All posts in Nieuws voor de Zelfstandige Zonder Personeel

Dit jaar vinden er verschillende wijzigingen in het huurrecht plaats. Huurt of verhuurt u een bedrijfspand of woning? Dan is het belangrijk om hier rekening mee te houden. Ik vertel u graag meer over deze wijzigingen.

Energielabel C voor kantoorpanden

Per 1 januari 2023 moet ieder kantoorpand dat groter is dan 100m2 minimaal energielabel C hebben. Voldoet uw kantoor hier niet aan? Dan mag het gebouw niet meer als kantoor gebruikt worden. Uit een onderzoek van de RVO blijkt dat naar schatting nog maar 44 procent van de label-C-plichtige kantoren aan deze eis voldoet. Onderzoek dus goed of u nog de nodige aanpassingen moet doen aan uw kantoor.

Bouwkundige aanpassingen zijn nodig wanneer het pand dat u (ver)huurt energielabel D tot en met G heeft. Voor wiens rekening deze kosten komen, is afhankelijk van de overeengekomen afspraken in de huurovereenkomst. Kantoorruimten worden vaak casco verhuurd. In dat geval is de verhuurder vaak alleen verantwoordelijk voor de spouwmuren en het dak. Bent u van plan om een pand te gaan huren? Let hier dan op. Als huurder kunt in de huurovereenkomst laten opnemen dat de verhuurder vanaf 2023 verplicht is om te zorgen voor een C-label.

Tip: bouwkundige aanpassingen kosten normaliter veel tijd. Daarom adviseer ik u om actie te ondernemen. Of u nu huurder of verhuurder bent.

Verplichte melding energielabel bij verhuur

Ook rond de energielabels van woningen vindt een wijziging plaats. Voor een huurder is het namelijk belangrijk om te weten hoe duurzaam de woning is, zeker met de huidige gasprijzen. Als verhuurder bent u daarom sinds 1 januari 2022 verplicht om bij verhuur van de woning een geldig energielabel te registreren. Ook moet u een nieuwe huurder een digitaal afschrift van een geldig energielabel geven. Doet u dit niet? Dan loopt u het risico een flinke boete te krijgen van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Beperking huurverhoging vrije sector

Huurt of verhuurt u een zelfstandige woning in de vrije sector? Op grond van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten mag in de vrije sector gedurende drie jaar de huurverhoging jaarlijks worden verhoogd met maximaal de inflatie plus 1 procent. Dit geldt sinds 1 mei 2021 tot 1 mei 2024.

De inflatie van december 2020 tot december 2021 was 2,3 procent. Dat betekent dat de jaarlijkse huurverhoging in de vrije sector in het kalenderjaar 2022 maximaal 3,3 procent bedraagt. Dit geldt óók voor huurovereenkomsten waarin een hoger percentage is vastgelegd.

Is er geen bepaling opgenomen in uw huurovereenkomst? Dan mag de huurprijs niet worden verhoogd. Wilt u advies bij het opstellen van een huurovereenkomst? Mijn collega’s en ik helpen u graag.

Verplichting rookmelders

Als verhuurder in Nederland hebt u per 1 juli 2022 nog een verplichting erbij. In iedere woning die u verhuurt moeten rookmelders aanwezig zijn. Huurders zijn verplicht om medewerking te verlenen aan het plaatsen van de rookmelders. En zijn vervolgens verantwoordelijk voor het onderhoud ervan. De verplichting van de rookmelders bestond al voor nieuwbouwwoningen die na 2003 gebouwd zijn, maar gaat nu dus ook gelden voor bestaande bouw.

Hebt u als verhuurder op 1 juli 2022 de verplichte rookmelders niet geplaatst? Dan kunnen huurders een beroep doen op een huurprijsvermindering. Het ontbreken van rookmelders kan dan namelijk worden aangemerkt als gebrek. Daarnaast kunt u een aanzienlijke boete ontvangen van de gemeente, die toeziet op de naleving van deze nieuwe wet. Ook kan een verzekeraar besluiten om niet uit te keren na een brand in een woning zonder rookmelders. Kortom: naast fysieke consequenties voor huurders, kunnen er ook er ook enorme financiële gevolgen kleven aan het niet naleven van deze wet.

(Bron: Accon AVM)

Het kabinet verlaagt per 1 januari 2023 de schenkingsvrijstelling eigen woning (jubelton) tot 27.231 euro. Vervolgens wordt deze vrijstelling vanaf 1 januari 2024 volledig afgeschaft, zoals afgesproken in het coalitieakkoord. In deze blog vertel ik u waar u rekening mee kunt houden.

Iedereen tussen de 18 en 40 jaar kan momenteel nog een belastingvrije schenking krijgen van maximaal 106.671 euro voor de eigen woning. Daar komt ook de term jubelton vandaan. Wilt u uw (klein)kind hiervoor belastingvrij een bedrag schenken? Dan raad ik u aan om hier niet te lang mee te wachten. Uw (klein)kind heeft nog tot 31 december 2024 de tijd om de schenking te gebruiken.

Afschaffing vanaf 2024

Het kabinet heeft op verzoek van de Tweede Kamer gekeken naar de mogelijkheden om de afschaffing van de jubelton naar voren te halen. Namelijk in 2023 al. Dat was niet mogelijk. Daarentegen wordt de schenkingsvrijstelling nu dus wel fors verlaagd.

Vrije besteding

Naast de vrijstelling eigen woning, hebben ouders de mogelijkheid om hun kinderen belastingvrij 27.231 euro te schenken. Dit bedrag mag het kind vrij besteden. Vanaf 1 januari 2023 geldt voor de vrijstelling eigen woning dus hetzelfde bedrag. Ouders kunnen dit bedrag eenmalig schenken voor de aanschaf van een eigen woning óf vrije besteding. Beide is niet mogelijk.

Besteding van de schenking

Houd er rekening mee dat u aan een aantal voorwaarden moet voldoen als u gebruik wilt maken van de schenkingsvrijstelling eigen woning. Zo moet u bijvoorbeeld aangifte schenkbelasting doen.

Het geschonken bedrag voor de eigen woning mag uw kind gebruiken om:

  • een eigen woning aan te kopen, te verbeteren of te onderhouden;
  • de hypotheek voor de aankoop of verbouwing af te lossen;
  • een restschuld van een verkochte woning af te lossen;
  • rechten van erfpacht, opstal of beklemming af te kopen.

Ook moet uw kind de schenking die is ontvangen in 2022 voor 31 december 2024 hebben gebruikt.

Spreiding van de schenking

Is het voor u niet mogelijk om het gehele bedrag van de vrijstelling in 2022 te schenken? Dan kunt u de schenking over meerdere jaren gespreid schenken. Vooralsnog lijkt ook dit vanaf 2024 niet meer mogelijk. Maar de exacte spelregels voor de vrijstelling zijn nog onduidelijk. Mocht u nog een schenking willen doen van maximaal 106.671, dan is het noodzakelijk dat u er tijdig bij bent. Schenk dus zoveel mogelijk nog in 2022. Uiteraard kijken we graag met u mee naar uw situatie en ondersteunen u bij uw schenking.

(Bron: Accon AVM)

Binnen de meeste samenlevingsvormen is sprake van gezamenlijke eigendommen. Partners hebben bijvoorbeeld samen een woning of ander onroerend goed gekocht. Wanneer het huwelijk, geregistreerd partnerschap of de samenwoning eindigt, moeten de gemeenschappelijk eigendommen door de aanstaande ex-partners worden verdeeld. Als de ene partner meer heeft betaald aan de gemeenschappelijke eigendommen dan de ander, kan dat leiden tot het ontstaan van een ‘vergoedingsrecht’. Het kan hierbij om aanzienlijke bedragen gaan.

Hebben samenwoners ook vergoedingsrechten?

De regeling over vergoedingsrechten is voor echtgenoten en geregistreerd partners in de wet opgenomen. Voor samenwoners is er geen wettelijke regeling. Tussen samenwoners is het algemeen vermogensrecht van toepassing. Er wordt in het algemeen wel aangenomen dat tussen samenwoners ook een vergoedingsrecht kan ontstaan. Ook voor dit vergoedingsrecht geldt dat voor zover het is ontstaan na 1 januari 2012 de zogenoemde nominaliteitsleer van toepassing is (zie hierna).

Wat is de omvang van het vergoedingsrecht?

De hoogte van de vordering hangt af van het moment van de investering. Voor investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 2012 geldt de ‘nominaliteitsleer’. Het vergoedingsrecht is dan even groot als het bedrag dat is ingelegd uit (privé)geld. Heeft u een investering gedaan op of ná 1 januari 2012? Dan beweegt uw vergoedingsrecht mee met de waarde van het goed waarin u heeft geïnvesteerd. Dit is de zogenoemde beleggingsleer.

Wanneer is een vergoedingsrecht opeisbaar?

Een vergoedingsrecht ontstaat direct op het moment van de aankoop en het recht is ook direct opeisbaar. Het vorderingsrecht kan verjaren en is daardoor niet meer afdwingbaar. Bij gehuwden en geregistreerd partners verjaart de vordering in beginsel zes maanden na ontbinding van het huwelijk of partnerschap. Voor samenwoners verjaart de vordering in beginsel vijf jaar na het ontstaan van het vorderingsrecht (het moment van de aankoop). Slechts in uitzonderingsgevallen kan deze vijf jaar worden verlengd.

In huwelijkse voorwaarden, partnervoorwaarden of een samenlevingscontract kunnen over de opeisbaarheid van een vergoedingsvordering tussen partners afspraken worden gemaakt. In de praktijk zien we meestal voorkomen dat wordt vastgelegd dat het vergoedingsrecht pas ten gelde kan worden gemaakt bij het einde van de relatie of bijvoorbeeld verkoop van de woning.

Afzien van de vergoedingsvordering

U kunt onderling afwijken van de wettelijk voorgeschreven omvang van de vergoedingsvordering en daar ook van afzien. De Belastingdienst kan daar wel mogelijk een schenking in zien.

Voor de praktijk

In de praktijk worden er vaak geen afspraken gemaakt over hoe het geïnvesteerde (privé)geld wordt verdeeld als het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de samenwoning eindigt door (echt)scheiding. Dat kan voor nare (financiële) verrassingen zorgen. Naarmate de relatie langer duurt, wordt het steeds lastiger om aan te tonen welk vermogen aan wie van de partners toebehoort. Bij onduidelijkheden zal er een schatting gemaakt moeten worden.

(Bron: BDO)

In het begin van het jaar sturen gemeenten jaarlijks de WOZ-beschikkingen uit. Op de WOZ-beschikking van 2022 staat de waarde vermeld op waardepeildatum 1 januari 2021, midden in de coronacrisis en lockdown voor de retailbranche, waarin winkels verplicht gesloten waren. Gemeenten lijken onvoldoende rekening te houden met deze omstandigheid bij het vaststellen van de WOZ-waarde.

Waarderingspraktijk gemeenten

Veel gemeenten houden rekening met de coronacrisis door de WOZ-waarde met enkele procenten te verminderen. Als redenering geven gemeenten hierbij aan dat vastgoed een langetermijninvestering is en dat de corona maatregelen worden gezien als tijdelijke dip in de exploitatie of huuropbrengsten. Gemeenten hanteren veelal een korting van 5% op de waarde, vanwege gederfde inkomsten voor de duur van 12 maanden op een exploitatieperiode van 20 jaar.

De juiste WOZ waarde

Dit is een onjuiste manier van waarderen. Bij het bepalen van de WOZ-waarde gaat het erom wat de verkoopwaarde is op de waardepeildatum (1 januari 2021). Bovendien moet hiermee voor de Wet WOZ worden gewaardeerd onder de fictieve omstandigheid dat het object leeg op de markt wordt aangeboden. Voor de Wet WOZ moet dan ook worden bepaald wat de verkoopprijs is als het object, zonder lopende huurovereenkomst, midden tijdens de lockdown wordt aangeboden. In veel gevallen zal de standaardcorrectie van gemeenten hierbij niet voldoende zijn.

Onder andere musea en theaters, pretparken en dierentuinen, casino’s en sauna’s, accommodaties voor binnensport, horeca en horecavoorzieningen van hotels waren dicht op 1 januari 2021. Ook winkels zoals kledingwinkels, schoenenwinkels, sieradenwinkels en hobbywinkels waren gesloten. Dit geldt ook voor contactberoepen zoals kappers, nagelstylisten en tatoeëerders. 

Werkelijke invloed corona op de WOZ-Waarde

De invloed van de corona crisis op de waarde van vastgoed verschilt per gemeente, branche en winkelgebied. Zo kan de leegstand in de binnenstad verschillen van andere locaties. Het loont dan ook kritisch te kijken naar de WOZ-waarde 2022 en deze niet met standaardcorrecties af te doen.

Actie voor de praktijk

De WOZ waarde is relevant voor diverse lokale heffingen en ook voor de fiscale afschrijvingsbasis van vastgoed. Reden genoeg om kritisch te zijn op de WOZ-waarde. Zeker vastgoed dat gesloten moest zijn wegens de corona lockdowns verdient extra aandacht.

(Bron: BDO)

Al sinds 2013 loopt er een juridische strijd tegen de belastingheffing in box 3. Het forfaitaire rendement blijkt in de praktijk namelijk niet meer haalbaar zonder daar veel risico voor te moeten nemen. De strijd rondom de box 3 heffing is nu een nieuw hoofdstuk ingegaan. Eerder oordeelde de Hoge Raad dat de oude forfaitaire box 3-heffing te hoog was. Reparatie hiervan liet de Hoge Raad echter aan de wetgever. De wet werd per 2017 aangepast door het toepassen van een veronderstelde vermogensmix en rendementsklassen. In twee zaken in augustus 2021 oordeelde de rechtbank Noord-Nederland dat ook dit nieuwe stelsel ongeoorloofd is. Ook nu laat de rechter aanpassing over aan de wetgever. In dit artikel zetten we uiteen wat dit voor uw vermogen betekent.

Bezwaren tegen box 3 zijn voor de jaren 2017-2020 aangewezen als massaalbezwaarprocedure. De massaalbezwaarprocedure betekent dat de rechtsvraag wordt voorgelegd en uitgeprocedeerd tot en met de hoogste rechter. Hiervoor zijn voor de jaren 2017 en 2018 ieder zes proefprocedures bij verschillende rechtbanken door de Belastingdienst en de Bond van Belastingbetalers geselecteerd. Deze proefprocedures zijn representatief voor alle bezwaarmakers. Als de uitspraak van de rechter in de proefprocedure onherroepelijk vaststaat, zal de Belastingdienst een collectieve uitspraak doen op alle bezwaren die meedoen met de massaalbezwaarprocedure.

De eerder genoemde uitspraken van de rechter gaan om twee zaken die geselecteerd zijn als proefprocedure over de jaren 2017 en 2018 bij de Rechtbank Noord Nederland. De rechter stelt vast dat de wetgever wist dat er verschillende rendementen worden behaald bij sparen en beleggen, en dat 40% van alle belastingbetalers alleen over spaargeld beschikt en niet belegt. Om dan toch voor alle belastingplichtigen dezelfde vermogensmix van sparen en beleggen te veronderstellen, is volgens de rechtbank onredelijk. Dit wijkt voor een te grote groep niet-beleggers teveel af van de werkelijkheid. De uitvoerbaarheid van de belastingheffing door de Belastingdienst rechtvaardigt deze heffing niet volgens de rechtbank.

Deze twee uitspraken zijn in lijn met de eerdere conclusie van de Advocaat-Generaal, die de Hoge Raad adviseert. De rechtbanken Gelderland en Noord-Holland oordeelden eerder juist het tegenovergestelde, namelijk dat de nieuwe vermogensrendementsheffing wel toelaatbaar is. Andere rechtbanken moeten nog oordelen. De verwachting is dat uiteindelijk de Hoge Raad een eindoordeel zal vellen.

De belastingplichtige krijgt ondanks de voor hem of haar positieve uitspraak geen vermindering van de belastingheffing. Volgens de rechtbank moet de wetgever dit gaan oplossen. Tot nu toe heeft het kabinet geen haast gemaakt om de heffing van box 3 aan te passen, bijvoorbeeld naar een heffing naar werkelijk rendement. Demissionair Staatssecretaris Vijlbrief wil dat het nieuwe kabinet een nieuwe regeling voor belasting op vermogen ontwerpt. De moties om dit proces te versnellen zijn recent ingediend.

(Bron: DRV)

De fiscale regeling voor aftrek van scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting vervalt per 1 januari 2022. Daarvoor in de plaats komt de Subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de Arbeidsmarktpositie). Misschien kunt u in 2021 nog extra profiteren van de fiscale aftrek door scholingskosten vooruit te betalen of uw opleiding/studie eerder te beginnen en de kosten nog in 2021 te betalen.

Het STAP-budget

Werkenden en werkzoekenden kunnen een STAP-budget van maximaal €1.000 euro aanvragen voor scholing en ontwikkeling. Met het geld uit het STAP-budget kan een opleiding, training of cursus worden gevolgd. Voorwaarde is dat de gekozen scholingsactiviteit geregistreerd staat in het STAP-scholingsregister.

De aanvraag van het STAP-budget kan vanaf 1 maart 2022 worden gedaan via het STAP-portaal van het UWV. Dit kan per persoon één keer per jaar. Als de aanvraag door het UWV is goedgekeurd, wordt het bedrag rechtstreeks betaald aan de opleider. 

Meer over de voorwaarden en het aanvragen vindt u vanaf 1 maart 2022 op het STAP-portaal van UWV

Voorsorteren op afschaffing aftrek scholingsuitgaven

Scholingsuitgaven zijn lang niet altijd aftrekbaar uw belastingaangifte, er gelden strenge voorwaarden. Zie ook de site van de Belastingdienst. Maar voldoet u aan de voorwaarden, dan zal het huidige systeem van fiscale aftrek al snel voordeliger zijn dan de Subsidieregeling STAP.

Voor de fiscale aftrek van scholingsuitgaven wordt aangesloten bij het moment van betaling. Bent u al begonnen met een studie of staat u op het punt deze te starten en voldoet u aan de voorwaarden voor de aftrek? Dan kan het voordelig zijn om in 2021 nog een bedrag vooruit te betalen of uw opleiding/studie eerder te beginnen. In dat laatste geval moet u er dan wel voor zorgen dat u de kosten ook (zoveel mogelijk) in 2021 verschuldigd bent en ook daadwerkelijk betaalt.

LET OP BIJ VOORUITBETALING

Een eenmalige betaling in 2021 van collegegeld voor het studiejaar 2021/2022 waarvan is afgesproken dat dat zowel in termijnen als ineens (in 2021) kan worden betaald, kunt u dus naar onze mening wel in 2021 in zijn geheel als scholingsuitgaven in aanmerking nemen. Maar een vooruitbetaling moet wel zijn overeengekomen en er mag geen sprake zijn van een depotstorting waarover u feitelijk nog steeds kunt beschikken.

(Bron: Flynth)

Ouders die na een echtscheiding de zorg voor een of meer kinderen jonger dan 12 jaar verdelen en daarnaast werken, kunnen beiden recht hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Er wordt dan al snel gesproken over co-ouderschap. De zorg voor het kind of de kinderen moet dan min of meer gelijkelijk tussen beide ouders worden verdeeld. Als dat onvoldoende gebeurt, is er in fiscale zin geen sprake van co-ouderschap en mist een van beide ouders mogelijk de IACK. We zetten hier alles wat u moet weten rondom de IACK op een rij.

Hoeveel bedraagt de IACK

De IACK bedraagt dit jaar 11,45% van uw arbeidsinkomen boven € 5.153, met een maximum van € 2.815 per jaar. U moet wel ten minste € 5.153 verdienen of, wanneer u ondernemer bent, recht hebben op de zelfstandigenaftrek.

Voorwaarden IACK

  • U hebt een kind dat geboren is ná 31 december 2008 en in 2021 minstens 6 maanden is ingeschreven op uw woonadres. Bent u co-ouder? Dan mag uw kind ook zijn ingeschreven op het adres van uw ex.
  • U hebt geen fiscale partner of u hebt minder dan 6 maanden een fiscale partner. Of u hebt langer dan 6 maanden een fiscale partner én u verdient minder dan uw fiscale partner.

Wanneer bent u co-ouder?

U bent in 2021 co-ouder als het kind in een herhalend ritme in totaal minimaal 156 dagen per kalenderjaar bij elke ouder is. Over de verdeling van de zorg is nogal wat te doen geweest, met verschillende rechterlijke uitspraken. Zo gold tot voor kort nog dat het kind minstens drie dagen per week bij een ouder moest verblijven om aan de voorwaarden te voldoen. Die eis is nu versoepeld doordat het aantal dagen op jaarbasis wordt beoordeeld, mits er sprake is van een zekere regelmaat.

Rechtzaak: een dag is écht 24 uur

Eerder kwam een zaak voor de Hoge Raad waarin opnieuw de verdeling van de zorgplicht tussen ouders aan de orde kwam. De ouders in deze zaak hadden een kind van één jaar dat een aantal dagen per week van ’s ochtends 7.30 uur tot ’s avonds 19.30 uur bij de moeder verbleef. Deze merkte dit verblijf aan als één dag, maar de Hoge Raad ging hier niet in mee. De Hoge Raad besliste dat één dag moet worden opgevat als 24 uur. Omdat momenteel de eis gesteld wordt dat een kind minstens 156 dagen per jaar bij een ouder verblijft, is het arrest ook nu nog van belang.

Op de site van de Belastingdienst wordt aangegeven dat ook dagdelen meetellen. Dit komt bijvoorbeeld neer op drie dagen per week. Of de rechter deze uitleg onderschrijft, is nog onzeker.

Tip! Wilt u op zeker spelen, spreek dan een schema af waarbij u uw kind(eren) per jaar ten minste 156 hele dagen van 24 uur verzorgt, in een herhalend ritme.

Tip! Heeft u twee of meer jonge kinderen met uw ex-partner? Door bij ieder (minstens) één kind in te schrijven, voldoet u beiden automatisch aan de voorwaarden zolang het betreffende kind jonger is dan 12 jaar. U hoeft dan niet te voldoen aan de ingewikkelde regels van co-ouderschap.

(Bron: DRV)

Wordt aan een werknemer meerdere auto’s ter beschikking gesteld? Dan geldt in beginsel ook voor alle auto’s de bekende bijtelling. Dit is anders als de werknemer alleenstaand is of als er in zijn gezin maar één persoon een rijbewijs heeft. Als daar sprake van is, geldt per 1 januari 2022 de bijtelling voor de auto of auto’s met de hoogste bijtelling.

Bijtelling 2021

Werknemers met een auto van de zaak krijgen vanwege het privégebruik van de auto met een bijtelling op het inkomen te maken. Die bedraagt voor nieuwe auto’s in 2021 standaard 22%, voor elektrische auto’s is dit 12% tot een cataloguswaarde van € 40.000. Over het meerdere is de bijtelling ook 22%.

Hoogste bijtelling

De Belastingdienst heeft bekendgemaakt dat als er meerdere auto’s ter beschikking staan en er niet voor elke auto bijgeteld hoeft te worden, per 1 januari 2022 de bijtelling voor de auto of auto’s met de hoogste bijtelling geldt. Tot 1 januari 2022 is dat voor de auto met de hoogste cataloguswaarde.

Waar zit het verschil?

Het verschil kan onder andere optreden in situaties waarin ook een elektrische auto ter beschikking staat. Die heeft dan wellicht een hogere cataloguswaarde, maar niet automatisch de hoogste bijtelling omdat deze voor elektrische auto’s lager is. 

Let op! De wijziging kan ook effect hebben voor auto’s die vóór 2017 vanwege een verminderde CO2-uitstoot nog recht hebben op een lagere bijtelling of nog te maken hebben met de hogere bijtelling van 25%.

Wat scheelt dat nu?

Stel dat een werknemer de beschikking heeft over twee auto’s, een elektrische met een cataloguswaarde van € 50.000 en een niet-elektrische met een cataloguswaarde van € 40.000.

Als de auto’s in 2021 voor het eerst op kenteken worden gezet, bedraagt de bijtelling voor de elektrische auto € 40.000 x 12% + € 10.000 x 22% = € 4.800 + € 2.200 = € 7.000.

Voor de niet-elektrische auto bedraagt de bijtelling € 40.000 x 22% = € 8.800.

De wijziging kost dan € 8.800 -/- € 7.000 = € 1.800 meer aan bijtelling.

(Bron: De Jong & Laan)

Ondanks dat vanaf 28 april 2021 de nodige versoepelingen met betrekking tot de Lock down op stapel staan, is het zeker niet zo dat ondernemend Nederland vanaf dat moment geen ondersteuning meer nodig heeft. Op 6 mei 2021 start daarom voor de vijfde keer een tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW 5) waarmee deze keer een gedeeltelijke compensatie van de loonkosten is aan te vragen over de periode 1 april 2021 en 30 juni 2021.  Je kunt NOW 5 aanvragen als, in een periode van drie aaneengesloten maanden tussen 1 april 2021 en 31 augustus 2021, het gemiddelde omzetverlies ten minste 20% bedraagt ten opzichte van de gemiddelde omzet over 3 maanden in 2019. Over welke periode met omzetverlies jij exact NOW 5 kunt ontvangen is afhankelijk van de vraag of je voor de vierde periode ook al NOW (NOW 4) hebt aangevraagd.    Heb je ook NOW 4 aangevraagd, dan moet de omzetverlies periode voor de NOW 5 op die periode aansluiten. Heb je geen NOW 4 aangevraagd, dan kun je kiezen of je de periode met omzetverlies laat starten op 1 april 2021, 1 mei 2021 of 1 juni 2021. Deze periode kun je later niet meer wijzigen. De aanvraag voor NOW 5 kan bij het UWV worden ingediend tot en met 30 juni 2021.  

Welke voorwaarden gelden deze keer?

De voorwaarden zijn ten opzichte van NOW 4 verder niet gewijzigd:  

  • Over de periode van drie aaneengesloten maanden moet er een gemiddeld omzetverlies van minimaal 20% zijn ten opzichte van de gemiddelde omzet over 3 maanden in 2019. Voor ondernemingen die gestart zijn tussen 1 januari 2019 en 2 februari 2020 geldt een andere berekening.
  • De tegemoetkoming is maximaal 85% van de loonkosten. Hierbij wordt uitgegaan van de loonsom over de maand juni 2020. Als voorschot wordt maximaal 80% uitgekeerd over een loonsom per werknemer van maximaal € 9.718 per maand. De totale loonsom wordt vervolgens verhoogd met 40% ter compensatie van werkgeverslasten en vakantiegeld.
  • De loonsom over de maanden april 2021 tot en met juni 2021 mag met maximaal 10% dalen ten opzichte van de loonsom over juni 2020, zonder dat dit  gevolgen heeft voor de definitieve tegemoetkoming.

Welke verplichtingen gelden deze keer?

Ook de verplichtingen zijn ten opzichte van NOW 4 niet gewijzigd:  

  • Je bent verplicht de subsidie alleen te gebruiken voor het doel waarvoor deze is verstrekt, dus de subsidie moet in ieder geval worden gebruikt voor de betaling van loonkosten.
  • Informeer je OR of personeelsvertegenwoordiging. Heb je die niet, dan informeer je de werknemers zelf over de subsidieverlening.
  • Stimuleer je medewerkers om zich bij te scholen of om te scholen om beter voorbereid te zijn op de economische situatie. Hiervoor moet je als werkgever ook een verklaring afleggen bij de aanvraag.
  • Als je een werknemer toch moet ontslaan of zijn contract loopt af tijdens de NOW 5, dan heb je een inspanningsverplichting om deze werknemer te begeleiden naar ander werk.
  • Als je bij het UWV toch een ontslagaanvraag in verband met bedrijfseconomische redenen doet, moet je dit melden via UWV Telefoon NOW (088-8982004).
  • Je bent verplicht een controleerbare administratie te voeren die je, tot 5 jaar na de datum van definitieve vaststelling van de subsidie door het UWV, moet bewaren.
  • De loonaangifte moet steeds op tijd worden ingediend. Daarnaast moet je het UWV informeren als er iets gebeurt wat gevolgen heeft voor de tegemoetkoming (bijvoorbeeld stoppen met het bedrijf).

(Bron: Alfa)

Verkoop je (via je webshop) goederen of diensten aan particuliere kopers in andere lidstaten of heb je plannen in die richting, dan heb je vanaf 1 juli a.s. te maken met nieuwe btw-regels. Een van de belangrijkste wijzigingen is dat je je kunt aanmelden voor het nieuwe éénloketsysteem. Wat dat is, waarom je dat zou doen, hoe dat werkt en wat je daarvoor moet doen, leggen we hieronder uit.    

Wat gaat er veranderen?  

Een belangrijke wijziging is dat je straks als (webshop)ondernemer bij de leveringen van EU-goederen veel sneller dan je gewend bent de btw bent verschuldigd in de lidstaten van je particuliere klanten. 
Nu is het nog zo dat je je pas vanaf een bepaalde omzetdrempel in het buitenland hoeft te registreren. België kent daarvoor bijvoorbeeld een omzetdrempel van € 35.000. Blijf je daaronder, dan hoef je in België niets te doen en reken je Nederlandse btw die je in Nederland afdraagt. 
Vanaf 1 juli wordt dat anders. En om te voorkomen dat je je in andere lidstaten moet registreren, heb je de keuze om gebruik te maken van het éénloketsysteem. Dit wordt ook wel de Unieregeling genoemd.  

Lever je bijvoorbeeld digitale diensten aan particulieren in andere lidstaten? Dan kun je ook gebruik maken van hetzelfde éénloketsysteem. 

Nieuw drempelbedrag 

Vanaf 1 juli geldt er een nieuw drempelbedrag van € 10.000. Deze geldt voor alle leveringen en digitale diensten gezamenlijk aan particuliere klanten in andere lidstaten. Als je EU-omzet op jaarbasis onder dat drempelbedrag blijft, kun je ervoor kiezen om Nederlandse btw te blijven rekenen. Met de nieuwe regels en het éénloketsysteem heb je dan niets te maken. Gevolg is ook dat je al heel snel met buitenlandse btw hebt te maken. 

Je hoeft overigens geen gebruik te maken van de nieuwe drempel. Als je verwacht deze omzetgrens toch wel te halen, kun je net zo goed al vanaf 1 juli voor het éénloketsysteem kiezen. Je hoeft dan niet te wachten op het moment dat je de omzetgrens overschrijdt. Let op: als de nieuwe omzetdrempel al in 2020 is overschreden, dan gaan wij ervan uit dat je in 2021 geen keuze hebt. Je bent dan de btw verschuldigd in de lidstaten van je klanten. Met de keuze voor het éénloketsysteem voorkom je vervolgens de btw-registraties in de andere lidstaten.  

Wat houdt het éénloketsysteem in? 

Het éénloketsysteem, ook wel ‘One-Stop-Shop’ of kortweg ‘OSS’ genoemd, biedt de mogelijkheid om via een portal van de site van de Nederlandse Belastingdienst de buitenlandse btw-aangifte in te dienen. Deze ‘OSS’-aangiften dien je dus in naast de ‘gewone’ btw-aangiften.   
In de OSS-aangifte geef je per lidstaat de behaalde omzet aan en bereken je op basis van de lokale btw-tarieven de verschuldigde btw. De OSS-aangifte biedt niet de mogelijkheid om buitenlandse voorbelasting terug te vragen. Deze btw kan via een afzonderlijk verzoek teruggevraagd worden.   
Als je kiest voor het éénloketsysteem, dan geldt dat in beginsel voor alle EU-omzet die je behaalt uit zowel je verkoop van goederen (afstandsverkopen) als diensten. Je kunt dus niet per lidstaat een keuze te maken.  

Hoe en wanneer meld je je aan? 

Aanmelden moet digitaal via de daarvoor beschikbare portal van de Belastingdienst, te vinden onder ‘Mijn Belastingdienst zakelijk’. Je kunt je nu al aanmelden! Als het goed is, dan kun in dat geval al vanaf 1 juli gebruik maken van het éénloketsysteem. Later aanmelden dan 1 juli kan ook, maar dan kun je ook pas later gebruik maken van deze faciliteit en moet je tot die tijd de buitenlandse btw afdragen in de betreffende lidstaat. De verwachting is dat veel ondernemers zich nu al aanmelden om vanaf 1 juli voor het éénloketsysteem te kiezen.  

Waarom zou je je aanmelden? 

De belangrijkste reden om je aan te melden voor het éénloketsysteem is dat je daarmee voorkomt dat je je moet registreren in de lidstaten van je klanten. Je bespaart jezelf administratieve rompslomp en extra kosten. Zeker als je nu nog geen btw-registraties hebt in de lidstaten van je klanten, ligt het voor de hand te kiezen voor het éénloketsysteem. 

Maar ook als je al in één of meerdere lidstaten btw-aangifte doet, ben je goedkoper uit als je deze registraties intrekt en vanaf 1 juli via het OSS-systeem aangifte gaat doen. Daar komt bij dat als je niet kiest voor het éénloketsysteem, je gehouden bent in alle lidstaten waarin je zakendoet, je te registreren. 

Waarom zou je je niet aanmelden? 

Een reden om je niet aan te melden voor het éénloketsysteem zou kunnen zijn dat je in de lidstaten van je klanten veel kosten maakt. Deze kunnen namelijk niet in de OSS-aangifte worden teruggevraagd. Waardoor je via een afzonderlijk (digitaal) verzoek deze buitenlandse btw terug moet vragen. Teruggaaf kan dan langer duren dan via het indienen van een aangifte in de betreffende lidstaat.     

Een andere reden om je (voorlopig even) niet aan te melden is als je al bent geregistreerd in de lidstaten van je klanten en daar aangifte doet. Je zou kunnen overwegen dit ook na 1 juli nog even te continueren en aan te kijken hoe het nieuwe éénloketsysteem uitwerkt in de praktijk.   

Wat verandert nog meer? 

Andere wijzigingen per 1 juli hebben betrekking op niet-EU-goederen. De btw-vrijstelling bij invoer van kleine zendingen tot € 22 zal vervallen. Daarvoor in de plaats kan per 1 juli onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van de zogenaamde ‘Invoerregeling’ of te wel de ‘iOSS’ binnen het éénloketsysteem. Het gaat dan om zendingen van maximaal €150 bestemd voor particulieren in andere lidstaten. Je betaalt dan geen btw bij invoer, maar via het éénloketsysteem. In dat geval kunnen ook faciliterende platformen een belangrijke rol spelen. Voor een korte uitleg verwijzen wij graag naar een eerder nieuwsbericht van ons. 

Denk ook zeker aan het volgende 

Ongeacht of je wel of niet kiest voor het éénloketsysteem, heb je vanaf 1 juli voor je buitenlandse EU-omzet te maken met buitenlandse btw. Je zult daarom met het volgende rekening moet houden: 

  • Je administratieve processen zullen zodanig moeten zijn ingericht dat daaruit de omzet per lidstaat moeten blijken. Als de software daarop (nog) niet is uitgerust, dan zal dat handmatig moeten; 
  • Je zult te maken krijgen met verschillende btw-tarieven. Dit heeft gevolgen voor de prijstelling, je website, facturering en softwaresystemen (ERP).  

(Bron: Alfa)