All posts in Nieuws

Sinds jaar en dag deelt de Belastingdienst voor de premieheffing werknemersverzekeringen werkgevers in een sector in; momenteel betreft dit 67 mogelijke sectoren. Als hoofdregel moeten werkgevers, die zich in het kader van de uitoefening van het bedrijf of beroep bezighouden met arbeidskrachten aan een derde ter beschikking te stellen (hierna: uitzendwerkgevers), voor de loonheffingen worden ingedeeld in de uitzendsector (‘Sector 52. Uitzendbedrijven’). In het verleden konden uitzendwerkgevers echter ook ingedeeld worden in een zogeheten ‘vaksector’. Hiervan was sprake als de werkzaamheden van de arbeidskrachten van de uitzendwerkgever voor méér dan 50% van het totale premieplichtige loon op jaarbasis aan één specifieke sector konden worden toegerekend. De sector waartoe de werkzaamheden van de arbeidskrachten feitelijk behoorden, was in dat geval de vaksector.

Sinds 25 mei 2017 is het voor nieuwe uitzendwerkgevers niet meer mogelijk om in een vaksector ingedeeld te worden. Voor uitzendwerkgevers die op dat moment al in een vaksector waren ingedeeld, gold nog tot 1 januari 2020 een overgangsregeling. Met het vervallen van die overgangsregeling moeten alle uitzendwerkgevers zijn ingedeeld in de ‘dure’ sector 52. Het informeren van de Belastingdienst terzake en het doorvoeren van een herindeling moeten volgen, als dat nu nog niet het geval is. Mogelijk gevolgd door aanvullend te betalen premies.

Sectorindeling

Voor de sectorindeling werknemersverzekeringen zijn alle werkgevers ingedeeld in 1 van de 67 sectoren. De sectorindeling is met ingang van 1 januari 2020 alleen nog van belang voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) voor kleine en middelgrote werkgevers.

Voorheen was de sectorindeling ook van belang voor de sectorpremie WW, die als onderdeel van werkloosheidspremie werd geheven. Sinds 1 januari 2020 is deze premie echter niet meer sectorafhankelijk, maar wordt de hoogte van de premie bepaald op basis van de aard van het arbeidscontract. Werkgevers zijn (kortweg) de lage WW-premie verschuldigd voor werknemers met een vast contract en de hoge WW-premie voor werknemers met een flexibel arbeidscontract (contract voor bepaalde tijd).   

Indeling in de uitzendsector (sector 52)

Uitzendarbeid gaat vaak gepaard met hogere arbeidsongeschikheidslasten. Hierdoor is de Whk-premie voor sector 52 in het algemeen (aanzienlijk) hoger dan die voor andere sectoren.

Met ingang van 1 januari 2020 geldt voor alle werkgevers: als méér dan 50% van het premieloon van een werkgever wordt toegerekend aan het ter beschikking stellen van personeel, moet de werkgever (vanaf 1 januari 2020) ingedeeld worden in de uitzendsector.

Onder ‘het ter beschikking stellen van personeel’ wordt in deze context nietverstaan, de situatie waarin:

  1. Werknemers in dienst zijn van een zogenoemde personeels-BV en binnen het concern ter beschikking worden gesteld (sectorindeling van inlenend concernonderdeel is van belang); of
  2. Wordt gewerkt met payrollmedewerkers (sector 45 Zakelijke dienstverlening III is van toepassing).

Mogelijk verplicht gesplitste aansluiting

Voor werkgevers waarvan meer dan 15% van de premieloonsom, maar niet meer dan 50% van de premieloonsom wordt toegerekend aan het ter beschikking stellen van personeel (zoals hiervoor omschreven), geldt een verplichte gesplitste aansluiting. Voor de terbeschikkinggestelde werknemers valt de werkgever in sector 52.

Wat nu?

Gelet op voornoemde wijzigingen moet de sectorindeling van uitzendwerkgevers vanaf 1 januari 2020 opnieuw beoordeeld worden. Uitzendwerkgevers die vanaf deze datum ingedeeld moesten worden in sector 52 en die bij de Belastingdienst bekend waren, hebben eind 2019 een beschikking met de nieuwe sectorindeling ontvangen. Is uw bedrijf niet heringedeeld in sector 52 en zou dat eigenlijk wel moeten? Als werkgever bent u verplicht om een mogelijk onjuiste sectorindeling te melden bij de Belastingdienst, ook al betekent dat mogelijk dat u nog extra premies verschuldigd bent. Deze melding kan worden verzonden (onder vermelding van ‘UZB2020’) naar Belastingdienst/kantoor Amsterdam/Bureau Indelingszaken, postbus 58944, 1040 EE, Amsterdam.

(Bron: BDO)

De Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) helpt bedrijven bij het betalen van een deel van hun vaste lasten. De aanvraag voor de tweede periode, TVL 2.0 Q4-2020, is nog open tot en met 29 januari 2021 om 17.00 uur. Inmiddels heeft het kabinet aanvullingen aangekondigd op het steunpakket. Deze aanvullingen gelden voor het vierde kwartaal van 2020. Verder is de regeling verlengd voor het eerste kwartaal van 2021.

Voorwaarden

Een omzet verlies van 30% of meer ten opzicht van dezelfde periode van een jaar geleden is een harde voorwaarde om de aanvraag te kunnen doen. Het gaat dus over de maanden oktober tot en met december 2020. Omdat de regeling is verlengd kan voor kwartaal 1 van 2021 opnieuw een aanvraag worden ingediend over de maanden januari tot en met maart 2021. Daarnaast moet de SBI-code, die gekoppeld is aan het KvK nummer, gelden voor de TVL aanvraag.  

Tegemoetkoming

De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 90.000,-. De hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald aan de hand van het totale omzetverlies en een vastgesteld percentage voor vaste lasten per sector.

De subsidie wordt berekend door de omzet van 2019 te vermenigvuldigen met het omzetverlies in Q4-2020. De uitkomst hiervan vermenigvuldigt u met het percentage vaste lasten. Dit percentage is gekoppeld aan de SBI-code. De uitkomst hiervan moet minimaal € 3.000,- zijn om voor subsidie in aanmerking te komen. De subsidie is minimaal 50% van de uitkomst. Nu heeft de overheid het subsidiebedrag aangepast aan de mate van omzet verlies en kan oplopen tot 70% bij 100% omzet verlies. Reeds aangevraagde steun over Q4-2020 zal daarom nog achteraf worden gecorrigeerd.

Aanvragen

Aanvragen van de tegemoetkoming kan  via de website van RVO. U heeft hiervoor eHerkenning niveau 1 of DigiD nodig. Tot 29 januari 2021 om 17.00 uur kunt een aanvraag TVL 2.0 Q4-2020 indienen.

Heeft u vragen over de aanvraagmodule van RVO, dan kan Flynth uw vragen beantwoorden. Beschikt u niet over eHerkenning, dan kan Flynth u helpen als er een ketenmachtiging is afgegeven. Het regelen van een ketenmachtiging neemt minimaal 10 werkdagen in beslag. Houd hiermee rekening. Verder kan Flynth u helpen bij het bepalen of de aanvraag zinvol is

(Bron: Flynth)

De Eerste Kamer heeft in december 2020 ingestemd met de belastingplannen van het kabinet voor 2021. Nu ook de Senaat akkoord is, staan de tarieven voor de inkomsten-/loonbelasting en de vennootschapsbelasting definitief vast. Een overzicht.

De Tweede Kamer had de plannen al medio november goedgekeurd, inclusief een paar wijzigingen. Zo is de belastingvrijstelling voor schenkingen tijdelijk opgehoogd. Het Belastingplan 2021 kreeg bij de stemming een grote meerderheid in de Eerste Kamer. Alleen de Partij voor de Dieren, de SGP en de SP stemden tegen.

Twee schijven inkomstenbelasting en loonbelasting

De goedkeuring door de Eerste Kamer betekent dat een groot aantal belastingplannen nu echt van start kan. Dat geldt onder meer voor de investeringskorting BIK, het opschroeven van de vrijstelling in box 3, de wijziging van de overdrachtsbelasting en de invoering van een vliegbelasting voor passagiers met een tarief van € 7,845 per vlucht.
Ook staan de tarieven voor de inkomsten- en loonbelasting voor 2021 nu definitief vast. Het tarief in de eerste schijf daalt daarmee in 2021 van 37,35% naar 37,1%. Dit tarief geldt tot een inkomen van € 68.507, dit is gelijk aan 2020. Boven deze inkomensgrens geldt een tarief van 49,5%. Een tabel met alle tarieven en de opbouw daarvan vindt u op de site van belastingdienst. Tegelijkertijd gaat ook de afbouw van het aftrektarief door: diverse posten, zoals de hypotheekrenteaftrek zijn in 2021 nog maar tegen 43% aftrekbaar. Volgens eerdere berichten wordt deze afbouw de komende jaren zo voortgezet:

Jaar20192020202120222023
Maximaal aftrektarief49%46%43%40%37,05%

Vrije ruimte kleiner, laag tarief VPB daalt

Ook staat nu vast dat de vrije ruimte in de werkkostenregeling in 2021 kleiner wordt. Tot een loonsom van € 400.000 is de vrije ruimte 1,7% (dat is dit jaar als ‘coronamaatregel’ opgehoogd naar 3%). Boven deze grens daalt het percentage vrije ruimte van de huidige 1,2% naar 1,18%.
Verder zien ondernemingen het lage tarief in de vennootschapsbelasting (VPB) in 2021 zakken, van 16,5% naar 15%. Dit tarief geldt bovendien tot een winst van € 245.000, tegen € 200.000 nu. Het hoge VPB-tarief blijft staan op 25%.

Belastingdruk bij verschillende ondernemingsvormen

De Eerste Kamer heeft bij de behandeling van het Belastingplan 2021 ook nog twee moties aangenomen. Eén daarvan gaat over de verschillende belastingdruk voor ondernemers voor de inkomstenbelasting (zzp’ers bijvoorbeeld) en VPB-plichtige ondernemers (zoals een bv). De motie vraagt het kabinet om onderzoek te doen naar een ‘meer neutrale behandeling’ van ondernemers voor de inkomstenbelasting en VPB-ondernemers. De Senaat wil de uitkomsten uiterlijk in de eerste helft van 2021 hebben.
Ook was er voldoende steun voor een motie die het kabinet vraagt om belastingvoorstellen voortaan te voorzien van een zogeheten ‘doenvermogentoets’. Ofwel: kunnen belastingplichtigen uit de voeten met nieuwe regels, of zijn ze te complex?

(Bron: Rendement)

Zzp-organisatie Zelfstandigen Bouw is teleurgesteld dat zelfstandige schilders verplicht blijven pensioen op te bouwen bij pensioenfonds BPF Schilders. Het gerechtshof in Den Haag wees dinsdag de eis van de organisatie af om zzp-schilders net als andere zzp’ers de vrijheid te geven zelf te bepalen hoe zij pensioen opbouwen.

Zelfstandige schilders zijn verplicht aangesloten bij het pensioenfonds van hun bedrijfstak. Zelfstandigen Bouw voert hiertegen al jaren tevergeefs een juridische strijd. Eerder betoogde de organisatie al bij de rechtbank in Den Haag dat door de verplichting eigenlijk sprake zou zijn van kartelvorming. Maar de rechter ging daar toen niet in mee.

“Uitermate teleurstellend”, zegt voorzitter Charles Verhoef van Zelfstandigen Bouw over het nieuwe oordeel van het hof. “De meeste zzp-schilders willen van die verplichting af. Die is hen opgelegd zonder enige vorm van overleg.” Verhoef vindt de uitspraak nog teleurstellender omdat vorig jaar in het Pensioenakkoord ervoor is gekozen zzp’ers geen pensioenplicht op te leggen maar hen de vrije keuze te laten. Zelfstandigen Bouw gaat het vonnis bestuderen en bepaalt daarna of er gronden zijn om in cassatie te gaan.

(Bron: Taxlive)

Sinds 2016 is de Verklaring Arbeidsrelatie vervangen door de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelatie. Hoewel sommige zzp’ers zich afvragen of dit een verbetering is, gaf de Verklaring Arbeidsrelatie ook niet altijd zekerheid. Zeker niet als de aanvrager fouten had gemaakt bij het aanvragen van deze verklaring.

Een vrouw werkte in de jaren 2012 en 2013 als ziekenverzorgende. Zij verrichtte deze werkzaamheden uitsluitend via aangewezen zorginstellingen. De vrouw had voor 2012 en 2013 om een Verklaring arbeidsrelatie winst uit onderneming (VAR-WUO) gevraagd. De Belastingdienst verleende de vrouw voor deze jaren een VAR-WUO. Maar bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 nam de inspecteur toch het standpunt in dat de vrouw geen ondernemer was. De vrouw begon daarop een beroepsprocedure.

Geen ondernemerschap

Hof Arnhem-Leeuwarden stelt ten eerste dat de vrouw geen ondernemer was.  De eindverantwoordelijkheid voor de te verlenen zorg lag namelijk bij de zorginstellingen. Deze zorgaanbieders hadden daardoor een instructiebevoegdheid. Ook kon de vrouw zich niet zonder toestemming van de zorgaanbieder laten vervangen. Zij lijkt evenmin enig ondernemersrisico te lopen.

VAR wekt geen vertrouwen

Vervolgens stelt de vrouw dat de afgegeven VAR-WUO bij haar te honoreren vertrouwen heeft opgewekt. Omdat de VAR-beschikkingen niet zijn herzien, moet de inspecteur bewijzen dat dit vertrouwen niet is opgewekt. Hij doet dit door erop te wijzen dat de vrouw een vraag in het aanvraagverzoek voor de VAR fout heeft beantwoord. Zij heeft namelijk ten onrechte ingevuld dat zij zich zonder toestemming kon laten vervangen. Bovendien heeft zij in de aanvraag voor 2013 aangegeven dat zij haar werkzaamheden voor 50% via bemiddeling verricht. In werkelijkheid is dat 100%. Daardoor heeft de Belastingdienst een verkeerde voorstelling van zaken gekregen. Onder deze omstandigheden wekt een VAR geen te honoreren vertrouwen op, zo oordeelt het hof. Het hof oordeelt dat de vrouw resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten.

(Bron: Taxence)

Nota verslag wetsvoorstel Wet excessief lenen eigen vennootschap

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Nota verslag wetsvoorstel Wet excessief lenen eigen vennootschap

Staatssecretaris Vijlbrief stuurt de Tweede Kamer de aanbieding van de nota naar aanleiding van het verslag wetsvoorstel Wet excessief lenen bij eigen vennootschap.

De voorgestelde maatregel heeft alleen gevolgen voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van de inkomstenbelasting. De lening, inclusief rente- en aflossingsverplichtingen, blijft dus civielrechtelijk bestaan. Voor de vennootschap betekent dit dat de waardering van de vordering op de aandeelhouder op de fiscale balans als gevolg van deze maatregel geen wijziging ondergaat. De vennootschap die periodiek – ook over het voor de aanmerkelijkbelanghouder bovenmatige deel van de lening – rente ontvangt, moet deze verantwoorden in haar resultatenrekening. De aanmerkelijkbelanghouder blijft rente verschuldigd over het totale bedrag van de lening. Indien de schuld in box 3 valt, verlaagt de schuld de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen. Als sprake is van een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a Wet IB 2001 is de betaalde rente aftrekbaar als kosten met betrekking tot een eigen woning. Hiermee wordt geen belasting ontweken.

Fiscaal partner

Het maximumbedrag wordt niet verhoogd vanwege het feit dat twee aanmerkelijkbelanghouders kwalificeren als fiscaal partner. Op het moment dat twee aanmerkelijkbelanghouders besluiten tot een fiscaal partnerschap waardoor de gezamenlijke relevante schulden boven de grens van € 500.000 uitkomen, wordt het meerdere in de vorm van een fictief regulier voordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. De belastingplichtige wordt door deze maatregel niet verplicht om de schuld af te lossen. Hij is vrij om te bepalen of, en zo ja, hoe de schuld wordt teruggebracht tot of onder de gestelde maximumgrens.

Persoonlijk belastingplichtig

De aanmerkelijkbelanghouder is persoonlijk belastingplichtig voor de inkomstenbelasting waarin de heffing over het fictief regulier voordeel is betrokken en niet de verbonden persoon. Zodoende vindt er geen bevoordeling door de belastingplichtige plaats ten aanzien van de verbonden persoon. Om die reden is er geen sprake van een belaste schenking.

Meesleep- of meetrekregeling

De voorgestelde maatregel is van toepassing op aanmerkelijkbelanghouders in de zin van afdeling 4.3 Wet IB 2001. De toepassing van de regeling op belastingplichtigen die een aanmerkelijk belang hebben op grond van artikel 4.6 Wet IB 2001, is gelijk aan belastingplichtigen die een aanmerkelijk belang hebben op grond van de meesleep- of meetrekregeling. De schulden worden daarom ook niet gedeeltelijk in aanmerking genomen. Ook bij reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang die een belastingplichtige geniet als hij op grond van de meetrek- of meesleepregeling aanmerkelijkbelanghouder is, wordt geen rekening gehouden met de grootte van het zelfstandige belang van diegene.

(Bron: Taxence)

Recent werd bekend dat rijksambtenaren een netto thuiswerkvergoeding van € 363 ontvangen ter dekking van extra kosten. Sindsdien vragen werkgevers regelmatig of zij hun werknemers een maandelijkse onbelaste thuiswerkvergoeding kunnen geven. Houd rekening met deze fiscale aspecten.

Kosten thuiswerken: de Nibud-berekening

De vergoeding van € 363 is gebaseerd op cijfers van het Nibud. Dit instituut heeft berekend dat thuiswerken gemiddeld € 2 per dag aan extra kosten met zich meebrengt. Daarbij is rekening gehouden met de kosten voor elektriciteit-, water- en gasverbruik, koffie en thee, wc-papier en afschrijving van bureaus en bureaustoelen. Voor deze kosten kent de wet geen vrijstelling. Een vergoeding voor deze kosten vormt dus loon. De kosten kunnen daarom alleen onbelast worden vergoed uit de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR).

Vast thuiswerkbudget

Als u een algemene thuiswerkvergoeding toekent voor bijvoorbeeld extra energiekosten of koffie en thee, dan vormt dit loon. Door slim gebruik te maken van de gerichte vrijstellingen uit de werkkostenregeling, kunt u bepaalde kosten onbelast vergoeden. Deze kosten komen dan niet ten laste van de vrije ruimte, mits u de kosten op de juiste wijze benoemt. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om kosten voor internet of een ergonomische bureaustoel. Let wel, uw werknemer moet deze kosten feitelijk maken. Bij arbo-voorzieningen geldt nog als voorwaarde dat uw werknemer geen eigen bijdrage mag betalen. De inrichting van uw thuiswerkbudget bepaalt dus in hoeverre kosten onbelast kunnen worden vergoed buiten de vrije ruimte van de werkkostenregeling.

Inventarisatie vrije ruimte werkkostenregeling

Voor kosten waarvoor geen vrijstelling geldt, kan de werkkostenregeling uitkomst bieden. Dit geldt bijvoorbeeld voor extra energiekosten of het kopje koffie thuis. Veel werkgevers hebben geen goed inzicht in hun WKR-positie of vergeten kosten toe te rekenen aan de vrije ruimte. Dit geeft een vertekend beeld en kan zorgen voor onaangename verrassingen. Daarom moet u eerst uw WKR-positie helder hebben, voordat u een algemene thuiswerkvergoeding opneemt in uw arbeidsvoorwaardenpakket.

(Bron: ABAB0

Als u personeel aanneemt, krijgt u te maken met diverse wettelijke administratieve verplichtingen op het gebied van loonheffingen. Door de coronamaatregelen kunt u daar wellicht niet aan voldoen. In 2020 neemt de Belastingdienst daarom een coulante houding aan. Deze maatregel wordt verlengd.

Administratieve verplichtingen

Doorgaans heeft een tekortkoming in de administratieve verplichtingen voor de loonheffingen grote gevolgen (bijvoorbeeld toepassing anoniementarief van 52%). Vanaf 12 maart 2020 neemt de Belastingdienst een soepel standpunt in als u uw administratieve verplichtingen voor de loonheffingen niet, niet op tijd of niet volledig kunt nakomen door de coronamaatregelen. Aanvankelijk zou de goedkeuring gelden tot 1 januari 2021. Nu de crisis voortduurt is besloten om de goedkeuring te verlengen tot 1 april 2021.

Let op: U moet wel kunnen motiveren dat u in alle redelijkheid niet kunt voldoen aan de verplichtingen. Werken uw werknemers, net als vóór de coronamaatregelen, op kantoor, dan kunt u geen beroep doen op een coulante houding van de Belastingdienst. Ook moet u de tekortkoming herstellen, zodra u dat kunt. 

Geen verlenging voor andere loonbelasting maatregelen

Vanaf 12 maart 2020 is ook een goedkeuring voor vaste (reis)kostenvergoedingen in 2020. Die maatregel wordt, zoals het er nu naar uitziet, niet verlengd.

(Bron: ABAB)

Vanaf 25 november 2020 is de tweede aanvraagronde van de TVL-regeling geopend voor alle SBI-codes.De TVL-regeling ondersteunt mkb-ondernemers met maximaal 250 werknemers en meer dan 30% omzetverlies door de coronacrisis bij het betalen van de vaste lasten. Het gaat hierbij om vaste lasten, zoals huur, gas/water/licht, verzekeringen en leasecontracten.

Loonkosten worden niet meegerekend, deze worden gecompenseerd door de NOW-regeling. Van het omzetverlies wordt een percentage vaste lasten berekend. Van dat percentage wordt minimaal 50% en maximaal 70% gecompenseerd. Per sector is een vast percentage aan vaste lasten bepaald. Dit percentage ontleent het kabinet aan cijfers van het CBS en kunt u op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland vinden. De vergoeding per bedrijf bedraagt minimaal € 750 en maximaal € 90.000 per drie maanden.

Voor wie?

De TVL is voor alle ondernemers die hard geraakt zijn door de maatregelen tegen het coronavirus. Waar voorheen alleen ondernemers in aanmerking kwamen die ingeschreven staan onder een bepaalde SBI-code, komen nu alle sectoren in aanmerking voor de regeling. Dit geldt voorlopig alleen voor de aanvraagperiode voor het vierde kwartaal van 2020 en, naar verwachting, het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast krijgen horecaondernemingen eenmalig een aanvullende subsidie, de Horeca Voorraad en Aanpassingen (HVA). Dit bedrag komt bovenop de TVL-subsidie. Ondernemers en toeleveranciers in de evenementenbranche krijgen in het vierde kwartaal van 2020 en eerste kwartaal van 2021 een vast bedrag, op basis van hun TVL-subsidie in de zomermaanden.

Voorwaarden TVL

  • Uw onderneming is vóór 15 maart 2020 opgericht en ingeschreven bij het handelsregister van de KvK.
  • U heeft zich na 15 maart 2020 niet met terugwerkende kracht ingeschreven in het Handelsregister of uw SBI-code aangepast om in aanmerking te komen voor deze subsidie.
  • Alleen de hoofdactiviteit van uw onderneming waarmee u op 15 maart stond ingeschreven in het Handelsregister telt. Alleen als u in de vorige subsidieperiode na een herbeoordeling of bezwaar TVL ontving voor een andere SBI-code, komt u ook met deze SBI-code in aanmerking. Het aanvraagsysteem kiest in dat geval automatisch de gunstigste SBI-code.
  • Financiële instellingen, holdings en publiek gefinancierde scholen zijn uitgesloten voor de regeling.
  • Uw onderneming is niet failliet.
  • Uw onderneming heeft geen verzoek tot verlening van surseance ingediend bij de rechtbank.
  • Uw bedrijf is geen overheidsbedrijf.
  • U heeft een mkb-onderneming.
  • Uw onderneming heeft een fysieke vestiging in Nederland. Het bedrijfsadres staat vermeld in het handelsregister van de KvK.
  • U verklaart ten minste één vestiging met een ander adres te hebben dan uw privéadres of u verklaart een vestiging te hebben die fysiek is afgescheiden van uw privéwoning doordat deze een eigen opgang of toegang heeft. U moet dan bewijsstukken meesturen bij de aanvraag. Uitgezonderd zijn horecaondernemingen met SBI-code 56.10.1, 56.10.2 en 56.30 en auto- en motorrijscholen, taxibedrijven, touringcar operators, markthandelaren, kermisexploitanten, recreatieve vliegsector, binnenvaart, zee- en kustvaart, goederenvervoer over de weg, verhuisvervoer, post- en koeriersdiensten. Daar mag het privéadres wel gelijk zijn aan het vestigingsadres.
  • Uw onderneming heeft meer dan 30% omzet verloren door de coronacrisis.
  • U heeft meer dan € 3.000 aan vaste lasten in het vierde kwartaal van 2020.
  • U kunt van zowel de TVL als de NOW gebruikmaken. De TVL is bedoeld als aanvulling op de NOW (loonkosten), maar heeft daar wel invloed op. De vergoeding die u ontvangt vanuit de TVL wordt opgeteld bij uw omzetberekening voor de NOW, waardoor u een lagere NOW-subsidie ontvangt. Ondanks dat de regelingen elkaar ‘bijten’, ontvangt u met beide regelingen opgeteld meer subsidie.
  • Na het krijgen van de tegemoetkoming mag u in totaal niet meer dan € 800.000 (bruto) aan overheidssteun hebben ontvangen. Uitzonderingen daarop zijn de visserij- en aquacultuursector en de primaire productie van landbouwproducten. Voor visserij- en aquacultuur geldt een maximum van € 120.000 overheidssteun. Voor de primaire productie van landbouwproducten geldt een maximum van € 100.000 overheidssteun.

Met de adviestool van het RVO kunt u eenvoudig en snel controleren of u in aanmerking komt voor de regeling en op welk bedrag u mogelijk recht heeft.

Berekening van de tegemoetkoming

Het kabinet bepaalt de hoogte van de tegemoetkoming als volgt: normale omzet x omzetverlies in % x aandeel vaste lasten in % x 50%*. Het omzetverlies wordt berekend aan de hand van de verwachte omzet in het vierde kwartaal van 2020 en de normale omzet van diezelfde periode in 2019. Onder omzet worden alle inkomsten zonder de ontvangen btw verstaan. U gebruikt hiervoor uw btw-aangiften over de betreffende maanden of kwartaal van 2019. Meer informatie over de berekening van de tegemoetkoming, inclusief rekenvoorbeelden, kunt u vinden op rvo.nl.

*Verhoging subsidiepercentage

Door de aanhoudende coronacrisis heeft de overheid besloten om het subsidiepercentage te verhogen afhankelijk van het omzetverlies. Bij 30% omzetverlies blijft het percentage 50%, bij 100% omzetverlies loopt dit op naar 70%. Deze aanpassing moet eerst nog worden goedgekeurd door de Europese Commissie. Tot die tijd worden aanvragen ingediend en uitbetaald op basis van het oude percentage van 50%. De verwachting is dat de wijziging eind januari wordt goedgekeurd. U hoeft dan niets te doen, het RVO past het hogere subsidiepercentage automatisch aan en doet een extra betaling.

De aanvraagprocedure

Vanaf 25 november kunt u de aanvraag voor de TVL voor het vierde kwartaal indienen. De aanvraagperiode loopt tot en met 29 januari 2021, 17.00 uur. Hierna volgen nog twee aanvraagrondes:

  • 1 januari tot en met 31 maart 2021
  • 1 april tot en met 30 juni 2021

U kunt een aanvraag indienen bij het RVO via eHerkenning niveau 1 (of hoger) of DigiD. U kunt de aanvraag ook door uw intermediair laten verzorgen. Dit kan alleen met een ketenmachtiging via eHerkenning. U hoort binnen acht weken of uw aanvraag is goedgekeurd. Het besluit ontvangt u per e-mail. Na goedkeuring staat het bedrag binnen vijf werkdagen op uw bankrekening. Vóór 1 juli 2021 meldt u het werkelijke omzetverlies waarna de definitieve subsidie wordt vastgesteld. Aanvragen worden achteraf gecontroleerd. Dit kan tot vijf jaar na uitbetaling van de definitieve subsidie. Heeft u teveel subsidie gekregen? Dan kan het bedrag (gedeeltelijk) worden teruggevorderd.

De volgende documenten heeft u nodig voor het indienen van de aanvraag:

  • Het KVK-nummer van uw onderneming;
  • Uw contactgegevens: naam, telefoonnummer en e-mailadres;
  • Het bankrekeningnummer dat op naam staat van uw onderneming. Hier wordt de tegemoetkoming naar overgemaakt;
  • Btw-aangiften (pdf) van het vierde kwartaal van 2019. Als u geen omzetbelasting betaalt, volstaat een uitdraai van uw omzet uit uw eigen boekhoudprogramma voor deze periode van 2019.

Horeca Voorraad en Aanpassingen (HVA)

Horecagelegenheden die verplicht hebben moeten sluiten, ontvangen eenmalig een opslag van 2,8% van hun omzetverlies in oktober tot en met december 2020. Het maximale bedrag is € 20.160. Dit bedrag komt bovenop de TVL-subsidie van het vierde kwartaal 2020 en wordt automatisch bij de TVL aanvraag opgeteld. De HVA is bedoeld als extra tegemoetkoming voor voorraad die kan bederven en de aanleg en overkapping van een buitenterras die niet zomaar terugverdiend kan worden. Voor de HVA gelden dezelfde voorwaarden als bij de TVL.

De volgende SBI-codes komen in aanmerking voor de HVA:

  • 56.10.1 (restaurants)
  • 56.10.2 (fastfoodrestaurants, cafetaria’s, ijssalons, eetkramen)
  • 56.29 (kantines en contractcatering)
  • 56.30 (cafés, discotheken, nachtclubs)

Eventcatering en hotel-restaurants komen niet in aanmerking voor de regeling.

Evenementenmodule

Ondernemers in de evenementenbranche komen in het vierde kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 in aanmerking voor de evenementenmodule. De subsidie bedraagt 33,3% over de TVL-subsidie in de zomermaanden. Ondernemers ontvangen minimaal € 750 en maximaal € 16.650. Ondernemers die in de zomer minimaal 50% van hun omzet aan publieke evenementen verdienden, komen in aanmerking. Dit kunnen ook leveranciers zijn. Zij kunnen de subsidie alleen aanvragen als ze de TVL hebben ontvangen in de zomermaanden en niet in aanmerking komen voor TVL Q4 door een te lage referentieomzet.

Op dit moment kan de evenementenmodule nog niet worden aangevraagd. Naar verwachting kunt u de aanvraag in het eerste kwartaal van 2021 indienen voor beide kwartalen.

Publicatieverplichting

Europese staatssteunregels verplichten de Nederlandse overheid openbaar te maken welke ondernemers subsidie hebben ontvangen en voor welk bedrag er subsidie is verleend. Als u de TVL ontvangt, worden uw gegevens gepubliceerd op de website van de Europese Commissie. Het gaat daarbij onder andere om de naam en vestigingsplaats van uw onderneming, uw branche, of u een mkb-bedrijf bent of niet, het bedrag en het doel van de subsidie. De publicatie vindt plaats binnen een jaar na de datum van de verleningsbeschikking. De gegevens blijven minimaal tien jaar beschikbaar.

(Bron: ABAB)

Als werkgever kunt u in elk geval tot 1 februari 2021 de bestaande vaste reiskostenvergoedingen aan uw werknemers onbelast blijven doorbetalen. Het kabinet heeft besloten deze maatregel tijdelijk te verlengen. Waar moet u op letten?

Voorwaarde onbelast doorbetalen

Eerder gaf het kabinet al goedkeuring voor het onbelast doorbetalen van de vaste reiskostenvergoeding. Ook als uw werknemers geen of minder reiskosten hebben. Deze goedkeuring gold aanvankelijk tot en met 31 december 2020. In verband met de aanhoudende coronacrisis heeft het kabinet besloten de goedkeuring te verlengen tot in elk geval 1 februari 2021. Voorwaarde is wel dat het vaste kostenvergoedingen betreft die al werden toegekend op 12 maart 2020. De goedkeuring geldt dus niet als er sprake is van gewijzigde omstandigheden na 12 maart 2020, bijvoorbeeld door een verhuizing of contractuitbreiding.

Het kabinet besluit in de loop van januari 2021 hoe ze met de vaste reiskostenvergoedingen willen omgaan ná 1 februari 2021. Uiteraard houden wij u op de hoogte van de ontwikkelingen.

Wilt u meer weten over de fiscale en juridische aspecten rondom thuiswerken en kostenvergoedingen?

(Bron: ABAB)