Nieuw formulier pensioen in eigen beheer

Directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) die hun pensioen in eigen beheer gaan afkopen of omvormen, moeten de Belastingdienst op de hoogte stellen. De fiscus heeft nu een nieuwe versie online gezet van het formulier dat de dga’s hiervoor moeten gebruiken. Verschil is dat zij nu minder bedragen hoeven in te vullen.

Sinds 1 april is het opbouwen van pensioen in eigen beheer verboden, als gevolg van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen. Er geldt nog een coulanceperiode tot 1 juli aanstaande om ervoor te zorgen dat de opbouw ook daadwerkelijk wordt stopgezet. Die tijd kunnen dga’s bijvoorbeeld ook gebruiken voor het overhevelen van pensioen dat nog bij een verzekeraar staat naar de eigen onderneming.

Pensioen in eigen beheer afkopen of omvormen

Dga’s kunnen het pensioenpotje in één keer afkopen (met een belastingkorting in 2017, 2018 en 2019), of omvormen naar een zogeheten oudedagsverplichting (ODV). Als zij een keuze hebben gemaakt, moeten ze dat binnen een maand doorgeven aan de Belastingdienst. Dat kan met de nieuwe versie van het informatieformulier, dat hier te vinden is (pdf).
In vergelijking met het oude formulier hoeven de dga’s minder bedragen in te vullen. Eerst wilde de fiscus óók de zogeheten commerciële waarde van het pensioen weten op 1 januari en 31 december 2015 én de commerciële en de fiscale waarde van het pensioen op 1 juli 2017. Die zijn op het nieuwe formulier verdwenen. De Belastingdienst laat weten dat bij het verwerken van de formulieren die al zijn ingestuurd ook niet meer naar deze waarden wordt gekeken.
Iets dergelijks geldt ook als de dga al een formulier had ingestuurd maar een fout had gemaakt in de commerciële waardes. De fiscus vroeg oorspronkelijk dan om alle gegevens nog eens in te leveren, maar dat hoeft nu niet meer. Van het rijtje commerciële waardes hoeft de dga alleen de balanswaarde per datum van afkoop of omzetting op te geven.

Commerciële en fiscale waarde pensioen in eigen beheer

De dga hoeft op het nieuwe formulier naast drie fiscale waardes alleen nog de commerciële waarde van het pensioen op de datum van afkoop of omzetting in te vullen. De commerciële waarde is het bedrag dat ‘bij een onafhankelijke derde zou moeten worden gestort om de aanspraak te dekken’. Voor de berekening hiervan heeft de Belastingdienst een rekenmodel opgesteld. De fiscale waarde van het pensioen is de waarde van de pensioenverplichting die in aanmerking wordt genomen voor de vennootschapsbelasting.

(Bron: Rendement)

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen vanaf 1 januari 2018

De regering wil het initiatiefwetsvoorstel beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen op 1 januari 2018 in werking laten treden. In een brief aan de Eerste en Tweede Kamer gaat de Staatssecretaris van Financiën in op de fiscale gevolgen van de nieuwe regeling.

Het gaat onder andere om de toepassing van de eigenwoningregeling. De eigenwoningreserve blijkt bij gezamenlijke financiering niet te leiden tot de gewenste uitkomst. De staatssecretaris beziet in hoeverre deze uitwerking meer in lijn kan worden gebracht met het doel van de bijleenregeling.

De andere onderwerpen betreffen de fiscale gevolgen van het vergoedingsrecht van art. 1:87 BW en het verschil in fiscale gevolgen tussen een ondernemer in de IB en een ondernemer in de VPB, die staande het huwelijk overgaat van een beperkte naar de algehele gemeenschap van goederen. Voor de IB-ondernemer zijn er geen fiscale gevolgen. Voor de VPB-ondernemer gaat de helft van de aandelen zonder ab-heffing over naar de andere echtgenoot. Hierbij geldt meestal de doorschuiffaciliteit.

Het initiatiefwetsvoorstel introduceert als standaardstelsel in het huwelijksvermogensrecht de beperkte gemeenschap van goederen. Het geldt voor huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018. Van het nieuwe stelsel kan worden afgeweken door het sluiten van huwelijkse voorwaarden.

(Bron: Taxlive)

Wat is een woning voor de overdrachtsbelasting? Een praktisch stappenplan

Het antwoord op de vraag ‘Wat is een woning?’ is onder andere interessant voor de overdrachtsbelasting. Met ingang van 15 juni 2011 kennen we voor de verkrijging van woningen een verlaagd tarief van 2% in plaats van het reguliere tarief van 6%. Nu zult u denken dan kijken we even in de wet c.q. bij de overdrachtsbelasting wat onder een woning wordt verstaan. Helaas geeft de wet geen definitie. Mede daarom worden er redelijk wat procedures gevoerd over de vraag wat nu eigenlijk een woning is.

A-G Wattel heeft naar aanleiding van een viertal conclusies van november 2016 een aantal vragen geformuleerd waaruit een (voor de praktijk) handige stappenplan kan worden afgeleid. Het is nog even afwachten wat de Hoge Raad ervan vindt en het is ook niet helemaal wat de wetgever indertijd voor ogen stond.

Wat zeggen de wet en de wetgever?

Zoals gezegd heeft de wetgever geen definitie gegeven van wat een woning is. In de parlementaire geschiedenis is de steeds terugkerende omschrijving of een onroerende zaak ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’. De A-G is van mening dat voor het begrip ‘woning’ niet kan worden aangesloten bij de rechtspraak voor de onroerendezaakbelasting, omdat het objectieve criterium ‘naar zijn aard bestemd’ doelbewust abstraheert van de doeleinden waaraan de onroerende zaak feitelijk dienstbaar is. In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat het feitelijk gebruik niet beslissend is. In de literatuur wordt gezocht naar een objectief criterium, waarbij de denkrichting vooral ligt in de objectieve geschiktheid voor bewoning beoordeeld vanuit de bouwkundige indeling, het uiterlijk en de aanwezigheid van voor bewoning noodzakelijke voorzieningen.

De A-G concludeert dat bij de invoering van het 2%-tarief de wetgever (i) heeft gestreefd naar objectieve en praktische toepassingscriteria en (ii) met de tariefvermindering 3 macro-economisch getinte doelen voor ogen had:

  • een impuls geven aan de woningmarkt / bevordering van de doorstroming;
  • herstel van de financiële stabiliteit na de kredietcrisis; en
  • het vergroten van de arbeidsmobiliteit.

Deze doelen zeggen niets over het feit of een onroerende zaak ‘naar zijn aard bestemd is voor bewoning’. Daarnaast is het ondoenlijk om na te gaan of een verkrijger tot aankoop van een onroerende zaak is overgegaan door het 2%-tarief, of hij zijn financiële positie heeft verbeterd of elders een betrekking heeft aanvaard. Het criterium ‘naar zijn aard bestemd voor bewoning’ kan ook leiden tot resultaten die niet stroken met het doel van de regeling. De verkrijging van huurwoningen, recreatiewoningen en sloopwoningen is onderworpen aan het verlaagde tarief, maar gebouwen die structureel worden bewoond maar niet als woning zijn gebouwd of vernieuwbouwd, vallen buiten de boot.

Een praktisch stappenplan

De A-G is van mening dat de termen ‘aard’ en ‘bewoning’ uit het mantra ‘naar zijn aard bestemd voor bewoning’ houvast kunnen geven. De vraag is dan of sprake is van woonaard, kantooraard, bedrijfsaard, etc. Volgens e A-G dient de ‘aard’ dan bouwkundig beoordeeld te worden. De bouwkundige aard van een onroerende zaak moet dan objectief op een woonbestemming wijzen, waarvoor het oorspronkelijk ontwerp is, alsmede de oorspronkelijke bouw, eventuele latere verbouwingen, indeling en voorzieningen. Op basis van dit criterium, de bouwkundige aard, formuleert de A-G een aantal vragen waaruit het navolgen van het stappenplan kan worden afgeleid:

Stap 1. Allereerst dienen de oorspronkelijke bouwkundige aard en objectieve bestemming bij de bouw te worden vastgesteld. Is een onroerende zaak ontworpen en gebouwd als woning, dan is het object naar zijn aard bestemd voor bewoning. Is het gebouwd als kantoor, dan is het object naar zijn aard bestemd als kantoor, enz.

Stap 2. De eerste stap leidt niet tot een in beton verankerde conclusie, want de tweede stap kan ertoe leiden dat de oorspronkelijke aard van kleur verschiet. Een verandering van aard kan voortvloeien uit een bouwkundige ingreep. Daarbij zijn het bouwkundige doel en het effect van de verbouwing van belang.

Stap 3. Bij de derde stap moet worden beoordeeld of een pand naar zijn aard verschillende delen met verschillende bestemmingen heeft. De koopprijs van het geheel moet worden toebedeeld aan de afzonderlijke delen, waarbij het verlaagde tarief slechts geldt voor het woongedeelte.

Stap 4. Als ook stap 3 geen uitkomst biedt, dan stelt de AG vast dat bewoonbaarheid geen vereiste is om te kunnen spreken over woning. Dit vloeit voort uit het feit dat bouwterreinen waar zich alleen fundamenten voor een woning laten waarnemen (überhaupt nog geen woning), cascowoningen die (nog) niet geschikt zijn voor bewoning en sloopwoningen die niet meer geschikt zijn voor bewoning, desondanks zijn aan te merken als woning in de zin van art. 14 lid 2 WBR.

Stap 5. Als de eerdere stappen geen uitkomst bieden, wordt stap 5 relevant. Dit is de publiekrechtelijke bestemming.

Stap 6. Wanneer ook stap 5 geen uitkomst biedt, de publiekrechtelijke bestemming bijvoorbeeld bij dubbelbestemming voor onbepaalde tijd, kan structureel feitelijk gebruik van belang zijn. Als finaal argument zou eventueel kunnen worden gekeken naar de vraag of de verkrijging de doorstroming op de woningmarkt bevordert. Dit stappenplan heeft de A-G vervolgens toegepast op een viertal voorliggende casussen:

Dit leidt tot de navolgende conclusies.

De stadsvilla

De stadsvilla is een in 1895 als woning gebouwde onroerende zaak en is lang als zodanig gebruikt. De laatste decennia heeft de stadsvilla dienst gedaan als kantoorpand van advocaten. Ten tijde van de verkrijging stond het pand leeg. De koper is van plan de onroerende zaak te gaan gebruiken als woning.

Toepassing van het stappenplan leidt tot het volgende:

  • Het staat vast dat de villa in 1895 is ontworpen en gebouwd als woonhuis en ook langdurig als zodanig is gebruikt (stap 1).
  • Er is bouwkundig ingegrepen, maar deze ingreep is beperkt geweest. Er is geen sprake van moeizame omkeerbaarheid van de aanpassing (stap 2).
  • Niet van belang is of de zaak al (of nog) bewoonbaar is. Daarnaast is het ontbreken van een badkamer niet relevant (stap 4).
  • De argumentatie dat doel en strekking van de regeling – het bevorderen van de doorstroming op de woningmarkt – niet worden geholpen bij een pand dat langdurig diende als kantoor en daarom niet meer dienstbaar was aan woondoeleinden, doet nauwelijks ter zake.
  • Aan beoordeling van de publiekrechtelijke bestemming wordt niet toegekomen (stap 5).

De A-G concludeert op grond van vorenstaande dat de kantoorvilla is aan te merken als woning in de zin van art. 14 lid 2 WBR.

Het hospice

Hier is sprake van een onroerende zaak met een woonbestemming. De onroerende zaak is in gebruik als hospice. Toepassing van het stappenplan leidt tot het volgende:

Stap 1 en 2: de oorspronkelijke aard bij de bouw en de vraag of al dan niet bouwkundige ingrepen hebben plaatsgevonden. De kernvraag is wat de aard van dit hospice is en daarmee of het verblijf van de huurders is te duiden als wonen. Het hospice kan ook meer een ziekenhuis of een verzorgingshuis zijn. De A-G meent dat dit hospice is ontworpen en gebouwd als woning. Het hospice behoort tot de categorie ‘bijna-thuis’-hospice. Hij komt hiertoe door de veronderstelling dat een ‘high-care’-hospice meer ziekenhuisachtige bouwkundige kenmerken zal hebben. De units, de wc en badkamer en woonkamer zijn ontworpen en bestemd als (deels gedeelde) privéruimten. De gedeelde ruimten maken niet dat geen sprake is van een bouwkundige woonfunctie. Het is niet relevant dat een huurder slechts kort in de unit zal verblijven. Feitelijk gebruik is volgens de A-G niet beslissend en de feitelijke gebruiksduur dus ook niet. Het gaat erom dat het hospice objectief een woonfunctie en -bestemming heeft.

Alles overziend is het hospice naar het oordeel van de A-G aan te merken als woning in de zin van art. 14 lid 2 WBR.

De tandartsenpraktijk

In deze casus betreft het een onroerende zaak die in 1965 als woning is opgeleverd en, na enkele aanpassingen, sinds 1982 als tandartsenpraktijk in gebruik is geweest. Toepassing van het stappenplan leidt tot het volgende:

  • vast staat dat de onroerende zaak in 1964 is gebouwd als woonhuis en als zodanig is gebruikt tot er zich in 1982 een tandartsenpraktijk ging huisvesten (stap 1);
  • er is bouwkundig ingegrepen, maar deze ingreep is beperkt geweest. Er is geen sprake van moeizame omkeerbaarheid van de aanpassing en al helemaal niet van ‘in wezen nieuwbouw’ met het oog op functiewijziging (stap 2);
  • niet van belang is of de zaak al of nog bewoonbaar is. Ook is niet relevant dat een badkamer en keuken ontbreken. Deze kunnen zonder bouwkundige ingrepen geplaatst worden in daartoe bouwkundig geëigende ruimten (stap 4);
  • nauwelijks relevant is het antwoord op de vraag of de verkrijging bijdraagt aan de doorstroming op de woningmarkt;
  • aan beoordeling van de publiekrechtelijke bestemming wordt niet toegekomen, omdat het object naar zijn aard objectief bestemd is voor bewoning (stap 5).

De A-G oordeelt dan ook dat de tandartsenpraktijk is aan te merken als woning in de zin van art. 14 lid 2 WBR.

De hybride boerderij

Hier is sprake van een woning met een stal. De stal wordt in 2008-2009 verbouwd naar een kantoorruimte. Begin 2009 verleent de gemeente een tijdelijke vrijstelling van het bestemmingsplan, en mag de onroerende zaak gedurende maximaal vijf jaren voor zakelijke doeleinden worden gebruikt. Per 1 april 2009 wordt het pand als kantoor verhuurd. Het pand wordt in 2010 verkocht. In 2013 koopt X het pand weer terug. X stelt dat het pand als een woning moet worden aangemerkt, en dat slechts 2% overdrachtsbelasting is verschuldigd.

Toepassing van het stappenplan leidt tot het volgende:

De A-G stelt ook hier als eerste dat het feitelijk gebruik voor de kwalificatie van de onroerende zaak niet van belang is. Stap 1 is vast te stellen wat de oorspronkelijke aard bij de bouw is en de daaruit volgende objectieve bestemming. Het pand is ontworpen en gebouwd voor gesplitst gebruik en tot 1991 als zodanig gebuikt. Stap 2 is nagaan of er bouwkundig is ingegrepen en met welk doel en objectief effect. Het woongedeelte is niet verbouwd en is naar zijn aard nog bestemd voor bebouwing. De voormalige stal is zodanig verbouwd dat voor de omzetbelasting sprake was van een nieuwe onroerende zaak. Dit maakt dat de stal niet langer als agrarische bedrijfsruimte is aan te merken, maar als kantoor, als woning of als hybride, met naar zijn bouwkundige aard beide bestemmingen. Nu de bouwkundige aard niet eenduidig is vast te stellen, is volgens de A-G de bestemming beslissend. Bij resterende twijfel – als de eerste twee tests geen duidelijkheid bieden – wordt volgens de wetgever immers ook – ‘mede’ – de publiekrechtelijke bestemming van de zaak van belang. Deze bestemming is bewoning (stap 5). Dit alles maakt naar oordeel van de A-G dat de hybride boerderij is aan te merken als woning in de zin van art. 14 lid 2 WBR.

Betekenis voor de praktijk

Het stappenplan is een voor de praktijk handig hulpmiddel. De vraag is wel of de wetgever dit een gewenste uitkomst vindt. Immers, het stappenplan kan ertoe leiden dat kopers die niet de intentie hebben een onroerende zaak als woning te gaan gebruiken, het 2%-tarief deelachtig kunnen worden en kopers die de intentie hebben een onroerende zaak wel als woning te gebruiken tegen het 6%-tarief aanlopen. Dat was eigenlijk niet de bedoeling van de regeling. Een kantoorgebouw dat met aanpassingen geschikt gemaakt wordt voor structurele bewoning (zie bijvoorbeeld in de grote steden, waar deze worden omgebouwd tot bijvoorbeeld studentenflats) kan volgens het stappenplan een kantoorgebouw blijven en dus is 6% overdrachtsbelasting verschuldigd.

Naschrift

Na de deadline voor dit artikel heeft de Hoge Raad op 24 februari 2017 arrest gewezen in voornoemde procedures. Alleen bij het hospice komt de Hoge Raad tot het oordeel dat geen sprake is van een woning, maar toch van een verzorgingsinstelling. Het pand is volgens de Hoge Raad namelijk naar zijn aard bestemd om dienst te doen als een verzorgingsinstelling en kan dus niet als woning in de zin van art. 14, lid 2, Wet BRV worden aangemerkt. Dat de zorg niet is begrepen in de huurprijs, er geen artsen, verpleegkundigen, schoonmakers en ander gekwalificeerd personeel in dienst van belanghebbende en de stichting zijn, en dat het hospice geen ‘verpleeginrichting’ is, is niet van belang. Beslissend is de aard van het pand, gemeten naar zijn objectieve kenmerken. De contractuele relatie van de bewoners met de exploitant van het pand is daarvoor niet bepalend. De toekomst zal leren hoe de Hoge Raad gaat oordelen en wat dan eventueel de reactie van de wetgever is.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Projectontwikkelaar mocht niet afwijken van pro-rata BTW

BV X was projectontwikkelaar. Met ingang van juni 2008 werden de aandelen in BV X gehouden door BV A, BV B en BV C. Alle aandelen in BV A werden gehouden door D. A hield op zijn beurt alle aandelen in BV B, en BV E (waarvan B enig aandeelhouder was) hield alle aandelen in BV C. BV X had zelf geen personeel in dienst. Zij maakte gebruik van de diensten van A en B en betaalde daarom managementvergoedingen aan BV E en BV B. Uit een boekenonderzoek bleek dat BV X alle BTW had afgetrokken op goederen en diensten die door haar gemengd werden gebruikt (dit betrof alle niet aan projecten gerelateerde uitgaven). De inspecteur vond dat de aftrek van deze BTW moest worden bepaald op basis van de verhouding tussen BTW-belaste omzet en BTW-vrijgestelde omzet (de pro-rata methode) en dat daarom in 2009 85% en in 2010 86% van de betreffende voorbelasting niet aftrekbaar was. Hij legde een naheffingsaanslag BTW op over de jaren 2009 tot en met 2011 van € 89.552 met een boete van 25%. BV X ging in beroep en stelde dat de BTW op de algemene kosten moest worden gesplitst op basis van de tijdsbesteding van de directeuren A en B en niet op basis van de pro-rata methode. A en B hadden volgens BV X in 2009 13,58% en in 2010 8,02% van hun tijd besteed aan het vrijgestelde project Z. De inspecteur stelde dat de door BV X opgestelde urenoverzichten niet voldoende nauwkeurig waren omdat ze achteraf waren opgemaakt en gedeeltelijk op aannames berustten over het totale aantal gewerkte uren en over het aantal uren per in de agenda’s genoteerde afspraak. Ook werden volgens de inspecteur algemene werkzaamheden, zoals een bezoek aan de accountant, bij de bepaling van het percentage tot de belaste prestaties gerekend evenals projecten die niet doorgingen, terwijl niet duidelijk was of die projecten tot belaste omzet zouden hebben geleid als ze wel waren doorgegaan. Rechtbank Gelderland besliste dat de bewijslast van het werkelijke gebruik lag bij degene die van de pro-rata methode wilde afwijken en dat daarbij de vaststelling van het werkelijke gebruik moest berusten op objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens. Uit het arrest BLC Baumarkt van het EU-Hof volgde volgens de Rechtbank dat van de pro-rata mocht worden afgeweken, mits was gewaarborgd dat de daarvoor in plaats komende berekeningsmethode de aftrekbare voorbelasting nauwkeuriger bepaalde dan de omzetverhouding. Degene die wilde afwijken van de pro-rata moest annemelijk maken dat met zijn berekeningswijze de aftrekbare BTW nauwkeuriger kon worden vastgesteld. De Rechtbank was het met de inspecteur eens dat BV X met de urenoverzichten niet aan de op haar rustende bewijslast had voldaan en besliste dat deze niet voldoende nauwkeurig waren om af te wijken van de hoofdregel van de pro-rata methode. De Rechtbank verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond.

(Bron: FUTD)

RJ-Uiting 2017-4 ‘Ontwerp-richtlijn 220 Voorraden en ontwerp-richtlijn B4 Voorraden’

De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft RJ-Uiting 2017-4 ‘Ontwerp-richtlijn 220 Voorraden en ontwerp-richtlijn B4 Voorraden’ gepubliceerd. Deze RJ-Uiting behandelt de actualisatie van het hoofdstuk RJ 220 Voorraden en hoofdstuk B4 Voorraden.

De RJ heeft besloten om de hoofdstukken 220 ‘Voorraden’ (RJ-bundel) en B4 ‘Voorraden’ (RJk-bundel) te actualiseren. Deze RJ-Uiting bevat de voorgestelde en hieronder kort genoemde verduidelijkingen en redactionele wijzigingen. Als gevolg van de diverse (redactionele) wijzigingen heeft ook een hernummering van de alinea’s plaatsgevonden. Omwille van de leesbaarheid bevat deze RJ-Uiting daarom de ‘schone’ versie van ontwerp-hoofdstuk 220 en B4. De belangrijkste wijzigingen in de hoofdstukken 220 en B4 betreffen:

  • Een stellige uitspraak dat, indien sprake is van agrarische voorraden gewaardeerd op actuele waarde waarbij ongerealiseerde waardemutaties rechtstreeks in het eigen vermogen worden verwerkt, bij vervreemding van deze agrarische voorraden het gerealiseerde deel van de herwaarderingsreserve verwerkt dient te worden in de winst-en-verliesrekening. Het gerealiseerde deel wordt als een afzonderlijke post in de winst-en-verliesrekening gepresenteerd (alinea 220.404). De achtergrond hiervan is dat wanneer een gerealiseerde waardemutatie direct ten gunste van de Overige reserves zou worden verwerkt dit bedrag nooit in de winst-en-verliesrekening zou worden verantwoord.
  • Het herstructureren van de alinea’s met betrekking tot agrarische voorraden (paragraaf 3 en 4) met als doel de verwerkingswijze van agrarische voorraden gewaardeerd tegen actuele waarde te verduidelijken. Deze verwerkingswijze is gebaseerd op artikel 8 van het Besluit Actuele waarde (en de Nota van Toelichting).
  • In paragraaf 4 zijn alinea’s 401 en 403 inzake de verwerking in de winst-en-verliesrekening geschrapt, aangezien dit reeds in andere alinea’s in het hoofdstuk of in hoofdstuk 270 ‘De winst-en-verliesrekening’ wordt behandeld.
  • De voormalige Paragraaf 5 ‘Presentatie en toelichting’ is gesplitst in een aparte Paragraaf 5 ‘Presentatie’ en een Paragraaf 6 ‘Toelichting’.

De RJ is voornemens de gewijzigde hoofdstukken in te laten gaan voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2018.

(Bron: Accountantweek)

Innovatieregeling MKB open vanaf 11 april 2017

Bent u een innovatieve mkb-er dan komt u mogelijk in aanmerking voor de MKB-Innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT).

Deze regeling gaat op 11 april 2017 open.

Het doel van de MKB-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT) is het stimuleren van innovatie bij het midden- en kleinbedrijf over de regiogrenzen heen. De bijdrage vanuit deze regeling blijkt voor mkb-ondernemers nét dat steuntje in de rug om een innovatieproject van de grond te krijgen. In 2017 is er ruim € 55 miljoen beschikbaar voor kennisvouchers, innovatieadviesdiensten, haalbaarheidsprojecten en R&D-samenwerkingsprojecten.

Openstelling

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) heeft de openings- en sluitingsdata van de MIT bekendgemaakt. Deze zijn voor 2017 als volgt:

  • 11 april 2017 (vanaf 9.00 uur) opening voor de kleine instrumenten: kennisvouchers, innovatie-adviesprojecten en haalbaarheidsprojecten en de twee TKI-instrumenten Netwerkactiviteiten en Innovatiemakelaars. De afhandeling van de aanvragen gebeurt op volgorde van binnenkomst.
  • 30 juni 2017 (17.00 uur) sluiting van de twee TKI-instrumenten Netwerkactiviteiten en Innovatiemakelaars.
  • 3 juli 2017 (vanaf 9.00 uur) opening voor R&D-samenwerkingsprojecten (afhandeling volgens het tenderprincipe).
  • 7 september 2017 (17.00 uur) sluiting MIT voor de kleine instrumenten en de R&D-samenwerkingsprojecten.

(Bron: Crowe Horvath)

Bestuurder van beboete B.V. kan zelf straf krijgen

Op grond van Europees recht mag men niet meer dan één keer worden bestraft voor hetzelfde feit (ne-bis-in-idembeginsel). Het Hof van Justitie van de EU heeft duidelijk gemaakt dat lichamen en hun wettelijke vertegenwoordigers op dit punt tellen als twee afzonderlijke (rechts)personen.

De zaak voor het Hof waren twee wettelijke vertegenwoordigers van Italiaanse vennootschappen strafrechtelijk vervolgd omdat zij hadden nagelaten de btw te betalen die de vennootschappen waren verschuldigd. Daarvoor hadden de vennootschappen zelf al een fiscale boete gekregen van 30% van de verschuldigde btw. Het Hof oordeelde dat hier geen sprake was van het ne-bis-in-idembeginsel, omdat de bestuurders en de vennootschappen verschillende personen waren.

(Bron: Taxence)

Let op bij belastingvrijwegstrepen schuld dga van/aan BV

Naar aanleiding van een WOB-verzoek heeft het ministerie van Financiën een intern memo van de Belastingdienst openbaar waarin handvatten worden gegeven voor de bestrijding van het belastingvrij wegstrepen van de rekening-courant schuld van de dga aan zijn bv.

Het WOB-verzoek ging over het beleid van het ministerie en de Belastingdienst met betrekking tot het belastingvrij afboeken van een vordering van een bv op haar dga. Aanleiding voor het WOB-verzoek was een artikel in het FD waarin was aangegeven dat een dergelijke vordering belastingvrij zou zijn af te boeken met de stelling dat er van aanvang sprake was van een schijnlening en dat dit reeds langer dan vijf jaar geleden duidelijk was dat de lening niet zou worden terugbetaald.

In de beantwoording op het WOB-verzoek geeft Financiën aan dat er geen beleid geformuleerd door de Belastingdienst of het ministerie van Financiën over de geconstateerde mogelijkheid om belastingvrij de schuld van de dga aan zijn vennootschap af te boeken. Op basis van wet- en regelgeving en jurisprudentie wordt per casus een afweging gemaakt. Wel is aan de Belastingdienst in een intern memo een aantal handvatten gegeven. Uit het memo blijkt onder meer dat wanneer in de aangifte Vpb wordt gedetecteerd dat een vordering op de dga in enig jaar verdwijnt (tijdens het jaar of op de beginbalans, dit aanleiding kan zijn om de regeling van de IB/PV aangiften van alle openstaande jaren van de dga aan te houden. Bestrijding leidt tot correcties bij de aanslagregeling of tot navordering. Dat zal vrijwel steeds gepaard gaan met het opleggen van een boete of soms zelfs het opstarten van een strafrechtelijk traject. Als een standpunt in vooroverleg wordt gevraagd dan wordt (mede op basis van het Besluit fiscaal bestuursrecht van 15 februari 2016, nr. BLKB 2016/19, onderdeel 4) in het kader van vooroverleg geen inhoudelijk standpunt ingenomen en wordt gemeld dat in plaats daarvan het door belanghebbende in te nemen standpunt (zo nodig bij aanslagregeling) bestreden zal worden. Uit het memo komt ook naar voren dat de stelling van de belastingplichtige dat er sprake was van een schijnlening niet snel zal worden aangenomen. De stelling dat er jaren geleden sprake was van een schijnlening wordt als zodanig als een nieuw feit beschouwd voor jaren die binnen de navorderingstermijn liggen.

(PKF)

Belastingdienst in de fout met uitvraag (balans)waarde pensioenaanspraak dga

Het informatieformulier, waarmee de dga zijn keuze voor afkoop of omzetting van zijn pensioen in eigen beheer moet doorgeven aan de Belastingdienst, laat zwaar te wensen over. Juridisch is er behoorlijk wat mis met de uitvraag van de (balans)waarden van de pensioenaanspraak van de dga. Dat stelt fiscaal econoom en pensioendeskundige Bas Kortenbach van Next Level Pensioenadvies in Den Haag. “De Belastingdienst heeft niet de vrijheid om eigenhandig datums te wijzigen of om de commerciële waarde als aanvullende voorwaarde te stellen voor toepassing van de uitfaseerfaciliteit.”

Informatieformulier

Al eerder gaf pensioenadvocaat Theo Gommer op TaxLive commentaar op het informatieformulier van de Belastingdienst. Alhoewel in de eind maart in het Staatsblad gepubliceerde algemene maatregel van bestuur (AmvB) enkel wordt gevraagd om de fiscale balanswaarden van de pensioenaanspraak in eigen beheer, en niet om de commerciële waarden, vraagt de Belastingdienst hier wel om in het informatieformulier. Bovendien geeft de Belastingdienst aan dat het opgeven van de commerciële waarden een voorwaarde zou zijn om van de uitfaseerfaciliteit gebruik te kunnen maken.
En dan is er nog iets merkwaardigs aan de hand. Volgens de AmvB moet de fiscale balanswaarde worden uitgevraagd op vier verschillende momenten: 1 januari 2015, 31 december 2015, 31 december 2016 en op het tijdstip van afkoop of omzetting van het pensioen in eigen beheer. Ook hier wijkt de Belastingdienst in het informatieformulier deels af, door de (balans)waarde op te vragen op 1 juli 2017 in plaats van 31 december 2016.

Juridische misser

In een Vraag & Antwoord legt het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst de reden voor de afwijkende datum uit. Dat de (balans)waarde van de pensioenaanspraak niet ook per 31 december 2016 wordt uitgevraagd heeft te maken met het opschuiven van de invoeringsdatum van de maatregelen tot uitfasering van het pensioen in eigen beheer. De datum van 31 december 2016 is daarom in het informatieformulier vervangen door 1 juli 2017.
Kortenbach spreekt van een juridische misser. “De datum van 31 december 2016 staat klinkklaar in het gewijzigde Uitvoeringsbesluit LB. Ondanks dat de invoeringsdatum van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer is opgeschoven naar 1 april 2017, is het uitvoeringsbesluit hier niet op aangepast. Bovendien heeft de Belastingdienst in de datum van 1 juli 2017 ook nog eens de coulancetermijn betrokken, terwijl daar bij de vaststelling van de datums in het uitvoeringsbesluit geen rekening mee is gehouden. De Belastingdienst heeft niet de vrijheid om eigenhandig datums te wijzigen en maakt hiermee een juridische misser. Bovendien wordt de dga ook nog eens onnodig op kosten gejaagd, doordat hij extra pensioenberekeningen moet laten maken.”

Uitvraag commerciële waarden

In hetzelfde Vraag & Antwoord-document geeft het CAP ook aan waarom niet alleen de fiscale balanswaarden van de pensioenaanspraak moeten worden ingevuld op het informatieformulier, maar ook de commerciële waarden. De laatste waarden worden op grond van artikel 47 AWR uitgevraagd vanwege het toezicht op de vaststelling van een juiste compensatie van de partner en eventuele schenkingsaspecten. “Dat moge zo zijn, maar de Belastingdienst verbindt deze uitvraag van informatie aan de toepassing van de uitfaseerfaciliteit en dat is onterecht.”, aldus Kortenbach.

Definitie ‘commerciële waarde’

Bij de commerciële waarde gaat het volgens het CAP om het bedrag dat bij een onafhankelijke derde zou moeten worden gestort om de aanspraak te dekken. Dat volgt uit de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Voor de berekening van de op het informatieformulier te vermelden commerciële waarde, kan worden uitgegaan van het rekenmodel van de Benaderde Marktwaarde methode van de Belastingdienst. De einduitkomst van dit rekenmodel geeft bij benadering de koopsom weer die bij een onafhankelijke verzekeringsmaatschappij zou moeten worden gestort om de pensioenverplichting onder te brengen.

Verwarring

“Het uitvragen van specifiek deze commerciële waarde wekt verwarring,” aldus Kortenbach, “en wel om de volgende twee redenen: Ten eerste wordt in het informatieformulier gevraagd om de (balans)waarden van de pensioenaanspraak. Op de balans van een bv met pensioen in eigen beheer is deze commerciële waarde niet te vinden, enkel de fiscale waarde of de zogenoemde commerciële RJ 2014-4 waarde. Ten tweede is het vreemd dat de commerciële waarde specifiek voor de Loonbelasting een rol speelt in eventuele schenkingsaspecten. Je zou eerder verwachten dat aansluiting wordt gezocht bij een waarde-definitie uit de schenkbelasting.”
(Bron: Taxlive)

Bijtelling auto van de zaak: discriminatie?

Per 1 januari 2017 zijn de percentages voor bijtelling van (bestel)auto’s van de zaak weer gewijzigd. In de meeste gevallen is het bijtellingspercentage verlaagd, maar voor bepaalde auto’s is er sprake van een verhoging van het percentage.

Verlaging van het bijtellingspercentage

Voor de meest vervuilende auto’s (CO2-uitstoot van 106 gram per kilometer of meer) is het bijtellingspercentage verlaagd van 25% naar 22%. Dit komt doordat de bijtelling voor alle leaseauto’s geleidelijk naar 22% gaat. Werkgevers en werknemers die vóór 1 januari 2017 een 25%-auto hebben gekocht of geleased, hoopten dat vanaf 1 januari hun bijtelling ook verlaagd zou worden naar 22%. Helaas is dit niet het geval.

Zelfde auto, maar verschillende bijtellingspercentages

Door bovenstaande kan een vervelende situatie ontstaan. Twee werknemers met dezelfde auto kunnen een ander bijtellingspercentage betalen. De werknemer bij wie het leasecontract is ingegaan in december 2016 betaalt 3% meer bijtelling dan zijn collega bij wie het leasecontract in januari 2017 is ingegaan. Dit lijkt op discriminatie. Twee organisaties in de automotive zijn daarom procedures gestart om de Hoge Raad hierover te laten oordelen. De organisaties verwachten dit kalenderjaar nog duidelijkheid hierover te krijgen. Wij zijn van mening dat de procedures niet veel kans van slagen zullen hebben. Belastingbetalers hebben recentelijk in zaken waar mogelijk discriminatie speelde ook al ongelijk gekregen.

Wat zijn de gevolgen van het verschil?

De financiële gevolgen van de hogere bijtelling voor auto’s die vóór 2017 voor het eerst op naam zijn gezet zijn relatief beperkt. Een werknemer met een auto met een cataloguswaarde van € 30.000 zou, als de procedures slagen, afhankelijk van zijn inkomen maximaal € 500 overhouden. Voor de werkgever is het voordeel in dit geval echter (ook afhankelijk van het inkomen) minder dan € 200. Wanneer het salaris inclusief bijtelling van de werknemer € 50.000 of meer bedraagt, dan heeft de hoogte van de bijtelling voor de werkgever (bijna) geen effect.

Bezwaar tegen hogere bijtelling

Het is voor werkgevers mogelijk om bezwaar te maken tegen de hogere bijtelling. Dit moet dan wel bij elke aangifte loonheffingen gebeuren. Werkgevers moeten dus twaalf of dertien keer per jaar bezwaar maken. Dat zal voor veel werkgevers waarschijnlijk nauwelijks opwegen tegen het financiële voordeel.

Wij adviseren u daarom het oordeel van de Hoge Raad af te wachten en waar nodig (en mogelijk) in actie te komen. Mocht u bezwaar willen maken tegen de aangifte loonheffingen, neemt u dan contact met ons op. Wij helpen u graag verder.

(Bron: DRV)