All posts in Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV

Krijgen uw werknemers ook borrelboxen toegestuurd? Of verzorgt u de broodjes bij een online vergadering? Of voor de verandering eens een pizza? De fiscale behandeling van consumpties en maaltijden op de reguliere werkplek (binnen kantoor) verschilt van die van de thuiswerkplek. In dit artikel informeren we u hierover.

Belast loon

In beginsel vormen alle consumpties en maaltijden die de werkgever aan de werknemer vergoedt of verstrekt belast loon, in geld of in natura, ongeacht waar de werknemer die nuttigt (op kantoor of thuis). Onder voorwaarden kunnen consumpties en maaltijden echter onbelast worden vergoed of verstrekt. Behalve de locatie is hierbij ook de gelegenheid van belang. Worden de consumpties genuttigd tijdens een zakelijke bijeenkomst of een niet-zakelijke bijeenkomst?

Zakelijke bijeenkomsten

De maaltijden die worden genuttigd tijdens een zakelijke bijeenkomst kunnen onder voorwaarden worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel om daar vervolgens een gerichte vrijstelling op toe te passen. Hierdoor kan de werknemer op de thuiswerplek soms toch van een onbelaste lunchmaaltijd genieten, bijvoorbeeld tijdens een online overleg of andere zakelijke bespreking. Dit geldt ook als de werknemer een bon ontvangt om bijvoorbeeld een pizza naar keuze te bestellen om tijdens een online bijeenkomst te nuttigen. Van belang is hierbij dat u kunt onderbouwen dat de (vergoeding van de) maaltijd een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft, bijvoorbeeld door agendapunten van de bijeenkomst vast te leggen.

Er bestaat een onderscheid tussen de maaltijd (zoals bovenstaand beschreven) en de situatie waarin u uw werknemers consumpties vergoedt of verstrekt om deze tijdens een (online) zakelijke bijeenkomst op de thuiswerkplek te kunnen nuttigen. In deze situatie kan geen gerichte vrijstelling worden toegepast. U kunt er echter wel voor kiezen om het voordeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en aan de vrije ruimte toe te rekenen.

Niet-zakelijke bijeenkomsten

De hiervoor genoemde situatie moet u onderscheiden van de (vergoeding van) maaltijden en consumpties tijdens niet-zakelijke (online) bijeenkomsten. Voor maaltijden tijdens een niet-zakelijke bijeenkomst op de ‘reguliere werkplek’ (binnen/bij het bedrijfspand) met een waarde van meer dan € 3,35 wordt het voordeel voor de werknemer vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 3,35 per maaltijd. Denk hierbij aan maaltijden verstrekt tijdens het eindejaarsfeest georganiseerd op kantoor. De thuiswerkplek is hiervan uitgesloten. Vergoedt of verstrekt u daarom uw werknemers maaltijden die worden genuttigd op de thuiswerkplek en tijdens een niet-zakelijke online bijeenkomst, dan moet u in beginsel de volledige vergoeding of de factuurwaarde (inclusief btw als belastbaar loon bij de werknemer in aanmerking nemen. Dit kán bijvoorbeeld van toepassing zijn als u een online nieuwjaarsbijeenkomst heeft georganiseerd of een online jubileumfeest. U kunt er in dat geval ook voor kiezen om het voordeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en aan de vrije ruimte toe te rekenen.

Voor consumpties tijdens een niet-zakelijke bijeenkomst op de ‘reguliere werkplek’ (binnen/bij het bedrijfspand) geldt een nihilwaardering. De waarde van het voordeel dat aan de werknemer toekomt, wordt dan gesteld op nihil. Deze nihilwaardering geldt echter niet voor de vergoeding of verstrekking van consumpties op de thuiswerkplek. U kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan de vrijdagmiddagborrelbox die de werknemers thuisbezorgd krijgen om gedurende een online vrijdagmiddagborrel te nuttigen. In dit geval moet u in beginsel de volledige factuurwaarde (inclusief btw) als belastbaar loon bij de werknemer in aanmerking nemen. U kunt er in dat geval ook voor kiezen om het voordeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en aan de vrije ruimte toe te rekenen.

Wat betekent dit voor uw organisatie?

Als u consumpties en/of maaltijden aan uw werknemers vergoedt of bij uw werknemers laat bezorgen, zijn de gevolgen voor de loonheffingen in veel gevallen anders ten opzichte van consumpties en maaltijden die op de ‘reguliere werkplek’ (in/bij het bedrijfspand) worden genoten. De wetgeving behandelt de thuiswerkplek op dat punt niet hetzelfde. Dit kan deels of geheel worden voorkomen door optimaal gebruik te maken van de werkkostenregeling.

Bij het organiseren van (online) bijeenkomsten komen echter nog meer loonheffingenvragen op. Hoe moet bijvoorbeeld worden omgegaan bij de verzend- en bezorgkosten van de borrelboxen of pizzabonnen? En heeft u nog loonheffingenverplichtingen als u tijdens een (online) bijeenkomst een DJ inhuurt?

(Bron: BDO)

Nota verslag wetsvoorstel Wet excessief lenen eigen vennootschap

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Nota verslag wetsvoorstel Wet excessief lenen eigen vennootschap

Staatssecretaris Vijlbrief stuurt de Tweede Kamer de aanbieding van de nota naar aanleiding van het verslag wetsvoorstel Wet excessief lenen bij eigen vennootschap.

De voorgestelde maatregel heeft alleen gevolgen voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van de inkomstenbelasting. De lening, inclusief rente- en aflossingsverplichtingen, blijft dus civielrechtelijk bestaan. Voor de vennootschap betekent dit dat de waardering van de vordering op de aandeelhouder op de fiscale balans als gevolg van deze maatregel geen wijziging ondergaat. De vennootschap die periodiek – ook over het voor de aanmerkelijkbelanghouder bovenmatige deel van de lening – rente ontvangt, moet deze verantwoorden in haar resultatenrekening. De aanmerkelijkbelanghouder blijft rente verschuldigd over het totale bedrag van de lening. Indien de schuld in box 3 valt, verlaagt de schuld de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen. Als sprake is van een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a Wet IB 2001 is de betaalde rente aftrekbaar als kosten met betrekking tot een eigen woning. Hiermee wordt geen belasting ontweken.

Fiscaal partner

Het maximumbedrag wordt niet verhoogd vanwege het feit dat twee aanmerkelijkbelanghouders kwalificeren als fiscaal partner. Op het moment dat twee aanmerkelijkbelanghouders besluiten tot een fiscaal partnerschap waardoor de gezamenlijke relevante schulden boven de grens van € 500.000 uitkomen, wordt het meerdere in de vorm van een fictief regulier voordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen. De belastingplichtige wordt door deze maatregel niet verplicht om de schuld af te lossen. Hij is vrij om te bepalen of, en zo ja, hoe de schuld wordt teruggebracht tot of onder de gestelde maximumgrens.

Persoonlijk belastingplichtig

De aanmerkelijkbelanghouder is persoonlijk belastingplichtig voor de inkomstenbelasting waarin de heffing over het fictief regulier voordeel is betrokken en niet de verbonden persoon. Zodoende vindt er geen bevoordeling door de belastingplichtige plaats ten aanzien van de verbonden persoon. Om die reden is er geen sprake van een belaste schenking.

Meesleep- of meetrekregeling

De voorgestelde maatregel is van toepassing op aanmerkelijkbelanghouders in de zin van afdeling 4.3 Wet IB 2001. De toepassing van de regeling op belastingplichtigen die een aanmerkelijk belang hebben op grond van artikel 4.6 Wet IB 2001, is gelijk aan belastingplichtigen die een aanmerkelijk belang hebben op grond van de meesleep- of meetrekregeling. De schulden worden daarom ook niet gedeeltelijk in aanmerking genomen. Ook bij reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang die een belastingplichtige geniet als hij op grond van de meetrek- of meesleepregeling aanmerkelijkbelanghouder is, wordt geen rekening gehouden met de grootte van het zelfstandige belang van diegene.

(Bron: Taxence)

Failliete dga mag geen borgstellingsverlies aftrekken

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Failliete dga mag geen borgstellingsverlies aftrekken

Rechtbank Gelderland oordeelt dat een dga geen verlies uit borgstelling mag aftrekken als hij door zijn eigen slechte financiële positie nooit zijn borgstellingsverplichting kan vervullen.

Als een dga borg staat voor zijn B.V. en als borg wordt aangesproken, mag hij in principe in het desbetreffende jaar een voorziening vormen met betrekking tot de regresvordering op zijn B.V. Het is niet verplicht dat de dga de borg al in dat jaar daadwerkelijk heeft betaald. In de praktijk komt het vaak voor dat de Belastingdienst de vorming van zo’n voorziening niet accepteert omdat de dga zich puur uit aandeelhoudersmotieven borg stelt. Maar soms voldoet de dga al niet aan de normale voorwaarden voor het vormen van een voorziening. Dga’s en ondernemers vormen namelijk voorzieningen voor een toekomstige uitgave. Deze toekomstige uitgave moet haar oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich in de periode voor de balansdatum hebben voorgedaan. Deze feiten en omstandigheden moeten ook toerekenbaar zijn aan die periode.

Geen voorziening

Ten slotte moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de toekomstige uitgave zich zal voordoen. Men mag geen voorziening vormen voor kosten waarvan (bijna) vaststaat dat de dga of ondernemer ze nooit zal maken. In de zaak voor de rechtbank was de financiële positie van de desbetreffende dga op de balansdatum zo slecht dat hij zijn borgstellingsverplichting niet kon voldoen. De dga stelde dat hij voldoende verdiencapaciteit had en nog tantièmes verwachtte te ontvangen. Hij wist dit echter onvoldoende te onderbouwen. De rechtbank oordeelt daarom dat de man voor zijn regresvordering op zijn B.V. geen voorziening mag vormen.

(Bron: Taxence)

Geen sprake van onzakelijkheid vordering als gevolg van doorlevering aan niet-betalende debiteur

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Geen sprake van onzakelijkheid vordering als gevolg van doorlevering aan niet-betalende debiteur

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat de vordering in 2008 onzakelijk is geworden. Er bestond namelijk een gerede kans dat Q bv failliet zou gaan als er maatregelen getroffen zouden worden en dat de vordering dan oninbaar zou worden.

P bv, een met belanghebbende, X bv, gevoegde vennootschap, levert grondstoffen aan Q bv, zonder dat Q bv deze grondstoffen betaalt. In verband met de vordering die hierdoor ontstaat, vormt X bv in 2006 een voorziening dubieuze debiteuren. In 2008 levert X bv voor € 500.000 grondstoffen aan Q bv en voegt zij € 200.000 toe aan de voorziening. De inspecteur is van mening dat toevoeging aan de voorziening niet mogelijk is, omdat het onzakelijk is om grondstoffen te blijven leveren terwijl er al sprake is van een hoge debiteurenschuld. Q bv lost in 2016, in verband met de verkoop van de onderneming, de schuld volledig af.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat de vordering in 2008 onzakelijk is geworden. Volgens het hof bestond er namelijk een gerede kans dat Q bv failliet zou gaan als er maatregelen getroffen zouden worden en dat de vordering dan oninbaar zou worden. De inspecteur maakt ook niet aannemelijk dat een willekeurige derde, met het treffen van de door hem genoemde maatregelen, zijn rechten uit hoofde van de debiteurenvordering zou hebben veiliggesteld. Het gelijk is aan X bv.

(Bron: Taxlive)

Lening waarop wordt afgelost kan niet worden afgewaardeerd

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Lening waarop wordt afgelost kan niet worden afgewaardeerd

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X bv haar vordering op I bv niet ten laste van haar winst kan afwaarderen. X bv maakt namelijk niet aannemelijk dat de vordering een lagere economische verkeerswaarde heeft dan de nominale waarde.

Belanghebbende, X bv, heeft op 1 januari 2008 een vordering in rekening courant van € 990.000 op haar dochtermaatschappij, I bv. Eind 2008 bedraagt de vordering nog € 408.000. In haar VPB-aangifte 2008 waardeert X bv de vordering af naar nihil. De inspecteur accepteert de afwaardering niet, omdat er in zijn ogen sprake is van een onzakelijke lening. Rechtbank Gelderland oordeelt dat er geen sprake is van een onzakelijke lening. Volgens de rechtbank maakt de inspecteur namelijk niet aannemelijk dat het debiteurenrisico bij het verstrekken van de lening, dan wel op enig ander moment, zodanig was dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn tegen een vaste vergoeding eenzelfde lening aan I bv te verstrekken. De rechtbank wijst er hierbij op dat I bv in 2008 tot een bedrag van € 600.000 heeft afgelost en dat er contacten zijn geweest met een bank over de investeringen in de werkmaatschappijen. De rechtbank vermindert de VPB-aanslag 2008.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X bv haar vordering op I bv niet ten laste van haar winst kan afwaarderen. Volgens het hof maakt X bv namelijk niet aannemelijk dat de vordering een lagere economische verkeerswaarde heeft dan de nominale waarde. Het hof overweegt daarbij dat X bv zelf heeft verklaard dat de kredietwaardigheid van I bv ten tijde van de geldverstrekking goed was. Verder is van belang dat I bv in 2008 een bedrag van € 600.000 op de vordering heeft afgelost. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

Kwijtgescholden rente lening dga inkomen uit ab

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Kwijtgescholden rente lening dga inkomen uit ab

Meldt een gemachtigde van een dga aan de Belastingdienst dat in een bepaald jaar is besloten tot kwijtschelding van rente? Dan moet de dga in een procedure bij het gerechtshof zijn bewering met bewijsstukken onderbouwen als hij van mening is dat de kwijtschelding in een ander jaar heeft plaatsgevonden.

Een dga had in 2014 een schuld van € 5,1 miljoen aan zijn B.V. Die bracht € 54.940 aan rente over die schuld aan haar dga in rekening. Deze rente bleef de dga in eerste instantie schuldig, later schold de B.V. de rente kwijt. In geschil bij Hof Den Haag is of de kwijtschelding kwalificeert als inkomen uit aanmerkelijk belang. Het hof oordeelt dat de dga een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten als het besluit tot kwijtschelding in 2014 is genomen.

Brief gemachtigde

De brief van de gemachtigde van de dga vermeldde dat in 2014 het besluit tot kwijtschelding was genomen. De dga stelt echter dat het besluit in 2016 is genomen. Het hof vindt dat de dga deze stelling nader had moeten onderbouwen met stukken. Dat heeft de dga niet gedaan. De dga vindt voorts dat de inspecteur niet kan navorderen, omdat deze niet over een nieuw feit beschikt. Het hof verwerpt deze stelling. De dga had het grootste deel van de schuld aan de B.V. in box 3 in zijn aangifte opgenomen. Dat betekent dat voor de inspecteur de verschuldigde rente niet zichtbaar was in de aangifte. Daarbij komt dat het saldo van de lening behoorlijk schommelde. Dus de wijziging van het saldo van de lening kwam ook door andere oorzaken dan het bij- of afboeken van de rente. Verder zijn er volgens het hof ook geen feiten die de inspecteur aanleiding hadden moeten geven te twijfelen over de ingediende aangifte. Ook het beroep van de dga op dwaling wijst het hof af. De dga handelde in zijn hoedanigheid van debiteur van de vordering en in zijn hoedanigheid van bestuurder en enig certificaathouder van de B.V. Hij moest zich bewust zijn geweest dat kwijtschelding niet zakelijk was.

(Bron: Taxence)

Lenen bij eigen BV: ontmoedigt door nieuwe wetgeving

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Lenen bij eigen BV: ontmoedigt door nieuwe wetgeving

Veel ondernemers in de sector transport en logistiek hebben een aandelenbelang van meer dan 5% in een holding of rechtstreeks in een werkmaatschappij. Het is in deze situaties niet ongebruikelijk dat deze transportondernemers een rekening-courantschuld of een lening bij hun eigen BV hebben. De wetgever komt nu met een maatregel die het excessief lenen van de eigen vennootschappen tegengaat (ook wel aangeduid als de rekening-courantmaatregel). Deze maatregel zal naar verwachting ook grote gevolgen gaan hebben voor transportondernemers die lenen bij hun eigen BV.

Op dinsdag 18 september 2018 heeft het kabinet zijn belastingplannen voor 2019 bekend gemaakt. De meest verrassende maatregel zat echter in de aanbiedingsbrief bij het pakket Belastingplan 2019, die pas op 19 september 2018 is gepubliceerd en is aangepast in de kamerbrief betreffende heroverweging van het pakket vestigingsklimaat van 15 oktober 2018. Het kabinet heeft in deze aanbiedingsbrief de zogenoemde rekening-courantmaatregel aangekondigd. Door deze maatregel worden alle schulden die aanmerkelijkbelanghouders (houders van 5% of meer van aandelen in een vennootschap, hierna: ab-houders) aan hun BV hebben boven een bedrag van € 500.000 belast als inkomen uit aanmerkelijk belang. Dit kost 26,9% aanmerkelijk belangheffing in box 2. De bedoeling is om deze maatregel per 2022 in werking te laten treden.

Achtergrond rekening-courantmaatregel

In de aanbiedingsbrief bij het pakket Belastingplan 2019 wordt opgemerkt dat circa 10% van alle lenende ab-houders op individueel niveau meer dan € 500.000 lenen bij hun eigen BV. De Belastingdienst ziet er de afgelopen jaren streng op toe dat deze schulden fiscaal echt als schulden aangemerkt kunnen worden, of dat zij eigenlijk kwalificeren als een (verkapte) dividenduitkering omdat de schuld niet door de ab-houder kan worden terugbetaald. Om excessief lenen bij de eigen BV tegen te gaan, heeft het kabinet de rekening-courantmaatregel aangekondigd.

(Verkapt) dividend in box 2

Indien u als transportondernemer een aanmerkelijk belang heeft en met ingang van 1 januari 2022 meer dan € 500.000 aan schulden heeft bij uw eigen BV, wordt u in box 2 belast over het meerdere van € 500.000. Dit meerdere wordt dan acuut belast tegen 26,9%. Een voorbeeld kan het bovenstaande verduidelijken. Als u op 1 januari 2022 een schuld heeft aan uw eigen BV van € 1.500.000, bent u over € 1.000.000 26,9% aanmerkelijk belangheffing verschuldigd, zijnde € 269.000.

Anders dan dat de naam doet vermoeden, strekt de rekening-courantmaatregel niet alleen tot rekening-courantschulden bij de eigen BV, maar worden alle schulden van u en uw partner aan de BV in aanmerking genomen. Alleen bestaande en nieuwe eigenwoningschulden worden uitgezonderd. De maatregel wordt dus niet alleen beperkt tot consumptieve schulden, maar ook schulden waar rechtstreeks bezittingen tegenover staan (zoals een tweede woning).

Schulden verlagen

Aangezien de maatregel naar verluidt pas op 1 januari 2022 in werking zal treden, heeft u drie jaar de tijd om de schulden terug te brengen tot maximaal € 500.000. Manieren om uw schulden bij uw eigen BV te verlagen zijn als volgt:

  • In 2019 kunt u nog tegen een box 2-tarief van 25% een dividenduitkering doen die vervolgens kan worden gebruikt voor de aflossing van de schulden aan de BV. In 2020 wordt het ab-tarief 26,25% en in 2021 wordt het ab-tarief 26,9% volgens de huidige wetsvoorstellen.
  • U kunt uw schulden herfinancieren bij derden.
  • U kunt uw schulden aan de eigen BV aflossen (bijvoorbeeld bezittingen die thans tot het privé vermogen behoren overdragen aan de BV).

Behalve de hierboven geschetste contouren van de maatregel, is nog niet bekend hoe de maatregel er uit komt te zien. Het wetsvoorstel wordt in het voorjaar van 2019 verwacht.

(Bron: Mazars)

Eigenwoningschuld uitgezonderd van heffing op hoge bv-schuld

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Eigenwoningschuld uitgezonderd van heffing op hoge bv-schuld

Het kabinet komt criticasters van de extra heffing op ‘excessieve schulden’ bij de bv enigszins tegemoet. Schulden die zijn aangegaan voor de aankoop van een huis gaan tellen niet mee voor de heffing.

De extra heffing op hoge schulden bij de bv viel veel directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) tijdens Prinsjesdag nogal rauw op hun dak. Het idee was dat schulden boven de € 500.000 belast zouden worden als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2 van de inkomstenbelasting).

Uitzondering ook voor nieuwe gevallen

Nu er geld vrijkomt doordat het schrappen van de dividendbelasting niet doorgaat, ziet het kabinet ruimte om de maatregel enigszins te verzachten. Die komt erop neer dat schulden die zijn gebruikt voor de aankoop van een woning uitgezonderd zijn van de heffing. Dat geldt niet alleen voor bestaande eigenwoningschulden, maar ook voor nieuwe gevallen, zo schrijft staatssecretaris Snel van Financiën in een brief (pdf) aan de Tweede Kamer.
De drempel van € 500.000 blijft wel bestaan, voor andere schulden dan een eigenwoningschuld. Wel staat in de brief dat het gaat om schulden van de dga én de partner gezamenlijk. Die partner kwam in de eerdere uitleg van de maatregel nog niet voor.

(Bron: Rendement)

Saldoverrekening is geen kredietarrangement

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, lenen aan of van de BV
Reacties uitgeschakeld voor Saldoverrekening is geen kredietarrangement

Een afzonderlijke concernvennootschap mag het bedrag waarvoor zij hoofdelijk is aangesproken uit hoofde van een overeenkomst tot saldoverrekening tussen alle concernvennootschappen en de bank onder voorwaarden in aftrek brengen van de winst. Dat heeft Hof Den Bosch bepaald.

Een holdingvennootschap die 50% van de aandelen in meerdere concernvennootschappen had werd voor een bedrag van € 104.822 door de bank hoofdelijk aangesproken voor de aanzuivering van negatieve banksaldi van andere groepsvennootschappen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat het bedrag waarvoor zij op grond van deze overeenkomst aansprakelijk is gesteld aftrekbaar is. In het verleden hadden de afzonderlijke vennootschappen een overeenkomst afgesloten met de bank op basis waarvan bedragen over en weer konden worden verrekend en over en weer hoofdelijke aansprakelijkheid bestond.

Buitengewone lasten

De holding bracht de € 104.822 in aftrek van haar winst als ‘overige buitengewone lasten’. De inspecteur weigerde de aftrek, omdat betaling van dat bedrag op grond van aandeelhoudersmotieven zou zijn gedaan. Hiertoe werd door de inspecteur verwezen naar een arrest van de Hoge Raad uit 2013 waarin sprake was van een kredietarrangement, waardoor op groepsniveau is geleend en een dergelijke aftrek werd geweigerd. Ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant meende dat hier sprake was van een kredietarrangement.

Verrekening

Hof Den Bosch oordeelde in hoger beroep dat in deze kwestie geen sprake was van een kredietarrangement, maar van een overeenkomst tot verrekening van alle saldi van de concernvennootschappen bij de bank. Daarmee werd voorkomen dat het concern debetrente verschuldigd werd door een debetstand van een afzonderlijke concernvennootschap, terwijl deze gecompenseerd werd door een creditstand van een andere concernvennootschap. Over creditstanden werd ook rente vergoed. Anders dan bij een kredietarrangement waarbij door een concernvennootschap risico wordt gelopen, terwijl er voor haar geen direct voordeel aan is verbonden. Gelet hierop kon deze overeenkomst niet op één lijn worden gesteld met een kredietarrangement. Het hof oordeelde dat de fiscus de aftrek moest accepteren en verklaarde het hoger beroep van de BV gegrond.

(Bron: Accountancyvanmorgen)