Heeft mijn BV voldoende inzicht in de cashflow?

In tijden van sterk stijgende kosten worden het steeds belangrijke om voldoen inzicht te hebben in uw cashflow. Wat drijft nu uw cashflow en hoe rich u uw kosten en uw omzet op zo’n manier in dat uw cashflow voorspelbaar wordt en dat u daarmee ook rust krijgt in uw bedrijfsvoering. Hieronder geven wij een aantal tips:

1. Maak cashflow inzichtelijk en voorspelbaar

Maak minimaal een 13-weeks rolling cashflowprognose. Een goede prognose voorkomt verrassingen en maakt sneller bijsturen mogelijk. Kijk niet alleen naar de bankstand van vandaag, maar breng in beeld:

  • wanneer grote inkomsten binnenkomen,
  • wanneer vaste en variabele uitgaven vallen,
  • en waar de kritieke momenten (dips) liggen.

2. Stuur actief op werkkapitaal

Cashflowproblemen ontstaan vaak niet door te weinig omzet, maar door te veel geld dat vastzit in debiteuren, voorraden of te late betaling van eigen facturen. Praktische actiepunten:

  • Debiteuren: streef naar een kortere betaaltermijn en stuur sneller aanmaningen.
  • Crediteuren: benut de beschikbare betaaltermijnen optimaal, zonder relaties te schaden.
  • Voorraad: beoordeel regelmatig of er “slapende” voorraad is die kapitaal vastlegt.

3. Bouw een liquiditeitsbuffer op

Bouw een buffer van minimaal 2 tot 3 maanden vaste kosten op een aparte rekening.
Dit geeft rust en voorkomt dat de onderneming bij tegenvallers direct moet leunen op de rekening-courant of dure kredieten.

4. Scheid privé en zakelijk strikt

Bij DGA’s is de grens tussen privé en zakelijk vaak dun.
Daarom zijn volgende zaken belangrijk:

  • een duidelijke rekening-courantregeling met rente,
  • realistische en gedocumenteerde managementvergoedingen,
  • en het tijdig vastleggen van beloningsafspraken (denk ook aan de gebruikelijkloonregeling).
    Dit voorkomt discussies met de Belastingdienst én houdt de cashflow van de BV zuiver.
  • Zorg ook dat uw nettoloon in overeenstemming is met uw privé uitgavenpatroom.
  • Daarbij is het ook van belang om overeenkomsten met de BV goed op orde te hebben.

5. Beoordeel grote uitgaven op cashflow-impact

Niet elke investering is per definitie verstandig, ook al is deze fiscaal aantrekkelijk.
Stel bij elke grotere uitgave de vraag: “Wat doet dit met mijn cashflow de komende 6–12 maanden?”
Een investering die op papier rendement oplevert, kan op korte termijn de liquiditeit onder druk zetten. Verlies hierbij uiteraard niet langetermijndoelstellingen.

6. Monitor een beperkt aantal financiële KPI’s

Kijk regelmatig een kort dashboard met kritische prestatie-indicatoren zoals bijvoorbeeld:

  • liquide middelen,
  • debiteurenouderdom,
  • crediteurenouderdom,
  • omzet versus prognose

Analyseer daarbij bijvoorbeeld ook of facturatie tijdig plaats vind binnen uw organisatie.

7. Plan vooruit op seizoensinvloeden en pieken

Veel bedrijven hebben seizoensmatige of projectmatige pieken en dalen.
Onderken deze patronen tijdig anticipeer hierop door na te gaan of inkomsten en uitgaven verlegd kunnen worden in de tijd of dat er toch tijdelijk krediet aangetrokken moet worden.

8. Betrek de accountant proactief bij beslissingen

Kijk niet eens per jaar terug, maar plan een aantal momenten in het jaar in om bijvoorbeeld overleg te hebben met uw accountant. Hoe staat alles ervoor. Hierdoor is het ook makkelijker om niet alleen aan financiële planning te doen, maar ook aan fiscale planning en bijvoorbeeld te kijken of er fiscale faciliteiten aangewend kunnen worden of dat overeenkomsten aangepast moeten wroden.


Samengevat:
“Cashflow is de zuurstof van de onderneming. Winst is belangrijk, maar zonder voldoende en voorspelbare liquiditeit komt zelfs een winstgevende BV in de problemen. Door vooruit te kijken, werkkapitaal strak te managen en privé en zakelijk helder te scheiden, houdt u de regie.”

Looncomponenten tijdens vakantie en ziekte: waar moet je als werkgever op letten?

Ontvangt een werknemer tijdens vakantie of ziekte alleen zijn vaste salaris? Niet altijd. Ook toeslagen, bonussen en structureel overwerk kunnen meetellen. Lees waar je als werkgever rekening mee moet houden en hoe je discussies achteraf voorkomt.

Loon tijdens vakantie en ziekte

Werkgevers zijn zich vaak bewust van de verplichting om loon door te betalen tijdens vakantie en ziekte. Minder bekend lijkt dat deze verplichting zich niet altijd beperkt tot het vaste salaris. Met name bij werknemers die structureel toeslagen, bonussen of overwerkvergoedingen ontvangen kan de vraag spelen welke looncomponenten moeten worden meegenomen in de loonbetaling tijdens vakantie of ziekte.

Vakantie: uitgangspunt is het normale loon

Op grond van artikel 7:639 BW behoudt een werknemer tijdens vakantie recht op loon. Hiermee wordt niet slechts het basisloon bedoeld, maar het loon dat de werknemer normaliter zou ontvangen wanneer hij werkzaam zou zijn geweest. Een werknemer mag door vakantieopname namelijk niet financieel slechter af zijn dan wanneer hij zou hebben gewerkt. Dit betekent dat naast het vaste salaris ook andere looncomponenten onderdeel kunnen zijn van het vakantieloon, zoals:

  • Structurele ploegentoeslagen;
  • Onregelmatigheidstoeslagen;
  • Provisies;
  • Variabele beloningscomponenten die nauw samenhangen met de verrichte werkzaamheden;
  • Structureel of regelmatig overwerk.

Zuivere onkostenvergoedingen en incidentele vergoedingen zonder structureel karakter hoeven in beginsel niet te worden meegenomen. De feitelijke aard van de looncomponent is daarbij belangrijker dan de benaming van de looncomponent op de loonstrook.

Ziekte: andere regels, maar vergelijkbare aandachtspunten

Voor ziekte geldt een ander juridisch kader. Op grond van artikel 7:629 BW moet een werkgever gedurende maximaal 104 weken loon doorbetalen. Wettelijk bedraagt dit minimaal 70% van het loon, waarbij cao’s en arbeidsovereenkomsten vaak aanvullende afspraken bevatten over een hogere aanvulling.

Bij ziekte kan ook discussie ontstaan over de vraag welke looncomponenten onderdeel uitmaken van het door te betalen loon. Vaak komt dit loon overeen met het loon tijdens vakantie, maar het daadwerkelijke antwoord hangt ook af van de toepasselijke cao, de arbeidsovereenkomst en de aard van de betreffende looncomponent.

Vakantie tijdens ziekte

Een bijzonder aandachtspunt ontstaat wanneer een werknemer ziek is en vakantie opneemt. In dat geval geldt dat de werknemer tijdens de vakantiedagen in beginsel recht houdt op het volledige vakantieloon. Hierdoor kan het voorkomen dat een werknemer die tijdens ziekte tijdelijk een lager loon ontvangt, gedurende opgenomen vakantiedagen toch aanspraak heeft op 100% van het normale loon.

Recente rechtspraak vergroot het belang van een juiste inrichting

De Hoge Raad heeft bevestigd dat werknemers tijdens vakantie financieel niet mogen worden benadeeld. Werknemers moeten daarom goed kunnen onderbouwen welke looncomponenten in de loonbetaling tijdens vakantie zijn opgenomen en hoe deze zijn berekend. Een onjuiste verwerking kan leiden tot nabetalingsverplichtingen van werkgever aan werknemer. Let daarom met name op bij:

  • Variabel loon;
  • Ploegentoeslagen;
  • Onregelmatigheidstoeslagen;
  • Prestatiebonussen;
  • Structureel overwerk.

(Bron: jonglaan.nl)

Geven aan een ANBI/SBBI via een BV

Giften aan algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) en steunstichtingen SBBI mag u van de winst aftrekken. Per jaar bedraagt de aftrek ten hoogste 50% van de winst, met een maximum van € 100.000. U moet de giften schriftelijk kunnen bewijzen.

Gift aan culturele ANBI

Doet u een gift aan een ANBI die is aangemerkt als culturele instelling? Dan mag u de aftrek verhogen met 50% van het bedrag van de gift. De verhoging is echter maximaal € 2.500.

Voorbeeld 1

U doet een gift van € 2.000 aan een culturele ANBI. Een verhoging van 50% is € 1.000. De verhoging blijft onder het maximum van € 2.500. Uw aftrek is dus (€ 2.000 + € 1.000 =) € 3.000.

Voorbeeld 2

U doet een gift van € 7.000 aan een culturele ANBI. Een verhoging met 50% is € 3.500. Voor de aftrek mag u uw gift echter verhogen met maximaal € 2.500. Uw aftrek is dus (€ 7.000 + € 2.500 =) € 9.500.

Giften in natura

Doet u in een kalenderjaar giften in natura met een totale waarde in het economisch verkeer van meer dan € 10.000? Dan moet u de waarde van de giften aantonen met een taxatierapport of een factuur. Het taxatierapport of de factuur moet voldoen aan een aantal voorwaarden. Laat u dus goed adviseren.

Contante gift niet aftrekbaar

Doet u een gift in de vorm van contant geld? Deze gift is niet aftrekbaar.

Voorkom extra pseudo eindheffing 12% op benzine en dieselauto’s van uw werknemer per 1 januari 2027

Schaf voor 1 januari 2027 een benzine of dieselauto aan en voorkom daarmee de pseudo eindheffing welke per 1 januari 2027 wordt ingevoerd. Dan valt u nog onder de overgangsregeling tot 17 september 2030. Daarna geldt de pseudo eindheffing.

Wat verandert er?

Biedt u een zakelijke auto aan uw werknemer, bijvoorbeeld een auto uit uw eigen wagenpark of een leaseauto? En gebruikt uw werknemer de auto ook privé of voor woon-werkverkeer? Dan betaalt u vanaf 1 januari 2027 extra belasting op zakelijke auto’s met uitstoot of die niet helemaal uitstootvrij zijn. Het gaat om auto’s met benzine-, diesel- of hybride aandrijving.

De belasting is per jaar:

  • 12% van de catalogusprijs van de auto bij auto’s tot en met 25 jaar oud.
  • 12% van de marktwaarde bij auto’s ouder dan 25 jaar.

U betaalt de belasting via de loonheffing (pseudo-eindheffing). U mag deze belasting niet doorberekenen aan uw werknemer.

Het doel van de belasting is dat werkgevers alleen nog zakelijke auto’s zonder uitstoot aan hun werknemers aanbieden, zoals volledig elektrische auto’s.

Overgangsregeling

Voor zakelijke auto’s met uitstoot die u voor 1 januari 2027 al aan uw werknemers ter beschikking heeft gesteld, geldt een overgangsregeling. Vanaf 17 september 2030 betaalt u de extra belasting ook voor deze auto’s.

Voor wie?

  • ondernemers die zakelijke auto’s met uitstoot (eigen wagenpark of lease) aan werknemers aanbieden die deze auto’s ook privé of voor woon-werkverkeer gebruiken

Wijzigingen uitlenen personeel aan een ander bedrijf

Leent u werknemers uit aan een ander bedrijf? Dan krijgt u te maken met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta). Deze wet treedt op 1 januari 2027 inwerking en voert een toelatingsstelsel in voor uitleners. Vanaf 1 januari 2028 gaat de Nederlandse Arbeidsinspectie handhaven. Na dat moment mag u alleen nog werknemers uitlenen als u een toelating of ontheffing heeft van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU), of als u onder de overgangsregeling valt. 

Voorkom risico’s

Twijfelt u of u toelating moet aanvragen? Controleer of u als uitlener wordt gezien en of een ontheffing mogelijk is. Bereid u op tijd voor, ken de eisen, maak gebruik van de overgangsregeling en dien uw aanvraag correct in. Zonder toelating riskeert u boetes of een verbod. Ook schorsing of intrekking van uw toelating heeft directe gevolgen.

Waadi-register gaat over naar Wtta-register per 1 januari 2028

Per 1 januari 2028 gaat het Waadi-register van de Kamer van Koophandel (KVK) over naar het openbare Wtta-register van de NAU. Als gevolg hiervan vervalt per die datum de huidige verplichting voor uitleners om een Waadi-registratie op te geven bij het Handelsregister. Ook de Waadi-check voor inleners op de website van de KVK komt daarmee te vervallen. Inschrijving in het Handelsregister van de KVK blijft wel een verplichting.

Detacheerders, payrollbedrijven en zelfs organisaties die slechts incidenteel personeel uitlenen, kunnen onder de nieuwe wetgeving vallen. Inleners moeten vervolgens controleren of het bedrijf in het register is opgenomen.

Er worden bijvoorbeeld eisen gesteld als: een VOG rechtspersonen, waarborgsom van 100.000 euro, aantonen dat juiste loon en loonheffing is betaald, beschikken over een inspectierapport dat onder andere voldaan is aan arbeidswetgeving en fiscale regels.

Wat te doen? Ga na of uw onder de regels valt. Breng in kaart aan welke normenkader voldaan moet worden. Meld u tussen 1 november 2026 en 31 december 2026 aan bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). Vraag toelating aan tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 met een geldig SNA-Keurmerk, om gebruik te maken van de overgangsregeling zodat u uw activiteiten voort kan zetten.

Lenen bij je vennoot­schap (Wet excessief lenen)

Heb je geld geleend van je eigen bv? Voorkom dat dit je in 2026 een forse belastingaanslag oplevert. Sinds de invoering van de Wet excessief lenen kijkt de Belastingdienst kritisch naar schulden van dga’s, hun partners en zelfs familieleden aan de eigen bv. Kom je op 31 december 2026 boven de grens van € 500.000 uit, dan betaal je direct box-2-belasting. Lees je wanneer de wet voor jou geldt, welke schulden meetellen en wat je kunt doen om verrassingen te voorkomen.

Sinds 2023 geldt de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap. Deze wet regelt grofweg dat je als dga belasting betaalt als je te veel hebt geleend bij je eigen bv. Er geldt een drempel van € 500.000. Voor de toepassing van deze drempel kan meer meetellen dan alleen een lening aan jou persoonlijk. Daarnaast zijn er ook uitzonderingen mogelijk. Het meetmoment in 2026 is 31 december 2026.

Belangrijk om te weten:

  • Het gaat niet alleen om jouw eigen lening.
  • Ook schulden van je fiscale partner en bepaalde familieleden kunnen meetellen.
  • Je kunt al belasting verschuldigd zijn zonder dat je geld ontvangt.

Voor wie geldt de wet excessief lenen?

De Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap kan op jou van toepassing zijn als je:

  • een zogenoemd aanmerkelijk belang hebt in één of meer vennootschappen (bijvoorbeeld als dga), én
  • schulden hebt aan die vennootschap(pen), of als je partner of zogenoemde verbonden personen (of hun partners) schulden hebben aan die vennootschap(pen).

Tip! De regels om te bepalen of je een aanmerkelijk belang hebt, kunnen complex zijn. Zo kun je ook een aanmerkelijk belang hebben in een vennootschap waarin je niet direct aandelen bezit, maar indirect via een andere vennootschap. Je kunt dus in meerdere vennootschappen een aanmerkelijk belang hebben. Overleg met onze adviseurs of in jouw situatie sprake is van een aanmerkelijk belang, in welke vennootschappen en hoe de regels in jouw geval uitwerken.

Let op! Deze tekst richt zich vooral op jou als dga met een aanmerkelijk belang in een bv. Een aanmerkelijk belang kan echter ook bestaan in andere entiteiten, zoals een lidmaatschapsrecht in een coöperatie of een aandeel in een andere (Nederlandse of buitenlandse) vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld. Ook in die situaties kan de Wet excessief lenen van toepassing zijn.

Wat zijn de gevolgen als je schuld boven € 500.000 uitkomt?

Heb je op 31 december 2026 schulden aan je bv die hoger zijn dan € 500.000, dan kun je in 2026 met de gevolgen van deze wet te maken krijgen. Daarbij tellen niet alleen jouw eigen schulden mee, maar ook de schulden van je fiscale partner. Voor de beoordeling worden jullie schulden bij elkaar opgeteld.

Tip! Voor de beoordeling van de grens van € 500.000 mag je vorderingen die je op je bv(’s) hebt niet salderen met schulden die je aan je bv(’s) hebt. Het kan daarom verstandig zijn om deze vorderingen en schulden vóór 31 december 2026 officieel met elkaar te verrekenen. Overleg hierover met een van onze adviseurs.

Let op! Heb jij en/of je fiscale partner een aanmerkelijk belang in meerdere bv’s, dan moet je alle schulden aan al die bv’s bij elkaar optellen. Alleen als het totaal op 31 december 2026 niet hoger is dan € 500.000, krijg je in 2026 niet met de gevolgen van de wet te maken. Je kunt dus niet maximaal € 500.000 per bv lenen, maar samen met je fiscale partner maximaal € 500.000 van al je bv’s gezamenlijk.

Heb je in 2023,2024 of 2025 al belasting betaald over een te hoge schuld bij je eigen bv, dan wordt de drempel van € 500.000 verhoogd met het bedrag waarover je toen al hebt afgerekend. Je betaalt dus geen belasting over een schuld waarover je in een eerder jaar al belasting hebt betaald.

Voorbeeld

Je hebt een aanmerkelijk belang in bv X en in bv Y. Van beide bv’s heb je geld geleend.

  • Schuld bij bv X op 31 december 2026: € 350.000
  • Schuld bij bv Y op 31 december 2026: € 500.000

Samen bedragen je schulden € 850.000. Als je niets doet, moet je over 2026 belasting betalen over € 350.000 (€ 850.000 minus € 500.000).

Was de totale schuld op 31 december 2025 ook al € 850.000, dan heb je over 2025 al belasting betaald over € 350.000. In 2026 hoef je dan niet opnieuw belasting te betalen over dit bedrag. De drempel wordt namelijk verhoogd naar € 850.000 (€ 500.000 + € 350.000).

Ook indirecte schulden en andere rechten

Bij het inventariseren van je schulden moet je letten op alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen. Ook indirecte schulden tellen mee.

Let op! Kun jij en/of je fiscale partner alleen een externe financiering krijgen als de bv borg staat? Dan telt deze lening mee bij de beoordeling of je boven de € 500.000 uitkomt. Kun je de financiering ook zonder borgstelling krijgen en zorgt borgstelling alleen voor betere voorwaarden, dan telt de lening niet mee.

Tip! Overleg met je adviseur of in jouw situatie civielrechtelijke schuldverhoudingen of borgstellingen aanwezig zijn en hoe je hiermee om moet gaan.

Ook schulden van verbonden personen

Hebben je bloed- of aanverwanten in de rechte lijn schulden aan jouw bv, dan moet je deze schulden bij jezelf meetellen voor zover ze boven € 500.000 uitkomen.

Bloed- en aanverwanten in de rechte lijn zijn onder andere kinderen, kleinkinderen, (achter)ouders en grootouders van jou en/of je fiscale partner.

Voorbeeld

Heeft je kind in 2026 € 400.000 geleend van jouw bv, dan hoef je niets mee te tellen.
Bedraagt de schuld van je kind op 31 december 2026 echter € 600.000, dan tel je € 100.000 mee.

Heb je zelf € 450.000 geleend, dan betaal je over 2026 belasting over € 50.000
(€ 450.000 + € 100.000 − € 500.000).

Tip! Dit geldt niet als je bloed- of aanverwant zelf een aanmerkelijk belang heeft in jouw bv. In dat geval beoordeelt hij of zij zelf of de wet van toepassing is en telt de schuld niet bij jou mee.

Voorbeeld: Heeft je kind uit het voorbeeld zelf een aanmerkelijk belang, dan telt de € 100.000 niet bij jou mee. Jij betaalt geen belasting, maar je kind betaalt belasting over € 100.000 (€ 600.000 − € 500.000).

Uitzondering voor eigenwoningschulden

Voor eigenwoningschulden geldt een uitzondering. Deze tellen niet mee bij de beoordeling of je boven de € 500.000 uitkomt, mits:

  • de lening voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor renteaftrek in de inkomstenbelasting, én
  • er een recht van hypotheek is verstrekt aan de bv.

Let op! Is geen hypotheek verstrekt, dan telt de lening wel mee. Dit geldt ook als wel hypotheek is verstrekt, maar de lening niet voldoet aan de voorwaarden voor renteaftrek. Is het hypotheekbedrag lager dan de lening, dan telt het meerdere alsnog mee.

Tip! Bestond je eigenwoningschuld aan de bv al op 31 december 2022, dan geldt de hypotheekvoorwaarde niet. De schuld hoeft dan alleen te voldoen aan de voorwaarden voor renteaftrek.

Voorbeeld

Op 31 december 2026 heb je:

  • € 500.000 geleend voor je eigen woning
  • € 300.000 geleend voor andere doeleinden

De lening voor de woning voldoet aan de voorwaarden voor renteaftrek, maar er is geen hypotheek verstrekt.

  • Bestond deze lening al op 31 december 2022? Dan telt zij niet mee en betaal je geen belasting.
  • Is de lening later verstrekt? Dan telt zij wel mee en betaal je over 2026 belasting over € 300.000.

Tip! De uitzondering voor eigenwoningschulden geldt ook voor schulden van bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, mits aan alle voorwaarden is voldaan.

Peildatum 31 december 2026

Op 31 december 2026 wordt vastgesteld of je schulden hoger zijn dan € 500.000. Zijn je schulden dan hoger en was dat in 2025 nog niet zo, dan heb je tot die datum de tijd om in actie te komen. Overleg met je adviseur wat je eventueel nog kunt doen.

Belastingtarief

Over het surplus boven de € 500.000 (of de verhoogde drempel) betaal je belasting in box 2.
In 2025 gelden twee tarieven:

  • 24,5% over de eerste € 68.843 aan box-2-inkomen (voor fiscale partners het dubbele),
  • 31% over het meerdere.

Gevolgen bij latere aflossing

Heb je in 2023, 2024 of 2025 belasting betaald over een schuld boven de drempel, dan wordt de drempel verhoogd met dit bedrag. Hierdoor betaal je niet jaarlijks opnieuw belasting over hetzelfde surplus.

Los je later af, dan ontstaat een negatief inkomen in box 2. Dit wordt verrekend met positieve box-2-inkomsten in hetzelfde jaar of leidt tot een box-2-verlies. Dit verlies kun je verrekenen met box-2-inkomen van het voorafgaande jaar of de zes daaropvolgende jaren.

Voorbeeld

Je had op 31 december 2025 een schuld van € 850.000. Over € 350.000 betaalde je belasting.
Los je in 2026 € 350.000 af en heb je verder geen box-2-inkomen, dan ontstaat een verlies van € 350.000. Dit verlies kun je verrekenen met 2025, waardoor de toen betaalde belasting wordt terugontvangen. De schuld bedraagt daarna € 500.000.

Tip! Het aflossen via dividend is niet altijd de beste oplossing, omdat dit ook gevolgen kan hebben voor box 3. Bespreek dit met je adviseur.

Schulden tot € 500.000

Ook bij schulden onder € 500.000 kan belastingheffing plaatsvinden als de Belastingdienst meent dat sprake is van een verkapte dividenduitkering. Zorg er daarom voor dat leningen altijd schriftelijk zijn vastgelegd en zakelijke voorwaarden bevatten.

Alleen fiscale werking

De Wet excessief lenen heeft alleen fiscale gevolgen. De schuld blijft civielrechtelijk bestaan en je mag deze gewoon blijven opnemen in je aangifte inkomstenbelasting.

Disclaimer: bij de samenstelling van dit artikel is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd. Onze organisatie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan. Let op! Dit document dient slechts te worden gebruikt ter indicatie. 

(Bron: De Jong & Laan)

Met terugwerkende kracht overstappen naar een bv in 2026? Dit moet je weten

Wil je jouw eenmanszaak of andere IB‑onderneming met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 voortzetten in een bv? Dan is het belangrijk dat je op tijd in actie komt. Mogelijk moet je vóór 1 april 2026 al actie ondernemen. We zetten het helder en overzichtelijk voor je op een rij.

Ruisend of geruisloos

Als je jouw onderneming ruisend inbrengt in een bv, reken je fiscaal af over de stille reserves, fiscale reserves en goodwill van je onderneming. Wil je dat voorkomen? Dan kun je kiezen voor een geruisloze inbreng. Je hoeft dan niet direct af te rekenen. De fiscale claim schuift door naar de bv.

Let op! Hoewel geruisloos de voorkeur lijkt te hebben, is ruisend in bepaalde situaties voordeliger of gewenster. Bijvoorbeeld als er nauwelijks stille en fiscale reserves en goodwill zijn of als er voldoende geld is om de belasting meteen te belaten. Wij denken graag met je mee wat past bij jouw situatie.

ntentieverklaring bij ruisende inbreng vóór 1 april 2026

Wil je jouw IB‑onderneming ruisend en met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 inbrengen in een bv? Leg dan eerst je intentie hiervoor vast en zorg dat de Belastingdienst deze vóór 1 april 2026 ontvangt. Alleen dan kun je gebruikmaken van de terugwerkende kracht tot 1 januari 2026.

Let op! Gebruik voor de verzending naar de Belastingdienst het daarvoor bedoelde Geleideformulier voorovereenkomst of intentieverklaring.

Intentieverklaring bij geruisloze inbreng vóór 1 oktober 2026

Wil je geruisloos overstappen naar een bv? Dan heb je wat meer tijd. Zorg dat de Belastingdienst jouw intentie vóór 1 oktober 2026 ontvangt. Dat is nodig om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 de bv in te gaan.

Oprichting en inbreng in de bv

Bij een ruisende inbreng moeten de oprichting van de bv en de inbreng van de onderneming in de bv uiterlijk op 30 september 2026 hebben plaatsgevonden om de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 te behouden.

Bij een geruisloze inbreng moeten de oprichting van de bv en de inbreng van de onderneming in de bv uiterlijk op 31 maart 2027 hebben plaatsgevonden om de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 te behouden.

(Bron: De Jong & Laan)

Belasting­rente op een aanslag Vpb en IB: waar staan we nu?

De ontwikkelingen rond de belastingrente op de vennootschapsbelasting (Vpb) en die van de inkomstenbelasting (IB) volgen elkaar snel op. De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt. De belastingdienst leidt uit de uitspraak af dat de Hoge Raad de percentages voor de overige belastingen en dus voor de IB niet te hoog vindt.

Inmiddels heeft de Belastingdienst collectieve uitspraken gedaan op bezwaar over de hoogte van belastingrente op de Vpb en die van de IB en overige belastingen.Wat voorafging: massaal bezwaar en Hoge Raad

Naar aanleiding van een uitspraak waarin een rechtbank oordeelde dat de belastingrente op een aanslag Vpb te hoog was, werden er veel bezwaarschriften ingediend. Dit was aanleiding om tijdige bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb aan te wijzen als massaal bezwaar. Een paar maanden later werden ook de tijdige bezwaren tegen de hoogte van de belastingrente op een aanslag IB en overige belastingmiddelen aangewezen als massaal bezwaar.

De Hoge Raad oordeelde vervolgens op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt.

Collectieve uitspraken

Bij een aanwijzing massaal bezwaar doet de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak, maar één collectieve uitspraak op bezwaar. Op 25 februari 2026 deed de Belastingdienst deze collectieve uitspraken voor zowel de Vpb als de IB en overige belastingen.

Zoals verwacht verklaart de Belastingdienst alle bezwaren tegen de belastingrente Vpb in de massaalbezwaarprocedure gegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle tijdig ingediende bezwaren over het belastingrentepercentage voor de Vpb gaat toewijzen vanaf het jaar 2022. De belastingrente Vpb gaat berekend worden naar het percentage dat geldt voor de overige belastingen (waaronder de IB), zie onderstaande tabel.

Maakte je (of wij namens jou) tijdig bezwaar tegen de belastingrente op een aanslag Vpb, en sloot je daarmee aan in de massaalbezwaarprocedure, dan ontvang je binnen zes maanden een vermindering van de belastingrente van de Belastingdienst. Deze vermindering wordt berekend volgens de percentages in de derde kolom van onderstaande tabel.

Voor de IB en overige belastingen verklaart de Belastingdienst alle bezwaren tegen de belastingrente in de massaalbezwaarprocedure ongegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de IB en overige belastingen afwijst. Je krijgt hier géén bericht over. 

Let op! Had je uitstel van betaling voor de belastingrente, dan krijgt je van de Belastingdienst nog wel een bericht dat het uitstel van betaling wordt ingetrokken.

Hoogte belastingrente

Na de collectieve uitspraak gaat de Belastingdienst de belastingrente voor de Vpb verlagen van de percentages in de tweede kolom naar de percentages in de laatste kolom:

PeriodeVpbAndere belastingen
1-1-2022 t/m 30-06-20238%4%
1-7-2023 t/m 31-12-20238%6%
1-1-2024 t/m 31-12-202410%7,5%
1-1-2025 t/m 31-12-20259%6,5%
Vanaf 1-1-20267,5%5%

Let op! In de IT-systemen van de Belastingdienst zijn inmiddels al de lagere belastingrentepercentages opgenomen. Aanslagen Vpb met een dagtekening na 7 februari 2026 worden daarom al met de lagere belastingrentepercentages berekend.

Definitieve aanslagen

Dagtekening aanslag ná 16 januari 2026

De Belastingdienst geeft aan dat alle Vpb-aanslagen met een te hoog rentepercentage en een dagtekening ná 16 januari 2026 automatisch worden verlaagd. Je hoeft zelf dus geen actie te ondernemen.

Dagtekening aanslag vanaf 5 december 2025 t/m 16 januari 2026

Heeft jouw aanslag Vpb een dagtekening vanaf 5 december t/m 16 januari 2026 en heb je op tijd bezwaar gemaakt? Dan liep jouw aanslag mee in de massaalbezwaarprocedure. Je krijgt binnen zes maanden na de collectieve uitspraak automatisch bericht. 

Is de bezwaartermijn al voorbij? De Belastingdienst geeft aan dat je in deze gevallen dan toch een verzoek om vermindering kunt doen.

Let op! Valt jouw dagtekening op of vóór 16 januari 2026 en loopt de bezwaartermijn nog? Maak dan alsnog bezwaar. Daarmee voorkom je discussie achteraf.

Dagtekening vóór 5 december 2025

Heeft jouw aanslag een dagtekening vóór 5 december 2025 en heb je geen bezwaar gemaakt? Dan stond je aanslag op 16 januari 2026 al onherroepelijk vast. Het arrest van de Hoge Raad geldt dan helaas niet voor jou. Verzoeken om ambtshalve vermindering worden afgewezen.

Voorlopige aanslagen

Dagtekening voorlopige aanslag ná 16 januari 2026

De Belastingdienst geeft aan dat voorlopige aanslagen met een te hoog rentepercentage en een dagtekening ná 16 januari 2026 automatisch worden verlaagd. Je hoeft zelf dus geen actie te ondernemen, maar check het bij grote bedragen nog wel even.

Dagtekening voorlopige aanslag vóór 16 januari 2026

Heb je nog geen verzoek tot herziening gedaan? Let op! De Belastingdienst past de belastingrente op deze voorlopige aanslag niet zelf aan. Dien daarom tijdig een verzoek om ambtshalve herziening in. Dit moet binnen 6 weken nadat de definitieve aanslag is vastgesteld.

Heb je wel een verzoek tot herziening gedaan die nog loopt of waar je tegen de afwijzing bezwaar hebt aangetekend? Dan liep jouw verzoek mee in de massaalbezwaarprocedure. Je krijgt binnen zes maanden na de collectieve uitspraak automatisch bericht van de Belastingdienst.

Let op! Dit bericht is gebaseerd op de wet- en regelgeving zoals die gold op de publicatiedatum en bevat een algemene beschrijving.

(Bron: De Jong & Laan)

Investeringsaftrek voor mkb: wijzigingen in EIA, MIA en Vamil

Wilt u investeren in 2026 duurzame bedrijfsmiddelen voor uw mkb-onderneming? Profiteer dan van fiscale voordelen via de EIA, MIA en Vamil. In 2026 zijn er belangrijke wijzigingen binnen deze regelingen. Lees hier wat er verandert en hoe u van deze mogelijkheden profiteert.  

Ondernemers profiteren van belastingvoordeel via de Energie-investeringsaftrek (EIA), de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). U betaalt minder belasting wanneer u investeert in energiebesparende of milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen of duurzame energie. Alle bedrijfsmiddelen die op de actuele Energie- of Milieulijst staan, komen in aanmerking voor deze regelingen. Deze lijsten wijzigen jaarlijks, dus controleer altijd of uw investering hierop voorkomt.  

Staat uw investering niet (meer) op de lijst? Mogelijk kunt u uw investering nog aanpassen zodat deze wel voldoet aan de vereisten. Hebt u in 2025 investeringen gedaan die nu niet meer op de lijst staan? Dan is het cruciaal dat de melding hiervoor uiterlijk binnen drie maanden na de investering, wordt ingediend om nog aanspraak op de lijst van 2025 te maken.

Zowel de Energielijst als de Milieulijst kennen generieke codes. Zij gaan uit van een bepaalde energiebesparing respectievelijk een specifieke bijdrage aan milieudoelen.   

Aftrekpercentages in 2026

De aftrekpercentages bij de investeringsregelingen voor 2026 zijn als volgt:    

  • EIA: 40 procent    
  • MIA: 27, 36 of 45 procent (afhankelijk van de investeringscode) 
  • Vamil: tot 75 procent willekeurige afschrijving  

Aanpassingen MIA en Vamil 

  • Voor zowel MIA als Vamil is het totale budget in 2026 verlaagd. Het budget voor de MIA is in 2026 135 miljoen euro. Voor de Vamil is dit 20 miljoen euro.  
  • Door aanscherpingen vervallen middelen (zie ‘Wijzigingen Milieulijst).  
  • Het is niet meer mogelijk om de regelingen te combineren met de Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel (SSEB) en met de Subsidieregeling Waterstof in mobiliteit (SWIM). 

Wijzigingen Milieulijst voor MIA en Vamil

Op de Milieulijst is meer aandacht voor circulaire economie en waterbeheer. In totaal zijn 27 bedrijfsmiddelen vervallen en 12 nieuwe toegevoegd. Hieronder vindt u belangrijke wijzigingen per thema.  

  • Hoofdstuk 1 – Grondstoffen en water 
    De regeling voor asfaltcentrales is aangepast. Deze richt zich nu op bestaande installaties voor de productie van biobased asfalt. Alleen biologische grondstoffen uit rest- of afvalstromen komen in aanmerking. 
  • Hoofdstuk 2 – Landbouw en voedsel 
    Installaties die de plantweerbaarheid verhogen zijn uitgebreid naar open teelten. Bij precisiebemesting en -bespuiting is voortaan alleen specifieke apparatuur subsidiabel. Diverse bedrijfsmiddelen zijn uitgesloten van de Vamil omdat hun marktintroductie is voltooid. 
  • Hoofdstuk 3 – Mobiliteit 
    Een groot aantal voertuig- en scheepvaarttechnieken komt niet langer in aanmerking voor de Vamil. Voor elektrische bakfietsen, bussen en werktuigen zijn de voorwaarden aangepast. Denk hierbij aan strengere emissie-eisen, hogere aftoppingsbedragen en verruimde mogelijkheden voor oplaadvoorzieningen. 
  • Hoofdstuk 4 – Klimaat en lucht 
    De wijzigingen in dit hoofdstuk zijn beperkt en bestaan vooral uit tekstuele aanpassingen. Ook zijn er enkele uitbreidingen, zoals bredere toepassing van SCR-installaties, ondersteuning voor biopropaan-aggregaten en aangescherpte eisen voor hoogspanningssystemen. 
  • Hoofdstuk 5 – Gebouwde omgeving: 
    Er is meer ruimte voor het vergroenen van bedrijfsterreinen en circulair bouwenmet duidelijke maximale bedragen, strengere voorwaarden voor gebruik van plastic, aangepaste MPG- en BENG-eisen, en een groter subsidiabel vloeroppervlak voor duurzame industriegebouwen.  

Hier vindt u de volledige Milieulijst 2026. 

EIA in 2026 per investeringscategorie

Het EIA-budget bedraagt in 2026 460 miljoen euro. Dat was in 2025 nog 431 miljoen euro. De overheid verwacht dat ongeveer 9.100 ondernemingen samen 14.500 aanvragen indienen. Ze verwachten gemiddeld 70 procent van de aanvragen toe te kennen. De Energie-investeringsaftrek is voor 2026 aangepast, vooral door de jaarlijkse actualisatie van de Energielijst. Deze is afgestemd op de huidige stand van zaken van de technologie.  

  • Bedrijfsgebouwen 
    De nadruk ligt op verduurzaming van bestaande gebouwen. Er zijn nieuwe omschrijvingen voor het verduurzamen van luchtbehandelingskasten, biobased isolatie en zonwering in combinatie met HR+++-glas. Warmtepompen en warmtepompboilers komen alleen nog in aanmerking als zij een halogeenvrij koudemiddel gebruiken. Cv-ketels als hoofdverwarming zijn uitgesloten en de eisen voor circulatiepompen en isolatie zijn aangescherpt. 
  • Processen 
    De hoogfrequente hoogrendementslader voor tractiebatterijen is vervallen. Dit heeft te maken met het afnemend gebruik van loodzuurbatterijen. De eisen voor elektromotoren zijn verhoogd naar minimaal IE5. Voor koelinstallaties zijn grenzen aangegeven voor welke onderdelen en vermogens subsidiabel zijn. Energie-efficiënte melkkoeling is uitgebreid met koudebuffers. Voor afvalwaterbeluchting zijn strengere efficiëntie-eisen opgenomen. 
  • Transport 
    Er is een nieuwe omschrijving voor aerodynamische vrachtwagencabines die brandstofbesparing stimuleren. De hoogfrequente hoogrendementslader voor tractiebatterijen is ook hier vervallen. 
  • Duurzame energie en energieopslag 
    Het maximale gezamenlijke piekvermogen voor zonnepanelen is verhoogd naar 100 kW om installaties met een groter vermogen te blijven ondersteunen. Alleen loodzuurvrije accu’s komen nog in aanmerking voor elektriciteitsopslag. De opslag van duurzaam geproduceerde warmte is uitgebreid. 
  • Energietransitie 
    De hybride elektrische oven is toegevoegd om elektrificatie in de industrie te stimuleren. Collectieve energiesystemen voor nieuwbouw zijn verruimd bij gebruik van halogeenvrije warmtepompen. De ombouw van bestaande mobiele werktuigen naar elektrisch is nu mogelijk gemaakt.  Fossiele hoofdverwarming wordt verder beperkt.   

Hier vindt u de volledige Energielijst 2026. 

Aanvraagprocedure

De RVO maakt fiscale aanvragen via een ketenmachtiging mogelijk. Het volledig digitale aanvraagportaal daarvoor is inmiddels live gegaan. Aanvragen doen via het oudere eLoket is ook nog mogelijk.   

Voor alle drie de investeringsregelingen geldt: zorg dat u de aanvraag doet bij RVO binnen drie maanden na het verstrekken van de investeringsopdracht.    

Meer informatie

De RVO heeft een overzicht van investeringen voor diverse sectoren in een heldere sectorplaat gepubliceerd.  

(Bron: Flynth)

Uitspraak Hoge Raad hoogte belastingrentepercentage vennootschapsbelasting

De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 beslist dat wij het hogere belastingrentepercentage niet mogen toepassen op de vennootschapsbelasting. Daarom zal voor de vennootschapsbelasting hetzelfde belastingrentepercentage gelden als voor de andere belastingen.

Wat betekent dit voor de massaal bezwaarprocedure?

De uitspraak van de Hoge Raad over het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting heeft de volgende gevolgen:

  • Uiterlijk op 26 februari 2026 doet de inspecteur 1 collectieve uitspraak op de bezwaren vennootschapsbelasting die vallen onder het massaal bezwaar. Zodra die uitspraak er is, kunt u die lezen op onze website en in de Staatscourant.
  • Wij gaan de uitspraak van de inspecteur toepassen op alle bezwaren die vallen onder het massaal bezwaar tegen het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting.
  • Zodra wij deze bezwaren hebben afgerond, sturen we u hierover bericht.

Hebt u op tijd bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting? Dan hoeft u niets te doen. Wacht af totdat u bericht van ons krijgt.

Meer informatie

Lees meer over het massaal bezwaar bij Massaal bezwaar voor de hoogte van het belastingrentepercentage – wat betekent dit voor mijn bezwaar?.

Bron: Belastingdienst)