Taxatieverslag Taxatieverslag verplicht voor waardebepaling WOZverplicht voor waardebepaling WOZ

Bij de waardebepaling inzake de WOZ, is de gemeente verplicht een taxatieverslag mee te sturen. U heeft namelijk recht op een gemotiveerde waardevaststelling. Heeft u geen taxatieverslag ontvangen, dan kunt u mogelijk met succes in bezwaar.

Aanslag ozb

Gemeentes stellen ieder jaar opnieuw de WOZ-waarde van uw pand vast. Op basis hiervan ontvangt u onder andere een aanslag onroerendezaakbelasting (ozb). Bij het vaststellen van de waarde is de gemeente verplicht een taxatieverslag mee te sturen.

Tip: Via een vergelijking met soortgelijke panden kunt u nagaan of de waarde van uw pand niet te hoog is vastgesteld.

Taxatieverslag moet worden opgestuurd

Gemeentes gaan soms te makkelijk om met hun verplichtingen. Zo kwam onlangs een zaak voor de rechter waarbij de gemeente geen taxatieverslag had meegestuurd. In plaats daarvan kon de betreffende belastingplichtige met behulp van zijn DigiD inloggen op de site van de gemeente en hier het verslag inzien. De rechter besliste dat de vaststelling van de waarde dan onvoldoende gemotiveerd is. De gemeente had het taxatieverslag moeten opsturen. De gemeente werd daarom opgedragen de WOZ-waarde alsnog te onderbouwen.

In een andere zaak had de gemeente Amsterdam vanwege de vele WOZ-bezwaren met knippen en plakken van een standaardtekst het er zich volgens de rechter te makkelijk vanaf gemaakt.

U heeft dus recht op een gemotiveerde waardevaststelling.

(Bron: HLB)

Voortzetting activiteiten failliete BV door het moederbedrijf, kan dat?

Voortzetting van de activiteiten van een failliete onderneming na het faillissement is niet automatisch onrechtmatig tegenover de werknemers van dat failliete bedrijf. Dat blijkt uit een recent arrest van het Gerechtshof Den Haag.

Werknemers van het failliete Houtskeletbouw (‘HSB’) spraken hun moedermaatschappij, Van Leeuwen Groep (‘VLG’), aan op grond van misbruik van faillissementsrecht. De werknemers stelden dat het faillissement onnodig was aangevraagd. Er was nog een volle orderportefeuille en VLG zette de activiteiten van HSB na het faillissement voort, maar dan zonder personeel van HSB. In eerste aanleg wees de rechtbank de vorderingen af.

In hoger beroep overweegt het Hof dat de Europese Richtlijn (2001/23/EG) als strekking heeft dat van misbruik van faillissementsrecht sprake is als het voornaamste doel van de faillissementsaanvraag de feitelijke voortzetting van de oude onderneming is, maar dan zonder de werknemers. Het Hof stelt zichzelf de volgende vragen.

1. Was de faillissementsaanvraag terecht?

Het Gerechtshof kijkt bij de beoordeling hiervan naar de voorgeschiedenis van het faillissement. Het Hof volgt VLG in haar stellingname dat het eigen vermogen van 500.000 euro in de periode 2009-2011 verloren is gegaan. Kapitaalinjecties vanuit VLG bleven zonder resultaat. Ook is tevergeefs een sale- and leaseback-constructie opgezet, waarbij VLG de inventaris van HSB heeft overgenomen. VLG verwijst ter onderbouwing naar de jaarcijfers van HSB over 2009-2011, waaruit blijkt dat er verliezen zijn geleden.

Het Hof slaat acht op de jaarcijfers, maar neemt bij de beoordeling ook een getuigenverklaring van een registeraccountant van Grant Thornton in ogenschouw. Die accountant verklaart dat de banken geen financiering meer wilden verstrekken en dat verdere financiering van HSB door VLG onverantwoord zou zijn. Hij heeft geadviseerd dat een faillissement onafwendbaar was.

Afgewezen reorganisatie UWV
Verder heeft het Hof onderzocht of een afgewezen reorganisatie relevant was. Het UWV had geweigerd ontslagvergunningen voor het personeel te verlenen. Zij was er niet van overtuigd dat een voorgenomen uitbesteding van het productiewerk de bedrijfsvoering doelmatiger zou maken en zou leiden tot winstgevendheid. De prijs waartegen het productiewerk zou worden uitbesteed stond namelijk niet vast. De geweigerde vergunningen waren volgens het Hof irrelevant, omdat de reden tot weigering niet wegnam dat er voldoende aanleiding tot reorganiseren was.

Toegestane deeltijd-WW
Eind 2010 heeft HSB deeltijd-WW geregeld. Daaruit volgt volgens de werknemers dat HSB zich eind 2010 als een schuldenvrij en gezond bedrijf presenteerde richting de vakbonden en Bouwend Nederland. Volgens het Hof neemt dit niet weg dat HSB kunstmatig in leven werd gehouden en in 2012 had opgehouden te betalen (een criterium uit de faillissementswet om de faillissementstoestand aan te nemen).

2. Was het vooropgezette doel om de onderneming van HSB één op één voort te zetten?

Hoewel VLG voor een jaar werk uit het faillissement heeft overgenomen (prefab houtskeletbouw, de kernactiviteit van HSB), meent het Hof dat het niet de bedoeling was om de onderneming van HSB één op één voort te zetten.

VLG erkent dat er vijf projecten zijn overgenomen die al liepen, plus twee incidentele orders van na de datum van het faillissement. VLG heeft onder meer – met succes – aangevoerd dat dit werk af moest, voor het waardebehoud van de verpande debiteurenportefeuille. Met de uitvoering van de orders en de lopende opdrachten werden bovendien claims van opdrachtgevers voorkomen en werd goodwill behouden. Klanten van HSB waren in dit geval namelijk tegelijkertijd al klanten van VLG. VLG stelde verder (onweersproken) dat zij alleen materiaal heeft ingekocht voor de uitvoering van lopende orders en dat zij niet het verdere klantenbestand van de curator heeft gekocht.

VLG heeft betwist dat zij, na afronding van de werkzaamheden, verder nog nieuwe houtskeletbouwopdrachten heeft aanvaard. Weliswaar is de afkortzaagmachine na het faillissement overgenomen, maar die diende om houtskeletten voor eigen projecten van VLG te maken. Niet voor prefab houtskeletbouw voor timmerfabrieken en bouwbedrijven (zoals HSB voorheen deed). Bijzondere kennis van houtskeletbouw, zoals wordt gepresenteerd op de website van VLG, impliceert bovendien nog niet dat VLG inmiddels prefab houtskeletbouw als handelsactiviteit uitoefent, aldus het Hof.

Besluit

Het Hof acht de voorgaande handelwijze niet onrechtmatig richting de werknemers, onder meer omdat een faillissement van HSB onafwendbaar was. Ook heeft VLG het Hof er van overtuigd dat de afronding van werk noodzakelijk was en slechts van tijdelijke duur.

Een uitspraak die blijft hangen, omdat er voor een jaar werk is meegenomen en de feitelijke werkzaamheden van moeder en dochter, op het eerste gezicht, niet heel goed van elkaar te onderscheiden zijn. De werknemers worden onder meer veroordeeld tot betaling van zesduizend euro aan VLG, voor advocaatkosten in hoger beroep. De termijn voor het instellen van cassatie bij de Hoge Raad is overigens nog niet verstreken, zodat de uitspraak van het Gerechtshof nog niet onherroepelijk is.

Pre-pack

De uitspraak geeft er overigens geen blijk van dat sprake is geweest van een pre-pack, de constructie die zorgt dat een (deel van een) onderneming onder toezicht van een stille bewindvoerder ‘al draaiende’ failliet kan gaan en na faillissement snel kan worden voortgezet na verkoop door de curator.

In dat verband is de nieuwe Wet Continuïteit Ondernemingen I (WCO I) relevant. De planning was om die nieuwe wet door een hamerstuk van de Eerste Kamer in werking te laten treden. Maar door een lopende zaak bij het Europese Hof (Estro/Smallsteps-zaak) is de vraag aan de orde of die wet in zijn huidige vorm wel in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Die vraag heeft de Vaste Commissie voor Veiligheid en Justitie van de Eerste Kamer voorgelegd aan demissionair minister Blok.

 

(Bron: Accountant.nl)

Tanken in het buitenland: lagere bijtelling

Werknemers die hun auto van de zaak mee op vakantie nemen, mogen hun buitenlandse kosten onder voorwaarden van de bijtelling aftrekken of declareren. Werkgevers moeten daar dan wel van tevoren schriftelijke afspraken over maken.

Als een werknemer zijn auto van de zaak meeneemt over de grens, is de kans aanwezig dat zijn Nederlandse tankpas het daar niet meer doet. Hij moet dan zijn benzine, diesel of autogas of elektriciteit dus zelf betalen. Als uw organisatie deze brandstof aan de werknemer wil vergoeden, kan dat op twee verschillende manieren. De werkgever moet van tevoren met de werknemer afspreken welke werkwijze er gehanteerd zal worden.

Brandstof aftrekken van de bijtelling

De buitenlandse brandstofkosten kunnen afgetrokken worden van de bijtelling die uw organisatie toepast voor het privégebruik van de auto van de zaak. Dat moet dan wel vóór de vakantie schriftelijk overeengekomen zijn en de werknemer moet na zijn vakantie betaalbewijzen overleggen. Er geldt bovendien een ondergrens: de aftrek voor de brandstof of de elektriciteit mag er nooit toe leiden dat de bijtelling negatief wordt. Vooral bij elektrische auto’s is die grens snel bereikt.

Declareren kan ook

De tweede optie is dat de werknemer zijn buitenlandse brandstofkosten declareert. De werkgever mag ze dan – als intermediaire kosten voor de auto van de zaak – onbelast vergoeden, net als bijvoorbeeld parkeerkosten. De bijtelling op het loon van de werknemer moet dan wel gewoon in stand blijven. Omdat dit verplicht belast loon voor de werknemer is, is deze optie voor de werknemer uiteindelijk minder voordelig dan het aftrekken van de brandstofkosten van de bijtelling. Bovendien moet de werkgever dan premie werknemersverzekeringen en bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) betalen. Dat hoeft bij het aftrekken van de kosten van de bijtelling niet. Aan de andere kant maakt het niet meer uit hoeveel kosten de werknemer maakt in het buitenland: de grens van het bijtellingsbedrag geldt dan namelijk niet.

Tijdelijk andere auto mee

Neemt een werknemer tijdelijk een grotere auto of een auto met een groter bereik mee op vakantie, dan heeft dat gevolgen voor de bijtelling. Het tijdelijk vervangen van een auto van de zaak kan soms echter ook zonder dubbele bijtelling.

(Bron: Rendement.nl)

Fiscaal uw hypotheek verhuizen bij geringe hypotheekrenteaftrek

Uw huidige hypotheek valt in box 1. Mogelijk kan een fiscale verhuizing van uw lening naar box 3 u duizenden euro’s aan belastingvoordeel opleveren.

Als u weinig hypotheekrente betaalt, is het belastingvoordeel van de renteaftrek gering of zelfs afwezig, omdat de renteaftrek (grotendeels) wegvalt tegen de bijtelling van het eigenwoningforfait. Als u uw hypotheek dan verhuist naar box 3, heeft u meer belastingvoordeel omdat de hypotheekschuld het vermogen in box 3 verlaagt. Hierdoor gaat u minder vermogensrendementsheffing betalen.

Als u de hypotheek gewoon zou aflossen, verlaagt u ook het vermogen in box 3 en geniet u dus ook dat fiscale voordeel. Een voordeel van ‘verhuizen’ ten opzichte van aflossen is echter dat u het geld nu ter beschikking houdt voor uitgaven als aanvulling van uw pensioen.

Voorbeeld

Bert Otten van Otten Belastingadvies geeft een voorbeeld. ‘Stel, u hebt een woning van €400.000 en een hypotheek van €200.000. U betaalt 2% hypotheekrente. Uw salaris bedraagt €80.000 bruto per jaar en u mag de rente aftrekken tegen het maximale tarief van 50,5%. De rekensom is dan als volgt: u betaalt €4000 bruto aan rente per jaar, het eigenwoningforfait bedraagt € 3000, de aftrekbare rente is dan € 1000 (€4000 – €3000). Hiervan ontvangt u 52% terug, minus 1,5% (tariefsaanpassing eigen woning 2016) maal €4000, ofwel €460 (€520 – €60). Dat is dus een netto aftrekpercentage van slechts 11,5% (€460/ €4000).’

Hoe om te gaan met oude leningen
Als u een oude lening fiscaal wilt verhuizen, dan moet u deze lening aflossen en dan moet u haar na een paar maanden opnieuw aangaan. Het oogmerk van deze nieuwe lening moet het financieren van sparen/beleggen zijn, en niet van de woning. De lening kan dan in box 3 worden geplaatst. Hoe langer de tijd tussen het aflossen en het opnemen, hoe aannemelijker dit oogmerk is. Een alternatief is om eerst in box 3 te lenen, tijdelijk te beleggen en later een deel van de beleggingen te verkopen om de hypotheek mee af te lossen. Een en ander werkt naar de mening van specialisten in beginsel niet als de lening wordt aangegaan met het oog op de aflossing van de hypotheek.

Naast een hypotheekschuld beschikt u over een vermogen van € 300.000. Per 1 januari 2017 krijgt u te maken met de nieuwe hogere rendementsheffing in de fiscale box 3. Om deze nadelige belastingregel om te zetten in uw voordeel moet u een schuld creëren in box 3, waardoor uw vermogen afneemt. Stel dat u uw hypotheek van € 200.000 voor 1 januari verhuist naar box 3, dan zal uw vermogen in box 3 dalen naar ongeveer €100.000. Hierdoor betaalt u op jaarbasis €2760 (1,38% * 200.000; geen partner) minder aan box 3-belasting. Dit voordeel is een stuk groter, namelijk € 2300 op jaarbasis, dan wanneer u uw hypotheek in box 1 laat staan.

 

Verhuizen

Voor ‘nieuwe’ hypotheken waarvoor de annuïtaire aflossingseis geldt, kan de overgang naar box 3 worden relatief eenvoudig geforceerd door niet annuïtair af te lossen. Hierdoor zou er geen sprake meer zijn van een eigenwoningschuld. Gezien de peildatum box 3 van 1 januari kunt u het ‘overboeken’ het beste aan het einde van het jaar doen. Houd wel rekening met de verwerkingstijd van de bank. Ook is het mogelijk om de lening weer terug te verhuizen naar box 1. ‘Dit is anders voor leningen van voor 2013’, aldus Renaldo Antonissen, belastingadviseur bij 216 accountants. ‘Eenmaal in box 3, altijd in box 3.’

 

Hop van box 1 naar 3
Door de lage hypo-theekrente — minder aftrek — is het soms fiscaal aantrekkelijk om de schuld in box 3 te plaatsen

Wees ervan bewust dat u op grond van de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) in beginsel 50% van de marktwaarde van de woning zonder verplichting tot aflossing mag lenen. Een voorbeeld. U leent € 400.000 en u komt met de bank overeen dat er slechts € 200.000 in 30 jaar hoeft te worden afgelost volgens een annuïtair aflossingsschema. Door het overeenkomen van deze leningsvorm wordt niet voldaan aan de fiscale aflossingseis. De schuld valt daarmee in box 3. Maar er wordt wel voldaan aan de Gedragscode Hypothecaire Financieringen die voorschrijft dat ten minste 50% van de lening in 30 jaar geheel wordt afgelost. ‘Let wel op, dat indien de lening niet wordt gewijzigd – ofwel deze blijft annuïtair – er additionele termijnen gelden in de Wet Inkomstenbelasting. De lening blijft nog in box 1 gedurende 12 maanden’, aldus Antonissen.

‘Als u momenteel een rente van 4 à 5% betaalt, dan kan het betalen van boeterente prima worden gecombineerd met een fiscale verhuizing van de hypotheek. Door het betalen van boeterente, betaalt u eigenlijk een deel van de rente vooruit. Een groot voordeel daarvan is dat de bijtelling van het eigenwoningforfait maar voor één keer van toepassing is. Als u kunt aftrekken tegen het toptarief, kunt u bovendien die rente nu nog aftrekken tegen een hoog tarief. Immers, dat tarief wordt jaarlijks steeds minder. Vervolgens gaat u na de verhuizing van uw hypotheek profiteren van het voordeel in box 3. U combineert zo dus belastingvoordeel in box 1 en box 3. Als u een renteafspraak voor een lange periode maakt, kunt u bovendien momenteel een historisch lage rente krijgen en heeft u dus de zekerheid van toekomstige lage lasten’, aldus Otten.

(Bron: Financieel Dagblad)

Eigen woning en hoogste belastingschijf: mogelijk in de toekomst geen aftrek maar bijtelling

De kans dat u als belastingplichtige met een lage eigenwoningschuld en een belastbaar inkomen in de vierde belastingschijf (2017; > € 76.072) inkomstenbelasting voor uw eigen woning gaat betalen in plaats van aftrekken, wordt steeds groter. Dit is het gevolg van de tariefmaatregel eigen woning, die in

Het inkomen uit eigen woning bestaat uit het eigenwoningforfait minus de hypotheekkosten. Het eigenwoningforfait is een percentage van de WOZ-waarde. Als het eigenwoningforfait hoger is dan de aftrekbare hypotheekkosten, dan heeft u recht op de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Per saldo is de hypothecaire aftrek/bijtelling nihil.

Tariefmaatregel eigen woning

Wie echter de kosten van de eigen woning af kan trekken tegen 52% (vierde schijf), krijgt te maken met de tariefmaatregel eigen woning. De maatregel houdt in dat de hypotheekrenteaftrek jaarlijks geleidelijk wordt verlaagd (daling 0,5%-punt per jaar naar 38% in 2041). In 2017 ligt het tarief op 50%. De jaarlijkse correctie op de aftrekbare kosten eigen woning (2017; 52%-50% = 2% / 2018 52%-49.5% = 2,5%) wordt ‘bijgeplust’. Door de steeds hogere tariefcorrectie en de per 2013 ingevoerde annuïtaire aflossingseis zullen geleidelijk steeds meer belastingplichtigen per saldo belasting gaan betalen over de eigen woning.

Voorbeeld hypotheekrentebijtelling:

Een eigenwoningbezitter heeft een eigen woningforfait van € 1.950. De aftrekbare hypotheekkosten bedragen
€ 2.000. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 70.000 (vierde belastingschrijf). De aftrek bedraagt in eerste instantie 52% x € 2.000 -/- € 1.950 = € 26. Daarnaast vindt een verhoging plaats van 2% (tariefcorrectie)  van € 2.000 = € 40. Per saldo moet hij dus inkomstenbelasting € 14 bijbetalen voor de woning. Dat bedrag wordt elk jaar hoger.

De staatssecretaris heeft aangegeven dat de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld  losstaat van de tariefmaatregel en dus in dit voorbeeld niet van toepassing is. Doordat de stijging van de tariefcorrectie neemt de kans dat u te maken krijgt met een hypotheekbijtelling, toe.

Hoe bijtelling voorkomen?

U kunt de hypotheekrentebijtelling voorkomen door (een deel van de hypotheekrenteaftrek) toe te rekenen aan de fiscale partner van wie het belastbaar inkomen uit werk en woning niet in de vierde belastingschijf valt. Ook kan het verstandig zijn een deel van de eigenwoningschuld af te lossen.

(Bron: HLB)

Fors boekverlies op woning bij ruisende inbreng is aftrekbaar

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in hoger beroep dat de grenzen der redelijkheid niet zijn overschreden, ondanks dat op het moment waarop de heer X zijn IB-aangifte over 2008 deed al duidelijk was dat de ondernemingsactiviteiten per 1 januari 2010 zouden overgaan naar een bv en dat de woning zou overgaan naar privé.

Belanghebbende, de heer X, is enig aandeelhouder van D bv, die op haar beurt enig aandeelhouder is van E bv. Deze bv is samen met (uiteindelijk) twee andere holdings bestuurder en aandeelhouder van F bv. X koopt in 2007 een boerderij voor € 515.000. De boerderij wordt gesloopt en daarna is er een nieuwe woning gebouwd voor € 420.000 (inclusief btw). In 2008 gaat de inspecteur er mee akkoord dat de grenzen der redelijkheid niet worden overschreden als X de woning tot zijn ondernemingsvermogen rekent. Volgens X beslaat de aldus gebruikte kantoorruimte en spreekkamer namelijk ongeveer 22% van het totaal. Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 gaat X vervolgens een vof aan met F bv. In mei 2009 wordt de woning in gebruik genomen. In 2010 vindt op verzoek van X een minnelijke taxatie van de woning plaats. De getaxeerde waarde is € 830.000 (waarde vrij van gebruik). Per 1 januari 2010 brengt X zijn vof-deel ruisend in een bv in. In geschil is of X terecht eind 2009 in de IB-sfeer een stakingsverlies aangeeft aan van € 468.263, zijnde het boekverlies ten aanzien van de woning. Het grootste deel vloeit voort uit de waardedruk eigen bewoning van 35%. Rechtbank Gelderland stelt X in het gelijk. De inspecteur stelt in hoger beroep uitsluitend dat X de woning niet tot zijn ondernemingsvermogen mocht rekenen.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de grenzen der redelijkheid niet zijn overschreden, ondanks dat op het moment waarop X zijn IB-aangifte over 2008 deed al duidelijk was dat de ondernemingsactiviteiten per 1 januari 2010 zouden overgaan naar een bv en dat de woning zou overgaan naar privé. De (voorgenomen) overbrenging naar privé beperkt niet de keuzevrijheid ter zake van de definitieve etikettering van die woning met ingang van het eerdere moment van aanschaffing of voortbrenging daarvan (vgl. HR 21 maart 2003, nr. 38.094, V-N 2003/17.13). De inspecteur stelt ook vergeefs dat de grootste van de twee ruimten in werkelijkheid een garage is en dus niet wordt gebruikt ten behoeve van de onderneming. Het wel door de vof gebruikte deel zou daardoor minder zijn dan 10% van het totaal. X stelt met succes dat een btw-controleur in 2009 in het kader van een boekenonderzoek binnen is geweest en dat dit hem dan had moeten zijn opgevallen. De enkele verklaring van de inspecteur op de zitting dat de betreffende controleur tegen hem heeft verklaard dat hij weliswaar bij de woning is geweest, maar niet in de woning, is onvoldoende voor een ander oordeel. Het beroep van de inspecteur is ongegrond.

(Bron: Taxlive)

Belastingdienst stelt eigenwoningreserve te hoog vast

Hof Arnhem-Leeuwarden concludeert dat de Belastingdienst een eigenwoningreserve ten onrechte niet op € 0 heeft vastgesteld.

De zaak (Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2100) verloopt als volgt. Een man koopt samen met zijn partner een woning voor € 1.080.000, ieder voor 50%. De man brengt € 60.000 eigen geld in en zijn partner € 265.000. Voor het restant van de koopsom lenen zij samen in totaal € 755.000. Tot en met 2012 lost de partner € 175.000 af op de lening. In 2012 verbreken de man en zijn partner het partnerschap. Bij de verdeling krijgt de partner de woning, die op dat moment een waarde heeft van € 890.000, toebedeeld.
De man en zijn (ex-)partner verzoeken de inspecteur om een beschikking eigenwoningreserve. De inspecteur geeft de gevraagde beschikking af en concludeert dat het aandeel van de man in de eigenwoningreserve € 101.325 bedraagt. De man is het niet eens met de beschikking.
Hof Arnhem-Leeuwarden is van mening dat de inspecteur de eigenwoningreserve van de man ten onrechte niet op nihil heeft vastgesteld. Doorslaggevend voor het hof is dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aflossing op de eigenwoningschuld volledig door de partner zijn gedaan. Het samenlevingscontract bepaalt dat de man daardoor een schuld van € 190.000 heeft aan de partner. Deze schuld kwalificeert als eigenwoningschuld van de man. Dit heeft tot gevolg dat bij vervreemding van zijn aandeel in de woning de totale waarde van zijn eigenwoningschuld hoger is dan de waarde van de zijn aandeel in de woning. De eigenwoningreserve van de man is dus € 0.

Belang voor de praktijk

Er is niet veel jurisprudentie over de toepassing van de bijleenregeling. Bovenstaande procedure is dan ook een zeldzaamheid. Tot 2013 is in artikel 3.119b, lid 2 Wet IB 2001 (tekst 2012) opgenomen dat een belastingplichtige en zijn gewezen partner op verzoek de eigenwoningreserve aan ieder van hen toegerekend kunnen krijgen naar de mate van ieders gerechtigdheid tot het vervreemdingssaldo van de eigen woning. Het gaat daarbij om situaties waarin de gewezen partner op grond van een verrekenbeding recht heeft op een deel van de meerwaarde van de woning. Het verrekenbeding moet vooraf zijn opgemaakt, bijvoorbeeld, zoals in de onderhavige procedure, in een samenlevingsovereenkomst. De gewezen partners dienen gezamenlijk het verzoek in.
Met ingang van 2013 is art. 3.119b lid 2 vervallen. Achtergrond hiervan is het vervallen van de keuzeregeling voor de toerekening van de eigenwoningreserve.
Onder de huidige wetgeving zou de uitkomst van de procedure heel anders uitpakken. Met ingang van 2013 kan er namelijk geen eigenwoningschuld tussen partners meer ontstaan. Het bedrag van € 190.000 dat de man aan zijn partner schuldig was kwalificeert niet meer als eigenwoningschuld. Met als gevolg dat de man een eigenwoningreserve realiseert.
Onder het huidige recht is de oplossing gelegen in een aanpassing van het samenlevingscontract. Partijen komen in geval van aflossing van de lening door een van de partners geen vordering overeen maar spreken af dat de aflossing leidt tot een wijziging van de onderlinge schuldverhouding (artikel 6:10 BW). Een aflossing van de partner komt dan alleen ten goede aan de partner. Voor de geldverstrekker zal dit meestal niet uitmaken want beide partners zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld. De vervreemding van de woning werkt dan als volgt uit:
Man koopt 50% woning (€ 540.000)
Zijn aandeel in de schuld is € 540.000 minus eigen geld € 60.000 = € 480.000
Partner 50% woning (€ 540.000)
Haar aandeel in de schuld is € 540.000 minus eigen geld € 265.000 = € 275.000 EWS
Vervolgens lost zij nog € 175.000 af. Dan resteert voor haar nog een EWS van € 100.000.
Vervreemding helft woning door man € 890.000 : 2 = € 445.000
Stand eigenwoningschuld  € 480.000
Vervreemdingssaldo  negatief
Eigenwoningreserve  nihil

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Let op de houdbaarheidsdatum bijtellingspercentage auto van de zaak

Gebruikt uw medewerker de auto van de zaak ook privé en geldt hiervoor het lagere bijtellingspercentage dan het standaardtarief van 25%? Let dan goed op de einddatum van deze overgangsregeling, want deze is maximaal 60 maanden. Houd er rekening mee dat bij een auto van de zaak die in 2012 op kenteken is gezet, deze lagere bijtelling in 2017 kan eindigen. Na 60 maanden geldt waarschijnlijk de bijtelling van 25%.

Zijn er binnen uw onderneming auto’s waarvan de bijtelling lager dan 25% van toepassing is en waarvan de 60 maanden termijn bijna verstreken is? Dan adviseren wij u om contact op te nemen met uw salarisadministratie en samen met hen een verdere afstemming te maken. 

Bijtelling privégebruik auto’s vanaf 2017

Voor de meeste nieuwe auto’s van de zaak waar ook privé mee wordt gereden geldt vanaf 2017 een standaardbijtelling van 22%. Alleen voor nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot geldt vanaf 2017 een lagere bijtelling van 4%. De bijtelling van 4% blijft gedurende 60 maanden na de Datum Eerste Toelating (DET) van de auto van kracht.

 

Overgangsrecht voor auto’s van vóór 1 januari 2017

Voor op 31 december 2016 bestaande auto’s is het overgangsrecht met ingang van 1 januari 2017 gewijzigd. Tot en met 2016 golden nog verschillende overgangsregimes die er grofweg op neerkwamen dat na de maand waarin de auto voor het eerst op kenteken was gezet voor 60 maanden een bijtellingspercentage van kracht was waarna een nieuwe termijn van 60 maanden in ging tegen het op dat moment geldende bijtellingspercentage.

Deze 60 maandensystematiek van het overgangsrecht is vanaf 1 januari 2017 nog maar mogelijk voor één termijn van 60 maanden. Hierna dient per jaar te worden beoordeeld welk bijtellingspercentage moet worden gehanteerd.

Voor auto’s met een Datum Eerste Toelating (DET) van uiterlijk 31 december 2016 bedraagt de bijtelling standaard 25%. Deze bijtelling is niet beperkt tot een periode van 60 maanden, maar geldt onbeperkt. Voor op 31 december 2016 bestaande auto’s kan dus geen gebruik worden gemaakt van het algemene bijtellingspercentage van 22% zoals dat geldt vanaf 1 januari 2017.

Er zijn een aantal uitzonderingen op bovenstaande regeling voor auto’s waarvan de datum tenaamstelling voor 1 juli 2012 (waarbij niet het standaard bijtellingspercentage wordt gehanteerd van 25%) en datum tenaamstelling vanaf 1 juli waarbij de eerste tenaamstelling voor 1 juli 2012 ligt.

(Bron: Mazars)

Jaeger: Geen fiscale boete of strafvervolging bij objectief pleitbaar standpunt

In een arrest van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad langverwachte duidelijkheid gegeven over wanneer een onjuiste aangifte straffeloos blijft. We wisten al dat verdedigbaar onjuist oftewel een ‘pleitbaar standpunt’ een fiscale boete uitsluit. Maar geldt dit ook voor achteraf bedachte standpunten? Of moet de belastingplichtige bij het doen van de aangifte al hebben bedacht waarom zijn mogelijk onjuiste aangifte toch pleitbaar is? De Hoge Raad geeft nu uitleg voor zowel de fiscale boete als bij strafrechtelijke vervolging.

Pleitbaar standpunt: objectief of (een beetje) subjectief?

Een discussiepunt was nog hoe moest worden bepaald of deze belastingplichtige een pleitbaar standpunt had ingenomen. Het verschil tussen de ‘objectieve’ en ‘subjectieve leer’ zat in de vraag: welke intentie had de belastingplichtige op het moment dat hij de aangifte deed? In de subjectieve leer was dat van belang. Had de belastingplichtige toen nog helemaal niet bedacht waarom zijn aangifte verdedigbaar juist zou kunnen zijn – of was zijn bedoeling zelfs om een onjuiste aangifte te doen – dan kon in de ‘subjectieve’ uitleg geen sprake zijn van een pleitbaar standpunt. In de objectieve uitleg doet dat er niet toe. Het gaat er dan alleen om of er een verdedigbare onderbouwing kan worden gegeven.

Hoge Raad: pleitbaar standpunt volledig objectief

De Hoge Raad heeft nu heel duidelijk uitgemaakt: het pleitbare standpunt moet volstrekt objectief worden bekeken. Het is daarom helemaal niet meer relevant of de belastingplichtige bij het doen van zijn aangifte een pleitbare uitleg voor ogen stond, maar alleen of die uitleg achteraf alsnog kan worden vastgesteld.

Wat is pleitbaar?

Niet alleen geeft de Hoge Raad de gevolgen als er een pleitbaar standpunt is of kan worden ingenomen, maar hij geeft ook nog eens aan wat dat eigenlijk is, een ‘pleitbaar standpunt’. De gegeven definitie luidt:
“indien aan die aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. (…) niet van belang of de belastingplichtige bij het doen van de aangifte de pleitbare maar later onjuist bevonden uitleg voor ogen heeft gestaan”
Oftewel:
  1. een uitleg van het fiscale recht
  2. waarop de aangifte is gebaseerd
  3. waarvan de belastingplichtige ten tijde van de aangifte
  4. kon en mocht menen dat deze juist was
  5. ook als die uitleg pas achteraf is bedacht

Achteraf maar wel destijds verdedigbaar

Het gaat dus wel om een standpunt dat naar de situatie moet worden beoordeeld op het moment dat de aangifte is gedaan. Als inmiddels – als over de aanslag en boete wordt geoordeeld – duidelijk is geworden dat de uitleg toch fout blijkt te zijn, dan maakt dat niet meer uit. De beoordeling vindt achteraf plaats, maar wel naar de situatie van het moment dat de belastingaangifte is gedaan.

Bronnen voor een pleitbaar standpunt

De uitleg van het Hof dat in deze zaak sprake was van een pleitbaar standpunt is volgens de Hoge Raad terecht:
“gelet op de wettekst, (…) de wetsgeschiedenis en de op grond daarvan in de fiscale vakliteratuur verdedigde opvattingen, en in aanmerking genomen dat in de jurisprudentie van de Hoge Raad tot dat moment geen oordelen waren gegeven over een voldoende vergelijkbaar geval”
Dat betekent dat verdedigbaarheid kan worden gebaseerd op de diverse bronnen:
  1. wettekst
  2. toelichting in de parlementaire geschiedenis
  3. hierop in de literatuur verdedigde standpunten

Pleitbaarheid sluit ‘aanmerkelijke kans’ uit – dus ook geen strafvervolging

Zoals Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma al schreef in een eerdere bog, licht nu ook de Hoge Raad toe waarom een pleitbaar standpunt per definitie tot boeteloosheid leidt. Zelfs als een belastingplichtige de bedoeling had om een onjuiste aangifte te doen.
Een onjuiste aangifte is nog geen belastingfraude. Een boete of strafvervolging is alleen aan de orde als een aangifte opzettelijk onjuist is gedaan. Voor het bestaan van opzet gelden drie minimumeisen:
  1. aanmerkelijke kans dat een gevolg intreedt
  2. bewustheid van die kans
  3. aanvaarding dat het gevolg zich voordoet
Is aan deze drie punten voldaan, dan is sprake van de (minimumgrens) van ‘voorwaardelijk opzet’. Is aan één van de criteria niet voldaan, dan ontbreekt opzet. En ontbreekt dus de mogelijkheid om iemand vanwege opzet een boete of straf op te leggen.
Door het innemen van een ‘pleitbaar standpunt’ is volgens de Hoge Raad geen sprake meer van een kans die groot genoeg is om als ‘aanmerkelijke kans’ te gelden. Daardoor maakt de bewustheid van die (te kleine) kans en de aanvaarding daarvan niet uit. Er kan dus nooit meer sprake zijn van een opzettelijk onjuiste aangifte.

Belastingkamer instrueert de Strafkamer

De Belastingkamer van de Hoge Raad geeft hiermee ook de uitleg die de Strafkamer zou moeten volgen. Niet alleen voor de boete, maar ook voor een mogelijke strafvervolging geldt dat opzet ontbreekt als sprake is van een pleitbaar standpunt.
“Met betrekking tot een mogelijke strafvervolging geldt het volgende. (…)
Daartoe is immers vereist dat de betrokkene opzettelijk heeft gehandeld, dus (…) bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ten onrechte geen onderscheidenlijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Dat laatste doet zich niet voor indien, al dan niet achteraf bezien, de door de betrokkene aanvaarde kans dat de aangifte onjuist of onvolledig zou blijken te zijn, niet aanmerkelijk was.”

Conclusie

Een belastingaangifte waarvan de belastingrechter oordeelt dat deze onjuist is, maar waarvoor achteraf een onderbouwing kan worden gevonden die objectief verdedigbaar is, is nooit opzettelijk onjuist. Het maakt daarbij niet uit of de belastingplichtige toen al had bedacht waarom zijn aangifte verdedigbaar juist zou kunnen zijn. Het maakt zelfs niet uit of zijn bedoeling was om een onjuiste aangifte te doen.
Door het bestaan van een objectieve uitleg waardoor de onjuistheid op losse schroeven komt te staan, is de ‘kans’ dat de aangifte onjuist gedaan wordt, te klein geworden. Er is dan geen ‘aanmerkelijke kans’ meer, één van de minimumeisen voor opzet.
De intentie van de belastingplichtige doet er dan dus niet toe: een pleitbaar standpunt sluit doen van een ‘opzettelijk onjuiste aangifte’ uit. Niet alleen kan dan dus geen fiscale boete meer worden opgelegd, maar ook de strafrechter kan in dat geval niet veroordelen voor het plegen van belastingfraude.
(Bron: Taxlive)

NBA dient bij RJ commentaar in op actuele kostprijs

Door de NBA is de brochure “Actuele kostprijs in de praktijk” gepubliceerd. De beroepsorganisatie heeft bij de RJ commentaar ingediend op de componentenbenadering en op componenten met een beperkte gebruiksduur.

Componentenbenadering

De actuele kostprijs wordt bepaald per activa-component, rekening houdende met de verwerkingswijze van uitgaven na eerste verwerking, kosten van herstel en kosten van groot onderhoud. Indien componenten volledig zijn afgeschreven, heeft bijstelling van de actuele inkoopprijs of vervaardigingsprijs beperkte relevantie, aldus de NBA. Dot komt doordat de cumulatieve afschrijvingen evenredig (dus ook volledig) worden aangepast aan de wijziging van de actuele inkoopprijs of vervaardigingsprijs. Dit heeft dus alleen effect op de cumulatieve aanschafwaarde en de cumulatieve afschrijvingen, maar niet op de (netto) actuele kostprijs (boekwaarde) van nihil. Over het algemeen kan dit in de praktijk als niet materieel worden gekwalificeerd. Het voorstel van de beroepsorganisatie aan de RJ is om hiervoor een expliciete bepaling/vrijstelling voor op te nemen.

Componenten met beperkte gebruiksduur

Indien componenten een relatief korte gebruiksduur hebben (bijv. schilderwerk waarvan de afschrijvingstermijn op vijf jaar is gesteld) en de inflatie beperkt is (zoals in huidige economische situatie) kan het volgens de NBA gerechtvaardigd zijn om te veronderstellen dat de actuele inkoopprijs of de actuele vervaardigingsprijs niet in belangrijke mate afwijkt van de oorspronkelijke inkoopprijs of vervaardigingsprijs en dat herwaardering daarom over het algemeen achterwege gelaten kan worden voor deze component. Dit sluit ook aan bij de bepaling in RJ 212.408, dat frequente herwaarderingen niet nodig zijn voor materiële vaste activa waarvan de actuele kostprijs niet aanzienlijk schommelt. De beroepsorganisatie neemt hierbij aan dat hier eigenlijk de actuele inkoopprijs of vervaardigingsprijs is bedoeld. Deze toepassing sluit ook bij de bepaling in de RJ dat herwaardering om de drie of vijf jaar mogelijk volstaat, aldus de NBA. Voorstel van de beroepsorganisatie aan de RJ is om te verduidelijken dat in RJ 212.408 niet de actuele kostprijs, maar de actuele inkoopprijs of vervaardigingsprijs is bedoeld.

(Bron: Accountancyvanmorgen)