijziging een oplossing biedt voor bestaande problemen. “Wij vrezen dat er nieuwe problemen door ontstaan.” Ook de Duitse en Engelse tegenhangers van de raad zien niets in de wijziging.
Deloitte heeft ook al laten weten niet achter het voorstel te staan, met een toelichting. “De wijzigingen hebben primair effect op de energie- en de winningsindustrie, waar de constructie van werkmaterieel een langdurig en complex proces kan zijn, waarbij veel kosten kunnen worden toegewezen aan het zodanig voorbereiden van het materieel zodat het actief is zoals oorspronkelijk bedoeld. Een grondige overweging van de problemen die daaruit voortkomen en vergelijkbare problemen in andere sectoren is nodig voordat specifieke regelgeving wordt aangepast. Een aanpassing met zo’n beperkte reikwijdte als de nu voorgestelde wijziging kan dergelijke problemen niet het hoofd bieden en brengt het risico van onbedoelde bijeffecten met zich mee.”

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Transitievergoeding na ontslag wegens arbeidsongeschiktheid: welk loon?

Indien de arbeidsovereenkomst met een werknemer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd. Rechtbank Limburg boog zich onlangs over de vraag welk loon als uitgangspunt moet worden genomen voor de berekening van de transitievergoeding: het loon bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst of het loon bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid.

De zaak betrof een administratief medewerkster van een ziekenhuis die op 23 juni 2014 arbeidsongeschikt is geraakt. Met ingang van oktober 2016 heeft zij in het kader van haar re-integratie passende werkzaamheden in de scanstraat uitgevoerd gedurende van gemiddeld 16 uur per week. Dit betrof een tijdelijke functie in verband met het project digitalisering poliklinieken.

Op 23 maart 2017 verleent het UWV een ontslagvergunning waarna het ziekenhuis de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen 1 augustus 2017. De werkneemster ontvangt een transitievergoeding van € 10.087,88 bruto. Bij de berekening van de transitievergoeding is het loon gehanteerd dat de werkneemster sinds 1 november 2016 verdiende voor haar werkzaamheden in de scanstraat. De werkneemster is het met die berekening niet eens en verzoekt om toekenning van het restant van de verschuldigde transitievergoeding van € 3.288,12 bruto. Volgens haar is het ziekenhuis bij de berekening van de transitievergoeding uitgegaan van een verkeerd loonbedrag. Het ziekenhuis heeft bij die berekening het (lagere) laatst genoten loon toegepast, terwijl het bedongen loon toegepast had moeten worden. Het was ook steeds de bedoeling dat de werkneemster terug zou keren naar haar oude functie. Het bedongen loon is dan ook niet veranderd.

Anders dan het ziekenhuis is de kantonrechter van oordeel dat het loon behorende bij de werkzaamheden in de scanstraat niet kan gelden als het overeengekomen loon. Uit de brief van het ziekenhuis van 1 december 2016 blijkt immers dat de werkneemster is ingezet in de scanstraat om op te bouwen in uren en dat dit voorlopig wordt voortgezet omdat re-integratie in de eigen functie op dat moment nog niet mogelijk was. Dat de loondoorbetalingsverplichting voor de bedongen arbeid op grond van artikel 7:629 lid 1 BW was geëindigd, doet niet ter zake.

Verder volgt uit de nota van toelichting bij het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding naar het oordeel van de kantonrechter dat bij de berekening van de transitievergoeding moet worden uitgegaan van de oorspronkelijke overeengekomen arbeidsduur en het daarbij behorende loon. De transitievergoeding moet dus berekend worden op basis van het loon en de arbeidsduur ten tijde van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid.

(Bron: PKF Wallast)

Computerhandelaar boekt terecht af op voorraden

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de omzetcorrectie voor het jaar 2007 in zijn geheel moet vervallen. Deze omzetcorrectie gaat er namelijk ten onrechte vanuit dat, door de afboeking van € 100.000, er sprake is van een ongeloofwaardig lage brutowinstmarge.

X handelt in computers en computeronderdelen. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur een btw-naheffingsaanslag op aan X. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het betreft met name de omzetcorrectie op de afboekingen van voorraden in 2007 (€ 100.000), 2008 (€ 15.000) en 2009 (€ 10.000).

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de omzetcorrectie voor het jaar 2007 in zijn geheel moet vervallen. Volgens de rechtbank gaat deze omzetcorrectie er namelijk ten onrechte vanuit dat, door de afboeking van € 100.000, er sprake is van een ongeloofwaardig lage brutowinstmarge. De afboeking van € 100.000 heeft namelijk voor € 62.000 betrekking op 2006 en voor € 38.000 op 2007. Gezien het voorgaande is de rechtbank dan ook van mening dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat er sprake is van niet-geboekte verkopen. Vervolgens stelt de rechtbank nog vast dat de correcties voor 2008 en 2009 wel terecht zijn. Deze afboekingen kunnen namelijk geen verband houden met een systeemfout, omdat deze reeds in 2007 was ontdekt. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag.

(Bron: Taxlive)

Niet nakomen van publicatieplicht jaarrekening is economisch delict

De economische kamer van Hof Amsterdam ziet geen meerwaarde in het opleggen van de verplichting tot het alsnog publiceren van de jaarrekening. Vooralsnog is onduidelijk welke gegevens het bedrijf precies moet publiceren.

Bedrijf X is door de economische politierechter van de Rechtbank Noord-Holland veroordeeld wegens het niet openbaar maken van haar jaarrekening over 2012. Zij heeft niet uiterlijk binnen dertien maanden na afloop van het boekjaar 2012 de jaarrekening van dat boekjaar openbaar gemaakt. Hierdoor is derden de kans ontnomen zelfstandig enig inzicht te krijgen in de vermogenspositie van het bedrijf. De straf is een boete van € 900, waarvan € 450 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met het opleggen van de verplichting om binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de cijfers te deponeren ten kantore van het handelsregister. X gaat in hoger beroep.

De economische kamer van Hof Amsterdam ziet geen meerwaarde in het opleggen van de verplichting tot het alsnog publiceren van de jaarrekening. Vooralsnog is onduidelijk welke gegevens X precies moet publiceren. Daarom wordt van het opleggen van de maatregel ingevolge art.8c Wet op de Economische Delicten (WED) afgezien. Aangezien duidelijk is dat X in elk geval aan enige publicatieplicht moet voldoen, wordt ervan uitgegaan dat zij haar verplichting terzake zal nakomen. Het hof acht een deels voorwaardelijke boete passend en geboden.

(Bron: Taxlive)

CAP verduidelijkt oprenting oudedagsverplichting in de BV

Volgens de wettekst wordt de oudedagsverplichting (ODV) jaarlijks verhoogd met het wettelijk vastgestelde percentage. In de praktijk was onduidelijk hoe men de rente moest bepalen wanneer een dga in de loop van het jaar zijn pensioenaanspraak had omgezet in een ODV en hoe men de rente moest bepalen bij het ingaan van de uitkeringen in de loop van het jaar.

Ook was niet duidelijk hoe men de rente moest bepalen  in voornoemde situaties voor de fiscale winstbepaling. In een Vraag & Antwoordbesluit van 29 september 2017 (V&A 17-027) heeft het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst (CAP) een handreiking gegeven om de oprenting in diverse situaties te bepalen.

Gewogen gemiddeldes

Uitgangspunt is de jaarlijkse oprenting op de omzettingsverjaardag. Bij omzetting van het pensioen in eigen beheer  in een ODV op 1 juli 2017, is de eerste omzettingsverjaardag 1 juli 2018. Bij het bepalen van de oprenting moet men uitgaan van de gewogen gemiddeldes van de rente voor de jaren 2017 en 2018. Voor de fiscale winstberekening per 31 december 2017 kan men de tijdsevenredige wettelijke rente voor 2017 nemen gedurende de maanden juli tot en met december 2017.

Als de uitkeringen bijvoorbeeld ingaan op 1 maart 2019, moet eerst de rente berekend worden vanaf de laatste omzettingsverjaardag, 1 juli 2018, tot 1 maart 2019. Hiervoor geldt dat men moet uitgaan van het gewogen gemiddelde van de rente voor 2018 en 2019.

Voor de fiscale winstberekening over het jaar 2019 moet er nog een aanvullende renteberekening plaatsvinden vanaf 1 januari 2019 tot 1 maart 2019.

Bij het ingaan van de uitkeringen, moet het ODV saldo op de uitkeringsverjaardag worden opgerent. Stel dat 1 maart 2019 de uitkeringen zijn ingegaan, dan is de eerste uitkeringsverjaardag 1 maart 2020. De grondslag voor de oprenting is de stand van de ODV per 1 maart 2019 minus de na die datum vervallen termijnen.

Als de oprenting niet op de balansdatum plaatsvindt, kan het deel van de eerstvolgende oprenting dat betrekking heeft op de periode tot (fiscale) balansdatum, bij het bepalen van de fiscale winst van het betreffende boekjaar in aanmerking worden genomen door op de fiscale eindbalans een transitorische passiefpost op te nemen.

(Bron: Taxence)

Fiscale plannen nieuwe kabinet

Aan het regeerakkoord van het nieuwe kabinet ontlenen wij de volgende plannen op fiscaal gebied:

Inkomstenbelasting

  • Vanaf 2019 invoering tweeschijvenstelsel IB/LB met basistarief van 36,93% en toptarief van 49,5%. Het aangrijpingspunt van het toptarief (€ 68.507 in 2018) wordt bevroren;
  • Verhoging algemene heffingskorting met ca. € 350 in 2021 en verhoging arbeidskorting;
  • De ouderenkorting wordt verhoogd met € 160. Gelijktijdig komt er een geleidelijke inkomensafhankelijke afbouw;
  • De vaste voet in de inkomensafhankelijke combinatiekorting gaat naar € 0, het opbouwpercentage wordt verhoogd;
  • De overdraagbaarheid van de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de arbeidskorting wordt geleidelijk afgeschaft;
  • Het recht op arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting bij ZW-uitkeringen van uitkeringsgerechtigden zonder dienstverband wordt afgeschaft;
  • Het eigenwoningforfait wordt vanaf 2020 verlaagd;
  • De regeling ‘geen of beperkte eigen woningschuld’ (Wet Hillen) wordt de komende 20 jaar stapsgewijs afgebouwd (zie hierover een laatste update van de NOS);
  • De hypotheekrenteaftrek wordt vanaf 2020 in jaarlijkse stappen van 3% verlaagd naar het basistarief;
  • De fiscale aftrekpost voor scholingskosten wordt vervangen door een individuele leerrekening voor alle Nederlanders die een startkwalificatie hebben gehaald;
  • Box 2-tarief gaat naar 27,3 % in 2020 en naar 28,5% in 2021;
  • In box 3 wordt sneller aangesloten op het werkelijk rendement van spaartegoeden. Het heffingvrije vermogen wordt verhoogd naar € 30.000 per persoon. Een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement wordt uitgewerkt;
  • Na evaluatie van de huidige gebruikelijk-loon-regeling zal het kabinet bezien of de regeling moet worden aangepast. Hierbij wordt bezien of de regeling ten aanzien van het uitbetalen in aandelen voor start-ups en scale-ups wordt verruimd;
  • De Wet DBA wordt vervangen. De nieuwe wet moet enerzijds zekerheid bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en anderzijds schijnzelfstandigheid voorkomen. Voor zzp-ers wordt bepaald dat sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een lange duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Er komt een ‘opt out’ voor de loonbelasting en werknemersverzekeringen voor de bovenkant van de markt. Dit geldt bij een hoog tarief in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst of een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Voor zelfstandigen boven het “lage’ tarief wordt een opdrachtgeversverklaring ingevoerd die vooraf duidelijkheid en zekerheid moet geven. Hiertoe moet een webmodule worden ingevuld. De gezagsverhouding wordt voortaan meer getoetst op basis van materiële in plaats van formele omstandigheden. Het huidige handhavingsmoratorium wordt gefaseerd afgebouwd.

Loonbelasting

  • In het kader van vernieuwing van het pensioenstelsel wordt bezien of het fiscaal kader alleen nog op de pensioenpremie kan worden begrensd;
  • De looptijd van de 30%-regeling wordt beperkt van acht naar vijf jaar;
  • De onbelaste vrijwilligersvergoeding gaat omhoog van € 1500 naar € 1700.

Vennootschaps- en dividendbelasting

  • Het VPB-tarief gaat in stappen van 20% en 25% naar 16% en 21% per 2021. De verlenging van de eerste schijf in de VPB van € 200.000 naar € 350.000 wordt teruggedraaid. De schijfgrens blijft dus € 200.000;
  • De grondslag van de VPB wordt verbreed. De aftrekbaarheid van rente van vreemd vermogen wordt beperkt. Enkele bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen worden afgeschaft. Daarbij gaat het niet om specifieke renteaftrekbeperkingen gericht tegen winstdrainage;
  • Voor banken en verzekeraars komt er een thin cap rule die renteaftrek over vreemd vermogen boven 92% van het commerciële balanstotaal beperkt;
  • De afschrijving gebouwen in eigen gebruik in de VPB wordt beperkt tot een bodemwaarde van 100% van de WOZ-waarde (was 50%);
  • Het effectief tarief van de innovatiebox gaat van 5% naar 7%;
  • De voorwaartse verrekening van verliezen in de VPB wordt beperkt tot zes jaar;
  • Om belastingontwijking aan te pakken pleit het kabinet voor het opstellen van een zwarte lijst met niet-coöperatieve jurisdicties en verder  voor een verplichting voor multinationals om per EU-land en per land op de zwarte lijst te rapporteren over hun activiteiten;
  • De dividendbelasting wordt afgeschaft.
  • Directe beleggingen in vastgoed door beleggingsinstellingen worden niet meer toegestaan.
  • Invoering van een bronbelasting op rente en royalty’s op uitgaande financiële stromen naar landen met zeer lage belastingen (low taks jurisdictions);

Omzetbelasting

  • Verhoging lage btw-tarief van 6% naar 9%.

Milieubelastingen

  • Het tarief van de eerste schijf aardgas in de energiebelasting gaat 3,00 cent omhoog en de tarieven in de eerste schijf voor elektriciteit gaat 0,72 cent omlaag. De belastingvermindering in de energiebelasting wordt verlaagd;
  • Een hogere belasting op het storten en verbranden van afval;
  • Er wordt ingezet op Europese afspraken over belastingen op luchtvaart. Een heffing op lawaaiige en vervuilende vliegtuigen wordt bezien. Mogelijk wordt in 2021 een vliegbelasting ingevoerd;

Autobelastingen

  • De BPM-teruggaafregeling op taxi’s wordt afgeschaft;
  • Er komt een kilometerheffing voor vrachtverkeer. Als compensatie wordt de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s verlaagd;

Diversen

  • De informatiepositie en de opsporingscapaciteit van de Belastingdienst wordt versterkt en er komt meer transparantie;
  • Er komt een korting op de verhuurderheffing voor corporaties die investeren in verduurzaming/energiebesparing;
  • Verlaging normpercentage zorgtoeslag paren met 0,45%-punt;
  • Voor de kinderopvangtoeslag wordt € 250 miljoen per jaar extra uitgetrokken;
  • De huurtoeslag wordt over een langer inkomenstraject afgebouwd. De ‘kan’-bepaling wordt geschrapt. Er worden vereenvoudigingen van de huurtoeslag doorgevoerd;
  • Er komen lage parkeertarieven voor emissieloze auto’s;
  • De tabaksaccijns wordt verhoogd.

(Bron: Taxlive)

Nog één jaar profiteren van extra giftenaftrek?

Voor zowel particulieren als VPB-ondernemingen die een gift doen aan een culturele instelling geldt al bijna vijf jaar een extra giftenaftrek: de multiplier. Op grond van de huidige wetgeving vervalt deze regeling per 1 januari 2018. Op Prinsjesdag heeft het kabinet zijn voornemen aangekondigd om de geldigheidsduur van de multiplierregeling met één jaar te verlengen tot 1 januari 2019. Bij aanneming van dit voorstel zal dus ook in 2018 een verhoogde aftrek gelden voor giften aan culturele instellingen.

Algemeen nut beogende instelling

Een instelling wordt als een algemeen nut beogende instelling (ANBI), mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • de instelling zet zich voor 90% of meer in voor het algemene nut;
  • de instelling dient zowel feitelijk als statutair het algemeen belang;
  • er is geen sprake van een winstoogmerk;
  • de beschikkingsmacht over het vermogen ligt niet bij een natuurlijke persoon of rechtspersoon;
  • er wordt geen overtollig vermogen aangehouden;
  • bestuurders of beleidsbepalers ontvangen alleen een onkostenvergoeding en een niet-bovenmatig vacatiegeld;
  • de instelling heeft een actueel beleidsplan dat inzage geeft in de werkzaamheden en werving, beheer en besteding van gelden;
  • de kosten staan in een redelijke verhouding tot de bestedingen voor het doel;
  • een batig liquidatiesaldo komt ten goede aan het algemeen nut;
  • uit de administratie van de instelling blijkt dat aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan;
  • de instelling en de personen die rechtstreeks daaraan zijn verbonden voldoen aan de integriteitseisen; en
  • op internet worden bepaalde gegevens, waaronder de (officiële) naam, de contactgegevens, de doelstelling van de instelling, gepubliceerd.

 

Culturele instellingen

Een ANBI die voor minstens 90% actief is op cultureel gebied, kan de status ‘culturele ANBI’ krijgen. In het Programma ANBI op de internetsite van de Belastingdienst kunt u opzoeken of een instelling als zodanig is aangewezen. Achter de naam van de instelling in de kolom activiteit is dan ‘Cultuur’ vermeld. Voorbeelden van culturele instellingen zijn instellingen die actief zijn in onder andere beeldende kunst, bouwkunst, erfgoed, dans, film, letteren, (pop)muziek, (muziek)theater of vormgeving.

 

Belastingvoordeel voor donateur

Wat is het belastingvoordeel voor donateurs van een culturele instelling? Voor particulieren geldt een extra giftenaftrek in de inkomstenbelasting, de zogenaamde multiplierregeling. Zij mogen op basis van deze regeling in hun aangifte inkomstenbelasting 1,25 keer het bedrag van de gift aftrekken. Bij een periodieke gift van € 1.000 aan een culturele instelling kan een particulier dus een gift van € 1.250 in aanmerking nemen. Zie ook de artikelen: ‘Nieuw besluit over periodieke giften’ en ‘Lage sterftekans echtpaar verhinderde periodieke giftenaftrek’. De maximale gift waarop de multiplier kan worden toegepast bedraagt € 5.000. Let wel erop dat bij een eenmalige gift nog wel rekening moet worden gehouden met de drempel en het plafond voor de giftenaftrek. Ondernemingen die onder de vennootschapsbelasting vallen, mogen in de aangifte vennootschapsbelasting 1,5 keer het bedrag van de gift aftrekken, met een maximum van
€ 2.500. Mocht de Belastingdienst de ANBI-status achteraf met terugwerkende intrekken, dan wordt de giftenaftrek bij de donateur slechts teruggevorderd als hij te kwader trouw is.

 

Verlenging geldigheidsduur multiplier

De multiplierregeling is in het jaar 2012 ingevoerd voor een periode van vijf jaar. Dat betekent dat deze regeling zowel in de inkomstenbelasting als de vennootschapsbelasting per 1 januari 2018 vervalt. Op 15 maart 2017 heeft de Tweede Kamer de evaluaties van de multiplier giftenaftrek controversieel verklaard. De vraag of de multiplierregeling al dan niet moet worden gecontinueerd, wordt om die reden overgelaten aan het nieuwe kabinet. Wel wordt voorgesteld om de geldigheidsduur van de multiplierregeling met een jaar te verlengen tot 1 januari 2019. Voor deze verlenging is, naast aanneming van het voorstel door de Tweede en de Eerste Kamer, ook een goedkeuring van de Europese Commissie nodig.

(Bron: Taxence)

In 2018 ook kinderopvangtoeslag voor peuterspeelzaal

Vanaf 1 januari 2018 worden alle peuterspeelzalen kinderdagverblijven. Dat betekent dat u als werkende ouder mogelijk ook kinderopvangtoeslag kunt aanvragen als uw kind naar de peuterspeelzaal gaat.

Kinderopvangtoeslag

De kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming voor werkende ouders met jonge kinderen die naar de kinderopvang gaan. De overheid draagt bij aan de kosten van kinderopvang. Hoe hoog de toeslag is, hangt af van de hoogte van het inkomen van de ouders, het aantal kinderen en de soort opvang.

Tip: Gaat uw kind naar de peuterspeelzaal en voldoet u aan de voorwaarden, vraag dan vanaf 1 november 2017 de kinderopvangtoeslag aan via Belastingdienst/Toeslagen.

Let op! U krijgt geen kinderopvangtoeslag over de uren die de gemeente vergoedt. De toeslag geldt namelijk alleen voor de uren die u zélf betaalt. Informeer dan ook bij de peuterspeelzaal of de gemeente meebetaalt.

(Bron: HLB)

Pandhouder én belastingschuldige moeten verhaal bodemzaak melden

Een pandhouder die zich wil verhalen op een bodemzaak moet dit nu eerst melden aan de Belastingdienst. Deze verplichting zal per 2018 ook gaan gelden voor de belastingschuldige. Pandhouders en andere derden die deze regel niet volgen, moeten de executiewaarde aan de Belastingdienst afdragen.

Een bodemzaak is een roerende zaak die zich op het grondgebied (de bodem) van de belastingschuldige bevindt en die de schuldenaar doorlopend gebruikt. Twee bekende voorbeelden zijn de inventaris en machines. De pandhouders van deze roerende zaken mogen deze activa niet veilig (laten) stellen door hier beslag op te leggen, als dit niet eerst is gemeld bij de Belastingdienst. De Belastingdienst loopt er op dit moment tegenaan dat belastingschuldigen, voor wie momenteel geen mededelingsplicht geldt, de bodemzaken in samenwerking met de pandhouders weg kunnen laten halen. Per 2018 zal de meldingsplicht daarom ook gaan gelden voor belastingschuldigen met bodemzaken waarop een pandrecht is gevestigd.

De executiewaarde afdragen aan de Belastingdienst

De Belastingdienst beslist binnen vier weken na de melding of de pandrechthouder zich op de zaak mag verhalen. In deze periode mag de pandhouder geen handelingen verrichten, tenzij de fiscus daar toestemming voor geeft. Als belastingschuldigen de melding niet doen, worden de pandhouder en andere derden verplicht om de executiewaarde aan de Belastingdienst af te dragen. Dit hoeft niet als zij met de eigen administratie kunnen aantonen dat de opbrengst niet op hun bankrekening kwam te staan.

(Bron: Rendement)

Opzegverbod bij ziekmelding vlak na ontslagaanvraag?

Werkgevers die een ontslagaanvraag indienen, moeten goed nadenken over de communicatie hierover. Hoort een werknemer al vroeg over de aanvraag, dan kan hij dwars gaan liggen door zich ziek te melden.

Voor ontslag om bedrijfseconomische redenen moet de werkgever een ontslagaanvraag indienen bij UWV. Als er een opzegverbod geldt, bijvoorbeeld omdat de werknemer ziek is (maar nog niet langer dan twee jaar), is het ontslag niet toegestaan. Maar als een werknemer zich ziek meldt nadat de werkgever een ontslagaanvraag heeft ingediend bij UWV, zal het uitvoeringsinstituut in principe geen rekening houden met het opzegverbod.

Dag wachten met informeren over ontslagaanvraag

Uit recente rechtspraak en toelichtingen op de wet blijkt dat een werknemer die zich ziek meldt op dezelfde dag als waarop UWV het ontslagverzoek heeft ontvangen nog wél onder het opzegverbod valt. De kantonrechter zal niet tot een ander oordeel komen. De werkgever kan daarom beter nadat UWV het ontslagverzoek heeft ontvangen nog een dag wachten voordat hij de werknemer informeert over de aanvraag. Een ziektemelding staat de ontslagaanvraag dan niet meer in de weg. Daar staat natuurlijk wel tegenover dat zo’n laat bericht tot onvrede onder het personeel kan leiden.

Geen opzegverbod als ziekte snel ten einde komt

Overigens geldt dat als de verwachting is dat op korte termijn de arbeidsongeschiktheid ten einde komt, het opzegverbod niet van toepassing is. Korte termijn houdt hier in: binnen vier weken na de dag waarop UWV beslist over de ontslagaanvraag van de werkgever. Een werkgever kan hiervoor bij de ontslagaanvraag een verklaring van de bedrijfsarts aan UWV voorleggen.

(Bron: Rendement)