Uitgever bewees in 2017 te verwachten voordeel niet: geen bron van inkomen

X richtte in 2006 een uitgeverij op, die een serie boeken uitbracht. Tot en met 2014 waren er geen positieve resultaten. Na een controle deelde de inspecteur X mee dat hij de uitgeefactiviteiten vanaf 2012 niet langer als bron van inkomen zou beschouwen. Toen X in zijn aangifte IB 2012 toch weer een verlies uit onderneming opnam, corrigeerde de inspecteur dit verlies. X ging in beroep en stelde dat met een vernieuwde aanpak van de promotie het laatste boek uit de serie in 2017 mogelijk zou leiden tot een verkoopsucces. Rechtbank Den Haag verwees voor de beoordeling van de objectieve voordeelsverwachting naar arresten van de Hoge Raad van 14 oktober 2005 en 24 juni 2011. Aangezien X sinds de start van de activiteiten daarmee in geen enkel jaar een positief resultaat had behaald, bracht een redelijke verdeling van de bewijslast volgens de Rechtbank mee dat X aannemelijk moest maken dat sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Vervolgens besliste de Rechtbank dat X daar niet in was geslaagd. Hij had tot en met 2014 nauwelijks omzet behaald maar wel aanzienlijke kosten gemaakt. Van eerdere delen van de serie boeken was steeds slechts een (zeer) beperkt aantal exemplaren verkocht. Het door X gestelde maatschappelijk belang van de activiteiten was volgens de Rechtbank geen criterium waaraan in dit verband betekenis toekwam. De uitgeefactiviteiten van X vormden geen bron van inkomen, zodat de inspecteur het negatieve resultaat daaruit terecht niet in aanmerking had genomen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Updated: 8 juli 2016 — 13:58