All posts in Nieuws

Ouders die na een echtscheiding de zorg voor een of meer kinderen jonger dan 12 jaar verdelen en daarnaast werken, kunnen beiden recht hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Er wordt dan al snel gesproken over co-ouderschap. De zorg voor het kind of de kinderen moet dan min of meer gelijkelijk tussen beide ouders worden verdeeld. Als dat onvoldoende gebeurt, is er in fiscale zin geen sprake van co-ouderschap en mist een van beide ouders mogelijk de IACK. We zetten hier alles wat u moet weten rondom de IACK op een rij.

Hoeveel bedraagt de IACK

De IACK bedraagt dit jaar 11,45% van uw arbeidsinkomen boven € 5.153, met een maximum van € 2.815 per jaar. U moet wel ten minste € 5.153 verdienen of, wanneer u ondernemer bent, recht hebben op de zelfstandigenaftrek.

Voorwaarden IACK

  • U hebt een kind dat geboren is ná 31 december 2008 en in 2021 minstens 6 maanden is ingeschreven op uw woonadres. Bent u co-ouder? Dan mag uw kind ook zijn ingeschreven op het adres van uw ex.
  • U hebt geen fiscale partner of u hebt minder dan 6 maanden een fiscale partner. Of u hebt langer dan 6 maanden een fiscale partner én u verdient minder dan uw fiscale partner.

Wanneer bent u co-ouder?

U bent in 2021 co-ouder als het kind in een herhalend ritme in totaal minimaal 156 dagen per kalenderjaar bij elke ouder is. Over de verdeling van de zorg is nogal wat te doen geweest, met verschillende rechterlijke uitspraken. Zo gold tot voor kort nog dat het kind minstens drie dagen per week bij een ouder moest verblijven om aan de voorwaarden te voldoen. Die eis is nu versoepeld doordat het aantal dagen op jaarbasis wordt beoordeeld, mits er sprake is van een zekere regelmaat.

Rechtzaak: een dag is écht 24 uur

Eerder kwam een zaak voor de Hoge Raad waarin opnieuw de verdeling van de zorgplicht tussen ouders aan de orde kwam. De ouders in deze zaak hadden een kind van één jaar dat een aantal dagen per week van ’s ochtends 7.30 uur tot ’s avonds 19.30 uur bij de moeder verbleef. Deze merkte dit verblijf aan als één dag, maar de Hoge Raad ging hier niet in mee. De Hoge Raad besliste dat één dag moet worden opgevat als 24 uur. Omdat momenteel de eis gesteld wordt dat een kind minstens 156 dagen per jaar bij een ouder verblijft, is het arrest ook nu nog van belang.

Op de site van de Belastingdienst wordt aangegeven dat ook dagdelen meetellen. Dit komt bijvoorbeeld neer op drie dagen per week. Of de rechter deze uitleg onderschrijft, is nog onzeker.

Tip! Wilt u op zeker spelen, spreek dan een schema af waarbij u uw kind(eren) per jaar ten minste 156 hele dagen van 24 uur verzorgt, in een herhalend ritme.

Tip! Heeft u twee of meer jonge kinderen met uw ex-partner? Door bij ieder (minstens) één kind in te schrijven, voldoet u beiden automatisch aan de voorwaarden zolang het betreffende kind jonger is dan 12 jaar. U hoeft dan niet te voldoen aan de ingewikkelde regels van co-ouderschap.

(Bron: DRV)

Voorkom faillissement met Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA)

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), juridisch, ondernemingsrecht (exclusief jaarrekeningrecht)
Reacties uitgeschakeld voor Voorkom faillissement met Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA)

Veel ondernemers worden financieel geraakt door huidige onzekerheid in de economie en de maatregelen vanuit de overheid om de verspreiding van het coronavirus te beperken. Helaas blijken de steunmaatregelen lang niet altijd toereikend voor ondernemers om aan alle financiële verplichtingen te blijven voldoen. Voor ondernemers in zwaar financieel weer, is er sinds 1 januari 2021 een interessante wet in werking getreden: de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA). Deze maakt het mogelijk een faillissement te voorkomen door tot een akkoord te komen met een gedeelte van de schuldeisers. In deze column vertellen wij u meer over de wijzigingen die de WHOA met zich meebrengt en de werkwijze van de WHOA.

Geen akkoord van alle schuldeisers nodig door WHOA

Tot 1 januari 2021 kon een ondernemer die in financieel zwaar weer verkeerde slechts een akkoord bereiken met zijn schuldeisers als alle schuldeisers het hierover eens waren. Hiermee had iedere schuldeiser feitelijk een prikkel om instemming te weigeren om mogelijk een betere positie voor zichzelf te creëren. Indien één schuldeiser dwars ging liggen, kon dit al leiden tot een faillissement.

Sinds de invoering van de WHOA per 1 januari 2021 is dit niet meer het geval en kan ook een bindend akkoord worden gesloten zonder dat alle schuldeisers hun goedkeuring hebben gegeven. Ondernemers met toekomstperspectief hebben hiermee een instrument in handen om een faillissement te voorkomen. De verwachting is dat dit beter is voor zowel werknemers, de ondernemer zelf en de schuldeisers. Overigens biedt de WHOA ook de mogelijkheid om gecontroleerd te stoppen met ondernemen.

Lastige werkwijze voor Wet homologatie onderhands akkoord

De praktische uitvoering van de WHOA kent de nodige voorwaarden en luistert zeer nauw. Bovendien is het maatwerk. Laat u daarom goed informeren alvorens u start. Hieronder beschrijven wij de werkwijze van de WHOA in een notendop.

Feitelijk kan een ondernemer zelf een WHOA-traject starten door een verklaring te deponeren bij de rechtbank en in overleg te treden met de schuldeisers. De uit het overleg voortvloeiende afspraken worden vastgelegd in een conceptakkoord. In het conceptakkoord worden schuldeisers ingedeeld in verschillende klassen (o.b.v. rangorde). Het conceptakkoord wordt vervolgens per klasse in stemming gebracht bij de schuldeisers.

Na de stemming dient een advocaat het homologatieverzoek in bij de rechtbank. Schuldeisers kunnen tot aan de dag van de zitting bij de rechtbank een verzoek indienen tot afwijzing van het homologatieverzoek. De rechtbank toetst vervolgens of is voldaan aan de voorwaarden. Is dit het geval, dan zal de rechtbank het akkoord bevestigen. Na bevestiging door de rechtbank is het akkoord bindend voor alle schuldeisers. Ook schuldeisers die tegen het akkoord hebben gestemd moeten zich hier aan houden, zelfs als dit leidt tot (gedeeltelijke) oninbaarheid van hun vorderingen.

(Bron: DRV)

Wordt aan een werknemer meerdere auto’s ter beschikking gesteld? Dan geldt in beginsel ook voor alle auto’s de bekende bijtelling. Dit is anders als de werknemer alleenstaand is of als er in zijn gezin maar één persoon een rijbewijs heeft. Als daar sprake van is, geldt per 1 januari 2022 de bijtelling voor de auto of auto’s met de hoogste bijtelling.

Bijtelling 2021

Werknemers met een auto van de zaak krijgen vanwege het privégebruik van de auto met een bijtelling op het inkomen te maken. Die bedraagt voor nieuwe auto’s in 2021 standaard 22%, voor elektrische auto’s is dit 12% tot een cataloguswaarde van € 40.000. Over het meerdere is de bijtelling ook 22%.

Hoogste bijtelling

De Belastingdienst heeft bekendgemaakt dat als er meerdere auto’s ter beschikking staan en er niet voor elke auto bijgeteld hoeft te worden, per 1 januari 2022 de bijtelling voor de auto of auto’s met de hoogste bijtelling geldt. Tot 1 januari 2022 is dat voor de auto met de hoogste cataloguswaarde.

Waar zit het verschil?

Het verschil kan onder andere optreden in situaties waarin ook een elektrische auto ter beschikking staat. Die heeft dan wellicht een hogere cataloguswaarde, maar niet automatisch de hoogste bijtelling omdat deze voor elektrische auto’s lager is. 

Let op! De wijziging kan ook effect hebben voor auto’s die vóór 2017 vanwege een verminderde CO2-uitstoot nog recht hebben op een lagere bijtelling of nog te maken hebben met de hogere bijtelling van 25%.

Wat scheelt dat nu?

Stel dat een werknemer de beschikking heeft over twee auto’s, een elektrische met een cataloguswaarde van € 50.000 en een niet-elektrische met een cataloguswaarde van € 40.000.

Als de auto’s in 2021 voor het eerst op kenteken worden gezet, bedraagt de bijtelling voor de elektrische auto € 40.000 x 12% + € 10.000 x 22% = € 4.800 + € 2.200 = € 7.000.

Voor de niet-elektrische auto bedraagt de bijtelling € 40.000 x 22% = € 8.800.

De wijziging kost dan € 8.800 -/- € 7.000 = € 1.800 meer aan bijtelling.

(Bron: De Jong & Laan)

Ondanks dat vanaf 28 april 2021 de nodige versoepelingen met betrekking tot de Lock down op stapel staan, is het zeker niet zo dat ondernemend Nederland vanaf dat moment geen ondersteuning meer nodig heeft. Op 6 mei 2021 start daarom voor de vijfde keer een tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW 5) waarmee deze keer een gedeeltelijke compensatie van de loonkosten is aan te vragen over de periode 1 april 2021 en 30 juni 2021.  Je kunt NOW 5 aanvragen als, in een periode van drie aaneengesloten maanden tussen 1 april 2021 en 31 augustus 2021, het gemiddelde omzetverlies ten minste 20% bedraagt ten opzichte van de gemiddelde omzet over 3 maanden in 2019. Over welke periode met omzetverlies jij exact NOW 5 kunt ontvangen is afhankelijk van de vraag of je voor de vierde periode ook al NOW (NOW 4) hebt aangevraagd.    Heb je ook NOW 4 aangevraagd, dan moet de omzetverlies periode voor de NOW 5 op die periode aansluiten. Heb je geen NOW 4 aangevraagd, dan kun je kiezen of je de periode met omzetverlies laat starten op 1 april 2021, 1 mei 2021 of 1 juni 2021. Deze periode kun je later niet meer wijzigen. De aanvraag voor NOW 5 kan bij het UWV worden ingediend tot en met 30 juni 2021.  

Welke voorwaarden gelden deze keer?

De voorwaarden zijn ten opzichte van NOW 4 verder niet gewijzigd:  

  • Over de periode van drie aaneengesloten maanden moet er een gemiddeld omzetverlies van minimaal 20% zijn ten opzichte van de gemiddelde omzet over 3 maanden in 2019. Voor ondernemingen die gestart zijn tussen 1 januari 2019 en 2 februari 2020 geldt een andere berekening.
  • De tegemoetkoming is maximaal 85% van de loonkosten. Hierbij wordt uitgegaan van de loonsom over de maand juni 2020. Als voorschot wordt maximaal 80% uitgekeerd over een loonsom per werknemer van maximaal € 9.718 per maand. De totale loonsom wordt vervolgens verhoogd met 40% ter compensatie van werkgeverslasten en vakantiegeld.
  • De loonsom over de maanden april 2021 tot en met juni 2021 mag met maximaal 10% dalen ten opzichte van de loonsom over juni 2020, zonder dat dit  gevolgen heeft voor de definitieve tegemoetkoming.

Welke verplichtingen gelden deze keer?

Ook de verplichtingen zijn ten opzichte van NOW 4 niet gewijzigd:  

  • Je bent verplicht de subsidie alleen te gebruiken voor het doel waarvoor deze is verstrekt, dus de subsidie moet in ieder geval worden gebruikt voor de betaling van loonkosten.
  • Informeer je OR of personeelsvertegenwoordiging. Heb je die niet, dan informeer je de werknemers zelf over de subsidieverlening.
  • Stimuleer je medewerkers om zich bij te scholen of om te scholen om beter voorbereid te zijn op de economische situatie. Hiervoor moet je als werkgever ook een verklaring afleggen bij de aanvraag.
  • Als je een werknemer toch moet ontslaan of zijn contract loopt af tijdens de NOW 5, dan heb je een inspanningsverplichting om deze werknemer te begeleiden naar ander werk.
  • Als je bij het UWV toch een ontslagaanvraag in verband met bedrijfseconomische redenen doet, moet je dit melden via UWV Telefoon NOW (088-8982004).
  • Je bent verplicht een controleerbare administratie te voeren die je, tot 5 jaar na de datum van definitieve vaststelling van de subsidie door het UWV, moet bewaren.
  • De loonaangifte moet steeds op tijd worden ingediend. Daarnaast moet je het UWV informeren als er iets gebeurt wat gevolgen heeft voor de tegemoetkoming (bijvoorbeeld stoppen met het bedrijf).

(Bron: Alfa)

Verkoop je (via je webshop) goederen of diensten aan particuliere kopers in andere lidstaten of heb je plannen in die richting, dan heb je vanaf 1 juli a.s. te maken met nieuwe btw-regels. Een van de belangrijkste wijzigingen is dat je je kunt aanmelden voor het nieuwe éénloketsysteem. Wat dat is, waarom je dat zou doen, hoe dat werkt en wat je daarvoor moet doen, leggen we hieronder uit.    

Wat gaat er veranderen?  

Een belangrijke wijziging is dat je straks als (webshop)ondernemer bij de leveringen van EU-goederen veel sneller dan je gewend bent de btw bent verschuldigd in de lidstaten van je particuliere klanten. 
Nu is het nog zo dat je je pas vanaf een bepaalde omzetdrempel in het buitenland hoeft te registreren. België kent daarvoor bijvoorbeeld een omzetdrempel van € 35.000. Blijf je daaronder, dan hoef je in België niets te doen en reken je Nederlandse btw die je in Nederland afdraagt. 
Vanaf 1 juli wordt dat anders. En om te voorkomen dat je je in andere lidstaten moet registreren, heb je de keuze om gebruik te maken van het éénloketsysteem. Dit wordt ook wel de Unieregeling genoemd.  

Lever je bijvoorbeeld digitale diensten aan particulieren in andere lidstaten? Dan kun je ook gebruik maken van hetzelfde éénloketsysteem. 

Nieuw drempelbedrag 

Vanaf 1 juli geldt er een nieuw drempelbedrag van € 10.000. Deze geldt voor alle leveringen en digitale diensten gezamenlijk aan particuliere klanten in andere lidstaten. Als je EU-omzet op jaarbasis onder dat drempelbedrag blijft, kun je ervoor kiezen om Nederlandse btw te blijven rekenen. Met de nieuwe regels en het éénloketsysteem heb je dan niets te maken. Gevolg is ook dat je al heel snel met buitenlandse btw hebt te maken. 

Je hoeft overigens geen gebruik te maken van de nieuwe drempel. Als je verwacht deze omzetgrens toch wel te halen, kun je net zo goed al vanaf 1 juli voor het éénloketsysteem kiezen. Je hoeft dan niet te wachten op het moment dat je de omzetgrens overschrijdt. Let op: als de nieuwe omzetdrempel al in 2020 is overschreden, dan gaan wij ervan uit dat je in 2021 geen keuze hebt. Je bent dan de btw verschuldigd in de lidstaten van je klanten. Met de keuze voor het éénloketsysteem voorkom je vervolgens de btw-registraties in de andere lidstaten.  

Wat houdt het éénloketsysteem in? 

Het éénloketsysteem, ook wel ‘One-Stop-Shop’ of kortweg ‘OSS’ genoemd, biedt de mogelijkheid om via een portal van de site van de Nederlandse Belastingdienst de buitenlandse btw-aangifte in te dienen. Deze ‘OSS’-aangiften dien je dus in naast de ‘gewone’ btw-aangiften.   
In de OSS-aangifte geef je per lidstaat de behaalde omzet aan en bereken je op basis van de lokale btw-tarieven de verschuldigde btw. De OSS-aangifte biedt niet de mogelijkheid om buitenlandse voorbelasting terug te vragen. Deze btw kan via een afzonderlijk verzoek teruggevraagd worden.   
Als je kiest voor het éénloketsysteem, dan geldt dat in beginsel voor alle EU-omzet die je behaalt uit zowel je verkoop van goederen (afstandsverkopen) als diensten. Je kunt dus niet per lidstaat een keuze te maken.  

Hoe en wanneer meld je je aan? 

Aanmelden moet digitaal via de daarvoor beschikbare portal van de Belastingdienst, te vinden onder ‘Mijn Belastingdienst zakelijk’. Je kunt je nu al aanmelden! Als het goed is, dan kun in dat geval al vanaf 1 juli gebruik maken van het éénloketsysteem. Later aanmelden dan 1 juli kan ook, maar dan kun je ook pas later gebruik maken van deze faciliteit en moet je tot die tijd de buitenlandse btw afdragen in de betreffende lidstaat. De verwachting is dat veel ondernemers zich nu al aanmelden om vanaf 1 juli voor het éénloketsysteem te kiezen.  

Waarom zou je je aanmelden? 

De belangrijkste reden om je aan te melden voor het éénloketsysteem is dat je daarmee voorkomt dat je je moet registreren in de lidstaten van je klanten. Je bespaart jezelf administratieve rompslomp en extra kosten. Zeker als je nu nog geen btw-registraties hebt in de lidstaten van je klanten, ligt het voor de hand te kiezen voor het éénloketsysteem. 

Maar ook als je al in één of meerdere lidstaten btw-aangifte doet, ben je goedkoper uit als je deze registraties intrekt en vanaf 1 juli via het OSS-systeem aangifte gaat doen. Daar komt bij dat als je niet kiest voor het éénloketsysteem, je gehouden bent in alle lidstaten waarin je zakendoet, je te registreren. 

Waarom zou je je niet aanmelden? 

Een reden om je niet aan te melden voor het éénloketsysteem zou kunnen zijn dat je in de lidstaten van je klanten veel kosten maakt. Deze kunnen namelijk niet in de OSS-aangifte worden teruggevraagd. Waardoor je via een afzonderlijk (digitaal) verzoek deze buitenlandse btw terug moet vragen. Teruggaaf kan dan langer duren dan via het indienen van een aangifte in de betreffende lidstaat.     

Een andere reden om je (voorlopig even) niet aan te melden is als je al bent geregistreerd in de lidstaten van je klanten en daar aangifte doet. Je zou kunnen overwegen dit ook na 1 juli nog even te continueren en aan te kijken hoe het nieuwe éénloketsysteem uitwerkt in de praktijk.   

Wat verandert nog meer? 

Andere wijzigingen per 1 juli hebben betrekking op niet-EU-goederen. De btw-vrijstelling bij invoer van kleine zendingen tot € 22 zal vervallen. Daarvoor in de plaats kan per 1 juli onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van de zogenaamde ‘Invoerregeling’ of te wel de ‘iOSS’ binnen het éénloketsysteem. Het gaat dan om zendingen van maximaal €150 bestemd voor particulieren in andere lidstaten. Je betaalt dan geen btw bij invoer, maar via het éénloketsysteem. In dat geval kunnen ook faciliterende platformen een belangrijke rol spelen. Voor een korte uitleg verwijzen wij graag naar een eerder nieuwsbericht van ons. 

Denk ook zeker aan het volgende 

Ongeacht of je wel of niet kiest voor het éénloketsysteem, heb je vanaf 1 juli voor je buitenlandse EU-omzet te maken met buitenlandse btw. Je zult daarom met het volgende rekening moet houden: 

  • Je administratieve processen zullen zodanig moeten zijn ingericht dat daaruit de omzet per lidstaat moeten blijken. Als de software daarop (nog) niet is uitgerust, dan zal dat handmatig moeten; 
  • Je zult te maken krijgen met verschillende btw-tarieven. Dit heeft gevolgen voor de prijstelling, je website, facturering en softwaresystemen (ERP).  

(Bron: Alfa)

Het einde van de coronacrisis lijkt in zicht. Langzaam worden diverse maatregelen versoepeld. Dit betekent echter nog niet dat alles weer is zoals het was voor maart 2020. Voor velen is de financiële situatie op zijn zachtst gezegd nog niet rooskleurig. Daarom komt het kabinet je tegemoet als je tijdelijk de rente en/of aflossing van je hypotheek niet kunt betalen. Consequentie van niet betalen is immers dat je daarmee het recht op hypotheekaftrek zou verliezen.

Hoofdregel (sinds 1 januari 2013)

Als je de hypotheekrente wilt aftrekken, moet je jaarlijks zowel rente als aflossing voldoen. Lukt dit niet in een jaar? Dan moet de achterstand uiterlijk op 31 december van het volgende jaar zijn ingelopen. Zo niet, dan vervalt meestal het recht op hypotheekrenteaftrek.

Eerste maatregel

In eerste instantie is het kabinet akkoord gegaan met een ‘aflossingspauze’ van maximaal zes maanden. De aflossingsachterstand mag je gedurende de rest van de looptijd van de hypotheek inlopen. Je zit dus niet vast aan het jaar erop. In overleg met je geldverstrekker mag je een nieuw aflossingsschema opstellen. Deze betaalpauze moest uiterlijk 1 juli 2020 ingaan.

Verlenging van de maatregel

Het kabinet heeft de maatregel verlengd en geeft een extra mogelijkheid om de aflossingsachterstand in te halen. Bovendien is de betaalpauze-termijn verlengt van zes naar twaalf maanden

  1. Nieuw aflossingsschema opstellen

Je krijgt de mogelijkheid om een heel nieuw aflossingsschema op te stellen. Dit schema  moet uiterlijk 1 januari 2023 ingaan en is een verlenging van de  eerste maatregel

  1. Splitsen van de lening

Je mag de schuld ook splitsen in een oud en nieuw deel. Voor de aflossingsachterstand wordt een nieuw aflossingsschema opgesteld. Je kunt er dus voor kiezen om de aflossingsachterstand sneller af te lossen.

Voorwaarden

Geen regeling zonder voorwaarden. Waar moet je aan voldoen?

  • Bij de geldverstrekker moet je tussen 12 maart 2020 en 30 juni 2021 je betalingsproblemen als  gevolg van de coronacrisis melden (of al hebben gemeld).
  • De overeengekomen betalingspauze van maximaal twaalf maanden moet je schriftelijk laten vastleggen.
  • De betaalpauze gaat uiterlijk 1 juli 2021 in.

Is de geldlening niet door een bank verstrekt maar door een familielid of door je eigen BV? Dan gelden nog twee aanvullende voorwaarden:

  • Er is sprake van een terugval in arbeidsinkomen (als gevolg van de coronacrisis) van ten minste 20%.
  • Je bent in (minimaal) drie aaneengesloten maanden in de periode 1 maart 2020 – 1 juli 2021 teruggegaan in inkomen.

Rente

De niet betaalde rente tijdens de pauze is niet aftrekbaar in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar van de betaalpauze. Dit kan gevolgen hebben voor je voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting over het betreffende jaar. Je kunt de voorlopige aanslag inkomstenbelasting  aanpassen om te voorkomen dat je belasting moet terugbetalen.  

(Bron: Alfa)

De STAK – ontwikkelingen rondom de Stichting Administratiekantoor

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), juridisch, ondernemingsrecht (exclusief jaarrekeningrecht)
Reacties uitgeschakeld voor De STAK – ontwikkelingen rondom de Stichting Administratiekantoor

Wat is een STAK?

Een STAK is een instrument voor het administreren van aandelen. De STAK houdt daarbij de aandelen (van bijvoorbeeld een B.V.) voor de certificaathouders. De zeggenschap op de aandelen (en het juridische eigendom) rust bij de STAK en de waarde (het economische eigendom), vooral het recht op (dividend-) uitkeringen, komt toe aan de certificaathouders.

Bovenal is de STAK als rechtsvorm een stichting. Zij heet immers STAK, omdat het een STichting AdministratieKantoor betreft. Naast de administratievoorwaarden is de STAK daarmee gebonden aan de statuten en aan de wetgeving die geldt voor stichtingen. Dit geldt ook voor de bij de stichting betrokken personen, zoals de bestuurders en de certificaathouders.

In de wetgeving voor stichtingen zijn recent wijzigingen doorgevoerd. En er staan nog meer wijzigingen op stapel. In dit perspectief komen de wijzigingen aan de orde en leggen wij de betekenis daarvan voor de STAK uit.

Ubo-register

Sinds september 2020 kent Nederland een ubo-register. Ook stichtingen dienen hun ubo’s in dit register in te schrijven. Voor stichtingen die nu worden opgericht, geldt de inschrijfplicht direct. Stichtingen die op 26 september 2020 al bestonden hebben tot 27 maart 2022 de tijd.

Omdat de STAK een stichting is, geldt de inschrijfplicht ook daarvoor. Meestal zijn de certificaathouders geen ubo van de STAK. De waarde van de aandelen wordt namelijk direct toegerekend aan de certificaathouders, inclusief de uitkeringen op deze aandelen. Zij hebben daarom geen aanspraken jegens de STAK, aangezien die feitelijk alleen “doorgeefluik” is. Mogelijk kwalificeren de certificaathouders wel als ubo van de vennootschap waarvan de aandelen zijn gecertificeerd.

Veelal zullen de bestuurders van de STAK als pseudo-ubo moeten worden ingeschreven. Soms zijn de certificaathouders wel ubo, bijvoorbeeld via zeggenschap in de STAK. Een goede beoordeling is dus van belang. Zie voor meer informatie over het ubo-register ook de brochure van BDO.

Uitkeringenregister

Gelijktijdig met het ubo-register heeft de wetgever het uitkeringenregister ingevoerd. In dit interne register moeten stichtingen alle uitkeringen ten laste van hun vermogen opnemen, inclusief de gegevens van de ontvanger.

Dit register heeft voor de STAK weinig betekenis. Zoals gezegd, de waarde van de aandelen wordt direct toegerekend aan de certificaathouders. Hierdoor komen uitkeringen op de aandelen niet ten laste van het vermogen van de STAK. Aangezien een STAK verder geen vermogen zal hebben, zijn ook andere uitkeringen niet aan de orde.

Echter, de STAK heeft wel een algemene wettelijke administratieplicht. Daarom is het toch raadzaam om alle uitkeringen vast te leggen. Als juridische eigenaar betaalt de STAK namelijk formeel de uitkeringen op de aandelen door aan de certificaathouders.

Bestuur en toezicht

Op 1 juli aanstaande treedt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in werking. Zoals de titel al aangeeft, bevat de wet bepalingen inzake bestuur en toezicht voor onder andere stichtingen. Een deel van de bepalingen is voor een STAK niet relevant. Zo kent een STAK (vrijwel) nooit een raad van commissarissen of een andere vorm van toezicht.

Wel van belang zijn de volgende bepalingen:

  • tegenstrijdig belang: een bestuurder die bij een bestuursbesluit een eigen belang heeft, mag niet aan de besluitvorming daarover deelnemen;.
  • ontstentenis en belet: welke regels gelden als een bestuurder of commissaris tijdelijk (belet) of blijvend (ontstentenis) zijn taken niet kan uitvoeren?
  • doorslaggevend stemrecht: een bestuurder mag bij de besluitvorming in het bestuur niet meer stemmen hebben dan de andere bestuurders gezamenlijk.

Voor deze onderdelen is in ieder geval (op termijn) een statutenwijziging nodig.

Donatieregister

Eind 2020 is het Wetsvoorstel transparantie maatschappelijke organisaties bij de Tweede Kamer ingediend. Het doel is het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering. Op hoofdlijnen omvat het wetsvoorstel twee onderwerpen. Het eerste betreft het intern vastleggen van donaties die van buiten de Europese Unie worden ontvangen. Omdat een STAK sowieso geen donaties ontvangt, laten wij dit onderwerp rusten.

Publicatie jaarstukken

Het tweede onderwerp is een publicatieplicht van jaarstukken. Treedt genoemd wetsvoorstel in werking, dan zal iedere stichting voortaan jaarlijks binnen tien maanden na afloop van een boekjaar haar jaarstukken (jaarrekening) moeten deponeren in het handelsregister. Dat geldt dus ook voor de STAK. Aan de jaarstukken worden geen nieuwe inhoudelijke eisen gesteld. Daarnaast zijn de stukken – anders dan bijvoorbeeld een jaarrekening van een B.V. – niet algemeen openbaar. Alleen bepaalde overheidsinstanties hebben inzage.

Waarschijnlijk gaat de publicatieplicht, afhankelijk van het wetgevingsproces, voor het eerst gelden voor boekjaar 2022.

(Bron: BDO)

Vastgoedbeleggers kunnen bij verkoop van beleggingsvastgoed de boekwinst doorschuiven naar een volgende investering met een fiscale faciliteit: de herinvesteringsreserve. Wanneer als gevolg van de coronacrisis niet tijdig aan alle voorwaarden kan worden voldaan, dreigt alsnog acute belastingheffing. Een overzicht van de herinvesteringsreserve in coronatijd en de recente handreiking van de Staatssecretaris van Financiën.

Herinvesteringsreserve in het kort:

Het vormen van een herinvesteringsreserve voorkomt acute belastingheffing bij verkoop: de boekwinst mag worden gereserveerd voor een toekomstige vervangende investering. Zo blijft belastingheffing (voorlopig) achterwege en kan de vastgoedbelegger dus over liquide middelen beschikken. De gereserveerde verkoopwinst wordt in mindering gebracht op de boekwaarde van de vervangende investering.

Dat resulteert in een lagere grondslag voor fiscale afschrijvingen. Fiscale afschrijvingen zijn in de praktijk veelal echter toch al zeer beperkt, omdat de fiscale boekwaarde als gevolg van deze afschrijvingen niet onder de WOZ-waarde mag dalen. De lagere fiscale boekwaarde resulteert bij een verkoop van de vervangende investering wel in een hogere fiscale boekwinst – maar zolang aan de voorwaarden wordt voldaan, kan ook die boekwinst wederom worden gereserveerd voor een vervangende investering. Zo is de herinvesteringsreserve een behulpzame fiscale faciliteit om belastingheffing over verkoopwinsten (langdurig) uit te stellen.

Bedrijfsmiddel of voorraad:

Een belangrijk onderscheid dat moet worden aangebracht: was het verkochte object bestemd om als bedrijfsmiddel voor langere tijd dienstbaar te zijn aan de onderneming of kwalificeerde het als voor de verkoop bestemde voorraad? Boekwinst gerealiseerd bij verkoop van voorraad kan namelijk niet worden gereserveerd in de vorm van een herinvesteringsreserve. 

Indien bij verplaatsing van een productielocatie industrieel vastgoed van de hand wordt gedaan, is vermoedelijk sprake van een bedrijfsmiddel. Appartementen die een projectontwikkelaar realiseert en verkoopt, kwalificeren vermoedelijk als voorraad. In de praktijk is het onderscheid echter niet altijd helder. Hoe kwalificeert bijvoorbeeld een initieel voor de verhuur bestemd appartementencomplex in aanbouw dat gedurende de realisatiefase wordt verkocht aan een eindbelegger? Het onderscheid tussen bedrijfsmiddelen en voorraad is een grijs gebied waarover regelmatig discussie wordt gevoerd met de Belastingdienst. 

Herinvesteringsvoornemen:

Om in het jaar van verkoop een herinvesteringsreserve te kunnen vormen, moet aantoonbaar sprake zijn van het voornemen om binnen drie jaar te herinvesteren. Dat voornemen moet in de jaren daarna ook doorlopend én aantoonbaar aanwezig zijn, omdat de gereserveerde winst anders alsnog vroegtijdig wordt belast. Het kunnen aantonen van een (voortdurend) herinvesteringsvoornemen is daarmee een belangrijk aandachtspunt voor de praktijk om onvoorziene belastingheffing te voorkomen.

Wij adviseren het herinvesteringsvoornemen terugkerend en inhoudelijk te behandelen in bestuursvergaderingen en de zoektocht naar een vervangende investering zorgvuldig te documenteren. Daarbij valt te denken aan het formeel verstrekken van een zoekopdracht aan een makelaar, maar bijvoorbeeld ook aan het bewaren van informele e-mailcorrespondentie met potentiële verkopers en/of intermediairs (netwerk). Ook het vastleggen van bevindingen bij de bezichtiging van potentiële vervangende investeringsobjecten kan een positieve bijdrage leveren in een discussie met de Belastingdienst over het herinvesteringsvoornemen.

Vervangingstermijn

Ook als er doorlopend én aantoonbaar sprake is van een herinvesteringsvoornemen moet het in principe binnen drie jaar na de verkoop daadwerkelijk tot een vervangende investering komen. Als dat niet lukt, wordt de gereserveerde winst in het derde jaar na de verkoop alsnog belast. Tenzij een begin is gemaakt met een vervangende investering, maar die investering is vertraagd door een bijzondere omstandigheid: dan wordt de driejaarstermijn opgerekt en blijft belastingheffing (voorlopig) achterwege. 

(Bron: BDO)

Ondernemers die in 2020 een Tozo-uitkering ontvingen én een partner hebben, kunnen bij de aangifte over 2020 geconfronteerd worden met een belastingheffing bij die partner. Dit is het gevolg van het feit dat de Tozo voor 50% aan die partner wordt toegerekend. Deze heffing kan in de honderden euro’s lopen.

Tozo is gezinsinkomen

Zelfstandigen die door corona in financiële moeilijkheden zijn gekomen, kunnen sinds maart 2020 in aanmerking komen voor de Tozo (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers). Via de Tozo kan het inkomen van een zelfstandige worden aangevuld tot het bestaansminimum. Dit is maximaal € 1.500. De Tozo kon in de eerste maanden ook worden verkregen als de partner van een zelfstandige zelf wel voldoende inkomen had.

De Tozo is een uitkering die juridisch valt onder de bijstandsregel- en wetgeving, daardoor wordt de Tozo wordt gezien als bijstand aan het gezin en is dus gezinsinkomen. Dit betekent dat 50% van de uitkering wordt toegerekend aan de partner.

Heeft u een partner?

De toerekening van de Tozo geschiedt voor zelfstandigen met een partner voor 50% aan de partner, die hier ook zelf belasting over moet betalen. De gemeente houdt hier bij het uitbetalen wel rekening mee, maar niet met het feit dat de partner wellicht al een deel van de heffingskorting gebruikt vanwege eigen inkomsten.

Heffingskorting

Als de heffingskorting al helemaal of deels gebruikt is vanwege inkomsten van de partner zelf, wordt het deel van de Tozo dat aan de partner wordt toegerekend belast tegen het belastingtarief dat hoort bij het totale inkomen. Dit wordt zichtbaar bij het doen van de belastingaangifte over 2020, waardoor de partner wellicht meer inkomstenbelasting moet betalen dan normaal.

Commotie over de belastingheffing bij de Tozo

Er is veel commotie over de wijze van belastingheffing over de Tozo-uitkering. Er is namelijk niet door de overheid duidelijk gecommuniceerd dat de Tozo een gezinsinkomen volgens de bijstandsregelgeving is en zowel bij de zelfstandige als partner als inkomen wordt beschouwd. Diverse organisaties hebben aangegeven dit bespreekbaar bij de overheid te maken. Vooralsnog moeten in de aangiften inkomstenbelasting de Tozo uitkeringen bij iedere partner aangegeven worden. Mocht dit veranderen dan houden we u natuurlijk op de hoogte.

(Bron: DRV)

Na lang wachten is de webmodule gereed die opdrachtgevers helpt te beoordelen of sprake is van een dienstbetrekking of juist niet. De webmodule is geïntroduceerd door de overheid omdat de regels rondom de inhuur van zelfstandigen nog steeds onduidelijk zijn. Deze regels zijn nu opgenomen in de veel besproken wet DBA (Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties). De webmodule die u als opdrachtgever anoniem kunt invullen helpt u om uw (potentiële) arbeidsrelatie te beoordelen.

Pilot zes maanden voor webmodule beoordeling arbeidsrelatie

Op dit moment is de webmodule een pilot. Daardoor heeft de uitkomst nog geen juridische status. De pilot duurt minimaal 6 maanden. De webmodule is de vinden via het Ondernemersplein van de KVK.

Nadat u de vragen in de webmodule heeft ingevuld zijn er 3 mogelijke uitkomsten:

  • Indicatie dat de werkzaamheden buiten een dienstbetrekking kunnen worden uitgevoerd.
  • Indicatie dat sprake is van een dienstbetrekking.
  • Geen oordeel mogelijk op grond van de gegeven antwoorden.

Voorlopig geen handhaving op de Wet DBA

Tot oktober 2021 zal geen handhaving op de Wet DBA (Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties) plaatsvinden, tenzij sprake is van kwaadwillendheid of een verzoek van de belastingdienst om de arbeidsrelatie als dienstbetrekking aan te merken niet wordt uitgevoerd.

(Bron: DRV)