Stakingslijfrente: fiscaal voordeel of financiële vrijheid?

Ondernemers moeten in Nederland zelf voor hun pensioen zorgen. De overheid zorgt voor een basisvoorziening in de vorm van de AOW. Heb je daarnaast nog geen pensioenpot op kunnen bouwen? Dan biedt een stakingslijfrente wellicht de oplossing.

Stakingslijfrente 

Bij het staken van de onderneming is er vaak sprake van een (forse) belaste boekwinst. Over deze boekwinst moet je in één keer afrekenen met de Belastingdienst. De belastingheffing kan dan oplopen tot wel 50%. 

Bouwde je naast de AOW (nagenoeg) geen andere pensioenvoorzieningen op? Dan is het fiscaal heel aantrekkelijk om een stakingslijfrente te storten. De storting is namelijk aftrekbaar van het inkomen. Je vermindert zo de directe belastingheffing. De latere uitkeringen zijn belast tegen de lagere tarieven na de AOW-leeftijd. Je betaalt dan ongeveer 25% aan belasting en premies. Deze halvering van de belastingheffing is fiscaal natuurlijk erg interessant. 

Heb je de onderneming in 2025 gestaakt? Dan heb je tot 1 juli 2026 de tijd om een stakingslijfrente af te storten. Welk bedrag je mag afstorten, is afhankelijk van je leeftijd. De maximale stakingslijfrenteaftrek over 2025 is € 566.197. Voor 2026 is dat € 574.867. 

Past de stakingslijfrente ook in je financieel plan? 

Dat een stakingslijfrente fiscaal voordeel geeft, betekent niet dat het altijd een goed idee is om deze ook af te storten. De stakingslijfrente moet daadwerkelijk afgestort worden. Het geld gaat uit je knip en komt pas in de (verre) toekomst terug in de vorm van uitkeringen. In de tussentijd is er minder geld direct beschikbaar. 

Fiscaal voordeel is natuurlijk leuk, maar alleen als dit het echte leven ook leuker maakt. 

Waar kies je voor? 

  1. Maximaal fiscaal voordeel met een maximale stakingslijfrente en uitkeringen tot je de 87-jarige leeftijd bereikt, of
  2. Iets minder fiscaal voordeel en de vrijheid om tot 70- of 75-jarige leeftijd wat meer te kunnen besteden en misschien die reis te maken die je altijd al wilde maken? 

Je zult niet de eerste zijn die voor het maximaal fiscaal voordeel kiest en in de relatief gezonde jaren eigenlijk te weinig geld overhoudt om optimaal van het leven te genieten. 

Welke keuze in je situatie het beste past, kan goed in beeld gebracht worden met een financieel plan. Dit plan geeft inzicht en overzicht in je huidige en toekomstige inkomen en vermogen. 

(Bron: Aaff)

Investeringsaftrek voor mkb: wijzigingen in EIA, MIA en Vamil

Wilt u investeren in 2026 duurzame bedrijfsmiddelen voor uw mkb-onderneming? Profiteer dan van fiscale voordelen via de EIA, MIA en Vamil. In 2026 zijn er belangrijke wijzigingen binnen deze regelingen. Lees hier wat er verandert en hoe u van deze mogelijkheden profiteert.  

Ondernemers profiteren van belastingvoordeel via de Energie-investeringsaftrek (EIA), de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). U betaalt minder belasting wanneer u investeert in energiebesparende of milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen of duurzame energie. Alle bedrijfsmiddelen die op de actuele Energie- of Milieulijst staan, komen in aanmerking voor deze regelingen. Deze lijsten wijzigen jaarlijks, dus controleer altijd of uw investering hierop voorkomt.  

Staat uw investering niet (meer) op de lijst? Mogelijk kunt u uw investering nog aanpassen zodat deze wel voldoet aan de vereisten. Hebt u in 2025 investeringen gedaan die nu niet meer op de lijst staan? Dan is het cruciaal dat de melding hiervoor uiterlijk binnen drie maanden na de investering, wordt ingediend om nog aanspraak op de lijst van 2025 te maken.

Zowel de Energielijst als de Milieulijst kennen generieke codes. Zij gaan uit van een bepaalde energiebesparing respectievelijk een specifieke bijdrage aan milieudoelen.   

Aftrekpercentages in 2026

De aftrekpercentages bij de investeringsregelingen voor 2026 zijn als volgt:    

  • EIA: 40 procent    
  • MIA: 27, 36 of 45 procent (afhankelijk van de investeringscode) 
  • Vamil: tot 75 procent willekeurige afschrijving  

Aanpassingen MIA en Vamil 

  • Voor zowel MIA als Vamil is het totale budget in 2026 verlaagd. Het budget voor de MIA is in 2026 135 miljoen euro. Voor de Vamil is dit 20 miljoen euro.  
  • Door aanscherpingen vervallen middelen (zie ‘Wijzigingen Milieulijst).  
  • Het is niet meer mogelijk om de regelingen te combineren met de Subsidieregeling Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel (SSEB) en met de Subsidieregeling Waterstof in mobiliteit (SWIM). 

Wijzigingen Milieulijst voor MIA en Vamil

Op de Milieulijst is meer aandacht voor circulaire economie en waterbeheer. In totaal zijn 27 bedrijfsmiddelen vervallen en 12 nieuwe toegevoegd. Hieronder vindt u belangrijke wijzigingen per thema.  

  • Hoofdstuk 1 – Grondstoffen en water 
    De regeling voor asfaltcentrales is aangepast. Deze richt zich nu op bestaande installaties voor de productie van biobased asfalt. Alleen biologische grondstoffen uit rest- of afvalstromen komen in aanmerking. 
  • Hoofdstuk 2 – Landbouw en voedsel 
    Installaties die de plantweerbaarheid verhogen zijn uitgebreid naar open teelten. Bij precisiebemesting en -bespuiting is voortaan alleen specifieke apparatuur subsidiabel. Diverse bedrijfsmiddelen zijn uitgesloten van de Vamil omdat hun marktintroductie is voltooid. 
  • Hoofdstuk 3 – Mobiliteit 
    Een groot aantal voertuig- en scheepvaarttechnieken komt niet langer in aanmerking voor de Vamil. Voor elektrische bakfietsen, bussen en werktuigen zijn de voorwaarden aangepast. Denk hierbij aan strengere emissie-eisen, hogere aftoppingsbedragen en verruimde mogelijkheden voor oplaadvoorzieningen. 
  • Hoofdstuk 4 – Klimaat en lucht 
    De wijzigingen in dit hoofdstuk zijn beperkt en bestaan vooral uit tekstuele aanpassingen. Ook zijn er enkele uitbreidingen, zoals bredere toepassing van SCR-installaties, ondersteuning voor biopropaan-aggregaten en aangescherpte eisen voor hoogspanningssystemen. 
  • Hoofdstuk 5 – Gebouwde omgeving: 
    Er is meer ruimte voor het vergroenen van bedrijfsterreinen en circulair bouwenmet duidelijke maximale bedragen, strengere voorwaarden voor gebruik van plastic, aangepaste MPG- en BENG-eisen, en een groter subsidiabel vloeroppervlak voor duurzame industriegebouwen.  

Hier vindt u de volledige Milieulijst 2026. 

EIA in 2026 per investeringscategorie

Het EIA-budget bedraagt in 2026 460 miljoen euro. Dat was in 2025 nog 431 miljoen euro. De overheid verwacht dat ongeveer 9.100 ondernemingen samen 14.500 aanvragen indienen. Ze verwachten gemiddeld 70 procent van de aanvragen toe te kennen. De Energie-investeringsaftrek is voor 2026 aangepast, vooral door de jaarlijkse actualisatie van de Energielijst. Deze is afgestemd op de huidige stand van zaken van de technologie.  

  • Bedrijfsgebouwen 
    De nadruk ligt op verduurzaming van bestaande gebouwen. Er zijn nieuwe omschrijvingen voor het verduurzamen van luchtbehandelingskasten, biobased isolatie en zonwering in combinatie met HR+++-glas. Warmtepompen en warmtepompboilers komen alleen nog in aanmerking als zij een halogeenvrij koudemiddel gebruiken. Cv-ketels als hoofdverwarming zijn uitgesloten en de eisen voor circulatiepompen en isolatie zijn aangescherpt. 
  • Processen 
    De hoogfrequente hoogrendementslader voor tractiebatterijen is vervallen. Dit heeft te maken met het afnemend gebruik van loodzuurbatterijen. De eisen voor elektromotoren zijn verhoogd naar minimaal IE5. Voor koelinstallaties zijn grenzen aangegeven voor welke onderdelen en vermogens subsidiabel zijn. Energie-efficiënte melkkoeling is uitgebreid met koudebuffers. Voor afvalwaterbeluchting zijn strengere efficiëntie-eisen opgenomen. 
  • Transport 
    Er is een nieuwe omschrijving voor aerodynamische vrachtwagencabines die brandstofbesparing stimuleren. De hoogfrequente hoogrendementslader voor tractiebatterijen is ook hier vervallen. 
  • Duurzame energie en energieopslag 
    Het maximale gezamenlijke piekvermogen voor zonnepanelen is verhoogd naar 100 kW om installaties met een groter vermogen te blijven ondersteunen. Alleen loodzuurvrije accu’s komen nog in aanmerking voor elektriciteitsopslag. De opslag van duurzaam geproduceerde warmte is uitgebreid. 
  • Energietransitie 
    De hybride elektrische oven is toegevoegd om elektrificatie in de industrie te stimuleren. Collectieve energiesystemen voor nieuwbouw zijn verruimd bij gebruik van halogeenvrije warmtepompen. De ombouw van bestaande mobiele werktuigen naar elektrisch is nu mogelijk gemaakt.  Fossiele hoofdverwarming wordt verder beperkt.   

Hier vindt u de volledige Energielijst 2026. 

Aanvraagprocedure

De RVO maakt fiscale aanvragen via een ketenmachtiging mogelijk. Het volledig digitale aanvraagportaal daarvoor is inmiddels live gegaan. Aanvragen doen via het oudere eLoket is ook nog mogelijk.   

Voor alle drie de investeringsregelingen geldt: zorg dat u de aanvraag doet bij RVO binnen drie maanden na het verstrekken van de investeringsopdracht.    

Meer informatie

De RVO heeft een overzicht van investeringen voor diverse sectoren in een heldere sectorplaat gepubliceerd.  

(Bron: Flynth)

Uitspraak Hoge Raad hoogte belastingrentepercentage vennootschapsbelasting

De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026 beslist dat wij het hogere belastingrentepercentage niet mogen toepassen op de vennootschapsbelasting. Daarom zal voor de vennootschapsbelasting hetzelfde belastingrentepercentage gelden als voor de andere belastingen.

Wat betekent dit voor de massaal bezwaarprocedure?

De uitspraak van de Hoge Raad over het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting heeft de volgende gevolgen:

  • Uiterlijk op 26 februari 2026 doet de inspecteur 1 collectieve uitspraak op de bezwaren vennootschapsbelasting die vallen onder het massaal bezwaar. Zodra die uitspraak er is, kunt u die lezen op onze website en in de Staatscourant.
  • Wij gaan de uitspraak van de inspecteur toepassen op alle bezwaren die vallen onder het massaal bezwaar tegen het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting.
  • Zodra wij deze bezwaren hebben afgerond, sturen we u hierover bericht.

Hebt u op tijd bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting? Dan hoeft u niets te doen. Wacht af totdat u bericht van ons krijgt.

Meer informatie

Lees meer over het massaal bezwaar bij Massaal bezwaar voor de hoogte van het belastingrentepercentage – wat betekent dit voor mijn bezwaar?.

Bron: Belastingdienst)

Aanpassingen WNT-regeling voor onderwijsinstellingen 2026 

Bedragen bezoldigingsmaxima 

Jaarlijks rond in november worden de bezoldigingsmaxima die voor onderwijsinstellingen gelden per klasse aangepast. Recent zijn de bedragen voor 2026 gepubliceerd in de Staatscourant. Deze bedragen kunt u aanhouden bij het vaststellen van de van toepassing zijnde klasse en voor de bepaling van de eventuele indexatie van de beloning van bestuurders in loondienst en toezichthouders. 

Klasse Maximum 2026 Maximum 2025 
A € 156.000 € 146.000 
B € 175.000 € 164.000 
C € 187.000 € 175.000 
D € 204.000 € 191.000 
E € 222.000 € 208.000 
F € 238.000 € 223.000 
G € 262.000 € 246.000 

De bezoldiging van toezichthouders blijft gemaximeerd op 15% van deze bedragen voor de voorzitter van het toezichthoudend orgaan en op 10% voor de overige leden.  

Naast de bezoldigingsmaxima voor topfunctionarissen in loondienst, zijn ook de maximale bedragen voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking voor de eerste 12 kalendermaanden waarin zij de topfunctie vervullen, gepubliceerd.   

Jaar 2026 2025 
Maximale uurtarief € 250 € 235 
Bedrag per maand 1-6 € 34.800 € 32.700 
Bedrag per maand 7-12 € 26.500 € 24.900 

WNT-verantwoording 

Voor de WNT-verantwoording gelden enkele geringe aanpassingen.  

Publicatie op de website 

Voor de WNT-verantwoording geldt al jaren de verplichting om deze jaarlijks voor 1 juli op de eigen website te publiceren. In een beperkt aantal gevallen geldt een publicatievrijstelling. Bijvoorbeeld als de loonsom onder een bepaald bedrag blijft. Tot op heden hoefde niet vermeld te worden dat gebruik gemaakt wordt van een publicatievrijstelling. Vanaf 2026 moeten instellingen die onder de WNT-vallen, maar gebruik maken van een publicatievrijstelling expliciet op hun website vermelden dat ze gebruik van van een vrijstelling. Dit is gedaan om verwarring te voorkomen bij belanghebbenden die een WNT-verantwoording zouden verwachten te vinden.  

Vrijwilligersvergoeding 

De eerste wijziging gaat over het drempelbedrag voor bestuurders die een lage vergoeding ontvangen waardoor het verkorte model gebruikt mag worden. Dit bedrag is in lijn met de aanpassing van de fiscale wetgeving voor vrijwilligersvergoedingen, vanaf 2026 verhoogd van € 2.100 naar € 2.200. Voor topfunctionarissen die in 2026 maximaal € 2.200 ontvangen hoeft alleen de naam en de functie genoemd te worden.  

Bepaling deeltijdfactor 

De omvang van het dienstverband wordt volgens vast gebruik uitgedrukt in een deeltijdfactor. Voor de manier waarop de deeltijdfactor bepaald moet worden zijn al een heel aantal jaren rekenregels opgesteld. Met ingang van 1 januari 2026 is daar de expliciete bepaling aan toegevoegd dat bij de berekening van de deeltijdfactor in principe altijd uitgegaan mag worden van de formeel vastgelegde of overeengekomen deeltijdfactor. Behalve als bekend is of redelijkerwijs bekend had kunnen en moeten zijn dat de werkelijke deeltijdfactor afwijkt van de formele deeltijdfactor. De correctie wordt niet uitgevoerd als sprake is van enkele uitzonderingen: 

  • Er is sprake van het opnemen van vakantie- of compensatiedagen die gedurende het dienstverband zijn opgebouwd en die voldoen aan een paar kenmerken: 
  • Ze vloeien voort uit een wettelijk voorschrift; 
  • Ze vloeien rechtstreeks en dwingend voort uit een cao of andere collectieve regeling; of 
  • Als de situatie onder b niet van toepassing is: de omvang van de dagen is maximaal 8x de overeengekomen arbeidsduur per week. 
  • Er is sprake van het opnemen van vakantie- en compensatiedagen die gespaard zijn op grond van een regeling voor spaarverlof; 
  • Er is sprake van zwangerschaps-, bevallings-, adoptie-, pleegzorg-, kort verzuim-, geboorte-, kort- of langdurend zorg-, of ouderschapsverlof; 
  • Er is sprake van een sabbatical die gebaseerd is op een cao of andere collectieve regeling; 
  • Er is sprake van schorsing als ordemaatregel; 
  • Er is sprake van doorbetaling tijdens ziekte of langdurige arbeidsongeschiktheid; 
  • Er is sprake van het uitvoeren van werkzaamheden bij of voor een andere rechtspersoon binnen dezelfde groep of concern.  

(Bron: Van Ree)

Hof Amsterdam: Uber-chauffeurs zijn geen werknemer

Het hof Amsterdam heeft op 27 januari 2026 een belangrijke uitspraak gedaan over de positie van Uber‑chauffeurs. In het hoger beroep tussen Uber, zes chauffeurs en vakbond FNV oordeelde het hof dat deze zes chauffeurs zelfstandig ondernemer zijn en dus niet op basis van een arbeidsovereenkomst werken. Daarmee worden de vorderingen van FNV in deze procedure afgewezen. 

Achtergrond: vragen aan de Hoge Raad 

De uitspraak volgt op prejudiciële vragen die het hof eerder stelde aan de Hoge Raad. Die oordeelde begin 2025 dat extern ondernemerschap een volwaardig gezichtspunt is bij de kwalificatie van arbeidsrelaties en dat dit zelfs doorslaggevend kan zijn. Daarmee bevestigde de Hoge Raad dat er geen vaste rangorde bestaat tussen de zogenoemde Deliveroo‑gezichtspunten: alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Deze verduidelijking vormde de basis voor het oordeel dat de zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber meewerkten, niet als werknemers kunnen worden aangemerkt. 

Waarom deze chauffeurs als ondernemers gelden 

Het hof hecht in zijn beoordeling belang aan factoren die wijzen op ondernemerschap. Zo investeren chauffeurs in hun eigen voertuig, hebben zij vrijheid om hun werktijden te bepalen en hebben zij autonomie bij het accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten. Ook het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid wijst volgens het hof op ondernemerschap. 

Geen oordeel voor alle Uber‑chauffeurs 

Belangrijk is dat het hof níet heeft geoordeeld dat alle Uber‑chauffeurs per definitie ondernemer zijn. De beoordeling blijft casuïstisch: afhankelijk van de concrete werkwijze en omstandigheden kan voor sommige chauffeurs nog steeds sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Voor de zes chauffeurs in deze procedure kon echter niet worden vastgesteld dat zij werknemer waren, en evenmin kon een collectieve kwalificatie voor alle chauffeurs worden gegeven. Daarom zijn de vorderingen van FNV afgewezen.  

Wat betekent dit voor werkgevers? 

Deze uitspraak geeft meer duidelijkheid over de beoordeling van arbeidsrelaties, maar beslecht de bredere discussie niet. De kern voor werkgevers blijft dat: 

  • de feitelijke uitvoering van het werk doorslaggevend is, niet de contractuele benaming; 
  • vrijheid bij het uitvoeren van het werk, inbedding van het werk en de werkende en het dragen van ondernemersrisico zwaar wegen bij de kwalificatie; 
  • individuele omstandigheden kunnen maken dat twee mensen die hetzelfde werk doen verschillend worden gekwalificeerd: de één als werknemer en de ander als zelfstandig ondernemer.  

Voor organisaties die werken met zzp’ers onderstreept de uitspraak van het hof de noodzaak van een zorgvuldige, feitelijke analyse van de arbeidsrelatie. 

(Bron: BDO)