All posts in Nieuws voor de eenmanszaak of vof

Dit jaar vinden er verschillende wijzigingen in het huurrecht plaats. Huurt of verhuurt u een bedrijfspand of woning? Dan is het belangrijk om hier rekening mee te houden. Ik vertel u graag meer over deze wijzigingen.

Energielabel C voor kantoorpanden

Per 1 januari 2023 moet ieder kantoorpand dat groter is dan 100m2 minimaal energielabel C hebben. Voldoet uw kantoor hier niet aan? Dan mag het gebouw niet meer als kantoor gebruikt worden. Uit een onderzoek van de RVO blijkt dat naar schatting nog maar 44 procent van de label-C-plichtige kantoren aan deze eis voldoet. Onderzoek dus goed of u nog de nodige aanpassingen moet doen aan uw kantoor.

Bouwkundige aanpassingen zijn nodig wanneer het pand dat u (ver)huurt energielabel D tot en met G heeft. Voor wiens rekening deze kosten komen, is afhankelijk van de overeengekomen afspraken in de huurovereenkomst. Kantoorruimten worden vaak casco verhuurd. In dat geval is de verhuurder vaak alleen verantwoordelijk voor de spouwmuren en het dak. Bent u van plan om een pand te gaan huren? Let hier dan op. Als huurder kunt in de huurovereenkomst laten opnemen dat de verhuurder vanaf 2023 verplicht is om te zorgen voor een C-label.

Tip: bouwkundige aanpassingen kosten normaliter veel tijd. Daarom adviseer ik u om actie te ondernemen. Of u nu huurder of verhuurder bent.

Verplichte melding energielabel bij verhuur

Ook rond de energielabels van woningen vindt een wijziging plaats. Voor een huurder is het namelijk belangrijk om te weten hoe duurzaam de woning is, zeker met de huidige gasprijzen. Als verhuurder bent u daarom sinds 1 januari 2022 verplicht om bij verhuur van de woning een geldig energielabel te registreren. Ook moet u een nieuwe huurder een digitaal afschrift van een geldig energielabel geven. Doet u dit niet? Dan loopt u het risico een flinke boete te krijgen van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

Beperking huurverhoging vrije sector

Huurt of verhuurt u een zelfstandige woning in de vrije sector? Op grond van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten mag in de vrije sector gedurende drie jaar de huurverhoging jaarlijks worden verhoogd met maximaal de inflatie plus 1 procent. Dit geldt sinds 1 mei 2021 tot 1 mei 2024.

De inflatie van december 2020 tot december 2021 was 2,3 procent. Dat betekent dat de jaarlijkse huurverhoging in de vrije sector in het kalenderjaar 2022 maximaal 3,3 procent bedraagt. Dit geldt óók voor huurovereenkomsten waarin een hoger percentage is vastgelegd.

Is er geen bepaling opgenomen in uw huurovereenkomst? Dan mag de huurprijs niet worden verhoogd. Wilt u advies bij het opstellen van een huurovereenkomst? Mijn collega’s en ik helpen u graag.

Verplichting rookmelders

Als verhuurder in Nederland hebt u per 1 juli 2022 nog een verplichting erbij. In iedere woning die u verhuurt moeten rookmelders aanwezig zijn. Huurders zijn verplicht om medewerking te verlenen aan het plaatsen van de rookmelders. En zijn vervolgens verantwoordelijk voor het onderhoud ervan. De verplichting van de rookmelders bestond al voor nieuwbouwwoningen die na 2003 gebouwd zijn, maar gaat nu dus ook gelden voor bestaande bouw.

Hebt u als verhuurder op 1 juli 2022 de verplichte rookmelders niet geplaatst? Dan kunnen huurders een beroep doen op een huurprijsvermindering. Het ontbreken van rookmelders kan dan namelijk worden aangemerkt als gebrek. Daarnaast kunt u een aanzienlijke boete ontvangen van de gemeente, die toeziet op de naleving van deze nieuwe wet. Ook kan een verzekeraar besluiten om niet uit te keren na een brand in een woning zonder rookmelders. Kortom: naast fysieke consequenties voor huurders, kunnen er ook er ook enorme financiële gevolgen kleven aan het niet naleven van deze wet.

(Bron: Accon AVM)

Het kabinet verlaagt per 1 januari 2023 de schenkingsvrijstelling eigen woning (jubelton) tot 27.231 euro. Vervolgens wordt deze vrijstelling vanaf 1 januari 2024 volledig afgeschaft, zoals afgesproken in het coalitieakkoord. In deze blog vertel ik u waar u rekening mee kunt houden.

Iedereen tussen de 18 en 40 jaar kan momenteel nog een belastingvrije schenking krijgen van maximaal 106.671 euro voor de eigen woning. Daar komt ook de term jubelton vandaan. Wilt u uw (klein)kind hiervoor belastingvrij een bedrag schenken? Dan raad ik u aan om hier niet te lang mee te wachten. Uw (klein)kind heeft nog tot 31 december 2024 de tijd om de schenking te gebruiken.

Afschaffing vanaf 2024

Het kabinet heeft op verzoek van de Tweede Kamer gekeken naar de mogelijkheden om de afschaffing van de jubelton naar voren te halen. Namelijk in 2023 al. Dat was niet mogelijk. Daarentegen wordt de schenkingsvrijstelling nu dus wel fors verlaagd.

Vrije besteding

Naast de vrijstelling eigen woning, hebben ouders de mogelijkheid om hun kinderen belastingvrij 27.231 euro te schenken. Dit bedrag mag het kind vrij besteden. Vanaf 1 januari 2023 geldt voor de vrijstelling eigen woning dus hetzelfde bedrag. Ouders kunnen dit bedrag eenmalig schenken voor de aanschaf van een eigen woning óf vrije besteding. Beide is niet mogelijk.

Besteding van de schenking

Houd er rekening mee dat u aan een aantal voorwaarden moet voldoen als u gebruik wilt maken van de schenkingsvrijstelling eigen woning. Zo moet u bijvoorbeeld aangifte schenkbelasting doen.

Het geschonken bedrag voor de eigen woning mag uw kind gebruiken om:

  • een eigen woning aan te kopen, te verbeteren of te onderhouden;
  • de hypotheek voor de aankoop of verbouwing af te lossen;
  • een restschuld van een verkochte woning af te lossen;
  • rechten van erfpacht, opstal of beklemming af te kopen.

Ook moet uw kind de schenking die is ontvangen in 2022 voor 31 december 2024 hebben gebruikt.

Spreiding van de schenking

Is het voor u niet mogelijk om het gehele bedrag van de vrijstelling in 2022 te schenken? Dan kunt u de schenking over meerdere jaren gespreid schenken. Vooralsnog lijkt ook dit vanaf 2024 niet meer mogelijk. Maar de exacte spelregels voor de vrijstelling zijn nog onduidelijk. Mocht u nog een schenking willen doen van maximaal 106.671, dan is het noodzakelijk dat u er tijdig bij bent. Schenk dus zoveel mogelijk nog in 2022. Uiteraard kijken we graag met u mee naar uw situatie en ondersteunen u bij uw schenking.

(Bron: Accon AVM)

Uw medewerker is al lange tijd ziek. U heeft qua re-integratie alles gedaan wat mogelijk is. Helaas kan de medewerker door zijn beperkingen niet terugkeren in de eigen functie. Er is ook geen alternatief werk in het bedrijf. U heeft een bedrijf ingeschakeld om de mogelijkheden bij andere werkgevers te onderzoeken. Ook dat heeft niets opgeleverd. De WIA-aanvraag is inmiddels bij UWV ingediend.

Nu krijgt uw medewerker bericht dat UWV de beslissing niet tijdig kan nemen. Wat betekent dat voor de dienstbetrekking en de loondoorbetaling? Kunt u het dienstverband al beëindigen? En hoe zit het met de loondoorbetaling als u het salaris al 104 weken heeft betaald?

Wettelijk proces

In de wet is bepaald dat u uw medewerker bij ziekte gedurende 104 weken salaris moet doorbetalen. Dit verandert niet als UWV te laat een beslissing neemt. Als uw medewerker geen arbeidsmogelijkheden meer heeft, stopt u de salarisbetaling na 104 weken. Uiteraard bespreekt u dit van te voren met uw medewerker, zodat deze bij UWV tijdig om een voorschot van de uitkering kan vragen.

Beëindigen dienstverband

Zolang een medewerker ziek is, geldt in beginsel een opzegverbod. Dit verbod is voorbij na afloop van de wachttijd van 104 weken. Ook als er nog geen WIA-beslissing is vanuit UWV, kunt u het dienstverband dan dus beëindigen. Dit kan met wederzijds goedvinden door instemming van uw medewerker of met een ontslagvergunning van het UWV. Er zijn voor UWV wel een aantal aanvullende voorwaarden, zoals een verklaring van de bedrijfsarts dat er geen passende werkzaamheden in het bedrijf mogelijk zijn en dat dit de komende 26 weken ook niet te verwachten is.

Let wel: het opzegverbod van de zieke medewerker blijft van kracht als UWV u een loonsanctie oplegt omdat u onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Wel arbeidsmogelijkheden?

Wat kunt u doen als uw medewerker slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en nog mogelijkheden heeft om passend werk te doen? In dat geval kunt u ervoor kiezen om na 104 weken een aanpassing van de arbeidsovereenkomst af te spreken met uw medewerker. De medewerker gaat bijvoorbeeld minder uren werken of krijgt een andere functie. Dit brengt wel (financiële) risico’s met zich mee voor het geval dat uw medewerker opnieuw arbeidsongeschikt wordt. Een alternatief is om uw medewerker alleen te betalen voor de uren in het passende werk dat deze gaat doen – in ieder geval totdat de WIA-beslissing is genomen. Leg afspraken die u met uw medewerker maakt altijd schriftelijk vast.

In gebreke stellen

Als UWV te laat is met het nemen van een beslissing, kan de medewerker de behandeling van de WIA-aanvraag proberen te bespoedigen door het UWV in gebreke te stellen. Als de aanvraag vervolgens nog niet binnen de gestelde termijn is afgehandeld, moet UWV de medewerker een vergoeding betalen.

(Bron: Flynth)

In dit nieuwsbericht wordt ingegaan op de vraag of de huurder van een horeca- of winkelpand (zijnde een bedrijfsruimte volgens artikel 7:290 Burgerlijk Wetboek) recht heeft op huurkorting als gevolg van de coronapandemie.

Uitspraak Hoge Raad

24 december 2021 heeft de Hoge Raad in zijn arrest meer duidelijkheid gegeven over huurkorting in relatie tot de coronapandemie. Kort weergegeven stelt de Hoge Raad dat als een ondernemer zijn bedrijfsruimte door de coronamaatregelen (gedeeltelijk) niet kan exploiteren, dit in beginsel wordt aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid, mits de huurovereenkomsten zijn gesloten voor 15 maart 2020. De rechter kan in dat geval de huurprijs verminderen voor de duur van het omzetverlies. Bij huurovereenkomsten gesloten na 15 maart 2020 beoordeelt de rechter per geval of sprake is van een onvoorziene omstandigheid.

Rekenmethode voor huurkorting

De omvang van de huurprijsvermindering dient te worden vastgesteld aan de hand van de ‘vaste lasten methode’. Deze rekenmethode luidt als volgt:

(overeengekomen huurprijs – gedeelte van de TVL dat aan de huur wordt toegerekend) x percentage omzetvermindering x 50%.

De methode komt op het volgende neer:

  • vaststellen welk percentage van de ‘vaste lasten’ van huurder huur betreft;
  • vaststellen welk percentage van de TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten)-subsidie op huur ziet. Dit wordt berekend door het percentage onder a te vermenigvuldigen met het totaal bedrag aan ontvangen TVL. De uitkomst hiervan dient te worden afgetrokken van de oorspronkelijke huurprijs;
  • vaststellen van de procentuele omzetvermindering door de omzet in de periode waarover de huurprijsvermindering berekend wordt (hierna: de lagere omzet) te vergelijken met de omzet in een vergelijkbaar tijdvak voorafgaand aan de coronapandemie (hierna: de referentieomzet) volgens de formule: 100% – (100% x (de lagere omzet : de referentieomzet));
  • de uitkomst van a t/c vermenigvuldigen met 50% (de huurder en verhuurder dragen namelijk ieder 50% van het nadeel), tenzij uit de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling volgt. We zien in een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van januari jl. dat de rechter het niet hebben (of starten van) afhaalmogelijkheden de ondernemer aanrekent, waardoor een groter deel van het nadeel bij de huurder wordt neergelegd.

Uitleg “vaste lasten”

Het begrip ‘vaste lasten’ in de rekenmethode dient niet op voorhand te eng te worden uitgelegd. Er zal moeten blijken wat daadwerkelijk onder ‘vaste lasten’ dient te worden verstaan. In een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van januari jl. wordt onder ‘vaste lasten’ verstaan: de som van de bedrijfskosten minus de Regelingen Overheid. Dit lijkt een logische redenatie, maar de rechtspraak zal verder moeten uitwijzen hoe de formule precies dient te worden ingevuld.

Tevens oordeelde het Hof Den Bosch recent dat andere oplossingen inzake huurkorting uit het verleden niet direct allemaal omgezet moeten worden naar de ‘vaste lastenmethode’, tenzij de oplossing tot een onredelijke uitkomst heeft geleid. Dit zal per geval dus bekeken moeten worden.

(Bron: BDO)

Binnen de meeste samenlevingsvormen is sprake van gezamenlijke eigendommen. Partners hebben bijvoorbeeld samen een woning of ander onroerend goed gekocht. Wanneer het huwelijk, geregistreerd partnerschap of de samenwoning eindigt, moeten de gemeenschappelijk eigendommen door de aanstaande ex-partners worden verdeeld. Als de ene partner meer heeft betaald aan de gemeenschappelijke eigendommen dan de ander, kan dat leiden tot het ontstaan van een ‘vergoedingsrecht’. Het kan hierbij om aanzienlijke bedragen gaan.

Hebben samenwoners ook vergoedingsrechten?

De regeling over vergoedingsrechten is voor echtgenoten en geregistreerd partners in de wet opgenomen. Voor samenwoners is er geen wettelijke regeling. Tussen samenwoners is het algemeen vermogensrecht van toepassing. Er wordt in het algemeen wel aangenomen dat tussen samenwoners ook een vergoedingsrecht kan ontstaan. Ook voor dit vergoedingsrecht geldt dat voor zover het is ontstaan na 1 januari 2012 de zogenoemde nominaliteitsleer van toepassing is (zie hierna).

Wat is de omvang van het vergoedingsrecht?

De hoogte van de vordering hangt af van het moment van de investering. Voor investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 2012 geldt de ‘nominaliteitsleer’. Het vergoedingsrecht is dan even groot als het bedrag dat is ingelegd uit (privé)geld. Heeft u een investering gedaan op of ná 1 januari 2012? Dan beweegt uw vergoedingsrecht mee met de waarde van het goed waarin u heeft geïnvesteerd. Dit is de zogenoemde beleggingsleer.

Wanneer is een vergoedingsrecht opeisbaar?

Een vergoedingsrecht ontstaat direct op het moment van de aankoop en het recht is ook direct opeisbaar. Het vorderingsrecht kan verjaren en is daardoor niet meer afdwingbaar. Bij gehuwden en geregistreerd partners verjaart de vordering in beginsel zes maanden na ontbinding van het huwelijk of partnerschap. Voor samenwoners verjaart de vordering in beginsel vijf jaar na het ontstaan van het vorderingsrecht (het moment van de aankoop). Slechts in uitzonderingsgevallen kan deze vijf jaar worden verlengd.

In huwelijkse voorwaarden, partnervoorwaarden of een samenlevingscontract kunnen over de opeisbaarheid van een vergoedingsvordering tussen partners afspraken worden gemaakt. In de praktijk zien we meestal voorkomen dat wordt vastgelegd dat het vergoedingsrecht pas ten gelde kan worden gemaakt bij het einde van de relatie of bijvoorbeeld verkoop van de woning.

Afzien van de vergoedingsvordering

U kunt onderling afwijken van de wettelijk voorgeschreven omvang van de vergoedingsvordering en daar ook van afzien. De Belastingdienst kan daar wel mogelijk een schenking in zien.

Voor de praktijk

In de praktijk worden er vaak geen afspraken gemaakt over hoe het geïnvesteerde (privé)geld wordt verdeeld als het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de samenwoning eindigt door (echt)scheiding. Dat kan voor nare (financiële) verrassingen zorgen. Naarmate de relatie langer duurt, wordt het steeds lastiger om aan te tonen welk vermogen aan wie van de partners toebehoort. Bij onduidelijkheden zal er een schatting gemaakt moeten worden.

(Bron: BDO)

Vanaf 1 maart was het dan eindelijk zover: uw medewerkers kunnen een STAP-budget (Stimulering Arbeidsmarkt Positie) aanvragen. Het STAP-budget is een subsidieregeling waarmee uw medewerkers maximaal € 1.000 per jaar kunnen aanvragen bij het UWV voor het volgen van een opleiding. De overheid heeft dit budget in het leven geroepen om leren en ontwikkelen binnen de Nederlandse beroepsbevolking te stimuleren. Via het STAP-portaal van het UWV kan een aanvraag worden ingediend.  

Recht op een STAP-budget 

Uw medewerkers komen in aanmerking voor een STAP-budget wanneer zij ouder zijn dan 18 jaar, jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd en minstens 6 maanden verzekerd zijn geweest voor de volksverzekeringen. Het budget vervangt het huidige belastingaftrekvoordeel voor studiekosten in de inkomstenbelasting. Het bedrag dat de medewerker ontvangt, zal rechtstreeks naar de opleider worden overgemaakt.  

Aanvraagproces 

Uw medewerkers kunnen op www.stap-budget.nl een STAP-opleiding uitzoeken. Vanuit daar kunnen zij direct doorklikken naar de website van de aanbieder. Volgens kunnen zij zich daar aanmelden, waarna zij een STAP-aanmeldingsbewijs ontvangen voor de gekozen opleiding. Dit aanmeldingsbewijs hebben de medewerkers nodig voor de subsidieaanvraag bij het UWV, die vanaf 1 maart 2022 kan worden ingediend. 

Let op: niet alle opleiders staan op de website van het STAP-budget. Als een medewerker een training wil volgen, is het verstandig om te informeren bij de aanbieder of het mogelijk is deze te volgen met het STAP-budget. 

 Goed om te weten 

Het STAP-budget wordt vanaf 1 maart 2022 voor de eerste keer aangeboden. Daarna volgen nog vijf aanvraagrondes. Wees er wel op tijd bij, want op = op. Is de investering van een training meer dan € 1.000? Dan kunt u kiezen of de meerkosten voor rekening van de medewerkers komen of voor u als werkgever zijn. De opleiding moet 4 weken na de aanvraag starten en binnen 3 maanden na sluiting van het aanvraagtijdvak. Let er bij het kiezen van een opleiding op dat de opleider is geregistreerd in het scholingsregister voor het STAP-budget. 

Vergoedt u de meerkosten van de opleiding van uw medewerkers? Denk dan aan het opstellen van een studieovereenkomst.

(Bron: Flynth)

In het begin van het jaar sturen gemeenten jaarlijks de WOZ-beschikkingen uit. Op de WOZ-beschikking van 2022 staat de waarde vermeld op waardepeildatum 1 januari 2021, midden in de coronacrisis en lockdown voor de retailbranche, waarin winkels verplicht gesloten waren. Gemeenten lijken onvoldoende rekening te houden met deze omstandigheid bij het vaststellen van de WOZ-waarde.

Waarderingspraktijk gemeenten

Veel gemeenten houden rekening met de coronacrisis door de WOZ-waarde met enkele procenten te verminderen. Als redenering geven gemeenten hierbij aan dat vastgoed een langetermijninvestering is en dat de corona maatregelen worden gezien als tijdelijke dip in de exploitatie of huuropbrengsten. Gemeenten hanteren veelal een korting van 5% op de waarde, vanwege gederfde inkomsten voor de duur van 12 maanden op een exploitatieperiode van 20 jaar.

De juiste WOZ waarde

Dit is een onjuiste manier van waarderen. Bij het bepalen van de WOZ-waarde gaat het erom wat de verkoopwaarde is op de waardepeildatum (1 januari 2021). Bovendien moet hiermee voor de Wet WOZ worden gewaardeerd onder de fictieve omstandigheid dat het object leeg op de markt wordt aangeboden. Voor de Wet WOZ moet dan ook worden bepaald wat de verkoopprijs is als het object, zonder lopende huurovereenkomst, midden tijdens de lockdown wordt aangeboden. In veel gevallen zal de standaardcorrectie van gemeenten hierbij niet voldoende zijn.

Onder andere musea en theaters, pretparken en dierentuinen, casino’s en sauna’s, accommodaties voor binnensport, horeca en horecavoorzieningen van hotels waren dicht op 1 januari 2021. Ook winkels zoals kledingwinkels, schoenenwinkels, sieradenwinkels en hobbywinkels waren gesloten. Dit geldt ook voor contactberoepen zoals kappers, nagelstylisten en tatoeëerders. 

Werkelijke invloed corona op de WOZ-Waarde

De invloed van de corona crisis op de waarde van vastgoed verschilt per gemeente, branche en winkelgebied. Zo kan de leegstand in de binnenstad verschillen van andere locaties. Het loont dan ook kritisch te kijken naar de WOZ-waarde 2022 en deze niet met standaardcorrecties af te doen.

Actie voor de praktijk

De WOZ waarde is relevant voor diverse lokale heffingen en ook voor de fiscale afschrijvingsbasis van vastgoed. Reden genoeg om kritisch te zijn op de WOZ-waarde. Zeker vastgoed dat gesloten moest zijn wegens de corona lockdowns verdient extra aandacht.

(Bron: BDO)

Al sinds 2013 loopt er een juridische strijd tegen de belastingheffing in box 3. Het forfaitaire rendement blijkt in de praktijk namelijk niet meer haalbaar zonder daar veel risico voor te moeten nemen. De strijd rondom de box 3 heffing is nu een nieuw hoofdstuk ingegaan. Eerder oordeelde de Hoge Raad dat de oude forfaitaire box 3-heffing te hoog was. Reparatie hiervan liet de Hoge Raad echter aan de wetgever. De wet werd per 2017 aangepast door het toepassen van een veronderstelde vermogensmix en rendementsklassen. In twee zaken in augustus 2021 oordeelde de rechtbank Noord-Nederland dat ook dit nieuwe stelsel ongeoorloofd is. Ook nu laat de rechter aanpassing over aan de wetgever. In dit artikel zetten we uiteen wat dit voor uw vermogen betekent.

Bezwaren tegen box 3 zijn voor de jaren 2017-2020 aangewezen als massaalbezwaarprocedure. De massaalbezwaarprocedure betekent dat de rechtsvraag wordt voorgelegd en uitgeprocedeerd tot en met de hoogste rechter. Hiervoor zijn voor de jaren 2017 en 2018 ieder zes proefprocedures bij verschillende rechtbanken door de Belastingdienst en de Bond van Belastingbetalers geselecteerd. Deze proefprocedures zijn representatief voor alle bezwaarmakers. Als de uitspraak van de rechter in de proefprocedure onherroepelijk vaststaat, zal de Belastingdienst een collectieve uitspraak doen op alle bezwaren die meedoen met de massaalbezwaarprocedure.

De eerder genoemde uitspraken van de rechter gaan om twee zaken die geselecteerd zijn als proefprocedure over de jaren 2017 en 2018 bij de Rechtbank Noord Nederland. De rechter stelt vast dat de wetgever wist dat er verschillende rendementen worden behaald bij sparen en beleggen, en dat 40% van alle belastingbetalers alleen over spaargeld beschikt en niet belegt. Om dan toch voor alle belastingplichtigen dezelfde vermogensmix van sparen en beleggen te veronderstellen, is volgens de rechtbank onredelijk. Dit wijkt voor een te grote groep niet-beleggers teveel af van de werkelijkheid. De uitvoerbaarheid van de belastingheffing door de Belastingdienst rechtvaardigt deze heffing niet volgens de rechtbank.

Deze twee uitspraken zijn in lijn met de eerdere conclusie van de Advocaat-Generaal, die de Hoge Raad adviseert. De rechtbanken Gelderland en Noord-Holland oordeelden eerder juist het tegenovergestelde, namelijk dat de nieuwe vermogensrendementsheffing wel toelaatbaar is. Andere rechtbanken moeten nog oordelen. De verwachting is dat uiteindelijk de Hoge Raad een eindoordeel zal vellen.

De belastingplichtige krijgt ondanks de voor hem of haar positieve uitspraak geen vermindering van de belastingheffing. Volgens de rechtbank moet de wetgever dit gaan oplossen. Tot nu toe heeft het kabinet geen haast gemaakt om de heffing van box 3 aan te passen, bijvoorbeeld naar een heffing naar werkelijk rendement. Demissionair Staatssecretaris Vijlbrief wil dat het nieuwe kabinet een nieuwe regeling voor belasting op vermogen ontwerpt. De moties om dit proces te versnellen zijn recent ingediend.

(Bron: DRV)

Inbreng in de vennootschap onder firma (vof)

Categories: Nieuws, Nieuws voor de eenmanszaak of vof, Nieuws voor de eenmanszaak of vof, juridisch, ondernemingsrecht
Reacties uitgeschakeld voor Inbreng in de vennootschap onder firma (vof)

Samen een bedrijf starten. Vaak wordt daarbij gekozen voor een samenwerking in een vennootschap onder firma (vof), vooral vanwege de eenvoudige wijze van oprichting. In de wet is vrij weinig geregeld over de oprichting van de vof en bovendien zijn deze regels sterk verouderd. Een inschrijving in het handelsregister volstaat meestal. Toch is het belangrijk dat de vennoten de afspraken over de samenwerking schriftelijk vastleggen. In de volksmond: de vof-akte. Mocht er ooit discussie ontstaan, dan maakt dit het eenvoudiger om aan te tonen wat onderling is afgesproken. Schriftelijke vastlegging is daarnaast belangrijk omdat in de wet niets is geregeld over de voortzetting van het bedrijf bij het einde van de samenwerking.

Gezamenlijk voordeel vof

De vennoten hebben een grote mate van vrijheid in de afspraken die zij onderling maken over de samenwerking. Doel van de vof is door de samenwerking een gezamenlijk voordeel te behalen door inbreng van de vennoten. Deze inbreng is essentieel voor een vof. 
Elke vennoot is verplicht iets in de vof in te brengen. De inbreng mag een bedrag in contanten zijn, maar ook goederen, het genot van goederen of arbeid. 

Inbreng van arbeid

Niet elke vennoot is verplicht om arbeid in te brengen. Wordt arbeid ingebracht? Maak dan afspraken over het minimum aantal uren dat ingebracht moet worden, de onderlinge verdeling van de werkzaamheden en vakantiedagen. Mag een vennoot ook elders werkzaamheden verrichten? Wilt u dit liever niet, spreek dan ook een non-concurrentiebeding af. 

Inbreng van goederen

Wat verstaan wordt onder ‘goederen’ is erg ruim. Hieronder vallen roerende zaken, onroerende zaken, dieren, vermogensrechten, maar ook een klantenportefeuille, goodwill, know-how etc. Bij de inbreng van goederen wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen:

  • Inbreng van de eigendom met overdracht aan de vof (de gezamenlijke vennoten). Waardeveranderingen komen voor rekening van de vof, maar ook het risico als het goed verloren gaat. 
  • Inbreng van het gebruik en genot. De inbrengende vennoot geeft het goed in gebruik aan de vof, eventueel tegen een vergoeding. De inbrengende vennoot blijft de juridisch én economisch rechthebbende. Het risico is volledig voor rekening  van deze vennoot.
  • Inbreng van de economisch eigendom (ook wel inbreng  van economisch belang). De juridische eigendom blijft bij de inbrengende vennoot. De vennoten spreken daarbij af dat de waarde van het goed wordt ingebracht. Waardeveranderingen vanaf het moment dat de samenwerking gestart is, komen dan voor rekening komen van de vof. 

In de praktijk komt vaak een combinatie van deze vormen van inbreng voor. Een vennoot brengt bijvoorbeeld het gebruik en genot van bedrijfsgebouwen in, maar kan daarnaast afspreken dat hij de economische eigendom van een perceel grond inbrengt. Bij de inbreng van de eigendom of economische eigendom wordt tevens vastgesteld tegen welke waarde van het goed wordt ingebracht.

Leg afspraken vast

Wat er ook ingebracht wordt, het is belangrijk om de inbreng gedetailleerd en uitgebreid op te nemen in de vof-akte. Zo is duidelijk wat door elke vennoot bij aanvang van de vof is ingebracht en waartoe elke vennoot in de waardeveranderingen van ingebrachte goederen is gerechtigd. Niet alleen bij aanvang van een vof, maar ook tijdens het bestaan van de vof kan met instemming van de vennoten geld, goederen of arbeid worden ingebracht. 

Voorkom discussies

Regelmatig ontbreekt hiervan een schriftelijke vastlegging. Bij het beëindigen van de vof kan dat tot vervelende discussies leiden. De beëindiging heeft tot gevolg dat de inbreng beëindigd wordt en dat het vermogen van de vof verdeeld moet worden. Eerst moet worden vastgesteld wat is ingebracht en op welke wijze dit is ingebracht. Heeft een vennoot het gebruik en genot van een goed ingebracht? Dan is de afwikkeling eenvoudig. Het goed wordt weer aan deze vennoot ter beschikking gesteld. Tussen de vennoten wordt niets verrekend. 

De meeste onenigheid ontstaat meestal als de vennoten stellen dat de eigendom of de economische eigendom van een goed is ingebracht. De waardevermeerdering of -vermindering wordt dan namelijk tussen de vennoten verrekend. Hoe vindt deze verrekening plaats? Zijn de afspraken daarover goed schriftelijk vastgelegd, dan zal de afwikkeling van de verdeling minder problemen geven.

(Bron: ABAB)

Medewerkers met een nulurencontract hebben recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden als uw andere werknemers. Toch zijn er een aantal regels net even anders. Denk aan het oproeptermijn of het recht op loon bij een afzegging. Met welke regels moet u als werkgever rekening houden? Een overzicht.

Het inzetten van uw oproepkracht

Een nulurencontract is een arbeidsovereenkomst voor een oproepkracht. U roept uw werknemer dan alleen op als u werk heeft. Voor de gewerkte uren betaalt u loon. Deze afspraak moet op papier staan. Uw werknemer heeft recht op minimaal drie uur loon per oproep. Ook al heeft u maar voor één uur werk op dat moment.

Als werkgever kunt u wél zelf bepalen wanneer u uw oproepkracht wilt inzetten. Daarbij moet u een aantal regels in acht nemen. Zo bent u verplicht om de oproepkracht minimaal vier dagen van tevoren op te roepen, tenzij dit in de cao anders is vermeld. Wanneer u uw oproepkracht te laat oproept, is hij of zij niet verplicht om te komen werken. Sterker nog, als u de geplande uren niet op tijd wijzigt of afzegt, moet u de oproepkracht alsnog uitbetalen voor die uren. Zorg er daarom voor dat u de uren schriftelijk of digitaal vastlegt en afstemt met uw oproepkracht.

Wanneer heeft uw oproepkracht recht op doorbetaling?

Er zijn een aantal situaties waarbij u uw medewerker (met een nulurencontract) moet doorbetalen zonder dat hij of zij gewerkt heeft. Dit is mogelijk:

  • wanneer uw oproepkracht langer dan zes maanden in dienst is en de werkzaamheden door een fout van u (bijvoorbeeld door te weinig werk) niet kunnen doorgaan;
  • wanneer uw oproepkracht langer dan zes maanden in dienst is, maar niet opgeroepen wordt terwijl er wel genoeg werk voor hem is;
  • in sommige gevallen van ziekte.

Is uw oproepkracht ziek? Dan heeft hij of zij recht op 70%  van het loon, zolang ‘de oproep’ duurt. Is dit lager dan het minimumloon? Dan heeft uw oproepkracht recht op het minimumloon. Het gaat overigens alleen om de geplande ‘oproepperiode’. Stond u oproepkracht bijvoorbeeld niet ingepland? Dan ontvangt hij of zij ook geen loon.

Hoe zit het met verlofdagen, vakantiedagen en vakantiegeld?

Een oproepkracht heeft recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden als uw andere werknemers. Denk bijvoorbeeld aan verlofdagen en vakantiedagen. Uiteraard op basis van het aantal uren dat uw werknemer echt voor u heeft gewerkt. Werkt uw oproepkracht geen vast aantal werkuren per week? Dan wordt er vaak een percentage bepaald per gewerkt uur voor de opbouw van vakantie-uren. Dat percentage staat in de cao of legt u vast in het arbeidscontract.

Uw oproepkracht heeft altijd recht op minimaal 8% vakantiegeld over het brutoloon van het afgelopen jaar. Heeft uw oproepkracht minder dan een jaar gewerkt? Dan gaat u uit van de gewerkte periode tot het moment dat u het vakantiegeld berekent.

(Bron: ABAB)