Richtlijnen van Hoge Raad voor billijke vergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen tov werknemer?

Mogelijk komen er toch regels voor de wijze waarop rechters de hoogte van de billijke vergoeding uit de WWZ kunnen vaststellen. Momenteel ontbreken richtlijnen voor de berekening van die vergoeding.

De Wet werk en zekerheid (WWZ) introduceerde naast de transitievergoeding ook de billijke vergoeding. Een rechter kan een werkgever verplichten deze billijke vergoeding te betalen als hij tegenover een werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hoe de rechter de billijke vergoeding moet berekenen, staat niet in de wet (in tegenstelling tot de transitievergoeding). In een zaak bij de Hoge Raad heeft de Advocaat-Generaal (AG) nu geconcludeerd dat enige richting voor de hoogte van de billijke vergoeding wenselijk is. In de praktijk loopt de rechtspraak over de billijke vergoeding namelijk sterk uiteen.

Gevolgen van verlies arbeidsovereenkomst tellen mee

Het advies van de AG is onderdeel van een zaak waarbij een werkneemster naar de Hoge Raad is gestapt. Ze is het niet eens met de hoogte van de billijke vergoeding die zij kreeg toegekend door het hof Arnhem-Leeuwarden. De AG geeft aan dat de Hoge Raad onder meer het volgende zou kunnen bepalen voor de billijke vergoeding (uit artikel 681 van het Burgerlijk Wetboek 7):

  • De vergoeding is bedoeld als compensatie voor de werknemer. De rechter moet de hoogte hiervan niet bepalen door alleen na te gaan welk bedrag de werkgever een lesje zal leren.
  • De rechter moet rekening houden met álle feiten en omstandigheden van het geval, ook de lengte van het dienstverband en de hoogte van het loon kunnen een rol spelen.
  • Als de billijke vergoeding een alternatief is voor herstel van de arbeidsovereenkomst, kan de rechter ook kijken naar de waarde die de arbeidsovereenkomst voor de werknemer heeft.
  • De rechter moet motiveren op welke manier hij de vergoeding heeft vastgesteld.

(Bron: Rendement.nl)

Kan extern verzekerd pensioen partner naar eigen beheer?

Tot 1 januari 1995 kon de partner van de dga, zonder aandelen in de vennootschap, bij de B.V. pensioen opbouwen. Dit is vanaf voornoemde datum niet meer mogelijk. Heeft een partner het tot 1 januari 1995 opgebouwde pensioen verzekerd bij een verzekeringsmaatschappij? Dan is het niet meer mogelijk dit naar de eigen B.V. over te hevelen.

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst heeft haar mening gegeven in V(raag) & A(ntwoord) 17-033 van 28 juni 2017. Het CAP geeft aan dat vanaf 1 januari 1995 een B.V. geen toegelaten verzekeraar is voor een pensioen als de gerechtigde niet tenminste 10% van de aandelen in bezit heeft. Het is daarom niet mogelijk om een extern verzekerd partnerpensioen naar eigen beheer over te hevelen.

(Bron: Taxence)

Waardering verplichting partnerpensioen in eigen beheer na echtscheiding

Hoe vindt de waardering van een in eigen beheer gehouden verplichting voor het uitkeren van een partnerpensioen plaats indien er geen aanwijsbare partner is die in aanmerking komt voor de uitkeringen van het partnerpensioen?

Het antwoord op deze vraag heeft de Belastingdienst onlangs op de Belastingdienstpensioensite geplaatst:

Het ontbreken van een aanwijsbare (volgende) partner die in aanmerking kan komen voor de uitkeringen van het partnerpensioen levert problemen op voor het waarderen van de verplichting van de BV tot het uitkeren van een partnerpensioen. Er is immers geen partner die als maatstaf kan dienen voor de waardering van die partnerpensioenverplichting.

In de praktijk wordt in dergelijke situaties veelal de aanspraak op partnerpensioen (al dan niet tijdelijk) omgezet in een aanspraak op hoger ouderdomspensioen. Op het moment dat er weer een (voor partnerpensioen kwalificerende) partner is, kan het extra ouderdomspensioen door middel van ruil weer worden gebruikt voor een partnerpensioen ten behoeve van de nieuwe partner.

Het is ook mogelijk om – zolang geen sprake is van een aanwijsbare partner – in de hiervoor beschreven situaties de partnerpensioenverplichting op de fiscale balans te waarderen op basis van een fictieve partner met de geboortedatum en het geslacht van de ex-partner. Vanaf het moment dat er weer een partner is die aanspraak kan maken op de uitkeringen van het partnerpensioen, moet de waardering van het partnerpensioenverplichting weer plaatsvinden aan de hand van de gegevens van die partner.

Indien uiterlijk op de pensioeningangsdatum nog geen sprake is van een voor het partnerpensioen kwalificerende partner, zal de DGA de aanspraak op partnerpensioen alsnog moeten uitruilen in een hogere aanspraak op ouderdomspensioen. Voor deze uitruil zal voor het partnerpensioen moeten worden uitgegaan van een waarde die is gebaseerd op een fictieve partner met de geboortedatum en het geslacht van de ex-partner. Zonder een tijdige uitruil naar het ouderdomspensioen ziet de DGA feitelijk af van de aanspraak op partnerpensioen. Indien geen sprake is van prijsgeven van een niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, Wet LB of van prijsgeven van een pensioenaanspraak op het ingangstijdstip van het pensioen in verband met de vermogenspositie van de verzekeraar als bedoeld in artikel 19b, achtste lid, Wet LB, wordt de waarde van de pensioenaanspraak in dat geval op grond van artikel 19b Wet LB direct volledig in de belastingheffing betrokken en is de DGA revisierente verschuldigd.

(Bron: Belastingdienstpensioensite)

Ritten naar voetbalstadion met business seats waren zakelijk

BV X ontving naheffingsaanslagen LB voor 2009 tot en met 2013, omdat zij geen rekening had gehouden met een bijtelling voor het privégebruik van de auto die zij aan haar directeur ter beschikking had gesteld. De kilometeradministraties waren volgens de inspecteur onvoldoende controleerbaar. Rechtbank Den Haag was het daar op het beroep van BV X niet mee eens. Voor de jaren 2009 tot en met 2012 was gebleken dat de auto voor minder dan 500 km voor privédoeleinden was gebruikt, zodat die naheffingsaanslagen ten onrechte waren opgelegd. Voor 2013 was dit niet gebleken maar moest de naheffingsaanslag worden verminderd omdat de bijtelling ten onrechte over het hele jaar was berekend in plaats van over de periode van 1 januari tot en met 31 juli 2013. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Den Haag besliste echter dat de gebreken in de rittenadministraties niet van dien aard waren dat uit de rittenadministratie niet bleek voor welke doeleinden de directeur van BV X van de auto gebruik had gemaakt. De gebreken waren ook niet van dien aard dat bleek dat de auto in de jaren 2009-2012 voor meer dan 500 km was gebruikt voor privé. Het Hof was het niet met de inspecteur eens dat een deel van de ritten van de directeur naar het voetbalstadion waar BV X vier business seats tot haar beschikking had, niet zakelijk waren. De ritten waren gemaakt om contacten te leggen en te onderhouden met (potentiële) klanten. BV X had volgens het Hof aannemelijk gemaakt dat de ritten in overwegende mate zakelijke doeleinden dienden. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

(Bron: FUTD)

Aftrek hypotheekrente geen keuze, maar verplichting

Heeft u een eigenwoningschuld dan moet u de door u betaalde hypotheekrente verplicht in aftrek brengen in uw aangifte inkomstenbelasting.

Deze aftrek van hypotheekrente is geen keuze, maar een verplichting.

Heeft u een kleine eigenwoningschuld dan kan het belastingvoordeel door aftrek van hypotheekrente in uw aangifte inkomstenbelasting, omslaan in een nadeel. Dan is het voordeliger om geen hypotheekrenteaftrek te claimen. U heeft echter geen keuze. Heeft u een eigenwoningschuld dan moet u deze schuld en de daarmee samenhangende rente en kosten in box 1 opvoeren in uw aangifte inkomstenbelasting.

Er is geen keuze met betrekking tot de aftrek, maar alleen in bepaalde gevallen een keuze voor de kwalificatie van de schuld (box 1 of box 3).

Let op! Soms is het mogelijk een eigenwoningschuld zodanig aan te passen dat deze niet meer kwalificeert als eigenwoningschuld. Laat u hier echter goed over informeren. De fiscale regels rondom de eigen woning zijn namelijk steeds ingewikkelder geworden.

Juist en volledig

Kwalificeert de schuld als een eigenwoningschuld, dan moet de hypotheekrente worden afgetrokken, zelfs als dit nadelig uitpakt. U bent namelijk verplicht een juiste en volledige aangifte inkomstenbelasting in te dienen. Juist en volledig geldt niet alleen voor positieve inkomensbestanddelen, maar bijvoorbeeld ook voor aftrekbare kosten en aftrekbare hypotheekrente.

(Bron: Foederer)

Soms heffing Zorgverzekeringswet op afkoop dga-pensioen

De Belastingdienst heeft meer tekst en uitleg gegeven over hoe het afkopen van pensioen in eigen beheer uitwerkt voor de Zorgverzekeringswet. Ook heeft de dienst nog eens beschreven wie nu precies die ‘partner’ is die moet meebeslissen over wat de directeur-grootaandeelhouder (dga) met zijn pensioenpotje aanvangt.

Opbouw van pensioen in eigen beheer is niet meer mogelijk vanwege de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. Dga’s moeten er nu voor 1 juli 2017 in elk geval voor zorgen dat de opbouw van hun pensioenpotje stopt. Als dat eenmaal is gebeurd, hebben de dga’s drie opties  voor het pensioen in eigen beheer: bevriezen, fiscaal voordelig afkopen of omzetten in een oudedagsverplichting.

Uitleg over werkgeversheffing Zorgverzekeringswet

In de nieuwe vragen en antwoorden die het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) online heeft gezet, gaat het alleen over het afkopen van het pensioen in eigen beheer. Voor de behandeling van die afkoopsom in de Zorgverzekeringswet maakt het vooral verschil of de dga is verzekerd voor de werknemersverzekeringen of niet, zo bevestigt het CAP.
Stel dat een dga de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt en naast regulier loon ook de afkoopsom krijgt uitgekeerd. Als hij niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen, is de dga geen werkgeversheffing verschuldigd over de afkoopsom.
Is de dga wel verzekerd voor de werknemersverzekeringen, dan vallen het reguliere loon en de afkoopsom onder hetzelfde regime voor de Zorgverzekeringswet. De dga is dan ook over beide bedragen de werkgeversheffing verschuldigd.
Ook voor een dga die inkomens heeft uit twee verschillende bv’s en daarnaast de afkoopsom ontvangt maakt het verschil of hij verzekerd is voor de werknemersverzekeringen of niet.

Partner moet tekenen voor pensioen in eigen beheer

In een andere vraag en antwoord geeft het CAP nog meer tekst en uitleg over de partner die ook recht heeft op een deel van het pensioen in eigen beheer. Dat kan een echtgenoot, een geregistreerde partner of een ‘partner in de zin van de pensioenovereenkomst’ zijn. Als de dga een beslissing neemt over zijn pensioen in eigen beheer, moeten deze partners het formulier  ook ondertekenen. Dat geldt ook voor ex-partners.

(Bron: BV Rendement)

Pleegkind kan geen fiscaal partner meer zijn

In het Belastingplan 2018 gaat de staatssecretaris van Financiën een wijziging opnemen ten aanzien van het partnerbegrip. Hierdoor zal er geen partnerschap meer kunnen bestaan tussen een belastingplichtige en een pleegkind. Dat is nu nog wel het geval.

De Belastingdienst gebruikt de Basisregistratie Personen (BRP) om te bepalen of er voor de toeslagen een partner (tool) is. Uit deze BRP blijkt echter niet of het hier gaat om een kind of een pleegkind. Dit kan ertoe leiden dat als voldaan wordt aan het partnercriterium bij een samengesteld gezin een pleegkind toeslagpartner kan zijn. Dit is niet wenselijk. Staatssecretaris Wiebes heeft aangegeven dat hij een wettelijke maatregel in het Belastingplan 2018 gaat opnemen waardoor deze onwenselijkheid teniet wordt gedaan.

Geen partners meer van elkaar

Wiebes gaat de partnerregeling van toepassing verklaren voor bloed- en aanverwanten in de eerste graad van de belanghebbende waarbij het pleegkind hieronder valt als een meerderjarige voor dit kind een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet op de Jeugdzorg of de Jeugdwet of kinderbijslag voor het kind krijgt/kreeg. Door de aanpassing van deze definitie zal er geen partnerschap meer ontstaan tussen belanghebbende en pleegkind. Dit kan dan alleen als ze beide 27 jaar of ouder zijn en voldoen aan de overige criteria die gelden voor het partnerschap. Deze regeling moet dus op 1 januari 2018 ingaan.

(Bron: Rendement)

Erfrechtelijke verkrijging: BOR niet van toepassing bij fictieve verkrijging door vrijval pensioenvoorziening

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de BOR niet van toepassing is op de fictieve erfrechtelijke verkrijging van X. Er wordt namelijk niet voldaan aan de eisen van art. 35c SW 1956.

Belanghebbende, X, en zijn broer, Z, houden ieder 50% van de aandelen in A bv. Z overlijdt op 18 januari 2013. De kinderen van Z zijn zijn erfgenamen, en verkrijgen de aandelen in A bv van hun vader. Op deze verkrijging is de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) (art. 35b SW 1956) van toepassing. Door het overlijden van Z valt diens pensioenvoorziening vrij, en neemt de inspecteur een fictieve erfrechtelijke verkrijging in aanmerking (art. 13a SW 1956) ten aanzien van X. X verzoekt om toepassing van de BOR voor deze verkrijging. Rechtbank Gelderland oordeelt dat de BOR niet van toepassing is op de fictieve erfrechtelijke verkrijging van X. Volgens de rechtbank wordt namelijk niet voldaan aan de eisen van art. 35c SW 1956.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de aandelen van X in A bv niet tot het ab van Z behoren. De BOR is volgens het hof dan niet van toepassing op de fictieve erfrechtelijke verkrijging van X. Verder merkt het hof nog op dat ook niet is voldaan aan de in art. 35d lid 1 onderdeel c SW 1956 neergelegde eis van één jaar, aangezien geen ondernemingsvermogen is verkregen in de zin van art. 35c SW 156. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

(Bron: Taxlive)

Einde pensioen in eigen beheer. Kiest u voor omzetting?

Nu het doek is gevallen voor het opbouwen van pensioen in eigen beheer, moet u gaan kiezen wat u met uw reeds in eigen beheer opgebouwde pensioen wilt gaan doen. Een van de mogelijkheden die u heeft, is het pensioen in eigen beheer omzetten in een oudedagsverplichting.

Omzetting

Bij omzetting wordt uw pensioen in eigen beheer eerst zonder fiscale gevolgen afgestempeld van commerciële waarde naar de fiscale balanswaarde. Met het afstempelen geeft u dus een deel van uw pensioenaanspraak prijs, namelijk het verschil tussen de commerciële en fiscale waarde van de aanspraak. Zonder fiscale gevolgen wil zeggen dat uw bv over het bedrag dat u prijsgeeft, geen loonheffingen hoeft in te houden en te betalen. Uw afgestempelde pensioenaanspraak wordt vervolgens omgezet in een oudedagsverplichting die zichtbaar is op de balans van de bv. Na omzetting mag de oudedagsverplichting, op de jaarlijkse oprenting na, niet verder meer worden aangevuld.

Let op!Omzetten van uw pensioen in eigen beheer naar een oudedagsverplichting kan tot uiterlijk 31 december 2019.

Oudedagsuitkeringen

Bij het bereiken van uw pensioendatum (de AOW-leeftijd), ontvangt u vanuit de bv twintig jaar lang oudedagsuitkeringen. Belastingheffing vindt pas plaats in die uitkeringsfase. Gaan de uitkeringen eerder in dan uw AOW-gerechtigde leeftijd (maximaal vijf jaar vóór die leeftijd), dan moet deze twintigjaarstermijn worden verlengd met die extra jaren.

Let op!Ook als u de AOW-gerechtigde leeftijd al heeft bereikt, mag u het pensioen in eigen beheer omzetten in een oudedagsverplichting, mits de oudedagsuitkeringen wel direct ingaan na de omzetting van uw pensioenaanspraak.

Afkopen

Heeft u de fiscale pensioenaanspraak omgezet in een oudedagsverplichting, dan heeft u in 2017, 2018 of 2019 alsnog de mogelijkheid deze af te kopen. Afhankelijk van het moment waarop de afkoop plaatsvindt, profiteert u van een belastingkorting. Die korting bedraagt in 2017 34,5%. In 2018 is dit 25% en in 2019 bedraagt de belastingkorting 19,5%.

Let op! Na 2019 bent u bij afkoop over de volledige oudedagsverplichting loonbelasting en revisierente verschuldigd.

Lijfrente

U mag de oudedagsverplichting ook gebruiken voor een lijfrente bij een bancaire instelling of een verzekeringsmaatschappij. Deze omzetting van een oudedagsverplichting naar een lijfrente kan tot aan uw AOW-gerechtigde leeftijd op ieder gewenst moment. Tot uiterlijk twee maanden na het bereiken van deze leeftijd mag de oudedagsverplichting nog worden gebruikt voor een lijfrente.

Let op!Zodra de uitkeringen uit de oudedagsverplichting gaan lopen, is het in principe niet meer mogelijk de oudedagsverplichting nog te gebruiken voor het verkrijgen van een lijfrente, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht.

Tip:Brengt u uw oudedagsverplichting geheel of gedeeltelijk onder in een lijfrente, dan heeft u qua uitkeringsduur meer mogelijkheden dan de vaste twintig jaar die geldt bij de oudedagsverplichting. Afhankelijk van de door u gekozen lijfrentevorm gelden andere uitkeringstermijnen en dat geeft u iets meer speelruimte.

Informatieplicht

Binnen één maand na het tijdstip van omzetting van uw fiscale pensioenaanspraak in een oudedagsverplichting, moet u de Belastingdienst hiervan op de hoogte brengen. Dat kan alleen met een speciaal informatieformulier dat te downloaden is van de website van de Belastingdienst. Op dit formulier moet u diverse gegevens invullen, zoals: persoonsgegevens, gegevens van uw bv, de datum van omzetting, de fiscale (balans)waarde van uw pensioenaanspraak op 1 januari 2015 en 31 december 2015 en de commerciële en fiscale (balans)waarde op de datum van omzetting. Omdat u kiest voor omzetting in een oudedagsverplichting, moet u op het formulier ook aangeven of u samen met uw partner afspraken heeft gemaakt over de verdeling van deze verplichting voor het geval u gaat scheiden.

Partner

Vergeet ook uw partner niet in het omzettingsverhaal. Voor het afstempelen en de omzetting van uw pensioenaanspraak in een oudedagsverplichting, is de toestemming van uw partner vereist. Hij of zij moet hiermee schriftelijk instemmen. Die instemming moet blijken uit het mede ondertekenen van het informatieformulier van de Belastingdienst. Ook een eventuele ex-partner, die nog steeds recht heeft op een deel van de pensioenaanspraak, zal het informatieformulier moeten tekenen. Het formulier moet per (ex-)partner worden ingevuld.

Let op!Kan of wil de (ex-)partner het informatieformulier niet ondertekenen, dan blijft uw pensioenverplichting premievrij op de balans van de bv staan. Omzetting maar ook afkoop is in dat geval niet mogelijk.

(Bron: HLB)

Veel werkgevers geraakt door verplichte indeling in uitzendbranche

Iedere werkgever is op basis van zijn werkzaamheden ingedeeld in een sector. Deze sector is bepalend voor de hoogte van de af te dragen premie sectorfonds. Uit dit fonds worden verschillende uitkeringen gefinancierd, waaronder de WW. Voor de uitzendbranche is deze premie traditioneel hoog. Onder voorwaarden kon een werkgever ingedeeld worden in een sector waarin hij zijn arbeidskrachten ter beschikking stelde (de zogenoemde vaksector). Door per direct een streep te zetten door deze mogelijkheid zijn werkgevers die werknemers ter beschikking stellen veroordeeld tot de dure sector voor de uitzendbranche. Het gaat niet alleen om uitzendbureaus, payrollbedrijven, detacheerders, maar ook om personeelsvennootschappen.

Wat zijn de gevolgen van deze wijziging?

Voorheen konden werkgevers die werknemers ter beschikking stelden aan anderen voor de sectorindeling worden ingedeeld in de sector waaraan zij de meeste arbeidskrachten leverden. Dit was vaak financieel gunstig. Door deze wetswijziging kunnen uitzendbedrijven niet meer in een vaksector worden ingedeeld en vallen zij verplicht in de duurdere sector voor uitzendbedrijven.
Als voor een werkgever een groepsaansluiting voor de sectorindeling van toepassing is en één van de betrokken entiteiten wordt in de sector voor uitzendbedrijven ingedeeld, heeft dit gevolgen voor de betreffende werkgever en het voortbestaan van de groepsaansluiting. Het wordt dan complexer en duurder.

Niet alleen relevant voor uitzendbedrijven

De wetswijziging heeft een brede reikwijdte omdat het begrip uitzendbedrijf ruim wordt uitgelegd. Uitzendbedrijven zijn in dit verband namelijk alle werkgevers die werknemers ter beschikking stellen aan een derde om onder leiding en toezicht van deze derde te werken. Naast uitzendbedrijven, payroll-organisaties en detacheerders lijken deze regels zelfs van toepassing te zijn op personeelsvennootschappen binnen concernverband. Een brede impact dus.

Wat betekent dit voor werkgevers die nu in een vaksector zijn ingedeeld?

Organisaties die werknemers ter beschikking stellen en die vóór de inwerkingtreding van deze wijziging al in een vaksector waren ingedeeld, kunnen daarin vooralsnog blijven ingedeeld. Ook werkgevers die een verzoek tot indeling in een vaksector hebben ingediend vóór 25 mei 2017 worden op basis van de oude regelgeving behandeld.
Voor de overgangsregeling is geen termijn gegeven. De Minister geeft in de toelichting aan dat deze organisaties vooralsnog ingedeeld blijven in de vaksector. Wat de gevolgen zijn van fusies, overnames, reorganisaties en overgang van (een deel) van een onderneming voor de overgangsregeling wordt niet toegelicht. De Minister geeft hier verder geen duidelijkheid over.

Wat betekent dit voor werkgevers die gebruik maken van uitzendbedrijven?

Veel organisaties (waaronder uitzendbedrijven) die werknemers ter beschikking stellen zijn op dit moment ingedeeld in één of meerdere “gunstige” vaksectoren. De wijziging zal hen, bij gelijkblijvende omstandigheden, op dit moment niet raken. Het is niet uit te sluiten dat deze werkgevers in de toekomst te maken krijgen met de sector voor uitzendbedrijven, ongunstig dus. Daarnaast zullen alle nieuwkomers op de markt te maken krijgen met de hogere sectorpremie. Dit heeft gevolgen voor de kostprijs en kan zodoende ook gevolgen hebben voor de prijs die moet worden betaald.
(Bron: Taxlive)