All posts in Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, diversen

Ontwikkelingen aftrekbeperking oortkosten

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, diversen
Reacties uitgeschakeld voor Ontwikkelingen aftrekbeperking oortkosten

Onlangs heeft gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan met betrekking tot de aftrekbeperking van oortkosten in de vennootschapsbelastingsfeer. Oortkosten zijn kosten met een gemengd karakter die beperkt van de winst voor de vennootschapsbelasting (en inkomstenbelasting) aftrekbaar zijn. Alleen als de kosten voor de werkgever ‘loon in fiscale zin’ vormen, dan zijn dergelijke kosten niet in aftrek beperkt, aldus de parlementaire toelichting. Partijen zijn het eens dat de vergoedingen tot het belastbaar loon behoren. Wel is in geschil of de aftrekbeperking ook geldt ten aanzien van belastbaar loon, waarover feitelijk geen loonbelasting is afgedragen omdat bijvoorbeeld een gerichte vrijstelling van toepassing is.

Casus

Belanghebbende verstrekt daggeldvergoedingen aan haar werknemers ter vergoeding van kosten die onderweg worden gemaakt voor maaltijden, overige consumpties en sanitaire voorzieningen. Het standpunt van belanghebbende is dat de daggeldvergoedingen niet in aftrek zijn beperkt en beroept zich hierbij op de parlementaire toelichting. Volgens die toelichting geldt: “indien de vergoeding bij de werknemer (…) belastbaar is, (…) als loon (…) zijn ter zake van deze vergoeding in de winstsfeer geen beperkingen gesteld”.

Volgens de Belastingdienst zijn de daggeldvergoedingen op grond van doel en strekking van de wet wel in aftrek beperkt. De reden is dat er feitelijk geen loonheffing over wordt betaald, omdat de vergoedingen als eindheffingsloon zijn aangemerkt en door de werking van vrijstellingen er geen loonheffing is betaald.  

De rechtbank heeft het beroep afgewezen, waarna belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld.

Gerechtshof

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de wetgever een evenwicht beoogd tussen de aftrek van gemengde kosten in de winstsfeer en de feitelijke heffing van loonbelasting over de desbetreffende vergoedingen. Het hof acht dus voor haar oordeel (mede) beslissend dat feitelijk geen loonbelasting is afgedragen.

Een dergelijke benadering kan aanzienlijke complicaties met zich meebrengen, met  name als de als eindheffingsbestanddeel aangewezen looncomponenten, de vrijstellingen (gerichte vrijstellingen en de vrije ruimte) overschrijden. In dat geval moet namelijk wél loonbelasting worden afgedragen. Onduidelijk is dan welk looncomponent wel binnen de vrije ruimte valt en welke niet. Dit lijkt ons niet de bedoeling van de wetgever te zijn.

Helaas overschreden de als eindheffingsbestanddeel aangewezen looncomponenten de vrijstellingen niet in deze casus, waardoor het gerechtshof zich over deze complicatie niet heeft hoeven buigen.

Voor werkgevers

Ten aanzien van looncomponenten waarover loonbelasting is ingehouden en/of afgedragen geldt de aftrekbeperking niet.

Daarmee is bij looncomponenten die worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel kennelijk van belang of feitelijk loonbelasting is afgedragen. Als de looncomponenten de vrijstellingen niet overschrijden lijkt dit qua uitvoering eenvoudig. Er hoeft namelijk geen loonbelasting te worden afgedragen en dus is de aftrekbeperking van toepassing.

Als de looncomponenten de vrijstellingen wél overschrijden is het onzeker óf en in hoeverre de aftrekbeperking geldt. In het geval de werkgever vergoedingen voor beperkt aftrekbare kosten als eindheffingsloon heeft aangewezen, kan voor de zekerheid bezwaar worden gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting.

(Bron: BDO)

Vanaf 2020 geldt een nieuwe regeling voor de fiets de zaak. Die regeling maakt een eind aan allerlei administratieve ballast. Hoe werkt de regeling en is de fiets van de zaak interessant voor u of uw werknemers?

De oude fietsregeling

De oude fietsregeling bracht veel administratieve rompslomp met zich mee. Voordat de nieuwe regeling werd ingevoerd, moest u namelijk voor het gebruik van een fiets van de zaak exact bijhouden hoeveel u privé en zakelijk fietst. Dat is bij een fiets zonder kilometerteller nog veel lastiger dan bij een auto van de zaak.

De nieuwe fietsregeling

Om dit administratief makkelijker te maken, is per 2020 een nieuwe fietsregeling ingevoerd. Hierbij geldt een vast bijtellingspercentage van 7% en de rittenregistratie is komen te vervallen.

Bijtelling fiets van werknemer 

Gaat het om een fiets van een werknemer, dan geldt de bijtelling als de fiets door de werkgever ter beschikking is gesteld. Het maakt daarbij niet uit of u als werkgever de fiets hebt gekocht of geleast. De bijtelling wordt bij werknemers tot het belaste loon gerekend. De werkgever draagt hierover loonbelasting en premies af.

Niet bij direct eigendom

Belangrijk hierbij is wel dat het bij deze nieuwe 7%-bijtellingsregeling niet mag gaan om een fiets die direct eigendom wordt van de werknemer. Zou dat wel het geval zijn, dan is op het moment van het verstrekken of vergoeden van de fiets de hele waarde van die fiets in één keer belast als loon in natura.

Bijtelling fiets van ondernemer

Bent u ondernemer, dan krijgt u ook een bijtelling voor het privégebruik van de fiets als u de fiets tot het vermogen van uw onderneming rekent of als de fiets door uw onderneming wordt geleast. In principe komen dan alle kosten in aftrek op de winst.

Correctie bij privédoeleinden en/of woon-werkverkeer

Echter, als u de fiets ook voor privédoeleinden en/of woon-werkverkeer gebruikt, wordt de aftrek van de kosten deels gecorrigeerd door een privéonttrekking (de ‘bijtelling’) weer bij de winst te tellen.

Bijtelling bedraagt 7%

De bijtelling, ofwel onttrekking voor het privégebruik van de fiets van de zaak, bedraagt op jaarbasis 7% van de waarde van de fiets (inclusief btw).

(Bron: De Jong & Laan)

De derde dinsdag van september: Prinsjesdag. Voor ondernemers een belangrijk moment, niet alleen om te horen wat er uit ‘het koffertje’ komt, maar ook om nog even terug te kijken op de afgelopen periode in 2020. Welke belangrijke thema’s zijn aan bod gekomen? En hoe kan ik daar als ondernemer (nog beter) op inspringen? Ook kijken we tijdens Prinsjesdag vooruit, naar het nieuwe begrotingsjaar en welke nieuwe wet- en regelgeving we kunnen verwachten. Wij grijpen bij Flynth de aanloop naar Prinsjesdag aan, om door middel van een reeks artikelen stil te staan bij een aantal belangrijke thema’s voor ondernemers. Want wat er in het koffertje zit, weten we nog niet. Wat er bij onze klanten aan belangrijke thema’s leeft, wel! 

Bea Boetje, Senior Belastingadviseur  

Bea Boetje is al decennialang actief als fiscaal jurist. Sinds 2007 zet ze haar kennis en ervaring in bij Flynth om ondernemers in het mkb te helpen bij wet- en regelgeving. Meestal gaat het dan om bv’s en dus om vennootschapsbelasting, maar ook eenmanszaken kunnen bij haar terecht voor advies op het gebied van inkomstenbelasting. Ze legt graag uit wat voor fiscale maatregelen ondernemers kunnen verwachten op prinsjesdag. 

Alles op alles voor ondernemers 

‘Ik heb al heel wat koffertjes voorbij zien komen in mijn loopbaan. Ik herinner me bijvoorbeeld dat op Prinsjesdag 2008 iedereen heel positief was. Maar drie weken later vielen de banken in Amerika om en veranderde alles. Zo zal het dit jaar niet gaan. Corona bepaalt al sinds maart het nieuws. Er waren plannen om het belastingstelsel te wijzigen, maar die zijn allemaal tot stilstand gekomen. De overheid zet nu alles op alles om het economisch bestel in stand te houden en ondernemers te redden. Ik verwacht dan ook geen grote nieuwe beleidswijzigingen.’ 

Coronareserve 

‘Het is goed dat de coronamaatregelen nu wettelijk verankerd gaan worden. Een prettige regeling voor ondernemers in de vennootschapsbelasting is bijvoorbeeld de fiscale coronareserve. Die zorgt ervoor dat ze in de belastingaanslag over 2019 alvast rekening kunnen houden met de door corona geleden verliezen in 2020. Dat is heel belangrijk voor bv’s. Zeker omdat de eerder in het vooruitzicht gestelde verlaging van de vennootschapsbelasting niet doorgaat, zodat de overheid meer geld overhoudt om corona aan te pakken. De verlaging van het tarief in de eerste schijf van 16,5% naar 15% wordt wel doorgevoerd, maar de belastbare winstgrens wordt daarbij verhoogd van € 200.000 naar € 400.000. Voor winsten boven de € 400.000 blijft het tarief van 25% gelden.    

TOGS en TVLK  

‘Voor mkb-bedrijven en zzp’ers was er eerder een eenmalige Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren van € 4.000 als compensatie voor schade door corona. Later is daar de Tegemoetkoming Vaste Lasten bij gekomen met een maximum van € 50.000 in 4 maanden. Deze tegemoetkomingen zijn vrijgesteld van belasting en hoeven niet terugbetaald te worden.’ 

Voorstel “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen” 

‘Als uitvloeisel van het pensioenakkoord ligt er nu een voorstel voor de ‘Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. Deze biedt mogelijkheden om maximaal 10% van de waarde van het ouderdomspensioen af te kopen. Daarnaast uitbreiding tot 100 weken om vakantieverlof en compensatieverlof op te sparen om de arbeidsperiode tot de AOW leeftijd te overbruggen.’  

Overdrachtsbelasting 

‘Er is sprake van een mogelijke afschaffing van de overdrachtsbelasting voor starters op de woningmarkt. Iedereen die een woning koopt waarin de koper zelf niet gaat wonen gaat het tarief omhoog naar 8%.  Enorme gevolgen derhalve voor beleggers en woningcorporaties. Ook wordt overwogen de overdrachtsbelasting voor bedrijfspanden te verhogen van 6 naar 8% in plaats van 7%.’  

Uitstel van betaling 

‘Vanwege corona biedt de Belastingdienst ondernemers de mogelijkheid om betaling uit te stellen over de periode februari tot en met september 2020. Dit kunnen ze nog tot 1 oktober aanvragen. Uiteindelijk moet die belasting wel alsnog betaald worden. Inmiddels is duidelijk dat daarvoor een realistische regeling komt met een ruime termijn van 24 maanden: van januari 2021 tot en met januari 2023. Daarbij is de Belastingdienst bereid tot regelingen op maat. Let op: vanaf 1 oktober geldt dit bijzondere beleid niet meer en is het veel lastiger om eventueel uitstel te krijgen.’ 

Kleine regelingen 

‘Ik verwacht verder geen spectaculaire maatregelen, maar wel veel kleine regelingen om ondernemers, werkgevers en werknemers te helpen – zoals die er nu ook al zijn. Zo komt er wellicht een nieuwe belastingaftrek, de zogenoemde Baangerelateerde Investerings Korting (BIK), om investeringen in werkgelegenheid aan te moedigen. Verder mogen mensen die vanwege de coronacrisis een betaalpauze hebben afgesproken voor hun hypotheek toch later hypotheekrente aftrekken van de belasting. Werkgevers mogen hun werknemers meer belastingvrije vergoedingen geven, bijvoorbeeld voor apparatuur en meubilair om goed thuis te kunnen werken. En als een werknemer minder met het OV reist en de werkgever zijn vergoeding daarom beperkt, mag hij de kosten van een abonnement dat gewoon doorloopt wel aftrekken van de belasting.’ 

(Bron: Flynth)

De fiscale scholingsaftrek gaat verdwijnen, maar niet vóór 2022. Dat betekent dat de aftrek in 2020 en 2021 nog overeind blijft. Dit blijkt uit een brief van minister Koolmees van SZW.

Scholingsaftrek

Via de scholingsaftrek kunnen bepaalde kosten van scholing onder voorwaarden in aftrek op het inkomen worden gebracht.

Het betreft met name de kosten van:

  • lesgeld
  • cursusgeld
  • collegegeld
  • examengeld
  • verplicht gestelde leer- en beschermingsmiddelen

Aftrek vervangen door subsidie

Het kabinet beoogt al enkele jaren de scholingsaftrek te vervangen door een subsidie. Hierdoor zou het voordeel van de tegemoetkoming niet langer inkomensafhankelijk zijn.

Uitvoering

De uitvoering van een individuele subsidie inzake scholingskosten is voor het UWV nogal gecompliceerd, zo blijkt uit eerder genoemde brief van Koolmees.

Daarom kan deze subsidie niet eerder dan per 2022 worden ingevoerd. De fiscale aftrek blijft daarom tot die tijd gehandhaafd.

Aftrekbaar van de winst

De scholingsaftrek staat los van het feit dat scholingskosten van een ondernemer zelf ten laste van de winst kunnen komen. Dit is alleen anders als er een te ver verwijderd zakelijk belang is.

Ook de scholingskosten ten aanzien van zijn werknemers kunnen in beginsel ten laste van de winst worden gebracht.

(Bron: De Jong en Laan)

Staatssecretaris Snel van Financiën heeft aangegeven dat als de procedure over de box 3-heffing bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het voordeel van de belastingplichtige wordt beslecht, deze uitkomst ook zal gelden voor alle anderen. De belastingplichtigen die onder de massaalbezwaarprocedure 2013 en 2014 vallen hoeven dan niet ook nog naar het EHRM te stappen om hun gelijk te krijgen.

In juni 2019 heeft de Hoge Raad aangegeven dat de box 3-heffing over 2013 en 2014 in strijd was met artikel 1 van het EVRM, maar onze hoogste rechter vond wel dat er dan ten aanzien van de heffing sprake moest zijn van een buitensporig zware last.  De Bond voor Belastingbetalers is hierop in opdracht van een aantal belastingplichtigen een procedure gestart bij het EHRM. Zij wil van het EHRM weten of de box 3-heffing over 2013 en 2014 een schending is van artikel 1 van het EVRM.

Eenzelfde financiële vergoeding krijgen

Krijgen deze belastingplichtigen gelijk dan zouden in principe alle andere belastingplichtigen die onder de massaalbezwaarprocedure vallen ook een individueel verzoekschrift bij het EHRM moeten indienen om gelijk te krijgen. Dit vindt de staatssecretaris echter ongewenst. Hij belooft daarom dat als het EHRM concludeert dat de box 3-heffing een schending van artikel 1 van het EVRM is in de zaak van de Bond voor Belastingbetalers, alle deelnemers aan de massaalbezwaarprocedure uit de aanwijzing eenzelfde financiële vergoeding krijgen als de belastingplichtigen uit de EHRM-zaak.

(Bron: Rendement)

Rechtbank Gelderland oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling, omdat X bv niet behoort tot de in die vrijstelling genoemde kring van verkrijgers. De bedrijfsopvolgingsvrijstelling is dan niet van toepassing.

In 1995 brengt D zijn eenmanszaak in G bv in. Hierbij wordt ook de economische eigendom van een onroerende zaak ingebracht. De juridische eigendom blijft achter bij D. In 1998 en 2008 verkrijgt D nog twee onroerende zaken die hij ter beschikking stelt aan G bv. Uiteindelijk wordt de onderneming in 2007, exclusief de onroerende zaken, ondergebracht in belanghebbende, X bv, waarvan de zoons van D de aandelen in bezit hebben. Op 15 mei 2018 worden de onroerende zaken vervolgens aan X bv geleverd. Volgens X bv is geen overdrachtsbelasting verschuldigd voor deze levering, omdat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling van toepassing is. Zij stelt dat er sprake is van een gefaseerde bedrijfsoverdracht en beroept zich ook op de doorkijkarresten.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de bedrijfsopvolgingsvrijstelling niet van toepassing is. Volgens de rechtbank wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsvrijstelling. X bv behoort namelijk niet tot de in die vrijstelling genoemde kring van verkrijgers, de vervreemders zijn geen ondernemer in de zin van de vrijstelling en de verkregen goederen behoren niet tot een onderneming in de zin van de vrijstelling. Verder verwerpt de rechtbank ook het beroep op de doorkijkarresten, omdat er sprake is van een geheel andere situatie: X bv verkrijgt geen aandelen, maar onroerende zaken, zodat niet door de aandelen naar de achterliggende onroerende zaken heen gekeken kan worden.

(Bron: Taxlive)

De Tweede Kamer wil dat de regering diverse varianten uitwerkt waarbij het toeslagenstelsel geheel verdwijnt en wordt vervangen door bijvoorbeeld alternatieve inkomensafhankelijke arrangementen, (uitkeerbare) heffingskortingen, decentralisatie van toeslagen en/of verhoging van het wettelijk minimumloon en uitkeringen. Dat staat in een op 10 december 2019 aangenomen motie.

Ook werd een motie aangenomen waarin wordt verzocht de uitvoering bij de Belastingdienst aan te passen naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019 (V-N 2019/52.20 en V-N 2019/52.21). Ook moet de wet per 1 juni 2020 worden gewijzigd.

Er werden nog vijf andere moties aangenomen. Hierin wordt de regering onder andere opgeroepen ervoor te zorgen dat ouders die meer schade geleden hebben binnen de CAF-zaken op de meest eenvoudige wijze en zonder tegenwerking hun recht kunnen halen. Ook moet de status “fraudeur” zo snel mogelijk worden geherwaardeerd bij iedereen die sinds 2009 deze status heeft gekregen als gevolg van vermeende fraude met kinderopvangtoeslagen.

(Bron: Taxlive)

Werknemers die vanaf 2020 gebruik gaan maken van een leasefiets van de zaak, behouden hun recht op een onbelaste reiskostenvergoeding van € 0,19 per kilometer op moment dat zij met een ander vervoermiddel dan de leasefiets naar het werk reizen. Dit heeft het ministerie van Financiën bevestigd naar aanleiding van vragen van de branchevereniging voor Rijwiel en Automobiel Industrie (RAI). Volgens RAI is het behoud van de onbelaste reiskostenvergoeding naast de bijtelling voor de fiets cruciaal voor het succes van de fiscale regeling.

Bijtellingsregeling zakelijke fietsen

RAI schrijft hierover het volgende op haar website:

In de aanloop naar de start van de bijtellingsregeling voor zakelijke fietsen per 1 januari volgend jaar is er onduidelijkheid ontstaan of deze regeling naast de onbelaste vergoeding van € 0,19 per kilometer voor zakelijke kilometers mag worden gebruikt of niet. Het ministerie van Financiën verschaft nu duidelijkheid naar aanleiding van zorgen die RAI had geuit.

Recht op onbelaste reiskostenvergoeding

Ook werknemers met een leasefiets houden het recht op een onbelaste reiskostenvergoeding van € 0,19 op het moment dat zij met een ander vervoersmiddel reizen en de leasefiets niet gebruiken. De bedoeling van de nieuwe regeling is altijd al geweest dat de leasefiets juist naast bijvoorbeeld de auto van de zaak mag worden gebruikt en niet gelijktijdig. Lamers: “Behoud van de vergoeding is essentieel. De nieuwe bijtellingsregeling moet het immers voor mensen aantrekkelijker maken om een fiets van de zaak te leasen en dat doe je niet door aan de andere kant bestaande voordelen weg te nemen.”

Vervoer per trein of auto

In de praktijk betekent dit, als een werknemer met de trein of auto naar werk gaat, de werkgever maximaal € 0,19 per kilometer onbelast mag vergoeden. Als de werknemer met de trein reist mag de werkgever ook de werkelijke kosten vergoeden als de kosten hoger zijn dan € 0,19 per kilometer. Werkgever/werknemer moeten wel aannemelijk kunnen maken dat de werknemer geen gebruik heeft gemaakt van de leasefiets als hij de zakelijke kilometers, ondanks die terbeschikkinggestelde fiets, per trein of per auto aflegt. Als een werknemer een dag de gehele rit met de leasefiets naar het werk reist, kan geen aanspraak worden gemaakt op de onbelaste kilometervergoeding.

Hoe aannemelijk gemaakt kan worden dat een werknemer met een ander vervoermiddel dan de fiets naar het werk is gekomen is niet aangegeven. Hierover zullen ongetwijfeld nog vragen gesteld worden.

(Bron: Van Oers)

Geen liquidatieverlies omdat opgeofferd bedrag lager is dan liquidatie-uitkering

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, diversen
Reacties uitgeschakeld voor Geen liquidatieverlies omdat opgeofferd bedrag lager is dan liquidatie-uitkering

Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat er geen liquidatieverlies als bedoeld in art. 13d Wet VPB 1969 aanwezig is. De inspecteur maakt aannemelijk dat het door X bv voor de aandelen E bv opgeofferde bedrag lager is dan de ontvangen liquidatie-uitkering.

In het kader van een vaststellingsovereenkomst tussen diverse partijen, verkrijgt belanghebbende, X bv, begin 2011 de aandelen in E bv. Voor een belang van 62,5% betaalt X bv € 500.000, en voor het resterende belang van 37,5% betaalt X bv € 1. E bv wordt vervolgens in 2011 ontbonden, in verband waarmee X bv een liquidatie-uitkering van € 27.448 ontvangt. In geschil is de omvang van het liquidatieverlies. Volgens X bv bedraagt het liquidatieverlies namelijk € 472.553. De inspecteur beperkt het aftrekbare liquidatieverlies, op grond van art. 13d lid 4 eerste volzin Wet VPB 1969, tot slechts € 18.253. Eerst in hoger beroep stelt de inspecteur dat het door X bv ter verkrijging van de aandelen in E bv betaalde bedrag aan D van € 500.000 is voldaan teneinde diverse juridische procedures te beëindigen.

Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat er geen liquidatieverlies als bedoeld in art. 13d Wet VPB 1969 aanwezig is. De inspecteur maakt aannemelijk dat het door X bv voor de aandelen E bv opgeofferde bedrag lager is dan de uitkering die X bv heeft verkregen bij de liquidatie van E bv. Het hof stelt daarbij vast dat de intrinsieke waarde van de aandelen E bv in 2011 € 9701 bedroeg en dat X bv niet aannemelijk maakt dat zij vanwege strategische belangen meer heeft betaald voor de aandelen dan deze intrinsiek waard waren. Volgens het hof blijkt verder uit de gedingstukken dat het door X bv betaalde bedrag gedeeltelijk is betaald in het kader van de afkoop van diverse juridische procedures. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

De komende periode onthult het kabinet haar plannen voor 2020. Begrotingsplannen met maatschappelijke impact, met gevolgen voor ondernemers. Wordt het een warm bad of een koude douche?

Vandaag heeft de staatssecretaris van financiën aangekondigd dat Box 3 per 2022 zal veranderen. Dit betekent dat mensen met alleen spaargeld tot ongeveer 440.000 euro geen belasting betalen op basis van de huidige rente. Wordt de warme kraan nu al opengedraaid?

Huidige situatie

Momenteel bestaat er een heffingsvrij vermogen van ongeveer 30.000 euro per belastingplichtige. Indien het vermogen daaronder blijft, dan wordt in de huidige situatie geen belasting betaald.

Nieuw per 2022

In de nieuwe situatie geldt het heffingsvrij vermogen nog steeds. Bij belastingplichtigen die met hun vermogen daarboven komen, wordt gekeken naar het werkelijke bezit. Dit wordt verdeeld in spaargeld en beleggingen. Het rendement wordt nog steeds op basis van een forfait berekend.

Spaargeld

Voor spaargeld zal dit worden vastgesteld aan de hand van de gemiddelde spaarrente in het jaar ervoor. Op basis van de verwachtingen zal over spaargeld dan 0,09% rendement behaald worden. Veel minder dus dan de 4% waar tot voor kort mee werd gerekend.

Tot slot zal er dan een heffingsvrij inkomen komen van € 400. Spaarders die 440.000 euro hebben, zullen daar op basis van het forfait van 0,09% 396 euro aan inkomen over halen. Omdat dit onder het heffingsvrij inkomen van € 400 blijft, is er niks meer belast in Box 3.

Tweede woning

Voor de overige bezittingen (beleggingen) wordt gerekend met een verwacht rendement van 5,33%. Voor schulden zal naar verwachting worden gerekend met een negatief rendement van 3,03%. Dit betekent voor belastingplichtigen met een tweede woning die helemaal gefinancierd is, dat er in de nieuwe situatie ineens belasting betaald zal moeten worden, omdat er 2,3% verschil zit tussen het rendement van de bezittingen en de schulden. Onder de huidige wet betalen deze belastingplichtigen geen belasting.

Het nieuwe tarief in Box 3 zal dan 33% worden. Het wetsvoorstel zal volgend jaar worden aangeboden aan de Tweede Kamer en gaat naar verwachting in 2022 in.

(Bron: Accon AVM)