All posts in Nieuws voor het MKB (BV)

BV X verkocht op 3 maart 2011 een winkelcomplex voor € 8.730.702 aan haar twee aandeelhouders. In 2012 stelde de inspecteur een onderzoek in naar de zakelijkheid van de verkoop en de waarde van het winkelcomplex in het economische verkeer. Een taxateur van de Belastingdienst schatte de waarde per 3 maart 2011 op € 18.180.000. BV X ontving een navorderingsaanslag Vpb 2011, waarbij een bedrag van € 9.730.000 (verschil koopsom excl. rentevergoeding en waarde economisch verkeer van de onroerende zaken) alsnog als winst was aangemerkt. BV X ging beroep. Rechtbank Noord-Holland besliste dat de aandeelhouders van BV X door de overdracht van het winkelcomplex een voordeel hadden genoten en dat BV X en haar aandeelhouders zich daarvan redelijkerwijs bewust moesten zijn geweest. Het voordeel van € 9.730.000 moest worden aangemerkt als een winstuitdeling. De Rechtbank was het echter met BV X eens dat zij voor dat bedrag een herinvesteringsreserve (HIR) mocht vormen. Uit de aard van de onderneming van BV X, een actief vastgoedbedrijf dat belegde in beleggingspanden die voor haar bedrijfsmiddelen vormden, volgde dat een herinvesteringsvoornemen veelal aanwezig kon worden geacht, en de aankopen van vastgoed in 2011 en 2012 bevestigden dat. Het feit dat de boekwinst van € 9.730.000 het gevolg was van een uitdelingscorrectie, verhinderde het vormen van een HIR niet. De Rechtbank verwees hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 16 september 2016. Dotatie aan een HIR voor de boekwinst van € 9.730.000 was volgens de Rechtbank dan ook toegestaan. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag Vpb 2011.

(Bron: FUTD)

Gebruikelijk loon dga mag lager dan minimumloon zijn

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, loon
Reacties uitgeschakeld voor Gebruikelijk loon dga mag lager dan minimumloon zijn

Als dga moet u jaarlijks een zogeheten ‘gebruikelijk loon’ uit uw bv opnemen. Dit gebruikelijk loon is voor 2021 vastgesteld op € 47.000, een verhoging van € 1.000 ten opzichte van vorig jaar. Voorheen vond de Belastingdienst dat het gebruikelijk loon van de dga van een bv onder alle omstandigheden minstens gelijk moet zijn aan het minimumloon. Dit standpunt hebben ze echter gewijzigd. Lees hier wat dit voor u als dga betekent.

Hoogte gebruikelijk loon dga 2021

Het gebruikelijk loon moet volgens de wet worden vastgesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of op het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn bij uw bv, indien een van deze bedragen meer is dan € 47.000.

Let op! Is het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager dan € 47.000? Dan wordt het gebruikelijk loon vastgesteld op dit bedrag.

Ook lager gebruikelijk loon dga onder bijzondere omstandigheden

Tot nu toe vond de Belastingdienst dat in bijzondere situaties een lager gebruikelijk loon kan worden vastgesteld dan volgens bovenstaande regeling. Bijvoorbeeld voor dga’s van een startende bv of in bepaalde gevallen als een bv verliesgevend is. Hiervoor golden wel aanvullende voorwaarden. Er moest dan ten minste het minimumloon als gebruikelijk loon worden uitgekeerd. Dit standpunt heeft de fiscus nu verlaten.

Lager gebruikelijk loon dan minimumloon mogelijk

Met dit nieuwe standpunt volgt de Belastingdienst de opvatting van de rechter. In een recente uitspraak van de rechtbank in Arnhem werd beslist dat onder omstandigheden ook een lager gebruikelijk loon dan het minimumloon mogelijk is. In deze zaak was er sprake van een zeer geringe omzet en werd er verlies geleden als werd uitgegaan van het wettelijk in aanmerking te nemen gebruikelijk loon.

De Belastingdienst geeft nu in het Handboek Loonheffingen aan dat een lager gebruikelijk loon dan het minimumloon onder omstandigheden mogelijk is. Bijvoorbeeld wanneer een bv structureel verlies lijdt en bij startende bv’s. Aangegeven wordt dat bij twijfel contact kan worden opgenomen met de Belastingdienst.

Verlaging gebruikelijk loon dga in verband met Corona

Vanwege corona mag het gebruikelijk loon in 2020 en 2021 ook lager worden vastgesteld dan wettelijk voorgeschreven. Het gebruikelijk loon over 2020 en 2021 mag worden afgeleid van dat in 2019 en evenredig aangepast worden met het omzetverlies.

Voor 2020 gaat u daarbij uit van het omzetverlies in de eerste vier maanden vergeleken met de omzet in de eerste vier maanden van 2019. Voor 2021 gaat u uit van het omzetverlies over het gehele jaar in vergelijking met de omzet over het hele jaar 2019. Aanvullende voorwaarde voor 2021 is dat het omzetverlies 2021 minimaal 30% bedraagt.

De verlagingen kunt u toepassen zonder overleg of goedkeuring van de Belastingdienst.  Wel moet u dan aan een aantal aanvullende voorwaarden voldoen. Zo mag uw rekening-courantschuld of het dividend niet toenemen als gevolg van het lagere gebruikelijk loon. Overigens kunt u uw salaris 2020 niet met terugwerkende kracht verlagen.

(Bron: DRV)

Ruimere mogelijkheden om houdsterverliezen te verrekenen

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, diversen
Reacties uitgeschakeld voor Ruimere mogelijkheden om houdsterverliezen te verrekenen

Door een recente uitspraak van de Hoge Raad wordt de mogelijkheid om houdsterverliezen onder de overgangsregeling te verrekenen verruimd. We vertellen u graag meer over de mogelijkheden.

Er is sprake van een houdstervennootschap als een vennootschap (nagenoeg) het gehele jaar (nagenoeg) uitsluitend bestaat uit het houden van deelnemingen en/of het financieren van verbonden lichamen. Indien met deze activiteiten verliezen worden behaald, kwalificeren deze als houdsterverliezen. Onder de overgangsregeling is het verlies van een houdsteractiviteit slechts verrekenbaar met de winst in het jaar waarin de vennootschap ook als houdstervennootschap kwalificeert. Het verrekenen van houdsterverliezen, welke zijn ontstaan voor 1 januari 2019, is zodoende lastig.

Houdsterverliezen mogen niet verrekend worden met operationele winsten. Om deze houdsterverliezen te kunnen verrekenen, moeten er dus ten minste positieve houdsterwinsten worden genereerd. Houdsterwinsten kunnen in beginsel niet worden gerealiseerd door een verschuiving aan te brengen in vorderingen op verbonden lichamen (bijvoorbeeld het creëren van belastbare rentebaten). Door de vorderingensaldotoets mag de boekwaarde van vorderingen en schulden met verbonden lichamen in het jaar van verrekening niet groter zijn dan het desbetreffende saldo aan het einde van het jaar waarin het houdsterverlies is geleden. Deze regeling blijft buiten toepassing, als de houdstervennootschap aannemelijk maakt dat de wijziging van het saldo niet in overwegende mate is gericht op verruiming van de verliesverrekening. Hiervan is sprake als bijvoorbeeld vanuit een zakelijk oogpunt bezien behoefte is aan extra financieringsruimte.

Door een recente uitspraak van de Hoge Raad wordt de mogelijkheid om houdsterverliezen onder de overgangsregeling te verrekenen verruimd. De houdsterverliezen mogen onder voorwaarden als voorvoegingsverliezen verrekend worden met de winst van een nieuwe dochtervennootschap. De door de houdstervennootschap opgerichte dochtervennootschap moet bij oprichting direct toe worden gevoegd in de fiscale eenheid vennootschapsbelasting met de houdstervennootschap als moedervennootschap. In deze situatie mag de belastbare winst van de gevoegde dochtervennootschap worden toegerekend aan de houdstervennootschap. Indien het resultaat van de fiscale eenheid na de verrekening van de verliezen binnen de fiscale eenheid positief is, kan deze winst vervolgens worden verrekend met de houdstervoorvoegingsverliezen. Hierdoor kunnen houdsterverliezen alsnog waardevol worden. Dit in tegenstelling tot het standpunt van de Belastingdienst. De Belastingdienst is van mening dat na de voeging van een actieve dochtervennootschap in de fiscale eenheid met een houdstervennootschap, voor de kwalificatie van een houdsterwinst alle activiteiten van de fiscale eenheid moeten worden beoordeeld. Hierdoor werden de voorvoegingshoudsterverliezen voorheen veelal waardeloos.

De uitkomst van het arrest is in strijd met de doel en strekking van de houdsterverliesovergangsregeling, maar is niet in strijd met de bepalingen omtrent verrekening van voorvoegingsverliezen welke gelden voor fiscale eenheid situaties. Dat bestaande houdsterverliezen verrekenbaar zijn met operationele winsten van een nieuwe gevoegde dochtervennootschap komt door de grammaticale interpretatie van de samenstel van de bepalingen aldus de Hoge Raad.

De houdsterverliesregeling is per 2019 afgeschaft met een overgangsrecht. Vanaf 1 januari 2019 worden verliezen niet meer als houdsterverliezen gekwalificeerd. De op 1 januari 2019 bestaande houdsterverliezen zijn op basis van de huidige regeling tot 1 januari 2028 verrekenbaar met houdsterwinsten. Door de invoering van de nieuwe verliesverrekeningsbeperking per 1 januari 2022 zijn “voormalige houdsterverliezen”, welke op 1 januari 2022 bestaan, in beginsel zelfs onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. De invoering van de nieuwe verliesverrekeningsregels in combinatie met het gewezen arrest biedt onder omstandigheden mogelijkheden om bestaande houdsterverliezen te kunnen verrekenen.

Gezien het belang bestaat een reële kans dat de wetgever in actie zal gaan komen. Het is hierbij niet uit te sluiten dat de wijzigingen in de wetgeving met terugwerkende kracht tot aan de datum van het arrest tot stand zullen komen en bovenstaande eventuele mogelijkheden alsnog verloren gaan.

(Bron: HLB)

Al sinds 2013 loopt er een juridische strijd tegen de belastingheffing in box 3. Het forfaitaire rendement blijkt in de praktijk namelijk niet meer haalbaar zonder daar veel risico voor te moeten nemen. De strijd rondom de box 3 heffing is nu een nieuw hoofdstuk ingegaan. Eerder oordeelde de Hoge Raad dat de oude forfaitaire box 3-heffing te hoog was. Reparatie hiervan liet de Hoge Raad echter aan de wetgever. De wet werd per 2017 aangepast door het toepassen van een veronderstelde vermogensmix en rendementsklassen. In twee zaken in augustus 2021 oordeelde de rechtbank Noord-Nederland dat ook dit nieuwe stelsel ongeoorloofd is. Ook nu laat de rechter aanpassing over aan de wetgever. In dit artikel zetten we uiteen wat dit voor uw vermogen betekent.

Bezwaren tegen box 3 zijn voor de jaren 2017-2020 aangewezen als massaalbezwaarprocedure. De massaalbezwaarprocedure betekent dat de rechtsvraag wordt voorgelegd en uitgeprocedeerd tot en met de hoogste rechter. Hiervoor zijn voor de jaren 2017 en 2018 ieder zes proefprocedures bij verschillende rechtbanken door de Belastingdienst en de Bond van Belastingbetalers geselecteerd. Deze proefprocedures zijn representatief voor alle bezwaarmakers. Als de uitspraak van de rechter in de proefprocedure onherroepelijk vaststaat, zal de Belastingdienst een collectieve uitspraak doen op alle bezwaren die meedoen met de massaalbezwaarprocedure.

De eerder genoemde uitspraken van de rechter gaan om twee zaken die geselecteerd zijn als proefprocedure over de jaren 2017 en 2018 bij de Rechtbank Noord Nederland. De rechter stelt vast dat de wetgever wist dat er verschillende rendementen worden behaald bij sparen en beleggen, en dat 40% van alle belastingbetalers alleen over spaargeld beschikt en niet belegt. Om dan toch voor alle belastingplichtigen dezelfde vermogensmix van sparen en beleggen te veronderstellen, is volgens de rechtbank onredelijk. Dit wijkt voor een te grote groep niet-beleggers teveel af van de werkelijkheid. De uitvoerbaarheid van de belastingheffing door de Belastingdienst rechtvaardigt deze heffing niet volgens de rechtbank.

Deze twee uitspraken zijn in lijn met de eerdere conclusie van de Advocaat-Generaal, die de Hoge Raad adviseert. De rechtbanken Gelderland en Noord-Holland oordeelden eerder juist het tegenovergestelde, namelijk dat de nieuwe vermogensrendementsheffing wel toelaatbaar is. Andere rechtbanken moeten nog oordelen. De verwachting is dat uiteindelijk de Hoge Raad een eindoordeel zal vellen.

De belastingplichtige krijgt ondanks de voor hem of haar positieve uitspraak geen vermindering van de belastingheffing. Volgens de rechtbank moet de wetgever dit gaan oplossen. Tot nu toe heeft het kabinet geen haast gemaakt om de heffing van box 3 aan te passen, bijvoorbeeld naar een heffing naar werkelijk rendement. Demissionair Staatssecretaris Vijlbrief wil dat het nieuwe kabinet een nieuwe regeling voor belasting op vermogen ontwerpt. De moties om dit proces te versnellen zijn recent ingediend.

(Bron: DRV)

Medewerkers met een nulurencontract hebben recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden als uw andere werknemers. Toch zijn er een aantal regels net even anders. Denk aan het oproeptermijn of het recht op loon bij een afzegging. Met welke regels moet u als werkgever rekening houden? Een overzicht.

Het inzetten van uw oproepkracht

Een nulurencontract is een arbeidsovereenkomst voor een oproepkracht. U roept uw werknemer dan alleen op als u werk heeft. Voor de gewerkte uren betaalt u loon. Deze afspraak moet op papier staan. Uw werknemer heeft recht op minimaal drie uur loon per oproep. Ook al heeft u maar voor één uur werk op dat moment.

Als werkgever kunt u wél zelf bepalen wanneer u uw oproepkracht wilt inzetten. Daarbij moet u een aantal regels in acht nemen. Zo bent u verplicht om de oproepkracht minimaal vier dagen van tevoren op te roepen, tenzij dit in de cao anders is vermeld. Wanneer u uw oproepkracht te laat oproept, is hij of zij niet verplicht om te komen werken. Sterker nog, als u de geplande uren niet op tijd wijzigt of afzegt, moet u de oproepkracht alsnog uitbetalen voor die uren. Zorg er daarom voor dat u de uren schriftelijk of digitaal vastlegt en afstemt met uw oproepkracht.

Wanneer heeft uw oproepkracht recht op doorbetaling?

Er zijn een aantal situaties waarbij u uw medewerker (met een nulurencontract) moet doorbetalen zonder dat hij of zij gewerkt heeft. Dit is mogelijk:

  • wanneer uw oproepkracht langer dan zes maanden in dienst is en de werkzaamheden door een fout van u (bijvoorbeeld door te weinig werk) niet kunnen doorgaan;
  • wanneer uw oproepkracht langer dan zes maanden in dienst is, maar niet opgeroepen wordt terwijl er wel genoeg werk voor hem is;
  • in sommige gevallen van ziekte.

Is uw oproepkracht ziek? Dan heeft hij of zij recht op 70%  van het loon, zolang ‘de oproep’ duurt. Is dit lager dan het minimumloon? Dan heeft uw oproepkracht recht op het minimumloon. Het gaat overigens alleen om de geplande ‘oproepperiode’. Stond u oproepkracht bijvoorbeeld niet ingepland? Dan ontvangt hij of zij ook geen loon.

Hoe zit het met verlofdagen, vakantiedagen en vakantiegeld?

Een oproepkracht heeft recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden als uw andere werknemers. Denk bijvoorbeeld aan verlofdagen en vakantiedagen. Uiteraard op basis van het aantal uren dat uw werknemer echt voor u heeft gewerkt. Werkt uw oproepkracht geen vast aantal werkuren per week? Dan wordt er vaak een percentage bepaald per gewerkt uur voor de opbouw van vakantie-uren. Dat percentage staat in de cao of legt u vast in het arbeidscontract.

Uw oproepkracht heeft altijd recht op minimaal 8% vakantiegeld over het brutoloon van het afgelopen jaar. Heeft uw oproepkracht minder dan een jaar gewerkt? Dan gaat u uit van de gewerkte periode tot het moment dat u het vakantiegeld berekent.

(Bron: ABAB)

Een derde van de werkgevers die een voorschot heeft ontvangen voor de eerste periode NOW, is zich niet bewust dat zij zélf de definitieve berekening van de NOW moet aanvragen. Wordt dit niet aangevraagd, kan dit leiden tot een terugvordering van het complete voorschot. Het is echt belangrijk dat werkgevers zélf in actie komen.

Uit onderzoek dat UWV heeft laten uitvoeren onder de werkgevers die nog geen NOW aanvraag hebben ingediend, blijkt dat bijna een derde zich er niet van bewust is dat het de definitieve berekening zélf moet aanvragen. Daarnaast wees het onderzoek uit dat 44 procent van de werkgevers nog bezig is met het verzamelen van documenten of wacht op de samenstelling van een derdenverklaring of verklaring van een accountant.

Een aanvraag indienen kan nog tot en met 31 oktober 2021, dus er is nog tijd. Maar werkgevers die géén aanvraag doen voor de definitieve berekening, lopen het risico dat ze straks in de problemen komen. Geen aanvraag indienen betekent dat de tegemoetkoming op nul wordt vastgesteld en werkgevers dus hun complete voorschot moeten terugbetalen.

(Bron: De Jong & Laan)

5 tips voor pensioen dga

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), pensioen, pensioen
Reacties uitgeschakeld voor 5 tips voor pensioen dga

Dga’s kunnen sinds 1 juli 2017 geen pensioen in eigen beheer meer opbouwen. Welke alternatieven zijn er? We zetten de aantrekkelijkste mogelijkheden op een rijtje.

1. Sparen of beleggen?

Een voor de hand liggend alternatief voor de dga die geen pensioen in eigen beheer meer kan opbouwen, is zelf sparen of beleggen. Een nadeel van sparen is dat het nauwelijks meer rente oplevert. Een bekend nadeel van beleggen is de onzekerheid over de hoogte van het rendement. Gespreid beleggen in defensieve fondsen kan daarvoor een oplossing zijn.

Een nadeel van sparen en beleggen is ook dat geen vrijstelling geldt in box 3. Dit in tegenstelling tot pensioenen en lijfrenten.

2. Kapitaal voor eigen bv

U kunt uw pensioenbijdrage natuurlijk ook in uw eigen onderneming in de bv investeren. Afhankelijk van de rente die u nu bij de bank betaalt, kan dit aantrekkelijk zijn.

Een nadeel is het risico dat u uw ‘pensioen’ kwijt bent als uw bedrijf failliet gaat.

3. Aflossen eigen woning?

Bezit u een eigen woning met hypotheekschuld, dan kan aflossen van deze schuld een aardige compensatie voor het opbouwen van pensioen zijn.

Houd er rekening mee dat aflossen vaak slechts tot een bepaald bedrag boetevrij is. Lost u meer af, dan betaalt u meestal een sanctie vanwege de gemiste rente-inkomsten door de bank. Een voordeel is dat aflossen niet leidt tot een hogere heffing in box 3.

Let op!
Aflossen wordt de komende jaren ook aantrekkelijker, omdat de hypotheekrente in etappes nog maar aftrekbaar wordt tegen het basistarief van 37,05%.

4. Aankoop lijfrente

In plaats van pensioen in eigen beheer is het nog wel mogelijk een oudedagsvoorziening op te bouwen door middel van een lijfrente. Of door middel van pensioensparen op een geblokkeerde bankrekening. De betaalde premie/inleg is dan onder voorwaarden aftrekbaar en de lijfrente of het spaarsaldo telt dan niet mee in box 3.

5. Aankoop woning plus verhuur

Het aankopen van een woning en verhuren aan de kinderen wordt de laatste jaren steeds populairder en kan een alternatief zijn voor de opbouw van pensioen.

Het voordeel is dat de waarde van de woning slechts gedeeltelijk meetelt in box 3. Bovendien blijft een eventuele waardestijging van de woning onbelast. In combinatie met de huurtermijnen kan dat een mooi rendement opleveren.

Nadeel is dat sinds 2021 de aankoop van een woning bestemd voor de verhuur 8% overdrachtsbelasting verschuldigd is.

Let op: Uw kinderen komen in beginsel ook in aanmerking voor huurtoeslag

De hiervoor genoemde alternatieven kunnen een goede vervanger zijn voor pensioen in eigen beheer. Welk alternatief past bij u? Dat is een vraag die we in een persoonlijk gesprek met u kunnen bespreken.

(Bron: De Jong & Laan)

Voor het in dienst nemen en hebben van mensen met een arbeidsbeperking kunt u als werkgever verschillende financiële voordelen behalen. Een daarvan is de zogenaamde noriskpolis.

Wat dit is, welke voordelen dit kan bieden en welke risico’s u kunt lopen leggen we hieronder uit.

Een medewerker heeft recht op een noriskpolis in onder andere de volgende situaties:

  • U neemt een medewerker met een WIA, Wajong of WAO/Waz uitkering in dienst;
  • De nieuwe medewerker is opgenomen in het doelgroepregister;
  • Uw medewerker heeft na 2 jaar ziekte recht op een WIA uitkering en u houdt hem in dienst.

Als deze medewerker tijdens zijn dienstverband ziek wordt dan kunt u hem bij het UWV melden.  U betaalt ongewijzigd het salaris aan uw medewerker conform het gestelde in de arbeidsovereenkomst of cao. UWV betaalt aan u een Ziektewetuitkering. De vergoeding bedraagt gedurende het eerste ziektejaar 100% van het loon dat u aan uw zieke medewerker moet betalen en het tweede jaar 70% van het dagloon.

Wat is het financiële voordeel?

U krijgt het salaris van de medewerker geheel of gedeeltelijk gecompenseerd van UWV. Als u een ziekengeldverzekering heeft, dan hoeft u deze medewerker daarop niet aan te melden.  Dat scheelt premie. En de Ziektewet- en latere WIA-uitkering worden niet doorberekend bij het vaststellen van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas.

Hoe vraagt u dit aan?

U hoeft de noriskpolis niet van te voren aan te vragen. Op het moment dat hij ziek wordt meldt u hem binnen 6 weken na de eerste ziektedag bij UWV en deze instantie beoordeelt of hij op basis van de voorwaarden een uitkering toekomt. Is de medewerker weer hersteld, vergeet dan niet om dit binnen 2 dagen weer aan UWV door te geven.

Waarop moet u vooral letten?

Voor iemand die beschut werkt of met een ziekte of handicap (volgens de banenafspraak) geldt de noriskpolis voor de duur van het gehele dienstverband. In de andere situaties geldt een termijn van maximaal 5 jaar. In sommige gevallen kan voor afloop van die termijn een verlenging worden aangevraagd. Na afloop van de 5 jaarstermijn meldt u de medewerker weer aan bij de ziekengeldverzekeraar.

Ontvangt u voor uw werknemer naast de Ziektewetuitkering ook loonkostensubsidie van de gemeente? Deze kunnen niet samen gaan. Informeer de gemeente dat u Ziektewetuitkering ontvangt. De loonkostensubsidie stopt dan.

Reintegratie

Ook bij een medewerker met een noriskpolis doet u de ziekmelding bij de arbodienst. Het is een misverstand om er van uit te gaan dat het UWV de re-integratie van de medewerker over neemt. U blijft gedurende de hele ziekteperiode verantwoordelijk voor de Poortwachter-inspanningen, net zoals u dat doet voor medewerkers die hier niet onder vallen. Doet u dit niet, te laat of is de re-integratie niet adequaat? Dan kan UWV ook bij een noriskpolis een loonsanctie opleggen. Gaat uw zieke medewerker tussentijds uit dienst omdat het contract afloopt en u heeft aantoonbaar een gebrekkig re-integratiedossier tot dan toe? Ook dan kan UWV u een sanctie opleggen door de Ziektewetuitkering die na afloop van het dienstverband aan de ex-medewerker wordt betaald op u te verhalen. Gaat uw werknemer tussentijds uit dienst, maar is de re-integratie nog niet afgerond? Dan kunt u bij UWV verzoek om participatie in de kosten voor de re-integratie.

(Bron: Flynth)

De fiscale regeling voor aftrek van scholingsuitgaven in de inkomstenbelasting vervalt per 1 januari 2022. Daarvoor in de plaats komt de Subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de Arbeidsmarktpositie). Misschien kunt u in 2021 nog extra profiteren van de fiscale aftrek door scholingskosten vooruit te betalen of uw opleiding/studie eerder te beginnen en de kosten nog in 2021 te betalen.

Het STAP-budget

Werkenden en werkzoekenden kunnen een STAP-budget van maximaal €1.000 euro aanvragen voor scholing en ontwikkeling. Met het geld uit het STAP-budget kan een opleiding, training of cursus worden gevolgd. Voorwaarde is dat de gekozen scholingsactiviteit geregistreerd staat in het STAP-scholingsregister.

De aanvraag van het STAP-budget kan vanaf 1 maart 2022 worden gedaan via het STAP-portaal van het UWV. Dit kan per persoon één keer per jaar. Als de aanvraag door het UWV is goedgekeurd, wordt het bedrag rechtstreeks betaald aan de opleider. 

Meer over de voorwaarden en het aanvragen vindt u vanaf 1 maart 2022 op het STAP-portaal van UWV

Voorsorteren op afschaffing aftrek scholingsuitgaven

Scholingsuitgaven zijn lang niet altijd aftrekbaar uw belastingaangifte, er gelden strenge voorwaarden. Zie ook de site van de Belastingdienst. Maar voldoet u aan de voorwaarden, dan zal het huidige systeem van fiscale aftrek al snel voordeliger zijn dan de Subsidieregeling STAP.

Voor de fiscale aftrek van scholingsuitgaven wordt aangesloten bij het moment van betaling. Bent u al begonnen met een studie of staat u op het punt deze te starten en voldoet u aan de voorwaarden voor de aftrek? Dan kan het voordelig zijn om in 2021 nog een bedrag vooruit te betalen of uw opleiding/studie eerder te beginnen. In dat laatste geval moet u er dan wel voor zorgen dat u de kosten ook (zoveel mogelijk) in 2021 verschuldigd bent en ook daadwerkelijk betaalt.

LET OP BIJ VOORUITBETALING

Een eenmalige betaling in 2021 van collegegeld voor het studiejaar 2021/2022 waarvan is afgesproken dat dat zowel in termijnen als ineens (in 2021) kan worden betaald, kunt u dus naar onze mening wel in 2021 in zijn geheel als scholingsuitgaven in aanmerking nemen. Maar een vooruitbetaling moet wel zijn overeengekomen en er mag geen sprake zijn van een depotstorting waarover u feitelijk nog steeds kunt beschikken.

(Bron: Flynth)

Ouders die na een echtscheiding de zorg voor een of meer kinderen jonger dan 12 jaar verdelen en daarnaast werken, kunnen beiden recht hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Er wordt dan al snel gesproken over co-ouderschap. De zorg voor het kind of de kinderen moet dan min of meer gelijkelijk tussen beide ouders worden verdeeld. Als dat onvoldoende gebeurt, is er in fiscale zin geen sprake van co-ouderschap en mist een van beide ouders mogelijk de IACK. We zetten hier alles wat u moet weten rondom de IACK op een rij.

Hoeveel bedraagt de IACK

De IACK bedraagt dit jaar 11,45% van uw arbeidsinkomen boven € 5.153, met een maximum van € 2.815 per jaar. U moet wel ten minste € 5.153 verdienen of, wanneer u ondernemer bent, recht hebben op de zelfstandigenaftrek.

Voorwaarden IACK

  • U hebt een kind dat geboren is ná 31 december 2008 en in 2021 minstens 6 maanden is ingeschreven op uw woonadres. Bent u co-ouder? Dan mag uw kind ook zijn ingeschreven op het adres van uw ex.
  • U hebt geen fiscale partner of u hebt minder dan 6 maanden een fiscale partner. Of u hebt langer dan 6 maanden een fiscale partner én u verdient minder dan uw fiscale partner.

Wanneer bent u co-ouder?

U bent in 2021 co-ouder als het kind in een herhalend ritme in totaal minimaal 156 dagen per kalenderjaar bij elke ouder is. Over de verdeling van de zorg is nogal wat te doen geweest, met verschillende rechterlijke uitspraken. Zo gold tot voor kort nog dat het kind minstens drie dagen per week bij een ouder moest verblijven om aan de voorwaarden te voldoen. Die eis is nu versoepeld doordat het aantal dagen op jaarbasis wordt beoordeeld, mits er sprake is van een zekere regelmaat.

Rechtzaak: een dag is écht 24 uur

Eerder kwam een zaak voor de Hoge Raad waarin opnieuw de verdeling van de zorgplicht tussen ouders aan de orde kwam. De ouders in deze zaak hadden een kind van één jaar dat een aantal dagen per week van ’s ochtends 7.30 uur tot ’s avonds 19.30 uur bij de moeder verbleef. Deze merkte dit verblijf aan als één dag, maar de Hoge Raad ging hier niet in mee. De Hoge Raad besliste dat één dag moet worden opgevat als 24 uur. Omdat momenteel de eis gesteld wordt dat een kind minstens 156 dagen per jaar bij een ouder verblijft, is het arrest ook nu nog van belang.

Op de site van de Belastingdienst wordt aangegeven dat ook dagdelen meetellen. Dit komt bijvoorbeeld neer op drie dagen per week. Of de rechter deze uitleg onderschrijft, is nog onzeker.

Tip! Wilt u op zeker spelen, spreek dan een schema af waarbij u uw kind(eren) per jaar ten minste 156 hele dagen van 24 uur verzorgt, in een herhalend ritme.

Tip! Heeft u twee of meer jonge kinderen met uw ex-partner? Door bij ieder (minstens) één kind in te schrijven, voldoet u beiden automatisch aan de voorwaarden zolang het betreffende kind jonger is dan 12 jaar. U hoeft dan niet te voldoen aan de ingewikkelde regels van co-ouderschap.

(Bron: DRV)