All posts in Nieuws voor het MKB (BV)

Dit jaar vinden er verschillende wijzigingen in het huurrecht plaats. Huurt of verhuurt u een bedrijfspand of woning? Dan is het belangrijk om hier rekening mee te houden. Ik vertel u graag meer over deze wijzigingen.

Energielabel C voor kantoorpanden

Per 1 januari 2023 moet ieder kantoorpand dat groter is dan 100m2 minimaal energielabel C hebben. Voldoet uw kantoor hier niet aan? Dan mag het gebouw niet meer als kantoor gebruikt worden. Uit een onderzoek van de RVO blijkt dat naar schatting nog maar 44 procent van de label-C-plichtige kantoren aan deze eis voldoet. Onderzoek dus goed of u nog de nodige aanpassingen moet doen aan uw kantoor.

Bouwkundige aanpassingen zijn nodig wanneer het pand dat u (ver)huurt energielabel D tot en met G heeft. Voor wiens rekening deze kosten komen, is afhankelijk van de overeengekomen afspraken in de huurovereenkomst. Kantoorruimten worden vaak casco verhuurd. In dat geval is de verhuurder vaak alleen verantwoordelijk voor de spouwmuren en het dak. Bent u van plan om een pand te gaan huren? Let hier dan op. Als huurder kunt in de huurovereenkomst laten opnemen dat de verhuurder vanaf 2023 verplicht is om te zorgen voor een C-label.

Tip: bouwkundige aanpassingen kosten normaliter veel tijd. Daarom adviseer ik u om actie te ondernemen. Of u nu huurder of verhuurder bent.

Verplichte melding energielabel bij verhuur

Ook rond de energielabels van woningen vindt een wijziging plaats. Voor een huurder is het namelijk belangrijk om te weten hoe duurzaam de woning is, zeker met de huidige gasprijzen. Als verhuurder bent u daarom sinds 1 januari 2022 verplicht om bij verhuur van de woning een geldig energielabel te registreren. Ook moet u een nieuwe huurder een digitaal afschrift van een geldig energielabel geven. Doet u dit niet? Dan loopt u het risico een flinke boete te krijgen van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Beperking huurverhoging vrije sector

Huurt of verhuurt u een zelfstandige woning in de vrije sector? Op grond van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten mag in de vrije sector gedurende drie jaar de huurverhoging jaarlijks worden verhoogd met maximaal de inflatie plus 1 procent. Dit geldt sinds 1 mei 2021 tot 1 mei 2024.

De inflatie van december 2020 tot december 2021 was 2,3 procent. Dat betekent dat de jaarlijkse huurverhoging in de vrije sector in het kalenderjaar 2022 maximaal 3,3 procent bedraagt. Dit geldt óók voor huurovereenkomsten waarin een hoger percentage is vastgelegd.

Is er geen bepaling opgenomen in uw huurovereenkomst? Dan mag de huurprijs niet worden verhoogd. Wilt u advies bij het opstellen van een huurovereenkomst? Mijn collega’s en ik helpen u graag.

Verplichting rookmelders

Als verhuurder in Nederland hebt u per 1 juli 2022 nog een verplichting erbij. In iedere woning die u verhuurt moeten rookmelders aanwezig zijn. Huurders zijn verplicht om medewerking te verlenen aan het plaatsen van de rookmelders. En zijn vervolgens verantwoordelijk voor het onderhoud ervan. De verplichting van de rookmelders bestond al voor nieuwbouwwoningen die na 2003 gebouwd zijn, maar gaat nu dus ook gelden voor bestaande bouw.

Hebt u als verhuurder op 1 juli 2022 de verplichte rookmelders niet geplaatst? Dan kunnen huurders een beroep doen op een huurprijsvermindering. Het ontbreken van rookmelders kan dan namelijk worden aangemerkt als gebrek. Daarnaast kunt u een aanzienlijke boete ontvangen van de gemeente, die toeziet op de naleving van deze nieuwe wet. Ook kan een verzekeraar besluiten om niet uit te keren na een brand in een woning zonder rookmelders. Kortom: naast fysieke consequenties voor huurders, kunnen er ook er ook enorme financiële gevolgen kleven aan het niet naleven van deze wet.

(Bron: Accon AVM)

Het kabinet verlaagt per 1 januari 2023 de schenkingsvrijstelling eigen woning (jubelton) tot 27.231 euro. Vervolgens wordt deze vrijstelling vanaf 1 januari 2024 volledig afgeschaft, zoals afgesproken in het coalitieakkoord. In deze blog vertel ik u waar u rekening mee kunt houden.

Iedereen tussen de 18 en 40 jaar kan momenteel nog een belastingvrije schenking krijgen van maximaal 106.671 euro voor de eigen woning. Daar komt ook de term jubelton vandaan. Wilt u uw (klein)kind hiervoor belastingvrij een bedrag schenken? Dan raad ik u aan om hier niet te lang mee te wachten. Uw (klein)kind heeft nog tot 31 december 2024 de tijd om de schenking te gebruiken.

Afschaffing vanaf 2024

Het kabinet heeft op verzoek van de Tweede Kamer gekeken naar de mogelijkheden om de afschaffing van de jubelton naar voren te halen. Namelijk in 2023 al. Dat was niet mogelijk. Daarentegen wordt de schenkingsvrijstelling nu dus wel fors verlaagd.

Vrije besteding

Naast de vrijstelling eigen woning, hebben ouders de mogelijkheid om hun kinderen belastingvrij 27.231 euro te schenken. Dit bedrag mag het kind vrij besteden. Vanaf 1 januari 2023 geldt voor de vrijstelling eigen woning dus hetzelfde bedrag. Ouders kunnen dit bedrag eenmalig schenken voor de aanschaf van een eigen woning óf vrije besteding. Beide is niet mogelijk.

Besteding van de schenking

Houd er rekening mee dat u aan een aantal voorwaarden moet voldoen als u gebruik wilt maken van de schenkingsvrijstelling eigen woning. Zo moet u bijvoorbeeld aangifte schenkbelasting doen.

Het geschonken bedrag voor de eigen woning mag uw kind gebruiken om:

  • een eigen woning aan te kopen, te verbeteren of te onderhouden;
  • de hypotheek voor de aankoop of verbouwing af te lossen;
  • een restschuld van een verkochte woning af te lossen;
  • rechten van erfpacht, opstal of beklemming af te kopen.

Ook moet uw kind de schenking die is ontvangen in 2022 voor 31 december 2024 hebben gebruikt.

Spreiding van de schenking

Is het voor u niet mogelijk om het gehele bedrag van de vrijstelling in 2022 te schenken? Dan kunt u de schenking over meerdere jaren gespreid schenken. Vooralsnog lijkt ook dit vanaf 2024 niet meer mogelijk. Maar de exacte spelregels voor de vrijstelling zijn nog onduidelijk. Mocht u nog een schenking willen doen van maximaal 106.671, dan is het noodzakelijk dat u er tijdig bij bent. Schenk dus zoveel mogelijk nog in 2022. Uiteraard kijken we graag met u mee naar uw situatie en ondersteunen u bij uw schenking.

(Bron: Accon AVM)

Uw medewerker is al lange tijd ziek. U heeft qua re-integratie alles gedaan wat mogelijk is. Helaas kan de medewerker door zijn beperkingen niet terugkeren in de eigen functie. Er is ook geen alternatief werk in het bedrijf. U heeft een bedrijf ingeschakeld om de mogelijkheden bij andere werkgevers te onderzoeken. Ook dat heeft niets opgeleverd. De WIA-aanvraag is inmiddels bij UWV ingediend.

Nu krijgt uw medewerker bericht dat UWV de beslissing niet tijdig kan nemen. Wat betekent dat voor de dienstbetrekking en de loondoorbetaling? Kunt u het dienstverband al beëindigen? En hoe zit het met de loondoorbetaling als u het salaris al 104 weken heeft betaald?

Wettelijk proces

In de wet is bepaald dat u uw medewerker bij ziekte gedurende 104 weken salaris moet doorbetalen. Dit verandert niet als UWV te laat een beslissing neemt. Als uw medewerker geen arbeidsmogelijkheden meer heeft, stopt u de salarisbetaling na 104 weken. Uiteraard bespreekt u dit van te voren met uw medewerker, zodat deze bij UWV tijdig om een voorschot van de uitkering kan vragen.

Beëindigen dienstverband

Zolang een medewerker ziek is, geldt in beginsel een opzegverbod. Dit verbod is voorbij na afloop van de wachttijd van 104 weken. Ook als er nog geen WIA-beslissing is vanuit UWV, kunt u het dienstverband dan dus beëindigen. Dit kan met wederzijds goedvinden door instemming van uw medewerker of met een ontslagvergunning van het UWV. Er zijn voor UWV wel een aantal aanvullende voorwaarden, zoals een verklaring van de bedrijfsarts dat er geen passende werkzaamheden in het bedrijf mogelijk zijn en dat dit de komende 26 weken ook niet te verwachten is.

Let wel: het opzegverbod van de zieke medewerker blijft van kracht als UWV u een loonsanctie oplegt omdat u onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Wel arbeidsmogelijkheden?

Wat kunt u doen als uw medewerker slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en nog mogelijkheden heeft om passend werk te doen? In dat geval kunt u ervoor kiezen om na 104 weken een aanpassing van de arbeidsovereenkomst af te spreken met uw medewerker. De medewerker gaat bijvoorbeeld minder uren werken of krijgt een andere functie. Dit brengt wel (financiële) risico’s met zich mee voor het geval dat uw medewerker opnieuw arbeidsongeschikt wordt. Een alternatief is om uw medewerker alleen te betalen voor de uren in het passende werk dat deze gaat doen – in ieder geval totdat de WIA-beslissing is genomen. Leg afspraken die u met uw medewerker maakt altijd schriftelijk vast.

In gebreke stellen

Als UWV te laat is met het nemen van een beslissing, kan de medewerker de behandeling van de WIA-aanvraag proberen te bespoedigen door het UWV in gebreke te stellen. Als de aanvraag vervolgens nog niet binnen de gestelde termijn is afgehandeld, moet UWV de medewerker een vergoeding betalen.

(Bron: Flynth)

Box 3 in strijd met eigendomsrecht: kerstcadeautje van de Hoge Raad?

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, diversen
Reacties uitgeschakeld voor Box 3 in strijd met eigendomsrecht: kerstcadeautje van de Hoge Raad?

De Hoge Raad heeft vandaag, 24 december 2021, geoordeeld dat het box 3-stelsel, waarbij rendement forfaitair wordt berekend in de jaren 2017 en 2018 (en dus ook daarna) in strijd is met art. 1, EP EVRM in samenhang met art. 14 EVRM en biedt rechtsherstel door te bepalen dat slechts over het werkelijke rendement geheven mag worden.

De casus
Belastingplichtige had een werkelijk rendement op zijn vermogen behaald van € 6.612 (2017) en € 3.528 (2018). Het forfaitair berekende rendement in box 3 bedroeg in deze jaren € 12.705 respectievelijk € 11.969. Belastingplichtige had bezwaar gemaakt tegen zijn aanslag inkomstenbelasting 2017 en 2018. Deze bezwaren maken deel uit van de massaal bezwaarprocedure over box 3. Deze procedure gaat uitsluitend over de vraag of de box 3-heffing een inbreuk is op het eigendomsrecht van de belastingplichtige. 

Forfaitaire box-3-heffing vormt inbreuk op eigendomsrecht
De Hoge Raad is duidelijk: er is geen redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen (eenvoudige uitvoerbaarheid, aansluiten bij realiteit en het op peil houden van belastingopbrengsten) en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt. Het forfaitaire rendement uit sparen en beleggen is al jaren hoger dan het werkelijke rendement. 

In 2019 had de Hoge Raad ook voor de box 3-heffing in 2013 en 2014 beslist dat het forfaitaire rendement een inbreuk vormde op het eigendomsrecht. In dat arrest stelde de Hoge Raad zich nog terughoudend op in het voorzien in een rechtstekort en liet het in feite over aan de wetgever. De wetgever heeft daarop een schijvensysteem in box 3 ingevoerd. Maar dit sinds 2017 ingevoerde systeem schiet dus te kort. 

Volgens het regeerakkoord kan het nieuwe box 3-systeem met een heffing op basis van werkelijk rendement pas per 1 januari 2025 worden geïmplementeerd. Dat duurt te lang en de Hoge Raad ziet zich genoodzaakt rechtsherstel te bieden. 

Rechtsherstel: heffing over werkelijk behaalde rendement
Belastingplichtige had in 2017 een werkelijk rendement behaald van € 6.612 en in 2018 € 3.528. De Hoge Raad biedt compensatie door te bepalen dat slechts over deze rendementen inkomstenbelasting is verschuldigd. 

Nieuwe vragen
Door het arrest van de Hoge Raad zijn er tal van vragen die nog beantwoord moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de vraag hoe het werkelijke rendement moet worden berekend.

Keuzeregime
Het lijkt erop dat belastingplichtigen over de jaren vanaf 2017 de keuze uit twee systemen hebben in box 3. Belastingheffing volgens de huidige wetgeving is mogelijk, maar ook belastingheffing over het werkelijke rendement is mogelijk. 

Gevolgen voor de praktijk
In het slot van het arrest merkt de Hoge Raad op dat de uitkomst van dit arrest van belang kan zijn voor een groot aantal andere procedures en dat het geboden rechtsherstel tot de nodige uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst kan leiden. Dat is echter geen reden om de compensatie achterwege te laten. 
Heeft u bezwaar gemaakt tegen de box 3-heffing in 2017 en 2018? Of staat uw aanslag over deze jaren of over 2019 of 2020 nog niet definitief vast? Dan heeft u mogelijk ook recht op deze compensatie als u tijdig bezwaar (heeft ge)maakt. Hoe dit zal worden vormgegeven is nog niet duidelijk. Uiteraard houden wij u daarvan op de hoogte.

(Bron: BDO)

In dit nieuwsbericht wordt ingegaan op de vraag of de huurder van een horeca- of winkelpand (zijnde een bedrijfsruimte volgens artikel 7:290 Burgerlijk Wetboek) recht heeft op huurkorting als gevolg van de coronapandemie.

Uitspraak Hoge Raad

24 december 2021 heeft de Hoge Raad in zijn arrest meer duidelijkheid gegeven over huurkorting in relatie tot de coronapandemie. Kort weergegeven stelt de Hoge Raad dat als een ondernemer zijn bedrijfsruimte door de coronamaatregelen (gedeeltelijk) niet kan exploiteren, dit in beginsel wordt aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid, mits de huurovereenkomsten zijn gesloten voor 15 maart 2020. De rechter kan in dat geval de huurprijs verminderen voor de duur van het omzetverlies. Bij huurovereenkomsten gesloten na 15 maart 2020 beoordeelt de rechter per geval of sprake is van een onvoorziene omstandigheid.

Rekenmethode voor huurkorting

De omvang van de huurprijsvermindering dient te worden vastgesteld aan de hand van de ‘vaste lasten methode’. Deze rekenmethode luidt als volgt:

(overeengekomen huurprijs – gedeelte van de TVL dat aan de huur wordt toegerekend) x percentage omzetvermindering x 50%.

De methode komt op het volgende neer:

  • vaststellen welk percentage van de ‘vaste lasten’ van huurder huur betreft;
  • vaststellen welk percentage van de TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten)-subsidie op huur ziet. Dit wordt berekend door het percentage onder a te vermenigvuldigen met het totaal bedrag aan ontvangen TVL. De uitkomst hiervan dient te worden afgetrokken van de oorspronkelijke huurprijs;
  • vaststellen van de procentuele omzetvermindering door de omzet in de periode waarover de huurprijsvermindering berekend wordt (hierna: de lagere omzet) te vergelijken met de omzet in een vergelijkbaar tijdvak voorafgaand aan de coronapandemie (hierna: de referentieomzet) volgens de formule: 100% – (100% x (de lagere omzet : de referentieomzet));
  • de uitkomst van a t/c vermenigvuldigen met 50% (de huurder en verhuurder dragen namelijk ieder 50% van het nadeel), tenzij uit de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling volgt. We zien in een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van januari jl. dat de rechter het niet hebben (of starten van) afhaalmogelijkheden de ondernemer aanrekent, waardoor een groter deel van het nadeel bij de huurder wordt neergelegd.

Uitleg “vaste lasten”

Het begrip ‘vaste lasten’ in de rekenmethode dient niet op voorhand te eng te worden uitgelegd. Er zal moeten blijken wat daadwerkelijk onder ‘vaste lasten’ dient te worden verstaan. In een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van januari jl. wordt onder ‘vaste lasten’ verstaan: de som van de bedrijfskosten minus de Regelingen Overheid. Dit lijkt een logische redenatie, maar de rechtspraak zal verder moeten uitwijzen hoe de formule precies dient te worden ingevuld.

Tevens oordeelde het Hof Den Bosch recent dat andere oplossingen inzake huurkorting uit het verleden niet direct allemaal omgezet moeten worden naar de ‘vaste lastenmethode’, tenzij de oplossing tot een onredelijke uitkomst heeft geleid. Dit zal per geval dus bekeken moeten worden.

(Bron: BDO)

Binnen de meeste samenlevingsvormen is sprake van gezamenlijke eigendommen. Partners hebben bijvoorbeeld samen een woning of ander onroerend goed gekocht. Wanneer het huwelijk, geregistreerd partnerschap of de samenwoning eindigt, moeten de gemeenschappelijk eigendommen door de aanstaande ex-partners worden verdeeld. Als de ene partner meer heeft betaald aan de gemeenschappelijke eigendommen dan de ander, kan dat leiden tot het ontstaan van een ‘vergoedingsrecht’. Het kan hierbij om aanzienlijke bedragen gaan.

Hebben samenwoners ook vergoedingsrechten?

De regeling over vergoedingsrechten is voor echtgenoten en geregistreerd partners in de wet opgenomen. Voor samenwoners is er geen wettelijke regeling. Tussen samenwoners is het algemeen vermogensrecht van toepassing. Er wordt in het algemeen wel aangenomen dat tussen samenwoners ook een vergoedingsrecht kan ontstaan. Ook voor dit vergoedingsrecht geldt dat voor zover het is ontstaan na 1 januari 2012 de zogenoemde nominaliteitsleer van toepassing is (zie hierna).

Wat is de omvang van het vergoedingsrecht?

De hoogte van de vordering hangt af van het moment van de investering. Voor investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 2012 geldt de ‘nominaliteitsleer’. Het vergoedingsrecht is dan even groot als het bedrag dat is ingelegd uit (privé)geld. Heeft u een investering gedaan op of ná 1 januari 2012? Dan beweegt uw vergoedingsrecht mee met de waarde van het goed waarin u heeft geïnvesteerd. Dit is de zogenoemde beleggingsleer.

Wanneer is een vergoedingsrecht opeisbaar?

Een vergoedingsrecht ontstaat direct op het moment van de aankoop en het recht is ook direct opeisbaar. Het vorderingsrecht kan verjaren en is daardoor niet meer afdwingbaar. Bij gehuwden en geregistreerd partners verjaart de vordering in beginsel zes maanden na ontbinding van het huwelijk of partnerschap. Voor samenwoners verjaart de vordering in beginsel vijf jaar na het ontstaan van het vorderingsrecht (het moment van de aankoop). Slechts in uitzonderingsgevallen kan deze vijf jaar worden verlengd.

In huwelijkse voorwaarden, partnervoorwaarden of een samenlevingscontract kunnen over de opeisbaarheid van een vergoedingsvordering tussen partners afspraken worden gemaakt. In de praktijk zien we meestal voorkomen dat wordt vastgelegd dat het vergoedingsrecht pas ten gelde kan worden gemaakt bij het einde van de relatie of bijvoorbeeld verkoop van de woning.

Afzien van de vergoedingsvordering

U kunt onderling afwijken van de wettelijk voorgeschreven omvang van de vergoedingsvordering en daar ook van afzien. De Belastingdienst kan daar wel mogelijk een schenking in zien.

Voor de praktijk

In de praktijk worden er vaak geen afspraken gemaakt over hoe het geïnvesteerde (privé)geld wordt verdeeld als het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de samenwoning eindigt door (echt)scheiding. Dat kan voor nare (financiële) verrassingen zorgen. Naarmate de relatie langer duurt, wordt het steeds lastiger om aan te tonen welk vermogen aan wie van de partners toebehoort. Bij onduidelijkheden zal er een schatting gemaakt moeten worden.

(Bron: BDO)

Vanaf 1 maart was het dan eindelijk zover: uw medewerkers kunnen een STAP-budget (Stimulering Arbeidsmarkt Positie) aanvragen. Het STAP-budget is een subsidieregeling waarmee uw medewerkers maximaal € 1.000 per jaar kunnen aanvragen bij het UWV voor het volgen van een opleiding. De overheid heeft dit budget in het leven geroepen om leren en ontwikkelen binnen de Nederlandse beroepsbevolking te stimuleren. Via het STAP-portaal van het UWV kan een aanvraag worden ingediend.  

Recht op een STAP-budget 

Uw medewerkers komen in aanmerking voor een STAP-budget wanneer zij ouder zijn dan 18 jaar, jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd en minstens 6 maanden verzekerd zijn geweest voor de volksverzekeringen. Het budget vervangt het huidige belastingaftrekvoordeel voor studiekosten in de inkomstenbelasting. Het bedrag dat de medewerker ontvangt, zal rechtstreeks naar de opleider worden overgemaakt.  

Aanvraagproces 

Uw medewerkers kunnen op www.stap-budget.nl een STAP-opleiding uitzoeken. Vanuit daar kunnen zij direct doorklikken naar de website van de aanbieder. Volgens kunnen zij zich daar aanmelden, waarna zij een STAP-aanmeldingsbewijs ontvangen voor de gekozen opleiding. Dit aanmeldingsbewijs hebben de medewerkers nodig voor de subsidieaanvraag bij het UWV, die vanaf 1 maart 2022 kan worden ingediend. 

Let op: niet alle opleiders staan op de website van het STAP-budget. Als een medewerker een training wil volgen, is het verstandig om te informeren bij de aanbieder of het mogelijk is deze te volgen met het STAP-budget. 

 Goed om te weten 

Het STAP-budget wordt vanaf 1 maart 2022 voor de eerste keer aangeboden. Daarna volgen nog vijf aanvraagrondes. Wees er wel op tijd bij, want op = op. Is de investering van een training meer dan € 1.000? Dan kunt u kiezen of de meerkosten voor rekening van de medewerkers komen of voor u als werkgever zijn. De opleiding moet 4 weken na de aanvraag starten en binnen 3 maanden na sluiting van het aanvraagtijdvak. Let er bij het kiezen van een opleiding op dat de opleider is geregistreerd in het scholingsregister voor het STAP-budget. 

Vergoedt u de meerkosten van de opleiding van uw medewerkers? Denk dan aan het opstellen van een studieovereenkomst.

(Bron: Flynth)

In het begin van het jaar sturen gemeenten jaarlijks de WOZ-beschikkingen uit. Op de WOZ-beschikking van 2022 staat de waarde vermeld op waardepeildatum 1 januari 2021, midden in de coronacrisis en lockdown voor de retailbranche, waarin winkels verplicht gesloten waren. Gemeenten lijken onvoldoende rekening te houden met deze omstandigheid bij het vaststellen van de WOZ-waarde.

Waarderingspraktijk gemeenten

Veel gemeenten houden rekening met de coronacrisis door de WOZ-waarde met enkele procenten te verminderen. Als redenering geven gemeenten hierbij aan dat vastgoed een langetermijninvestering is en dat de corona maatregelen worden gezien als tijdelijke dip in de exploitatie of huuropbrengsten. Gemeenten hanteren veelal een korting van 5% op de waarde, vanwege gederfde inkomsten voor de duur van 12 maanden op een exploitatieperiode van 20 jaar.

De juiste WOZ waarde

Dit is een onjuiste manier van waarderen. Bij het bepalen van de WOZ-waarde gaat het erom wat de verkoopwaarde is op de waardepeildatum (1 januari 2021). Bovendien moet hiermee voor de Wet WOZ worden gewaardeerd onder de fictieve omstandigheid dat het object leeg op de markt wordt aangeboden. Voor de Wet WOZ moet dan ook worden bepaald wat de verkoopprijs is als het object, zonder lopende huurovereenkomst, midden tijdens de lockdown wordt aangeboden. In veel gevallen zal de standaardcorrectie van gemeenten hierbij niet voldoende zijn.

Onder andere musea en theaters, pretparken en dierentuinen, casino’s en sauna’s, accommodaties voor binnensport, horeca en horecavoorzieningen van hotels waren dicht op 1 januari 2021. Ook winkels zoals kledingwinkels, schoenenwinkels, sieradenwinkels en hobbywinkels waren gesloten. Dit geldt ook voor contactberoepen zoals kappers, nagelstylisten en tatoeëerders. 

Werkelijke invloed corona op de WOZ-Waarde

De invloed van de corona crisis op de waarde van vastgoed verschilt per gemeente, branche en winkelgebied. Zo kan de leegstand in de binnenstad verschillen van andere locaties. Het loont dan ook kritisch te kijken naar de WOZ-waarde 2022 en deze niet met standaardcorrecties af te doen.

Actie voor de praktijk

De WOZ waarde is relevant voor diverse lokale heffingen en ook voor de fiscale afschrijvingsbasis van vastgoed. Reden genoeg om kritisch te zijn op de WOZ-waarde. Zeker vastgoed dat gesloten moest zijn wegens de corona lockdowns verdient extra aandacht.

(Bron: BDO)

BV X verkocht op 3 maart 2011 een winkelcomplex voor € 8.730.702 aan haar twee aandeelhouders. In 2012 stelde de inspecteur een onderzoek in naar de zakelijkheid van de verkoop en de waarde van het winkelcomplex in het economische verkeer. Een taxateur van de Belastingdienst schatte de waarde per 3 maart 2011 op € 18.180.000. BV X ontving een navorderingsaanslag Vpb 2011, waarbij een bedrag van € 9.730.000 (verschil koopsom excl. rentevergoeding en waarde economisch verkeer van de onroerende zaken) alsnog als winst was aangemerkt. BV X ging beroep. Rechtbank Noord-Holland besliste dat de aandeelhouders van BV X door de overdracht van het winkelcomplex een voordeel hadden genoten en dat BV X en haar aandeelhouders zich daarvan redelijkerwijs bewust moesten zijn geweest. Het voordeel van € 9.730.000 moest worden aangemerkt als een winstuitdeling. De Rechtbank was het echter met BV X eens dat zij voor dat bedrag een herinvesteringsreserve (HIR) mocht vormen. Uit de aard van de onderneming van BV X, een actief vastgoedbedrijf dat belegde in beleggingspanden die voor haar bedrijfsmiddelen vormden, volgde dat een herinvesteringsvoornemen veelal aanwezig kon worden geacht, en de aankopen van vastgoed in 2011 en 2012 bevestigden dat. Het feit dat de boekwinst van € 9.730.000 het gevolg was van een uitdelingscorrectie, verhinderde het vormen van een HIR niet. De Rechtbank verwees hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 16 september 2016. Dotatie aan een HIR voor de boekwinst van € 9.730.000 was volgens de Rechtbank dan ook toegestaan. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag Vpb 2011.

(Bron: FUTD)

Gebruikelijk loon dga mag lager dan minimumloon zijn

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, loon
Reacties uitgeschakeld voor Gebruikelijk loon dga mag lager dan minimumloon zijn

Als dga moet u jaarlijks een zogeheten ‘gebruikelijk loon’ uit uw bv opnemen. Dit gebruikelijk loon is voor 2021 vastgesteld op € 47.000, een verhoging van € 1.000 ten opzichte van vorig jaar. Voorheen vond de Belastingdienst dat het gebruikelijk loon van de dga van een bv onder alle omstandigheden minstens gelijk moet zijn aan het minimumloon. Dit standpunt hebben ze echter gewijzigd. Lees hier wat dit voor u als dga betekent.

Hoogte gebruikelijk loon dga 2021

Het gebruikelijk loon moet volgens de wet worden vastgesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of op het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn bij uw bv, indien een van deze bedragen meer is dan € 47.000.

Let op! Is het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager dan € 47.000? Dan wordt het gebruikelijk loon vastgesteld op dit bedrag.

Ook lager gebruikelijk loon dga onder bijzondere omstandigheden

Tot nu toe vond de Belastingdienst dat in bijzondere situaties een lager gebruikelijk loon kan worden vastgesteld dan volgens bovenstaande regeling. Bijvoorbeeld voor dga’s van een startende bv of in bepaalde gevallen als een bv verliesgevend is. Hiervoor golden wel aanvullende voorwaarden. Er moest dan ten minste het minimumloon als gebruikelijk loon worden uitgekeerd. Dit standpunt heeft de fiscus nu verlaten.

Lager gebruikelijk loon dan minimumloon mogelijk

Met dit nieuwe standpunt volgt de Belastingdienst de opvatting van de rechter. In een recente uitspraak van de rechtbank in Arnhem werd beslist dat onder omstandigheden ook een lager gebruikelijk loon dan het minimumloon mogelijk is. In deze zaak was er sprake van een zeer geringe omzet en werd er verlies geleden als werd uitgegaan van het wettelijk in aanmerking te nemen gebruikelijk loon.

De Belastingdienst geeft nu in het Handboek Loonheffingen aan dat een lager gebruikelijk loon dan het minimumloon onder omstandigheden mogelijk is. Bijvoorbeeld wanneer een bv structureel verlies lijdt en bij startende bv’s. Aangegeven wordt dat bij twijfel contact kan worden opgenomen met de Belastingdienst.

Verlaging gebruikelijk loon dga in verband met Corona

Vanwege corona mag het gebruikelijk loon in 2020 en 2021 ook lager worden vastgesteld dan wettelijk voorgeschreven. Het gebruikelijk loon over 2020 en 2021 mag worden afgeleid van dat in 2019 en evenredig aangepast worden met het omzetverlies.

Voor 2020 gaat u daarbij uit van het omzetverlies in de eerste vier maanden vergeleken met de omzet in de eerste vier maanden van 2019. Voor 2021 gaat u uit van het omzetverlies over het gehele jaar in vergelijking met de omzet over het hele jaar 2019. Aanvullende voorwaarde voor 2021 is dat het omzetverlies 2021 minimaal 30% bedraagt.

De verlagingen kunt u toepassen zonder overleg of goedkeuring van de Belastingdienst.  Wel moet u dan aan een aantal aanvullende voorwaarden voldoen. Zo mag uw rekening-courantschuld of het dividend niet toenemen als gevolg van het lagere gebruikelijk loon. Overigens kunt u uw salaris 2020 niet met terugwerkende kracht verlagen.

(Bron: DRV)