Verkoopwinst van € 225.000 bij aan- en verkoop kantoorpand niet belast als resultaat uit overige werkzaamheden

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verkoopwinst van ongeveer € 223.000 die X binnen drie maanden heeft behaald met de verkoop van een kantoorpand niet belast is als resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in art. 3.91 lid 1 onderdeel c Wet IB 2001. Wel is sprake van een belast resultaat uit terbeschikkingstelling als bedoeld in art. 3.92 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001.

Belanghebbende, X, is 100% aandeelhouder in bv Y, welke bv 51% van de aandelen houdt van de werkmaatschappij bv X waarin een accountantskantoor wordt gedreven. Een andere dochter van bv Y, namelijk bv Z is eigenaar van een kantoorpand dat zij verhuurt aan een andere accountantskantoor (bv U). Na het faillissement van dit accountantskantoor verkoopt bv X het pand met toestemming van de bank aan “bv Y, dan wel een daartoe in de plaats te stellen vennootschap, dan wel X in privé” voor een bedrag van € 670.000. Vervolgens vindt op 27 april 2012 de levering van het pand plaats aan X. Vervolgens neemt bv X de exploitatie van bv U over en stelt X het pand aan bv X ter beschikking. Vervolgens verkoopt X het pand aan de door bv Y opgerichte vennootschap bv A voor een bedrag van € 895.000. De levering vindt plaats op 3 augustus 2012.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verkoopwinst van ongeveer € 223.000 die X binnen drie maanden heeft behaald met de verkoop van een kantoorpand niet belast is als resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in art. 3.91 lid 1 onderdeel c Wet IB 2001. De inspecteur maakt niet aannemelijk dat X ten tijde van de koop en levering van het pand het oogmerk had om het pand door te verkopen teneinde een voordeel te behalen. De verklaring die X heeft gegeven, acht de rechtbank plausibel. Wel is sprake van een belast resultaat uit terbeschikkingstelling als bedoeld in art. 3.92 lid 1 onderdeel a Wet IB 2001.

(Bron: Taxlive)

Verzekeringsplicht werknemersverzekeringen voor middellijk aandeelhoudster

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in hoger beroep dat uit de HR-jrurisprudentie volgt dat de aanwezigheid van een gezagsverhouding niet materieel, maar formeel moet worden getoetst.

Belanghebbende, X bv, handelt in zeildoek en andere uitrusting voor vaartuigen. Haar aandelen worden gehouden door een holding, die ook de bestuurder van X bv is. De aandelen in de holding worden gehouden door C bv. C bv heeft certificaten van aandelen uitgegeven, die worden gehouden door mevrouw A (50%) en door haar drie kinderen (elk 16,66%). A is enig bestuurder van de holding. Het bestuur van C bv wordt gevormd door A en twee van haar kinderen. Ieder bestuurslid heeft één stem. A werkt 16 uur per week voor X bv tegen een vaste maandelijkse beloning. In geschil is of A is verzekerd voor de werknemersverzekeringen en in het bijzonder of de naheffingsaanslag loonheffing over 2009 terecht is. Rechtbank Gelderland stelt de inspecteur in het gelijk. X bv stelt in hoger beroep dat materieel moet worden getoetst of er een gezagsverhouding is. A is namelijk slechts middellijk aandeelhoudster (zie HR 14 februari 2014, nr. 13/00475, V-N 2014/10.14). A zou feitelijk de baas zijn, aangezien zij zowel 50% aandeelhouder als enig bestuurder van de holding als moeder van het gezin is.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat uit HR 22 maart 2013, nr. 12/02909, V-N 2013/17.27.12 volgt dat de aanwezigheid van een gezagsverhouding niet materieel, maar formeel moet worden getoetst. Het is aannemelijk dat A de aanwijzingen van (het bestuur van) X bv moet opvolgen. Dat A in een andere functie – als lid van het bestuur van C bv, bestuurder van de holding en/of moeder van het gezin – invloed kan uitoefenen op die aanwijzingen doet daaraan niet af. Aangezien niet in geschil is dat sprake is van de verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en dat daarvoor loon wordt ontvangen, is de arbeidsrelatie tussen X bv en A een dienstbetrekking. Ook niet in geschil is dat de aanslag moet worden verminderd tot € 3.725. Het beroep van X bv is slechts in zoverre gegrond.

(Bron: Taxlive)

Knip in bijtelling auto van de zaak is geen discriminatie

Het algemene tarief voor de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak is dit jaar verlaagd naar 22%. Maar voor auto’s die al vorig jaar op kenteken zijn gezet, moeten werkgevers nog rekenen met het hogere tarief van 25%. Toch is hier geen sprake van discriminatie, oordeelde rechtbank in Den Haag onlangs.

Sinds 1 januari 2017 is het algemene bijtellingspercentage voor privégebruik van de auto van de zaak 22%. Voor die tijd was het reguliere percentage nog 25%. Het nieuwe, lagere percentage geldt alleen voor auto’s die na 1 januari 2017 op kenteken zijn gezet. Daardoor ontstaat de situatie dat voor een auto die op 2 januari 2017 op de weg is toegelaten 22% bijgeteld moet worden, terwijl voor een identieke wagen die op 30 december 2016 op kenteken is gezet het percentage 25% is. Dat is een ongelijke behandeling van gelijke gevallen vond de Vereniging Zakelijke Rijders, die een proefprocedure startte.

Lagere bijtelling door nieuwe zuinige auto’s

De rechtbank in Den Haag kreeg vier zaken voorgelegd, twee over een bestelauto en twee over een personenauto, die allemaal vóór 1 januari 2017 op kenteken waren gezet. De klacht was dus dat er sprake was van discriminatie. De inspecteur stelde echter dat de wetgever met deze regeling keurig binnen zijn ruime beoordelingsbevoegdheid was gebleven.
En ook de rechtbank kwam tot die conclusie. De overheid mag gelijke gevallen verschillend behandelen, tenzij daar geen redelijke gronden voor zijn. Maar de wetgever was hier niet buiten zijn boekje gegaan, oordeelde de rechter. De verlaging van het bijtellingspercentage is onder meer ingegeven doordat nieuwe auto’s steeds zuiniger worden. Dan is het logisch dat het lagere percentage alleen geldt voor ‘nieuwe’ auto’s. Dat ‘nieuw’ hier is gedefinieerd als ‘vanaf 1 januari 2017’ valt binnen de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever. Het beroep tegen de hoge bijtelling ging dus van tafel.

(Bron: Rendement)

Stamrecht waaruit geen uitkeringen vloeien is prijsgegeven

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de stamrechtaanspraak terecht tot het loon heeft gerekend. Aangezien geen stamrechtuitkeringen zijn gedaan, is de aanspraak prijsgegeven, en moet de aanspraak tot het loon worden gerekend.

Belanghebbende, X, heeft een stamrecht-bv (B bv). X geniet tot 2007 uitkeringen van B bv. De uitkeringen worden als loon uit dienstbetrekking aangegeven. De bv brengt de uitkeringen als loon ten laste van haar winst. In 2007 wordt X 65 jaar. X laat in dat jaar een pensioenkapitaal van € 630.000 aan B bv overdragen. B bv brengt de uitkeringen aan X in 2007 ten laste van de pensioenvoorziening. Er zijn geen uitkeringen ten laste van de stamrechtvoorziening gebracht. In 2012 legt de inspecteur een IB-navorderingsaanslag aan X op over 2007. Hij verhoogt het inkomen van X met de waarde van de stamrechtaanspraak. Volgens de inspecteur moet de waarde van de stamrechtaanspraak namelijk op grond van art. 3.82 Wet IB 2001 juncto art. 19b Wet LB 1964 tot het loon worden gerekend. X is het hier niet mee eens. In eerste instantie is in geschil of de inspecteur beschikt over een voor navordering noodzakelijk nieuw feit. Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit en vernietigt de navorderingsaanslag. De staatssecretaris gaat in cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is van een ambtelijk verzuim. De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar Hof Amsterdam om de geschilpunten waaraan Hof Den Haag niet is toegekomen te behandelen.

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de stamrechtaanspraak terecht tot het loon heeft gerekend. Volgens het hof maakt X namelijk niet aannemelijk dat vóor 2007 stamrechtuitkeringen zijn gedaan. Aangezien ook vanaf 2007, afgezien van een uitkering van € 5950, geen stamrechtuitkeringen zijn gedaan, heeft X volgens het hof zijn aanspraak prijsgegeven, en moet de aanspraak tot het loon uit vroegere dienstbetrekking worden gerekend op het onmiddellijk aan dat prijsgeven voorafgegane tijdstip. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

Stelt u arbeidskrachten ter beschikking? Denk aan Waadi en StiPP!

Als u arbeidskrachten ter beschikking stelt aan andere organisaties, is het belangrijk om dit te vermelden in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Deze registratieplicht vloeit voort uit de Wet Allocatie Arbeidskrachten door Intermediairs (Waadi) die tot doel heeft om het voortbestaan van malafide uitzendondernemingen tegen te gaan.

Ook als u alleen incidenteel een arbeidskracht ter beschikking stelt, is de registratieplicht van toepassing.

Boetes

Het Ministerie van SZW houdt toezicht op de naleving van de wet. Waar nodig kunnen boetes opgelegd worden die oplopen tot € 36.000 per arbeidskracht! Ook als u zelf arbeidskrachten inleent, bent u verplicht om de Waadi-check te doen om mogelijke boetes te voorkomen (de bewijslast ligt bij u).

Wanneer is er sprake van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten?

  • Er is een onderneming die arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een andere onderneming.
  • De onderneming die arbeidskrachten ter beschikking stelt, krijgt hiervoor een vergoeding van de onderneming aan wie de arbeidskrachten ter beschikking zijn gesteld.
  • De arbeidskracht die ter beschikking is gesteld, werkt onder leiding en toezicht van de onderneming aan wie hij/zij ter beschikking is gesteld.

Aanschrijving door het StiPP

De toevoeging van de Waadi-vermelding in het Handelsregister, is voor de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP) aanleiding om u een brief met vragenlijst te sturen. Het invullen en terugsturen van deze lijst leidt (ongeacht de inhoud) vaak tot de conclusie dat de organisatie zich verplicht moet aansluiten bij het StiPP. Deze conclusie is in veel gevallen niet juist. De feitelijke situatie binnen uw onderneming vormt het namelijk het juiste uitgangspunt. Daarbij is ook de inhoud van de gehanteerde voorwaarden en de uitzendcontracten van groot belang.

Duidelijkheid over verplichtstelling StiPP

Sinds de uitspraak van de Hoge Raad in november 2016 is eindelijk duidelijkheid geschept over wanneer een onderneming als een uitzendorganisatie wordt gezien.

Als u meer dan 50% van het totaal premieplichtig loon aan arbeidskrachten ter beschikking stelt waarbij leiding en toezicht wordt uitgevoerd door de opdrachtgever, valt u onder het uitzendwezen.

Niet alleen de verplichtstelling van StiPP maar ook de overige cao-verplichtingen en de sectorindeling zijn in dat geval op u van toepassing!

Wat te doen bij aanschrijving door het StiPP?

Als u (ten onrechte) wordt aangeschreven door het StiPP, vormt een zorgvuldig geformuleerde sluitende toelichting de eerste aanzet tot de gewenste oplossing. Laat u daarbij bijstaan door een pensioenadviseur en/of een arbeidsrechtjurist bij het traject.

Het achterhalen van de feitelijke situatie binnen de onderneming en het uitvoeren van een risicoanalyse vormen de basis van de inventarisatie. Op basis hiervan ontvangt u een advies en wordt een toelichting aan het StiPP geformuleerd.

(Bron: Abab)

Geen fiscale eenheid bij aandelenbezit via STAK

Op grond van de in december 2016 aangenomen Wet aanpassing fiscale eenheid kunnen dochtermaatschappijen waarvan de aandelen zijn gecertificeerd en worden gehouden door een stichting administratiekantoor (stak) niet langer in een fiscale eenheid vennootschapsbelasting worden gevoegd. De wetswijziging heeft ook gevolgen voor reeds bestaande fiscale eenheden.

Voor de totstandkoming van een fiscale eenheid is vereist dat een moedermaatschappij middellijk of onmiddellijk ten minste 95 procent van de juridische en economische eigendom van de in de fiscale eenheid te voegen dochtermaatschappijen bezit. Tot de datum van inwerkingtreding van het genoemde wetsvoorstel op 9 december 2016 kon op basis van het zogenoemde stak-arrest (HR 18 juni 2010, nr. 08/03662, ECLI:NL:HR:2010:BK3803) een dochtermaatschappij ook in de fiscale eenheid worden opgenomen als het stemrecht op de aandelen door de stak werd uitgeoefend conform instructies van de certificaathouder/moedermaatschappij.

Vanaf 9 december 2016 is de bezitseis aangescherpt. Materiële zeggenschap door de moedermaatschappij is niet meer voldoende; de moedermaatschappij moet 95 procent houden van de gehele juridische én economische eigendom.

De volgende fiscale eenheid is dus niet meer mogelijk:

De staatssecretaris van Financiën heeft desgevraagd aangegeven dat de aanscherping van de bezitseis nodig is ter voorkoming van uitvoeringsproblemen bij de beoordeling van materiële zeggenschap ten aanzien van in andere EU-landen gevestigde moeder- of tussenhoudstermaatschappijen.

Overgangsmaatregel

De gewijzigde regelgeving kan ook gevolgen voor reeds bestaande fiscale eenheden. Om die reden heeft de staatssecretaris een overgangstermijn gesteld van twee jaar. Let op, verraderlijk: de aangescherpte bezitseis geldt voor bestaande structuren met ingang van het boekjaar dat aanvangt nadat twee jaren zijn verstreken na de indiening van het wetsvoorstel. Aangezien het wetsvoorstel is ingediend op 8 oktober 2015 eindigt de overgangstermijn op 31 december 2017.

Actie nodig?

Fiscalisten en accountants doen er goed aan bij hun cliënten te checken of er dochtermaatschappijen via een stak worden gehouden. Zo ja, dan zal de concern- c.q. zeggenschapstructuur moeten worden aangepast om op 1 januari 2018 de fiscale eenheid te kunnen continueren.

(Bron: Accountant.nl)

Te laat aangevraagd btw-nummer

Ontwikkelingsorganisatie X vroeg in december 2012 aan de inspecteur om als BTW-ondernemer te worden aangemerkt en haar aangiftebiljetten voor de jaren 2006 tot en met 2012 uit te reiken. In oktober 2013 ontving X de aangifteformulieren voor 2006 tot en met 2011 en diende deze in november 2013 in. Het aangifteformulier voor 2012 diende X in december 2013 in. De inleverdatum op de aangifteformulieren was steeds 1 februari van het volgend jaar. De inspecteur verklaarde de teruggaafverzoeken van X over 2006 tot en met 2012 niet ontvankelijk omdat zij buiten de wettelijke termijn waren ingediend. X ging in beroep en stelde dat zij als BTW-ondernemer moest worden aangemerkt. De inspecteur had haar ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om door het indienen van aangiften verzoeken om teruggaaf in te dienen. Rechtbank Gelderland besliste dat X in dit geval binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarop de teruggaaf betrekking had, had moeten verzoeken om teruggaaf van BTW. De driemaandentermijn volgde volgens de Rechtbank uit artikel 31, lid 2 en lid 5, Wet OB omdat moest worden aangenomen dat bij een eerste teruggaafverzoek, zonder dat sprake was van een uitnodiging tot het doen aangifte, geen aangifte moest worden gedaan op grond van artikel 14, lid 1, Wet OB. De Rechtbank besliste dat X in wezen had verzocht om aangiften over alle kalenderkwartalen van 2007 tot en met 2012. Uit artikel 10, lid 2, AWR kon volgens de Rechtbank worden afgeleid dat de inspecteur een termijn moest stellen van tenminste een maand na het einde van de betreffende kalenderkwartalen en hij had dit ook daadwerkelijk gedaan. maar niet bevoegd was de wettelijke aangiftetermijnen ten gunste van X te verlengen. Wel besliste de Rechtbank dat de inspecteur de teruggaafverzoeken over het derde en vierde kwartaal 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard omdat X al in haar brief van december 2012 (en dus voordat de driemaandentermijn voor die kwartalen was verstreken) om uitreiking van aangiftebiljetten had gevraagd. De Rechtbank was het echter niet met X eens dat zij voor de uitvoering van projecten in ontwikkelingslanden BTW-ondernemer was omdat tussen haar en het Ministerie van Buitenlandse Zaken een rechtsbetrekking bestond op grond waarvan zij van dit ministerie vergoedingen ontving voor diensten die zij aan dezelfde ministerie verleende. De Rechtbank besliste dat X haar activiteiten primair verrichtte ter verwezenlijking van haar eigen doelstellingen en was het met de inspecteur eens dat geen sprake was van verbruik als bedoeld in het Landboden Agrardienste-arrest van het EU-Hof. De Rechtbank besliste dat X geen diensten tegen vergoeding had verricht en dat zij geen ondernemer voor de BTW was.Ontwikkelingsorganisatie X vroeg in december 2012 aan de inspecteur om als BTW-ondernemer te worden aangemerkt en haar aangiftebiljetten voor de jaren 2006 tot en met 2012 uit te reiken. In oktober 2013 ontving X de aangifteformulieren voor 2006 tot en met 2011 en diende deze in november 2013 in. Het aangifteformulier voor 2012 diende X in december 2013 in. De inleverdatum op de aangifteformulieren was steeds 1 februari van het volgend jaar. De inspecteur verklaarde de teruggaafverzoeken van X over 2006 tot en met 2012 niet ontvankelijk omdat zij buiten de wettelijke termijn waren ingediend. X ging in beroep en stelde dat zij als BTW-ondernemer moest worden aangemerkt. De inspecteur had haar ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om door het indienen van aangiften verzoeken om teruggaaf in te dienen. Rechtbank Gelderland besliste dat X in dit geval binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarop de teruggaaf betrekking had, had moeten verzoeken om teruggaaf van BTW. De driemaandentermijn volgde volgens de Rechtbank uit artikel 31, lid 2 en lid 5, Wet OB omdat moest worden aangenomen dat bij een eerste teruggaafverzoek, zonder dat sprake was van een uitnodiging tot het doen aangifte, geen aangifte moest worden gedaan op grond van artikel 14, lid 1, Wet OB. De Rechtbank besliste dat X in wezen had verzocht om aangiften over alle kalenderkwartalen van 2007 tot en met 2012. Uit artikel 10, lid 2, AWR kon volgens de Rechtbank worden afgeleid dat de inspecteur een termijn moest stellen van tenminste een maand na het einde van de betreffende kalenderkwartalen en hij had dit ook daadwerkelijk gedaan. maar niet bevoegd was de wettelijke aangiftetermijnen ten gunste van X te verlengen. Wel besliste de Rechtbank dat de inspecteur de teruggaafverzoeken over het derde en vierde kwartaal 2012 ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard omdat X al in haar brief van december 2012 (en dus voordat de driemaandentermijn voor die kwartalen was verstreken) om uitreiking van aangiftebiljetten had gevraagd. De Rechtbank was het echter niet met X eens dat zij voor de uitvoering van projecten in ontwikkelingslanden BTW-ondernemer was omdat tussen haar en het Ministerie van Buitenlandse Zaken een rechtsbetrekking bestond op grond waarvan zij van dit ministerie vergoedingen ontving voor diensten die zij aan dezelfde ministerie verleende. De Rechtbank besliste dat X haar activiteiten primair verrichtte ter verwezenlijking van haar eigen doelstellingen en was het met de inspecteur eens dat geen sprake was van verbruik als bedoeld in het Landboden Agrardienste-arrest van het EU-Hof. De Rechtbank besliste dat X geen diensten tegen vergoeding had verricht en dat zij geen ondernemer voor de BTW was.

(Bron: FUTD)

Gebruiksvergoeding bij beëindiging samenwoning

Man en vrouw wonen samen in een gezamenlijke woning. De relatie eindigt en de vrouw verlaat de woning. De rechtbank oordeelt dat zij recht heeft op een gebruiksvergoeding.

De zaak (Rechtbank Amsterdam 7 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4006) verloopt als volgt. Op 2 september 2014 eindigt de relatie tussen man en vrouw. De vrouw verlaat op die dag de woning die zij in 2011 samen kochten en daarna samen bewoonden. In de samenlevingsovereenkomst is afgesproken dat ieder 50% van de kosten van de woning zal dragen. Naast de betaling van hypotheekrente gaat het om de gemeentelijke en andere heffingen en de kosten van verzekering.
Hoewel de vrouw niet meer in de woning woont, betaalt zij haar aandeel (50%) in de kosten door tot en met april 2015. De man stelt dat hij daarna alle kosten voldaan heeft. Hij vordert voor de rechter dat de vrouw hem compenseert. De vrouw stelt dat zij recht heeft op een gebruiksvergoeding. Daar is de rechtbank het mee eens. De gebruiksvergoeding heeft tot doel haar het profijt te vergoeden dat zij misloopt doordat zij de gebruiksrechten aan de man heeft gegund. Het gaat er dus om het woongenot te vergoeden dat zij misloopt.
De rechter kent de eis van een gebruiksvergoeding toe. De hoogte van de gebruiksvergoeding moet worden vastgesteld aan de hand van de redelijkheid en billijkheid. De vergoeding heeft betrekking op de periode mei 2015 tot het moment van verkoop van de woning. De rechtbank stelt de vergoeding vast op de helft van alle lasten verbonden aan de woning over deze periode. De man zal derhalve al deze kosten voor zijn rekening moeten nemen.

Belang voor de praktijk

Bij gezamenlijke eigendom van een woning is in beginsel elke mede-eigenaar op grond van artikel 3:169 BW bevoegd tot het gebruik van de woning. Wanneer slechts één mede-eigenaar met uitsluiting van de ander de woning gebruikt, dan kan dat aanleiding zijn voor het toekennen van een vergoeding voor gederfd gebruiksgenot.
Door de uitspraak van de rechtbank moet de man alle hypotheekrente betalen vanaf mei 2015 tot het moment van verkoop van de woning. Maar mag hij ook alle hypotheekrente aftrekken? Dat is niet het geval. Gaan partners uit elkaar en is er een gezamenlijke eigen woning, dan heeft iedere partner vanaf het moment van uit elkaar gaan slechts recht op aftrek van de helft van de hypotheekrente. Voor de partner die de woning verlaat, geldt dit recht bovendien gedurende maximaal twee jaar. De partner die renteaftrek claimt, zal die rente zelf moeten betalen. Willen de partners het zo regelen dat de woonlasten slechts op één van hen drukt, dan kan dat via de route van alimentatiebetalingen.

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Voor ex-partner betaalde hypotheekrente is geen alimentatie

Hof Den Bosch oordeelt dat het deel van de hypotheekrente en premies levensverzekering dat een man voor zijn ex-partner betaalt, niet is aan te merken als aftrekbare onderhoudsverplichting.

De zaak (6 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1527) verloopt als volgt. Een man is gehuwd in gemeenschap van goederen. In 2009 gaat hij scheiden. Zijn ex-partner verlaat de echtelijke woning in 2009, maar de woning blijft vooralsnog gezamenlijk eigendom. De man blijft in de woning wonen en betaalt de volledige hypotheekrente en premies van de bijbehorende gekoppelde levensverzekering. Deze bedragen neemt hij in zijn aangifte inkomstenbelasting op als (aftrekbare) kosten voor onderhoudsverplichtingen. De Belastingdienst accepteert de volledige aftrek van de betaalde bedragen niet.
Het Hof Den Bosch geeft aan dat alleen in rechte vorderbare familierechtelijke periodieke uitkeringen voor aftrek in aanmerking komen. De bewijslast ligt bij de man. De man voert aan dat bij het vaststellen van alimentatie rekening is gehouden met de verschuldigde hypotheekrente en verzekeringspremies. Volgens het hof is dit niet voldoende: de man maakt niet aannemelijk dat er sprake is van een overeenkomst met zijn ex-partner waarin de betaling is geregeld. Het hof verklaart het beroep van de man ongegrond.

Belang voor de praktijk

Het komt in echtscheidingssituaties regelmatig voor dat één van de ex-partners in de voormalig echtelijke woning blijft wonen terwijl de woning nog gezamenlijk eigendom is. De ex-partners kunnen dan met een aantal fiscale en financiële complicaties te maken krijgen.
Echtscheidingsregeling
Vanaf het moment dat een ex-partner de gezamenlijke woning verlaat, heeft deze fiscaal gezien geen eigen woning meer. Op grond van de echtscheidingsregeling van artikel 3.111, vierde lid Wet inkomstenbelasting 2001 kan de ex-partner echter nog maximaal 24 maanden zijn of haar deel van de gezamenlijke woning aanmerken als eigen woning. De daadwerkelijk betaalde rente die met dit deel van de woning samenhangt, is aftrekbaar.
Eigenwoningforfait
Als een ex-partner zijn of haar deel van de voormalig echtelijke woning ter beschikking stelt, mag degene die niet in de woning woont het eigenwoningforfait aftrekken als alimentatie in natura.
De ex-partner die in de woning blijft wonen, kan alleen voor het gedeelte van de woning waarvan hij eigenaar is de eigenwoningregeling toepassen. Alleen voor dit gedeelte is de daadwerkelijk betaalde rente aftrekbaar. De helft van de woning wordt ter beschikking gesteld. Voor degene die in de woning blijft wonen, vormt het eigenwoningforfait dat hiermee samenhangt, ontvangen alimentatie waarover inkomstenbelasting verschuldigd is.

Rente volledig betaald door één van de ex-partners
Het komt voor dat een van de partners de rente volledig betaalt. In dat geval is de helft van de rente in principe niet aftrekbaar. In plaats van dat een van de partners alle rente betaalt, kunnen de ex-partners beter afspreken dat de zittenblijvende partner aan de vertrokken partner alimentatie betaalt ter grootte van de door de vertrokken partner verschuldigde hypotheekrente. Daardoor bereiken zij dat per saldo de rentelast per saldo drukt op de zittenblijvende partner en bij hem of haar ook fiscaal aftrekbaar is (zij het deels onder de noemer van alimentatie).Onafhankelijk van de gemaakte keuzes is het van groot belang om de afspraken schriftelijk vast te leggen in het convenant.
[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Verblijvingsbeding samenwoners en hypotheek

Hoe pakken de fiscale regels voor een hypotheek op een eigen woning uit wanneer bij een verblijvensbeding een van de partners komt te overlijden? Een casus.

De casus luidt als volgt. Een man woont sinds 2006 ongehuwd samen met mijn partner. Ze hebben een samenlevingsovereenkomst met een verblijvingsbeding, maar geen testament. In 2010 hebben zij samen een woning gekocht met een grotendeels aflosvrije hypotheek. Hoe werkt het verblijvingsbeding als een van hen komt te overlijden?
Een verblijvingsbeding bepaalt dat goederen die gemeenschappelijk eigendom zijn na het overlijden van één van de partners aan de andere partner toekomt veelal onder de voorwaarde om de schulden over te nemen. Als iemand overlijdt, komt zijn aandeel in de woning en de hypotheek aan de partner toe. De hypotheek kan echter niet ongewijzigd blijven doorlopen. Op de hypotheek zijn de fiscale regels van vóór 2013 van toepassing. Een belangrijk element van de oude fiscale regels is dat er geen aflossingsverplichting bestaat. Het deel van de hypotheek dat de overlevende partner als gevolg van het verblijvingsbeding krijgt, mag niet doorlopen onder de oude fiscale regels. Een aanpassing van de lening is noodzakelijk zodat aan de in de huidige fiscale regels opgenomen aflossingsverplichting is voldaan. Een aanpassing van de geldlening kan gevolgen hebben voor de woonlasten.
Als de woning en de hypotheek niet op grond van een verblijvingsbeding maar op grond van een testament worden verkregen, kan de hele hypotheek doorlopen onder de oude fiscale regels en is aanpassing niet nodig.

Belang voor de praktijk

Een verblijvingsbeding is een veel voorkomende bepaling in een samenlevingsovereenkomst. Een verblijvingsbeding is een overeenkomst waarbij partners afspreken dat de goederen, die gemeenschappelijk eigendom zijn van beide partners, na het overlijden van één van de partners aan de andere partner toekomen. Kenmerken van een verblijvingsbeding zijn:
  • de verplichting om eventuele schulden die samenhangen met de gezamenlijke bezitting over te nemen;
  • toedeling van de gezamenlijke goederen aan de langstlevende partner om niet;
  • de statistische sterftekans van beide partner is min of meer gelijk zijn.

In de praktijk is een leeftijdsverschil tot 5 jaar acceptabel.

Overgang bestaande eigenwoningschuld naar partner
In artikel 10bis.1, zevende lid, Wet IB 2001 is bepaald dat in een drietal gevallen waarin een bestaande eigenwoningschuld overgaat op een andere partner, die schuld voor die andere partner ook kwalificeert als bestaande eigenwoningschuld. Het betreft de overgang van een bestaande eigenwoningschuld:

  • door boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, of;
  • door boedelmenging door wijziging van huwelijkse voorwaarden, of;
  • krachtens erfrecht.

De overgang krachtens een verblijvingsbeding is voor de inkomstenbelasting niet aan te merken als een verkrijging krachtens erfrecht. Dit heeft tot gevolg dat een bestaande eigenwoningschuld die van de overleden partner overgaat op de andere partner, niet meer kwalificeert als bestaande eigenwoningschuld. Aanpassen van de financieringsconstructie is noodzakelijk om de aftrekbaarheid van de rente veilig te stellen. Om voor aftrek in aanmerking te komen, zal de voormalig bestaande eigenwoningschuld moeten voldoen aan de huidige fiscale regels. De aflossingsverplichting kan er voor zorgen dat de woonlasten wijzigen.

Als er in plaats van een verblijvingsbeding een testament is opgesteld, kwalificeert de overgang van een bestaande eigenwoningschuld als een verkrijging krachtens erfrecht. Aanpassing van de lening aan de huidige fiscale regels is dan niet noodzakelijk: de kwalificatie bestaande eigenwoningschuld blijft immers behouden. In een voorkomend geval verdient het aanbeveling om te overleggen met de notaris.
[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]