Personeel in dienst met laag uurloon? Wanneer heb ik recht op het lage-inkomensvoordeel?

U hebt recht op dit voordeel voor elke werknemer die voldoet aan deze 4 voorwaarden:

  • De werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
  • De werknemer heeft een gemiddeld uurloon van minimaal 100% en maximaal 125% van het wettelijk minimumloon voor werknemers van 22 jaar en ouder.
  • De werknemer heeft ten minste 1.248 verloonde uren per jaar. Wat dat zijn, leest u bij Wat zijn verloonde uren?
  • De werknemer heeft de AOW-leeftijd nog niet bereikt.

Heeft de werknemer 2 of meer inkomstenverhoudingen bij u? Bijvoorbeeld omdat hij onder verschillende subnummers valt? Kijk dan naar het gemiddelde uurloon en de verloonde uren van deze inkomstenverhoudingen samen om te bepalen of u voor deze werknemer recht hebt op het lage-inkomensvoordeel (LIV).

Meer informatie over inkomstenverhoudingen vindt u in paragraaf 3.4 van het ‘Handboek Loonheffingen’.

Terug naar de voorwaarden. Voor alle duidelijkheid:

U gaat altijd uit van het wettelijk minimumloon voor werknemers van 22 jaar en ouder

Ook als de werknemer jonger is dan 22.

Met ingang van 1 januari 2018 hebt u voor werknemers die jonger zijn dan 22, misschien recht op het jeugd-LIV. Meer informatie over het jeugd-LIV staat in de ‘Nieuwsbrief Loonheffingen 2018’, die u kunt downloaden.

Een werknemer met het minimumloon verdient soms toch minder dan 100% of meer dan 125% van dat minimumloon. Bijvoorbeeld als hij van u ook toeslagen of bonussen krijgt, zoals onregelmatigheidstoeslagen of prestatiebonussen. Dan verdient hij meer. Of als u een pensioenpremie inhoudt. Dan verdient hij minder. In die gevallen voldoet hij niet aan de voorwaarden. En hebt u voor hem geen recht op het LIV.

De voorwaarde van 1.248 verloonde uren per jaar is een harde voorwaarde

Die ook geldt als de werknemer in de loop van het jaar bij u in dienst komt. De 1.248 uren worden dan niet evenredig verminderd.

Neemt u een onderneming over? Dan tellen de verloonde uren bij de overdragende werkgever niet mee. Een werknemer moet bij ú 1.248 verloonde uren hebben. Anders hebt u voor hem geen recht op het LIV.

Voor werknemers die niet het hele jaar bij u in dienst zijn, is het dus lastiger om aan de voorwaarde van 1.248 verloonde uren te voldoen.

In het jaar waarin de werknemer de AOW-leeftijd bereikt, kunt u voor hem nog recht hebben op het LIV

Bijvoorbeeld als de werknemer pas laat in het jaar jarig is. Dan is de kans groter dat hij aan 1.248 verloonde uren komt. Maar een werknemer die vroeg in het jaar jarig is, zal het vereiste aantal verloonde uren waarschijnlijk niet halen. Voor hem hebt u dan geen recht op het LIV.

Nog goed om te weten: als de werknemer na het bereiken van de AOW-leeftijd doorwerkt, tellen alle verloonde uren mee van het aangiftetijdvak waarin hij die leeftijd bereikt.

Hebt u vanaf 2018 voor de werknemer ook recht op een loonkostenvoordeel?

Dan krijgt u alleen het loonkostenvoordeel voor de werknemer als dat hoger of even hoog is als het LIV. Is het LIV hoger, dan krijgt u alleen dat uitbetaald.

(Bron: Belastingdienst)

Advocaatkosten bij echtscheiding voor toedeling eigen woning zijn geen kosten tot verwerving, inning of behoud van uitkeringen en verstrekkingen

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de echtelijke woning van X niet is aan te merken als pensioenvoorziening. De in verband met de toedeling van de woning gemaakte kosten zijn dan niet aan te merken als kosten tot verwerving, inning of behoud van uitkeringen en verstrekkingen. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

Het huwelijk van X eindigt in 2011 door echtscheiding. In het kader van de echtscheiding heeft verevening van wederzijdse pensioenrechten plaatsgevonden. X stelt dat hij € 20.000 aan advocaatkosten heeft gemaakt, in verband met de toedeling van de echtelijke woning en spaartegoeden, en dat deze aftrekbaar zijn als aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen. X is namelijk van mening dat zijn woning en vermogen moeten worden aangemerkt als pensioenvoorzieningen.

Hof Arnhem-Leeuwarden (MK I, 4 oktober 2016, 16/00010, V-N 2016/67.1.1) oordeelt dat de echtelijke woning van X en zijn vermogen niet zijn aan te merken als pensioenvoorziening. Het hof verwijst daarbij naar de artikelen 3.100 – 3.107 Wet IB 2001. In deze artikelen wordt omschreven wat onder belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen moet worden verstaan, en de echtelijke woning en vermogen worden niet genoemd in deze artikelen. Volgens het hof zijn de ter zake van de toedeling van die vermogensbestanddelen in de echtscheidingsprocedure gemaakte advocaatkosten dan ook niet gemaakt tot verwerving, inning of behoud van uitkeringen en verstrekkingen. Het gelijk is aan de inspecteur.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

(Bron: Taxlive)

Conceptwetsvoorstel aanscherping definitie geneesmiddelen voor BTW

De staatssecretaris heeft het conceptwetsvoorstel van de voorgenomen aanscherping van de definitie voor geneesmiddelen voor toepassing van het verlaagde BTW-tarief voor internetconsultatie aangeboden. De toepassing van het verlaagde BTW-tarief voor geneesmiddelen wordt afhankelijk gesteld van de afgifte van een (parallel)handelsvergunning of expliciete vrijstelling daarvan, zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet. Producten zullen daarom vanaf 1 januari 2018 alleen onder het verlaagde BTW-tarief vallen als voor deze producten een (parallel)handelsvergunning is afgegeven of als deze producten daar expliciet van zijn vrijgesteld. Door de koppeling met de (parallel)handelsvergunning, of expliciete vrijstelling daarvan zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet, zullen cosmetische, reinigende en verzorgende producten en andere farmaceutische producten die verhandeld worden met een vergunning als medische hulpmiddelen niet (meer) kwalificeren als geneesmiddel voor de BTW.

(Bron: FUTD)

Belastingdienst benadeelt dga’s met onbepaald extern verzekerd pensioendeel

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst (CAP) zadelt veel dga’s met een onbepaald extern verzekerd pensioendeel op met een sanctie als dit deel tot uitkering komt. Valt de pensioenuitkering uit die verzekering lager uit dan eerder vastgesteld dan zou de bv het tekort niet vanuit eigen beheer mogen compenseren. Dat klopt niet, zegt Bas Kortenbach van Next Level Pensioenadvies uit Den Haag. “Het CAP zadelt dga’s op met allerlei extra handelingen om aan die sanctiebepaling te ontkomen terwijl het overgangsrecht hierop van toepassing hoort te zijn. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?”

Handreiking

Nu pensioenopbouw in eigen beheer is gestopt, levert het extern verzekerde pensioendeel heel wat kopzorgen op. Dat de materie verre van eenvoudig is, blijkt uit de vele Kamervragen en de onlangs verschenen handreiking hierover van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst. Die handreiking – de versie van 30 juni is inmiddels al weer vervangen door een nieuwe versie van 7 juli − is speciaal geschreven voor de situatie dat het in eigen beheer verzekerde pensioen na de coulancetermijn (tot 1 juli 2017) wordt gehandhaafd en het extern verzekerde pensioen niet binnen die termijn naar eigen beheer is overgedragen.

Kwestie van vaststellen

Het probleem vangt direct aan bij de door het CAP voorgeschreven splitsing van pensioenen. Voor het einde van de coulancetermijn (1 juli 2017), moet de hoogte van de pensioenaanspraak in eigen beheer zijn vastgesteld rekening houdend met het extern verzekerde deel.
Die herleiding is volgens het CAP nodig omdat daarmee de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak kan worden vastgesteld waarop het overgangsrecht van toepassing is. Dit is het verschil tussen de totale opgebouwde pensioenaanspraak per 1 juli en de herleide extern verzekerde uitkering. Kortenbach: “Het CAP geeft zelf aan dat het extern verzekerde pensioen en het in eigen beheer gehouden pensioen communicerende vaten zijn en dat pas op het moment dat het verzekerde kapitaal wordt omgezet in een pensioenuitkering, komt vast te staan welk deel van de pensioenaanspraken uiteindelijk wordt verzekerd door de eigenbeheer-bv. Desondanks eist het CAP nu een vaststelling van wat er straks aan uitkering volgt uit de pensioenpolis. Dat is onmogelijk! Pas op pensioendatum ontstaat duidelijkheid welk deel van het pensioen wordt gedekt door de externe verzekeringspolis en welk deel door de eigenbeheer-bv zelf. Het heet niet voor niets een onbepaald verzekerd pensioendeel. Je kunt dus wel een inschatting maken van de in de toekomst te ontvangen pensioenuitkeringen uit het elders verzekerd deel, maar dit nu al vaststellen is onmogelijk. Niemand kan immers in de toekomst kijken.”

Risicovolle herleiding

Die herleiding is behoorlijk risicovol. Het kan goed zijn dat de uiteindelijk op pensioendatum te ontvangen externe pensioenuitkering lager zal zijn dan de nu herleide uitkering. Dit risico kan volgens het CAP worden beperkt door voor de herleiding uit te gaan van actuele tarieven van verzekeringsmaatschappijen. “Desondanks kan de uiteindelijke pensioenuitkering uit de externe pensioenverzekering lager uitvallen,” geeft Kortenbach aan. “Het CAP geeft dan als optie dat de dga genoegen kan nemen met een lager pensioen. Die optie kan volgens mij niet omdat de pensioenovereenkomst (die nota bene meestal is goedgekeurd door het CAP zelf) geen ruimte biedt voor een verlaging van de pensioenuitkering. Neemt de dga ondanks dat genoegen met een lagere pensioenuitkering dan is dit naar mijn mening een prijsgeven van pensioen waarop de strafheffing – een sanctie van maximaal 52% loonheffing en 20% revisierente over de economische waarde van de gehele pensioenaanspraak – staat.”
Kortenbach vervolgt: “De eigenbeheer-bv is overigens op grond van de pensioenovereenkomst verplicht het tekort, doordat het verzekerd pensioen lager uitvalt dan verwacht, aan te vullen tot de toegezegde pensioenaanspraak. Sla je de handreiking erop na, dan kan er echter vanuit eigen beheer geen extra aanvulling op de pensioenuitkeringen meer plaatsvinden. Dit valt volgens het CAP namelijk niet onder het overgangsrecht. Vult de eigen beheer-bv wel aan dan betekent die visie van het CAP eveneens een confrontatie met de strafheffing. Om dit te voorkomen stelt het CAP voor dat de verplichte aanvulling moet plaatsvinden door een extra premie- of koopsomstorting in de polis, zodat het totaal van de toegezegde pensioenaanspraken verzekerd blijft. Daarmee zadelt het CAP dga’s op met allerlei extra handelingen. Voor de extra premie- of koopsomstorting zal veelal een nieuwe polis moeten worden afgesloten, want veel bestaande polissen zijn al premievrij gemaakt. Ik ben benieuwd naar de wettelijke grondslag voor deze hele rekenexercitie. Het CAP geeft daar in ieder geval in de handreiking geen duidelijkheid over.”

Overgangsrecht

Kortenbach is ervan overtuigd dat het overgangsrecht hierop gewoon van toepassing is. “Als de eigenbeheer-bv het pensioen moet aanvullen, dan komt dat voort uit de reeds op 31 december 2016 bestaande (en meestal door het CAP goedgekeurde!) toezeggingen in eigen beheer. Het feit dat uit de verzekeringspolis op pensioendatum wellicht minder uitkering komt en de eigenbeheer-bv in dat geval extra moet bijdragen vloeit rechtstreeks voort uit die bestaande afspraken. Omdat dit stelsel van rechten en verplichtingen bij een onbepaald verzekerd pensioendeel al bestond op 31 december 2016 valt een dergelijke verschuiving binnen dit stelsel onder het overgangsrecht. Als het inderdaad de bedoeling van het overgangsrecht is dat de dga met een lager pensioen komt te zitten als gevolg van een tegenvallend pensioen uit de polis, dan vereist dit een goedkeurend beleidsbesluit van de staatssecretaris van Financiën. Zonder een goedkeuring is immers de strafheffing van toepassing bij het prijsgeven van pensioenrechten door de dga. Dat zal toch niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.”
(Bron: Taxlive)

Overdracht binnen familie: Vrijstelling overdrachtsbelasting ook geldig voor bv

Een dochter die de aandelen in een vastgoedonderneming van haar vader krijgt, hoeft geen overdrachtsbelasting af te tikken. De rechter vindt dat de overdracht van de aandelen in de bv ook onder de vrijstelling valt. Ook al is dat volgens de letter van de wet alleen weggelegd voor IB-ondernemers.

In deze zaak voor de rechtbank in Haarlem draaide het om een bv die zich bezighield met aankoop, verkoop en verhuur van vastgoed. De directeur-grootaandeelhouder (dga) van die bv schonk in 2013 alle aandelen aan zijn dochter. Ten tijde van de bedrijfsoverdracht moment was de vastgoedportefeuille bijna €6 miljoen waard.
De dochter deed bij haar aangifte overdrachtsbelasting een beroep op de vrijstelling volgens de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Zij kreeg later een naheffingsaanslag van dik drie ton voor haar kiezen, plus rente. De dochter vocht die aanslag aan bij de rechtbank.

Drempel bedrijfsoverdracht lager

Het idee van de vrijstelling is dat de overdrachtsbelasting geen te hoge drempel opwerpt voor ouders die hun onderneming willen overdragen aan hun kinderen. Naar de letter van de wet geldt die vrijstelling echter alleen voor eenmanszaken en andere ondernemers voor de inkomstenbelasting. Niet voor bv’s dus. Maar op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad zou de vrijstelling ook hier kunnen gelden, zo stelde de rechtbank in zijn uitspraak.

Bv en eenmanszaak gelijk behandelen

Verder wees de rechter op de wetsgeschiedenis. Daaruit bleek onder meer dat het de bedoeling is geweest om het ‘in wezen gelijke ook fiscaal gelijk te behandelen’. In dit geval stelde de rechtbank dat als de bv-structuur er niet was geweest, en de onderneming een eenmanszaak was geweest, de vrijstelling ook van toepassing was geweest. Daarom keurde de rechtbank de vrijstelling goed. De naheffingsaanslag werd vernietigd.

(Bron: Rendement.nl)

Nieuwe RJ-uiting omtrent DGA-pensioen van de BV

De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft RJ-Uiting 2017-8 gepubliceerd. Die gaat over de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer voor DGA’s. “In deze RJ-Uiting zijn de commentaren op RJ-Uiting 2017-3 verwerkt en zijn de voorgestelde wijzigingen in de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving ongewijzigd definitief gemaakt.”

In de uiting 2017-3 ‘Ontwerp-richtlijn Pensioenvoorziening en oudedagsverplichting directeuren-grootaandeelhouder’ heeft de raad wijzigingen voorgesteld en de gevolgen behandeld van de nieuwe wet. In de nieuwe uiting geeft de raad onder meer aan dat het in 2017 afstempelen en omzetten naar een oudedagsverplichting of afkopen een gebeurtenis na balansdatum is die geen nadere informatie geeft over de feitelijke situatie op balansdatum ultimo 2016. “Derhalve wordt deze niet in de jaarrekening 2016 verwerkt. Daarnaast is de RJ er in een commentaar op gewezen dat door gebruik te maken van de toegestane coulanceperiode nog tot uiterlijk 30 juni 2017 fiscaal gefacilieerde opbouw van pensioen in eigen beheer mogelijk is. Dit is in deze RJ-Uiting verwerkt.”

Afstempeling

De RJ is van mening dat afstempeling een vermogensmutatie betreft die betrekking heeft op de financiële relatie van de rechtspersoon met de DGA in diens hoedanigheid van aandeelhouder. “Als gevolg hiervan wordt de vrijval van de pensioenvoorziening vanwege de afstempeling rechtstreeks in het eigen vermogen verwerkt, inclusief het effect op eventuele belastinglatenties.” Het effect van afstempeling wordt verwerkt op het moment dat die onvoorwaardelijk is overeengekomen en als gevolg daarvan feitelijk de contractvoorwaarden van de pensioenovereenkomst zijn gewijzigd.
“Als afstempeling plaatsvindt na balansdatum maar vóór het opmaken van de jaarrekening, is sprake van een gebeurtenis na balansdatum die indien van toepassing conform artikel 2:380a BW in de toelichting moet worden vermeld, onder mededeling van de omvang van de financiële gevolgen.”

Waardering en presentatie

Om administratieve lasten te besparen, heeft de RJ bepaald dat de oudedagsverplichting wordt gewaardeerd tegen de fiscale boekwaarde. Redenen daarvoor zijn dat het verschil tussen de commerciële en de fiscale waardering van een oudedagsverplichting relatief klein is, de omstandigheid dat de omvang van de uitgaven in alle gevallen gelijk zal zijn aan de fiscale waarde en dat de fiscale waarde naar verwachting veelal hoger zal zijn dan de commerciële waarde.
“Voorts heeft de RJ bepaald dat een oudedagsverplichting, gezien het specifieke karakter daarvan, afzonderlijk dient te worden gepresenteerd onder de schulden.” De wijze waarop een oudedagsverplichting wordt aangewend, heeft geen invloed op (de grondslagen voor) de waardering of presentatie van die verplichting.

Afkoop van afgestempelde pensioenaanspraken of een oudedagsverplichting leidt tot een kortlopende schuld aan de Belastingdienst voor de verschuldigde loonheffing en een schuld aan de (voormalige) DGA voor het nettobedrag van de afkoop. “Afhankelijk van hetgeen wordt overeengekomen tussen de rechtspersoon en de DGA, betreft dit een kortlopende dan wel langlopende schuld. Afkoop van afgestempelde aanspraken zal over het algemeen geen effect (meer) hebben op het vermogen en/of resultaat van de rechtspersoon.”

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Langere termijn teruggave btw op zonnepanelen

Volgens Hof Den Bosch kan het Europese Fuchs-arrest met terugwerkende kracht worden toegepast en kunnen ondernemers die voor de datum van het arrest in zonnepanelen hebben geïnvesteerd de voorbelasting op hun factuur terugkrijgen.

Een particulier heeft op 27 maart 2013 een factuur ontvangen voor de plaatsing van zonnepanelen op zijn woning. Naar aanleiding van het Fuchs-arrest van het Hof van Justitie van 20 juni 2013, waarin is geoordeeld dat een particulier die zonnepanelen op zijn huis plaatst en energie aan het net terug levert als btw-ondernemer kan worden aangemerkt, heeft hij zich op 27 juni 2013 aangemeld als ondernemer voor de omzetbelasting en verzocht om jaaraangifte te mogen doen. De particulier wordt door de inspecteur als ondernemer aangemerkt en hij reikt een aangiftebiljet uit voor de periode 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013. De particulier verzoekt in het aangiftebiljet om een teruggave van de omzetbelasting op de factuur van maart 2013. De inspecteur is echter van mening dat het verzoek te laat is ingediend omdat de particulier zich niet binnen een maand na afloop van het kwartaal waarin de factuurdatum valt heeft aangemeld als ondernemer.

In tegenstelling tot de inspecteur is het hof van mening dat het Fuchs-arrest met terugwerkende kracht kan worden toegepast. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof volgt dat de rechter een uitleg van het Europese Hof kan en moet toepassen op zaken die zijn ontstaan en tot stand gekomen voor het arrest waarin om uitleg van het betreffende voorschrift is beslist. Alleen het Europese Hof kan beslissen dat voor de uitleg een beperking in tijd geldt. De rechter moet de rechten van een belastingplichtige, die aan het Unierecht worden ontleend, waarborgen.

(Bron: PKF)

De fiscale eenheid Vpb gaat internationaal

De fiscale eenheid Vpb is al decennialang een van de paradepaardjes van de Nederlandse vennootschapsbelasting. Bij een fiscale eenheid worden voor de vennootschapsbelasting de dochtermaatschappijen als het ware volledig geabsorbeerd door de moedermaatschappij. Er wordt dus maar één aangifte gedaan, waarbij zowel het fiscale vermogen als het fiscale resultaat wordt samengevoegd en aan de moedermaatschappij wordt toegerekend.

Read More

Voorgenomen inbrenging privé-woning die gedeeltelijk zakelijk gebruikt wordt in BV: geen beperking keuzevrijheid

Een dga brengt zijn aandeel in een VOF, waartoe zijn woning behoort, in een bv in. De woning die hij vanaf ingebruikname tot zijn ondernemingsvermogen rekende, gaat over naar privé. Volgens het hof beperkt die voorgenomen overbrenging de dga niet in zijn keuzevrijheid bij de etikettering van de woning met ingang van de eerdere ingebruikname.

Een dga laat in 2007 een woning bouwen welke in 2009 voltooid is en in gebruik wordt genomen. Twee ruimten die in de woning worden ingericht en gebruikt als kantoorruimte en spreekkamer voor de onderneming. De dga gaat met terugwerkende kracht naar 1 januari 2008 een VOF aan met een bv waarvan hij middellijk aandeelhouder is. Hij brengt zijn arbeid en gebruik en genot van de woning in en rekent de woning tot zijn ondernemingsvermogen. Op 29 december 2009 tekent de dga een intentieverklaring waarin hij aangeeft dat hij met ingang van 1 januari 2010 zijn aandeel in de VOF wil inbrengen in een nieuw op te richten bv. In zijn aangifte IB/PV 2009 neemt de dga een stakingsverlies ter zake van beëindiging van de VOF (boekverlies woning in verband met overgang naar privé) op ter grootte van € 468.263. De inspecteur staat aftrek van het boekverlies niet toe.

In geschil is of de dga de woning terecht tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend. Het hof oordeelt dat de dga aannemelijk heeft gemaakt dat de woning vanaf ingebruikname van de woning voor meer dan 10% werd gebruikt ten behoeve van de onderneming en daarom tot het keuzevermogen behoort. Het hof verwerpt het (subsidiaire) standpunt van de inspecteur dat de grenzen der redelijkheid worden overschreden als de dga kiest voor ondernemingsvermogen, omdat zoals de inspecteur betoogt, de dga pas op 14 juni 2010 (namelijk bij indiening aangifte IB/PV 2008) zijn keuze heeft gemaakt, terwijl op dat moment al duidelijk was dat de ondernemingsactiviteiten per 1 januari 2010 zouden overgaan naar de bv en de woning vanaf die datum zou overgaan naar privé. Het hof oordeelt echter dat de (voorgenomen) overbrenging van de woning naar het privévermogen bij de inbreng van de onderneming in de bv niet de keuzevrijheid van de dga beperkt bij de definitieve etikettering van die woning bij de eerdere ingebruikname.

(Bron: PKF)

Restschuld bij verkoop eigen woning? Restschuldregeling wordt niet verlengd

Staatssecretaris Wiebes van Financiën voelt er niets voor de restschuldregeling tot na 31 december 2017 te verlengen. Dat stelt hij in antwoord op Kamervragen van de leden Ronnes en Omtzigt (CDA).

De problematiek die in 2012 aanleiding was voor het introduceren van de restschuldregeling is volgens de staatssecretaris sterk afgenomen. Bij de introductie is ervoor gekozen om deze crisismaatregel tijdelijk van aard te maken. Nu, vijf jaar later, is de conclusie dat het herstel van de woningmarkt sterker is geweest dan toen kon worden verwacht. Verlenging zou bovendien een fiscale derving als gevolg hebben.

De restschuldregeling is ingevoerd per 29 oktober 2012 voor een termijn van vijf jaar en loopt op 31 december 2017 af. De maatregel heeft tot doel de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen.

Personen met een zogenoemde onderwaterhypotheek, een hypotheek waarbij de waarde van de eigen woning lager is dan de op die woning rustende schuld, kunnen door de tijdelijke aftrekbaarheid (maximaal 15 jaar) van de rente en kosten op de bij verkoop van die woning resterende schuld in staat worden gesteld te verhuizen.

(Bron: Taxlive)