Overdrachtsbelasting(B.V.) bij afsplitsing verkoop onderneming

Als een afsplitsing van een rechtspersoon plaatsvindt op zakelijke gronden, hoeft de afgesplitste rechtspersoon geen overdrachtsbelasting te betalen over bij deze splitsing verkregen onroerende zaken. Men moet de zakelijkheid van de splitsing toetsen vanuit het standpunt van de partijen die  betrokken zijn bij de splitsing.

Het is mogelijk dat een derde interesse heeft in de onderneming van een B.V., maar niet alle vermogensbestanddelen van de B.V. wil hebben. In dat geval kan de B.V. overgaan tot een juridische afsplitsing. De ongewenste vermogensbestanddelen gaan dan over naar de afgesplitste rechtspersoon. Vervolgens koopt de derde de aandelen in de B.V. met de gewenste onderneming.

 

Geen zakelijke reden afsplitsing

Door deze aandelenverkoop wordt de splitsing per fictie geacht te hebben plaatsgevonden op grond van onzakelijke motieven, waardoor de splitsingsvrijstelling niet geldt. Maar het leveren van tegenbewijs is mogelijk. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant moet men daartoe aannemelijk maken dat de splitsing heeft plaatsgevonden op grond van bedrijfseconomische motieven van de betrokken partijen. Daarbij valt te denken aan een duurzame rationalisatie of herstructurering van de activiteiten. In deze situatie vindt de splitsing plaats met het oog op de verkoop van een onderneming.

De rechtbank ziet hierin geen zakelijke reden voor de partijen die bij de splitsing zijn betrokken. De afgesplitste rechtspersoon zal dus overdrachtsbelasting moeten betalen over de onroerende zaken die zij meekrijgt als gevolg van de afsplitsing.

 

Loonsanctie: welk loon moet worden doorbetaald

Indien volgens het UWV een werkgever zijn re-integratie-inspanningen niet goed naleeft kan een loonsanctie worden opgelegd voor in beginsel een jaar. Soms is onduidelijk hoeveel loon er betaald moet worden in het derde ziektejaar. Hof Den Bosch deed daar recent een uitspraak over.

De zaak betrof een werknemer van een elektrotechnisch installatiebedrijf. Aan het einde van de wachttijd WIA legde het UWV aan de werkgever een loonsanctie op, welke op 1 mei 2017 eindigde. De werkgever staakte het loon per 1 mei 2016 waarop de werknemer een loonvorderingsprocedure startte. De kantonrechter heeft de loonvordering in eerste aanleg toegewezen. Daarbij is de werkgever onder meer veroordeeld tot doorbetaling van het loon in het loonsanctiejaar, ter hoogte van 90% van het contractueel bedongen loon per maand.

In hoger beroep stelt de werkgever dat doorbetaling van slechts 70% in het derde ziektejaar verschuldigd is. Volgens de werknemer moet dit 90% zijn: de verplichting om tijdens het derde ziektejaar 90% van het bruto loon te betalen geldt op basis van de regels die van toepassing waren in het tweede ziektejaar. In dat jaar bestond op grond van de cao Metaal en Techniek recht op 90%. Volgens Hof Den Bosch gaat het in de kern om de vraag of werknemer in het derde ziektejaar recht heeft op 90% of op 70% van het contractuele loon. Art. 7:629 BW vormt de basis zowel voor wat betreft de duur als voor de omvang (70%) voor de loondoorbetaling bij ziekte. Dat werknemer gedurende het tweede ziektejaar recht had op 90% maakt nog niet dat hij ook in het derde ziektejaar aanspraak op 90% kan maken. Dat blijkt niet uit de cao en ook niet uit andere, tussen partijen gemaakte afspraken.

Bron: Hof Den Bosch 6-06-2017, 200.197.702_01 (ECLI:NL:GHSHE:2017:2508)

Schadevergoeding voor brand telde voor huurtoeslag niet mee voor box III

X kreeg in december 2014 van de inboedelverzekering € 22.630 uitgekeerd vanwege roet- en rookschade aan de inboedel door een brand. Dit had gevolgen voor het vermogen van haar medebewoner Y. Bij hem leidde dat tot een grondslag voor sparen en beleggen van € 765 en daarmee tot een vermogen dat meer was dan het heffingvrij vermogen. Omdat het vermogen van medebewoner Y meetelde was hierdoor de huurtoeslag voor X over 2015 definitief berekend op nihil en waren eerder toegekende voorschotten teruggevorderd. X ging in beroep en stelde dat de schadevergoeding als bijzonder vermogen buiten beschouwing moest blijven. Rechtbank Gelderland stelde voorop dat niet in geschil was dat de situatie van X niet voorkwam in de genoemde gevallen in artikel 9 Uitvoeringsregeling Awir. De Rechtbank was het met X eens dat de schade-uitkering buiten beschouwing had moeten blijven bij het vaststellen van het recht op huurtoeslag. De Rechtbank leidde dit af uit aan uitspraak van de Raad van State van 28 januari 2015 waarin was beslist dat er in uitzonderlijke gevallen ruimte was om een geval gelijk te stellen met de wél in artikel 9 Uitvoeringsregeling Awir geregelde gevallen. Verder was artikel 47 Awir ingevoerd voor situaties waarin de vermogenstoets ertoe zou leiden dat in strijd met de bedoeling van de wetgever geen of een lagere tegemoetkoming zou worden toegekend. De inboedel telde niet mee voor de rendementsgrondslag van box III. De inboedel van X was verloren gegaan door brand en de inboedelverzekering had een bedrag uitgekeerd waarmee X deze kon vervangen. Het bedrag van de inboedelverzekeraar was uitgekeerd en zag dan ook op de waarde van de inboedel. Van een feitelijke draagkrachtverbetering was volgens de Rechtbank geen sprake omdat de uitgekeerde vergoeding was bedoeld voor de compensatie van het verloren gegane vermogen in de inboedel. De Rechtbank besliste dat de wetgever had gewild dat een schadevergoeding bedoeld voor een vermogensonderdeel dat al tot de uitzonderingen behoorde in dat karakter van uitzondering deelde. De inspecteur had daarom de schade-uitkering buiten beschouwing moeten laten op grond van artikel 47 Awir in samenhang met artikel 9 Uitvoeringsregeling Awir. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond

Door overschrijding 500 km-grens op jaarbasis toch bijtelling over eerdere auto ondanks 0%-auto

Mevrouw X had van haar werkgever in 2013 twee auto’s ter beschikking gesteld gekregen. Het ging tot 5 november 2013 om een auto met een cataloguswaarde van € 33.885 (de 25%-auto) en daarna om een elektrisch aangedreven auto met een cataloguswaarde van € 51.865 (0%-auto). Mevrouw X hield voor beide auto’s een rittenregistratie bij. De 25%-auto had zij voor 376 km voor privédoeleinden gebruikt en de 0%-auto was voor 242 km voor privé gebruikt. Omdat de toegestane 500-km-grens was overschreden, legde de inspecteur een naheffingsaanslag LB op van (25% x € 33.885) x 52% x 308/365 dagen =) € 3.717. Mevrouw X ging in beroep. Hof Amsterdam had begrip voor de gedachtegang van mevrouw X dat het onjuist was om de met de 0%-auto gereden km’s in haar situatie mee te laten voor de vraag of de 500 km-grens was overschreden, omdat uit de wetsgeschiedenis bleek dat het de bedoeling van de wetgever was om het voordeel van het privégebruik van een 0%-auto niet in de heffing te betrekken. Het Hof vond het ook wel wrang, omdat mevrouw X uitsluitend met de 0%-auto tijdsevenredig gezien beduidend meer privé kilometers was gaan rijden, dan zij tot 5 november 2013 met de 25%-auto deed. Het privégebruik van de 25%-auto was immers – ook tijdsevenredig gezien – minder dan 500 km. Hier stond echter tegenover dat de Hoge Raad in een arrest van 17 december 1997 had beslist dat bij volgtijdelijk gebruik van aan een belastingplichtige ter beschikking gestelde auto’s voor de vraag of de 500 km-grens was overschreden, moest worden uitgegaan van het privégebruik van die auto’s tezamen, zodat de met de 0%-auto gereden privé km’s meetelden voor de vraag of de 500 km-grens grens was overschreden. Het Hof verklaarde het hoger beroep van mevrouw X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Moet ik iedere pagina van een contract ondertekenen?

‘Hij die eist, bewijst’, vormt een van de hoofdregels van het Nederlandse bewijsrecht. Om uw standpunt achteraf te bewijzen, legt u mondelinge afspraken vaak schriftelijk vast. Immers, papier is geduldig. Maar is het ondertekenen van iedere pagina nodig?

Een schriftelijk stuk, oftewel een onderhandse akte, heeft dwingende bewijskracht indien deze door beide partijen is ondertekend. Een rechter moet dan uitgaan van de juistheid hiervan. Tegenbewijs door de andere partij is echter mogelijk. Slaagt hij niet in het tegenbewijs, dan krijgt de eisende partij alsnog gelijk.

Een recente uitspraak van het Hof Den Haag laat zien dat naast de schriftelijke vastlegging en de ondertekening van de overeenkomst op de laatste pagina, het paraferen van iedere pagina van de overeenkomst van essentieel belang is.

Waar mocht het Hof in hoger beroep over oordelen?

Egelinck B.V. stelt bij de Rechtbank dat zij met meneer X een overeenkomst voor een geldlening gesloten heeft ter waarde van 150.000 euro. Om dit aan te tonen overlegt Egelinck B.V een op de laatste pagina getekende overeenkomst. De overeenkomst beslaat twee pagina’s. De heer X erkent dat de geplaatste handtekeningen echt zijn, maar stelt dat die zijn gezet op een leeg handtekeningenblad die bij een andere overeenkomst hoort. Egelinck B.V. heeft, zo stelt de heer X, later de eerste bladzijde en de tekst op de tweede bladzijde toegevoegd.

Op Egelinck B.V., die terugbetaling van de uitgeleende 150.000 euro vordert, rust nu volgens de hoofdregel de bewijslast om aan te tonen dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan.

De Rechtbank vindt dat de heer X zijn stelling, dat Egelinck de boel bedonderd heeft, te weinig onderbouwt en gaat ervan uit dat de leningsovereenkomst bestaat. De Rechtbank wijst de vordering van Egelinck toe. De heer X moet dus 150.000 euro betalen.

Dwingende bewijskracht

De heer X is het er niet mee eens en gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag. Het Hof vindt, kortgezegd, dat dwingende bewijskracht alleen geldt voor hetgeen op dezelfde bladzijde boven de handtekening in de leningsovereenkomst staat. Het leidt te gemakkelijk tot misbruik wanneer bladzijden zonder paraaf of handtekening worden beschouwd als wel ondertekend door een handtekening op de laatste bladzijde. Het Hof vond ook dat de heer X voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de inhoud van de overeenkomst niet kende of dat tekst later toegevoegd is.

Het Hof is het dus met de heer X eens. Het gevolg hiervan is dat de overeenkomst geen dwingende bewijskracht heeft. En daarmee staat niet vast dat de overeenkomst van geldlening is gesloten.
Het Hof geeft Egelinck B.V. vervolgens de bewijsopdracht om aan te tonen dat de partijen een lening zijn aangegaan.

Het is maar de vraag of Egelinck B.V. hierin slaagt. Kan Egelinck B.V. het bestaan van de overeenkomst niet bewijzen, dan wordt haar vordering alsnog afgewezen en hoeft de heer X niet te betalen.

Tip

Om te voorkomen dat achteraf discussie ontstaan over wat nu wel of niet is afgesproken is het van belang om alle pagina’s van een overeenkomst te paraferen en/of te ondertekenen. Dit geldt al als de overeenkomst maar uit twee pagina’s bestaat, maar natuurlijk ook voor uitgebreide contracten.

Onderteken of parafeer ook de mogelijk bij de overeenkomst gevoegde bijlagen en vermeldt op de bijlage dat ze onderdeel uitmaken van de overeenkomst.

(Bron: GT)

Wat is er veranderd aan ontslag op staande voet

Met de invoering van de Wet Werk en Zekerheid is het ontslagrecht in Nederland ingrijpend veranderd. Ook voor het ontslag op staande voet heeft dit gevolgen. Jurist Joost Knaap zet op een rij wat er is aangepast en wat niet.

Wat in de volksmond bekend is geworden als het ‘ontslag op staande voet’ is in de wet omschreven als ‘opzegging wegens een dringende reden’. Het gaat om zodanig gedrag van een werknemer dat van de werkgever niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Hieraan is met de invoering van de WWZ niet getornd. In de wet wordt een aantal voorbeelden genoemd van de dringende reden. Dat zijn onder meer dronkenschap, diefstal, verduistering, bedrog, grovelijke belediging en ernstige bedreiging.

Niet veranderd: de dringende reden

Of er sprake is van een dringende reden hangt af van de specifieke situatie. Er moet sprake zijn van een objectief dringende reden, dat wil zeggen een dringende reden voor een buitenstaander. Daarnaast kan de dringende reden ook subjectief ‘ingekleurd’ worden: een dringende reden voor deze werkgever en deze werknemer. Stel een bedrijf voert een zero tolerance beleid ten aanzien van diefstal en zij maken dat kenbaar door bijvoorbeeld een protocol. Dan kan het zo zijn dat het meenemen van een object van geringe of verwaarloosbare waarde een ontslag rechtvaardigt. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak over het meenemen van een pak Optimel dat bovendien al over datum was door een supermarktmedewerker.

Niet veranderd: onverwijldheidseis en persoonlijke omstandigheden

Het ontslag moet direct ingaan en de reden moet ook snel (‘onverwijld’) worden gegeven. Daarnaast moet het voor de werknemer duidelijk zijn waarom hij is ontslagen. Een reeds gegeven ontslag om een bepaalde reden mag later niet uitgebreid worden met een andere reden. Daarnaast moeten de persoonlijke omstandigheden van de werknemer meegewogen worden en de gevolgen van het ontslag. Zal de werknemer bijvoorbeeld gemakkelijk een andere baan vinden?

Wel veranderd: termijn van ontslag vernietigen

Voor de WWZ had de werknemer na ontslag op staande voet zes maanden de tijd om het ontslag te vernietigen. Dat hoefde niet via de rechter: een brief waarin de werknemer aangaf dat hij het niet eens wat met het ontslag en dat hij zich beschikbaar hield om op eerste afroep zijn werkzaamheden te hervatten was genoeg (‘buitengerechtelijke vernietiging’). Onder de WWZ is dat niet meer het geval. De werknemer heeft een termijn van twee maanden om het ontslag te vernietigen via een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter. Een werknemer die het niet eens is met het ontslag, moet snel naar de kantonrechter stappen. Te laat is echt te laat. Zo is er een uitspraak waarin de kantonrechter zich niet-ontvankelijk verklaarde doordat een gefaxt verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet precies om 12 uur ’s nachts (en daardoor 1 minuut te laat) was binnengekomen bij de rechtbank.

Wel veranderd: vergoedingen

Wanneer een ontslag op staande voet niet standhoudt dan heeft de kantonrechter verschillende vergoedingen die naast elkaar toegekend kunnen worden:

  • Gefixeerde vergoeding
    Deze is gelijk aan het loon vanaf de ontslagdatum tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd (dat wil zeggen: gelijk aan de opzegtermijn). De rechter kan de vergoeding nog wel matigen of verhogen, dat laatste alleen wanneer een werknemer zelf ontslag op staande voet neemt.
  • Transitievergoeding
    De werknemer die twee jaar of langer in dienst is kan bij een onterecht gegeven ontslag op staande voet ook nog aanspraak maken op de in de wet verankerde transitievergoeding.
  • Billijke vergoeding
    Voor toekenning van een billijke vergoeding is ernstig verwijtbaar handelen vereist aan de zijde van de werkgever, maar bij een onterecht gegeven ontslag op staande voet is aan dit vereiste automatisch voldaan.

Wel veranderd: hoger beroep en cassatie

Met de komst van de WWZ is het mogelijk voor werkgevers en werknemers om in hoger beroep en cassatie te gaan tegen de beslissing van de kantonrechter. Dit geldt ook voor het ontslag op staande voet. Hierdoor kunnen procedures nog jaren doorlopen.

(Bron: Xperthractueel)

Bedrijf overnemen in 2017? Nu wel premiekorting maar straks geen LKV bij overname

Als uw organisatie een andere organisatie overneemt inclusief personeel, verhuist de premiekorting voor die werknemers mee. Dit geldt echter niet voor de loonkostenvoordelen die de premiekortingen in 2018 opvolgen.

In de eerste uitgave van de Nieuwsbrief Loonheffingen 2018 staat dat het recht op loonkostenvoordeel (LKV) – dat met ingang van 1 januari 2018 het stokje overneemt van de premiekortingen – bij een overname komt te vervallen. De werkgever kan ook geen nieuw recht op loonkostenvoordeel krijgen voor de overgenomen werknemers. Voor een LKV komt de werkgever namelijk alleen in aanmerking bij indienstneming of herplaatsing van een werknemer, terwijl er bij een overname sprake is van een voortzetting van de dienstbetrekking.

Resterende duur van de premiekortingen

Gedurende de rest van 2017 zijn de premiekortingen nog van kracht. Hierbij geldt dat de overnemende organisatie de resterende duur van de premiekortingen mag toepassen als hij de betreffende werknemers in dienst houdt.

Geen overname bij doorstart na faillissement

Er is sprake van een overname van een organisatie bij een fusie of splitsing, en ook bij het inbrengen van een eenmanszaak of vennootschap onder firma (VOF) in een bv. Een doorstart na een faillissement kwalificeert niet als overname van een onderneming.

(Bron: Rendement)

RB: Bijtelling privégebruik auto gewijzigd?

Ondernemers met een auto van de zaak kunnen te maken krijgen met een hogere bijtelling voor het privégebruik. Dit is alleen het geval voor auto’s met een verlaagde bijtelling van 14% of 20%.

Tenaamstelling vóór 1 juli 2017

De verhoging van de bijtelling geldt voor auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer, die vóór 1 juli 2012 voor het eerst op naam zijn gesteld. Is de auto op of na 1 juli 2012 van eigenaar gewisseld, dan geldt de bijtelling van 14% of 20% tot 1 juli 2017. Vanaf 1 juli 2017 is de bijtelling privégebruik voor deze auto’s verhoogd naar 25%. Is de auto sinds 1 juli 2012 niet van eigenaar gewisseld, dan blijft de verlaagde bijtelling nog tot en met 31 december 2018 van toepassing.

Andere auto’s

Voor andere auto’s hoeft niet te worden nagegaan of de auto van eigenaar is gewisseld. Voor deze auto´s blijft de bijtelling 60 maanden gelden, ook als de auto van eigenaar is gewisseld. De termijn van 60 maanden start op de eerste dag van de maand waarin de auto voor het eerst op naam is gesteld. Na 60 maanden moet de bijtelling opnieuw worden bepaald volgens de wetgeving die dan van toepassing is. Geldt op dat moment geen verlaagde bijtelling voor de desbetreffende auto? Dan bedraagt de bijtelling 25%.

[ Bron: Register Belastingadviseurs ]

Lening niet-gelieerde rechtspersonen kan ook onzakelijk zijn

Een lening tussen bijvoorbeeld een directeur-grootaandeelhouder (dga) en zijn bv kan het etiket ‘onzakelijk’ krijgen. Dat is het geval als een onafhankelijke derde de lening nooit tegen die voorwaarden had verstrekt. Maar een lening tussen niet-gelieerde partijen kan net zo goed onzakelijk zijn, zo bevestigde de rechtbank in Breda onlangs.

De fiscus let specifiek  op de zakelijkheid van leningen tussen gelieerde partijen, zoals een dga en zijn bv of ondernemingen die een fiscale eenheid vormen. In deze zaak ging het om een vader, dga van een bv, die de aandelen in een dochterbedrijf verkocht aan zijn zoon. Die aandelen gingen naar de persoonlijke holding van de zoon. Bij de verkoop bleef de dik €390.000 aan schuld van het dochterbedrijf aan de bv van de vader goeddeels in stand.

Vorderingen van fiscale winst afhalen

De vraag voor de rechter was of het in stand laten van die schuld een onzakelijke lening betrof. De vader had bij zijn aangifte voor de vennootschapsbelasting namelijk de vorderingen op het dochterbedrijf in mindering gebracht op de fiscale winst.
De inspecteur vond dat dit niet kon, omdat er sprake was van een onzakelijke lening van de bv van de vader aan de bv van de zoon. Hij legde dan ook een VPB-aanslag op voor het winstbedrag zónder aftrekposten.

Verkoop aan zoon reden voor verstrekken lening

De rechtbank kwam tot dezelfde conclusie. De vader stelde nog dat de partijen ten tijde van de afwaardering verbonden lichamen moesten zijn om überhaupt te kunnen spreken van een onzakelijke lening. Maar de rechter veegde dat argument van tafel. Ook een lening tussen niet-gelieerde partijen kan onzakelijk zijn, als het debiteurenrisico tóch is genomen om ‘het belang te dienen van de aandeelhouder van de uitlenende vennootschap’.
Dat was hier ook aan de hand, oordeelde de rechtbank. Een onafhankelijke derde had het debiteurenrisico niet willen lopen. Maar de vader had het risico toch genomen omdat de aandelen waren verkocht aan de bv van zijn zoon. De vorderingen mochten dan ook niet van de fiscale winst worden afgehaald.

(Bron: Rendement)

EU-Hof kraakt ‘flitsfaillissement’, FNV juicht

Werknemers van een bedrijf dat via een zogenoemd flitsfaillissement een doorstart maakt, hebben net zo goed recht op bescherming als het personeel van een onderneming die op een normale manier wordt overgenomen. Dat heeft het Europees Hof van Justitie donderdag bepaald.

Volgens de Europese richtlijnen voor de overgang van een onderneming gaan de werknemers met al hun rechten en verplichtingen mee. De enige uitzondering op deze regel is als er sprake is van een faillissement. Het Europees Hof oordeelt nu dat deze uitzondering alleen gemaakt mag worden voor faillissementen die gericht zijn op liquidatie van het vermogen.

Als het faillissement gericht is op voortzetting van de onderneming, zoals het geval is bij flitsfaillissementen, ook wel ‘pre-pack faillissementen’ genoemd, blijft de regeling voor overgang van onderneming wel van toepassing. Deze uitspraak betekent volgens vakbond FNV een definitief einde voor de pre-pack praktijken in de huidige vorm.

Zaak tegen kinderopvangbedrijf Smallsteps

De uitspraak van het EU-Hof gaat over een zaak die FNV had aangespannen tegen kinderopvangbedrijf Smallsteps. Dat nam in 2014 branchegenoot Estro over, een dag nadat dat bedrijf failliet was gegaan. Voor duizend medewerkers van Estro was er na de doorstart geen plaats meer.

De rechtbank Midden-Nederland, die de zaak in behandeling heeft, had het Europese hof om hulp gevraagd bij de beoordeling van de zaak. Belangrijkste vraag was daarbij of het personeel bij zo’n snelle doorstart dezelfde rechten geniet als bij een gewone overname, zoals FNV betoogde.

Recht op bescherming

De advocaat-generaal bij het Europese hof adviseerde eerder al dat werknemers bij een flitsfaillissement inderdaad recht hebben op bescherming. De rechters volgen dat advies. Over de precieze gevolgen van het vonnis voor het ontslagen Estro-personeel moet een Nederlandse rechter zich buigen.

Bij een flitsfaillissement worden al voordat een bedrijf daadwerkelijk failliet gaat, afspraken gemaakte met een nieuwe eigenaar. Dat gebeurt onder het bewind van het management van het bedrijf en niet van een curator die opereert onder toezicht van een rechtbank.

Het Hof wijst op Europese regels die voorschrijven dat faillissementsprocedures onder toezicht staan van een bevoegde overheidsinstantie. Omdat in flitsprocedures de curator en de rechter-commissaris feitelijk buitenspel worden gezet, voldoen die volgens de rechters niet aan die richtlijn.

FNV: ‘Flitsfaillissement geen aantrekkelijk reorganisatiemiddel meer’

FNV vindt de uitspraak van het EU-Hof ‘historisch’. ‘Dankzij deze uitspraak is het flitsfaillissement geen aantrekkelijk reorganisatiemiddel meer om op goedkope wijze van personeel en arbeidsvoorwaarden af te komen’, zegt FNV-vicevoorzitter Kitty Jong.

(Bron: Ornet.nl)