All posts in Nieuws

Krijgen uw werknemers ook borrelboxen toegestuurd? Of verzorgt u de broodjes bij een online vergadering? Of voor de verandering eens een pizza? De fiscale behandeling van consumpties en maaltijden op de reguliere werkplek (binnen kantoor) verschilt van die van de thuiswerkplek. In dit artikel informeren we u hierover.

Belast loon

In beginsel vormen alle consumpties en maaltijden die de werkgever aan de werknemer vergoedt of verstrekt belast loon, in geld of in natura, ongeacht waar de werknemer die nuttigt (op kantoor of thuis). Onder voorwaarden kunnen consumpties en maaltijden echter onbelast worden vergoed of verstrekt. Behalve de locatie is hierbij ook de gelegenheid van belang. Worden de consumpties genuttigd tijdens een zakelijke bijeenkomst of een niet-zakelijke bijeenkomst?

Zakelijke bijeenkomsten

De maaltijden die worden genuttigd tijdens een zakelijke bijeenkomst kunnen onder voorwaarden worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel om daar vervolgens een gerichte vrijstelling op toe te passen. Hierdoor kan de werknemer op de thuiswerplek soms toch van een onbelaste lunchmaaltijd genieten, bijvoorbeeld tijdens een online overleg of andere zakelijke bespreking. Dit geldt ook als de werknemer een bon ontvangt om bijvoorbeeld een pizza naar keuze te bestellen om tijdens een online bijeenkomst te nuttigen. Van belang is hierbij dat u kunt onderbouwen dat de (vergoeding van de) maaltijd een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft, bijvoorbeeld door agendapunten van de bijeenkomst vast te leggen.

Er bestaat een onderscheid tussen de maaltijd (zoals bovenstaand beschreven) en de situatie waarin u uw werknemers consumpties vergoedt of verstrekt om deze tijdens een (online) zakelijke bijeenkomst op de thuiswerkplek te kunnen nuttigen. In deze situatie kan geen gerichte vrijstelling worden toegepast. U kunt er echter wel voor kiezen om het voordeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en aan de vrije ruimte toe te rekenen.

Niet-zakelijke bijeenkomsten

De hiervoor genoemde situatie moet u onderscheiden van de (vergoeding van) maaltijden en consumpties tijdens niet-zakelijke (online) bijeenkomsten. Voor maaltijden tijdens een niet-zakelijke bijeenkomst op de ‘reguliere werkplek’ (binnen/bij het bedrijfspand) met een waarde van meer dan € 3,35 wordt het voordeel voor de werknemer vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 3,35 per maaltijd. Denk hierbij aan maaltijden verstrekt tijdens het eindejaarsfeest georganiseerd op kantoor. De thuiswerkplek is hiervan uitgesloten. Vergoedt of verstrekt u daarom uw werknemers maaltijden die worden genuttigd op de thuiswerkplek en tijdens een niet-zakelijke online bijeenkomst, dan moet u in beginsel de volledige vergoeding of de factuurwaarde (inclusief btw als belastbaar loon bij de werknemer in aanmerking nemen. Dit kán bijvoorbeeld van toepassing zijn als u een online nieuwjaarsbijeenkomst heeft georganiseerd of een online jubileumfeest. U kunt er in dat geval ook voor kiezen om het voordeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en aan de vrije ruimte toe te rekenen.

Voor consumpties tijdens een niet-zakelijke bijeenkomst op de ‘reguliere werkplek’ (binnen/bij het bedrijfspand) geldt een nihilwaardering. De waarde van het voordeel dat aan de werknemer toekomt, wordt dan gesteld op nihil. Deze nihilwaardering geldt echter niet voor de vergoeding of verstrekking van consumpties op de thuiswerkplek. U kunt hierbij bijvoorbeeld denken aan de vrijdagmiddagborrelbox die de werknemers thuisbezorgd krijgen om gedurende een online vrijdagmiddagborrel te nuttigen. In dit geval moet u in beginsel de volledige factuurwaarde (inclusief btw) als belastbaar loon bij de werknemer in aanmerking nemen. U kunt er in dat geval ook voor kiezen om het voordeel aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en aan de vrije ruimte toe te rekenen.

Wat betekent dit voor uw organisatie?

Als u consumpties en/of maaltijden aan uw werknemers vergoedt of bij uw werknemers laat bezorgen, zijn de gevolgen voor de loonheffingen in veel gevallen anders ten opzichte van consumpties en maaltijden die op de ‘reguliere werkplek’ (in/bij het bedrijfspand) worden genoten. De wetgeving behandelt de thuiswerkplek op dat punt niet hetzelfde. Dit kan deels of geheel worden voorkomen door optimaal gebruik te maken van de werkkostenregeling.

Bij het organiseren van (online) bijeenkomsten komen echter nog meer loonheffingenvragen op. Hoe moet bijvoorbeeld worden omgegaan bij de verzend- en bezorgkosten van de borrelboxen of pizzabonnen? En heeft u nog loonheffingenverplichtingen als u tijdens een (online) bijeenkomst een DJ inhuurt?

(Bron: BDO)

Het kabinet stimuleert bedrijven om investeringen te doen met een nieuwe investeringskorting, de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK). Deze tijdelijke regeling zorgt ervoor dat bedrijven ook in deze roerige tijden blijven investeren in bijvoorbeeld nieuwe machines.  

De start van de aanvraagperiode is gepland vanaf 1 september 2021. Aanvragen kan maximaal 4 keer per jaar (1 x per kwartaal).

Na eerdere goedkeuring door de Tweede Kamer heeft ook de Eerste Kamer op 15 december 2020 goedkeuring verleend aan het Belastingplan 2021, waarin de BIK was opgenomen. Een volgende stap is groen licht van de Europese Commissie. Bij definitieve duidelijkheid over de vormgeving van de regeling gaat de RVO de BIK uitvoeren in samenwerking met de Belastingdienst.

Voor wie?

De BIK is bestemd voor bedrijven die vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting verschuldigd zijn en loonheffing voor personeel afdragen. Bedrijven moeten een BIK-verklaring aanvragen bij RVO. Zij kunnen de daarin opgenomen investeringskorting in de loonaangifte toepassen op de af te dragen loonheffing. De regeling is zo vormgegeven dat ook het mkb er gebruik van kan maken. Er is een staffel ingebouwd zodat kleinere investeringen een grotere tegemoetkoming krijgen dan grotere investeringen.

Budget

Het kabinet heeft voor de BIK een budget beschikbaar gesteld van in totaal € 4 miljard, voor de jaren 2021 en 2022. Eind 2021 wordt ingeschat in hoeverre het budget van € 2 miljard voor 2021 zal zijn benut.
Het gaat om investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen van meer dan € 1.500. Het totale bedrag aan investeringen bedraagt minimaal € 20.000 per aanvraag. Voor investeringen tot en met € 5 miljoen krijgt de onderneming per kalenderjaar een korting van 3,9% van het investeringsbedrag. Voor grotere investeringen is de korting 1,8% voor het deel boven de € 5 miljoen. Afhankelijk van het nog beschikbare budget kunnen de percentages per 2022 hoger of lager uitvallen.
Als de Europese Commissie goedkeuring geeft om als ‘fiscale eenheid’ gebruik te maken van de BIK, is dit met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021. Mocht deze goedkeuring om gebruik te maken van dit specifieke onderdeel niet komen, dan worden de percentages van de BIK met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 verhoogd. Bij grote investeringen in een jaar bedraagt de korting tot € 5 miljoen in dat geval 5%, daarboven 2,08%. Meer informatie vindt u in de Kamerbrief BIK in relatie tot investeringen in het buitenland.

Voorwaarden

De regeling geldt voor investeringen in 2021 of 2022. Om van de regeling te kunnen profiteren moet een bedrijf de investeringsbeslissing hebben genomen op of na 1 oktober 2020. De volledige betaling moet plaatsvinden in 2021 of 2022, daarnaast moet er sprake zijn van een nieuw bedrijfsmiddel dat binnen 6 maanden in gebruik wordt genomen. Zodra de regeling definitief vorm heeft gekregen leest u alle voorwaarden op onze website.

Combineren met andere steunregelingen

Bedrijven kunnen de BIK combineren met andere steunregelingen zoals de Energie Investeringsaftrek (EIA) of de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Dit maakt groene investeringen nog aantrekkelijker. Voor kleinere investeringen door het mkb kunnen de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en de BIK samengaan.

(Bron: RVO)

Geldsteekproef kan geschikt bewijs zijn

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, boekenonderzoek
Reacties uitgeschakeld voor Geldsteekproef kan geschikt bewijs zijn

Hof Den Bosch oordeelt dat de Belastingdienst de juistheid van uitgaven van een vennootschap mag controleren met toepassing van een geldsteekproef. Maar de belastingplichtige behoudt wel de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren.

Hoofdregels bewijslastverdeling

Binnen fiscale beroepsprocedures is de hoofdregel beknopt samen te vatten als: wie stelt, bewijst. Wie dus een stelling inneemt die de wederpartij bestrijdt, zal deze stelling moeten bewijzen. Als de wederpartij de stelling niet betwist, gaat de belastingrechter ervan uit dat deze stelling juist is. Vaak volstaat overigens het aannemelijk maken van een stelling. Hierbij is het de taak van de Belastingdienst om de aanwezigheid en hoogte van de heffingsgrondslag aannemelijk te maken. Als de belastingplichtige aanvoert dat er reden is om de heffingsgrondslag te verminderen, zal hij dat aannemelijk moeten maken. Heeft een van de partijen de schijn tegen zich? Dan is daaraan een vermoeden te ontlenen die nadelig is voor die partij. Dit vermoeden is in principe wel vatbaar voor het leveren van tegenbewijs. Bovendien moet de bewijslastverdeling wel een redelijk blijven.

Vrije bewijsleer

In beginsel geldt de zogeheten vrije bewijsleer. Dat betekent dat belastingplichtigen zelf kunnen kiezen op welke manier zij hun standpunten aannemelijk willen maken. Maar de fiscus doet over sommige bewijsvormen minder moeilijk dan andere. Zo is een kloppende rittenregistratie een standaardmiddel om aannemelijk te maken dat men minder dan 500 privékilometer met de auto van de zaak rijdt. Zie ook: ‘Rittenregistratie werkt beter dan overzicht autokosten’. Maar de wet zelf stelt dat andere bewijsmiddelen ook zijn toegestaan.

Geldsteekproef

De Belastingdienst maakt soms gebruik van de zogeheten guldensteekproef of geldsteekproef. In dat geval controleert de fiscus een deel van de administratie van een belastingplichtige. Daarbij vindt een extrapolatie plaats van eventueel gevonden fouten. Onder de toepassing van de geldsteekproef kunnen kleine fouten soms grote gevolgen hebben. Het gebruik van de geldsteekproef kan dan ook aanleiding geven tot het voeren van beroepsprocedures.

Steekproef in beginsel toegestaan

Zo had de Belastingdienst de juistheid van de uitgaven van een holding gecontroleerd met behulp van de geldsteekproef. Naar aanleiding van deze proef paste de inspecteur correcties toe op de fiscale winst. De holding vond dat de fiscus de uitkomsten van de evaluatie van de geldsteekproef niet had mogen gebruiken als onderbouwing van de fiscale correcties. Hof Den Bosch oordeelt dat de fiscus via steekproeven administraties van belastingplichtigen mag controleren. Men moet de steekproef wel uitvoeren op een statistisch-wetenschappelijk verantwoorde en controleerbare wijze. Bovendien levert zo’n steekproef hooguit een bewijsvermoeden op. De belastingplichtige blijft de mogelijkheid houden om dit vermoeden te ontkrachten. Bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat de steekproef is gebaseerd op verkeerde uitgangspunten.

Vereisten gebruik geldsteekproef

Het hof meent dat een geldsteekproef aan bepaalde eisen moet voldoen om statistisch-wetenschappelijk verantwoord te zijn. Zo moet de onderzochte groep homogeen zijn. Dat betekent dat samenhang moet bestaan tussen de elementen van de groep. Bovendien moet de keuze van de onderzochte groep aan de hand van objectieve maatstaven plaatsvinden. In deze zaak zijn euro’s de elementen van de onderzochte groep. De groep bestaat uit alle uitgaven van de holding. Volgens het hof voldoet de geldsteekproef hier aan de eisen. En de holding maakt het tegendeel niet aannemelijk.

Omkering bewijslast

In bepaalde gevallen vindt een omkering en verzwaring van de bewijslast plaats. Meestal gaat het dan om gevallen waarin de belastingplichtige niet heeft voldaan aan een verplichting. Omkering van de bewijslast houdt in dat een partij de bewijslast krijgt toebedeeld die normaal gesproken bij de wederpartij ligt. Verzwaring van de bewijslast betekent dat men moet laten blijken dat een bewering juist is. Alleen maar aannemelijk maken is niet voldoende. De omkering van de bewijslast geldt niet voor zover een beroepschrift is gericht tegen een vergrijpboete.

Voorbeelden omkering bewijslast

Ten slotte een aantal voorbeelden waarin sprake is van een omkering van de bewijslast:

  • De belastingplichtige dient de vereiste aangifte niet in. In dat geval kan de Belastingdienst een ambtshalve aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag opleggen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat deze aanslag juist is. Het is dan aan de belastingplichtige om te doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Overigens ontslaat het achterwege blijven van een aangifte de inspecteur niet van zijn verplichting om een redelijke schatting te maken.
  • Een informatiebeschikking is onherroepelijk geworden.
  • Een huidig bestuurder van een lichaam dat zijn belastingschulden niet kan betalen, heeft geen (tijdige) melding van betalingsonmacht ingediend. In deze situatie wordt het onbetaald blijven van de belastingschulden geacht te wijten te zijn aan het onbehoorlijk bestuur van de bestuurder. De bestuurder mag alleen tegenbewijs leveren als hij aannemelijk maakt dat hij geen schuld heeft aan het meldingsverzuim.

(Bron: Taxence)

Door het thuiswerkadvies van het kabinet is het woon- werkverkeer van menig werknemer veranderd. Waar dit tot op heden nog geen invloed had op de reiskostenvergoedingen voor werknemers, gaan deze nu per 1 april op de schop. In dit artikel leest u hoe u hier het beste mee om kunt gaan.

Tot en met maart 2021 is het toegestaan om de onbelaste reiskostenvergoeding die gebaseerd is op het reisgedrag voor corona, door te betalen. Ook al werkte de werknemer (deels) thuis door de Coronamaatregelen. Vanaf 1 april komt daar vooralsnog een einde aan en mogen reiskosten over een thuiswerkdag niet meer worden vergoed. 

Wat moet u voor 1 april doen 
Per werknemer moet u opnieuw vaststellen wat het reisgedrag van uw werknemer is en dient u daarop de reiskostenvergoeding aan te passen. 

Declaratie of nacalculatie? 
De vaste reiskostenvergoeding mag vanaf 1 april 2021 alleen nog maar onbelast worden verstrekt wanneer een werknemer minimaal 36 weken of 128 dagen per jaar naar een vaste werkplek reist. Is dit niet het geval, dan dient u de reiskosten te vergoeden op basis van declaratie of nacalculatie. 

Bij een nacalculatie geeft u een vaste reiskostenvergoeding per maand en rekent u op basis van een nacalculatie tegen het einde van het jaar af op basis van de werkelijk gereden kilometers. 

Bij declaratie ontvangt de werknemer een vaste reiskostenvergoeding per reisdag. Het aantal reisdagen dient door de werknemer per maand aan de werkgever te worden doorgegeven. 

Het is belangrijk om met uw werknemers hierover in gesprek te gaan en de situatie uit te leggen. Het reisgedrag van uw gehele personeelsbestand moet u in kaart gaan brengen en daarbij dient u rekening te houden met het aantal werknemers die tegelijkertijd verantwoord in het pand aanwezig kunnen zijn.  

(Bron: HLB)

Nu de lockdown is verlengd tot 2 maart 2021 zal bij veel zzp’ers de vraag spelen: waar kan ik terecht voor ondersteuning. Vanaf 1 februari is het mogelijk om inkomensondersteuning via de Tozo (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers) met terugwerkende kracht aan te vragen. De terugwerkende kracht geldt tot de voorafgaande maand. Vanaf 1 februari kan de inkomensondersteuning dus voor de periode vanaf 1 januari 2021 worden aangevraagd.

Wat is de Tozo?

De Tozo is een financiële tegemoetkoming voor ondernemers, waaronder ook dga’s, die vanwege corona in moeilijkheden zijn gekomen. De regeling kan zorgen voor inkomensondersteuning en een lening voor bedrijfskapitaal.

Inkomensondersteuning via de Tozo

Inkomensondersteuning kan worden verleend wanneer het inkomen onder het sociaal minimum terecht is gekomen. De ondersteuning bedraagt maximaal € 1.500 netto voor stellen en maximaal € 1.050 netto voor alleenstaanden.

Door wisselende inkomsten is het soms moeilijk te bepalen of men onder het sociaal minimum uitkomt. Daarom is het mogelijk vanaf 1 februari 2021 de inkomensondersteuning met terugwerkende kracht aan te vragen. De terugwerkende kracht van de aanvraag is mogelijk tot 1 april 2021. Vanaf die datum moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.

Wel partnertoets, geen vermogenstoets

De inkomensondersteuning kent een partnertoets. De verdiensten van een eventuele partner worden dus meegenomen bij de vraag of het gezinsinkomen onder het sociaal minimum terecht is gekomen. De Tozo kent daarnaast geen vermogenstoets. Dit betekent dat met eventueel vermogen geen rekening wordt gehouden bij de aanvraag van de Tozo. Voor de lening van bedrijfskapitaal geldt zowel geen partnertoets als vermogenstoets.

Moet ik de Tozo terugbetalen?

Inkomensondersteuning hoeft in principe niet terug te worden betaald, tenzij achteraf blijkt dat het inkomen te laag is ingeschat. Is op basis hiervan te veel inkomensondersteuning ontvangen? Dan moet deze wel worden terugbetaald voor zover er te veel is ontvangen. Een lening voor bedrijfskapitaal moet wel worden terugbetaald. Hierover is een 2% rente verschuldigd.

(Bron: DRV)

U heeft als ondernemer recht op verschillende aftrekposten in de inkomstenbelasting. Voor een aantal van die aftrekposten moet u voldoen aan het zogenaamde urencriterium. Denk daarbij onder meer aan de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de oudedagsreserve. Daarvoor moet u onder meer in het jaar minimaal 1225 uur hebben besteed aan uw onderneming. De staatssecretaris van Financiën komt ondernemers tegemoet die door de coronacrisis niet kunnen voldoen aan die 1225-uursnorm en daardoor belastingfaciliteiten zouden verliezen.

Periodes waarvoor de tegemoetkoming geldt

Op basis van de goedkeuring mag u rekening houden met een minimaal aantal uren per week dat u aan uw onderneming heeft besteed, ongeacht of u die ook echt besteed heeft aan uw onderneming. De goedkeuring geldt zowel voor 2020 als voor 2021, maar er wordt niet voor het gehele jaar rekening gehouden met een minimaal aantal uren per week. 

  • Voor 2020 geldt (slechts) een periode van 1 maart tot en met 30 september
  • Voor 2021 geldt (vooralsnog) een periode van 1 januari tot en met 30 juni.

Voor de overige maanden zult u rekening moeten houden met de daadwerkelijk gewerkte uren.

Algemene tegemoetkoming

De Belastingdienst gaat er in de genoemde periodes vanuit dat u altijd minimaal 24 uren per week aan uw onderneming(en) heeft besteed, ook als u die uren door de coronacrisis niet daadwerkelijk heeft besteed.

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Wilt u aanspraak maken op de zogenaamde startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid, dan geldt een verlaagd urencriterium van 800 uur. Ook daarvoor geldt een versoepeling in 2020 en 2021. De Belastingdienst gaat er dan vanuit dat u in de genoemde periodes minimaal 16 uren per week aan uw onderneming(en) heeft besteed.

Seizoensgebonden ondernemers

Valt de piek van uw werkzaamheden juist in de bovengenoemde periodes, dan bieden de tegemoetkomingen u geen soelaas. In dat geval geldt een aanvullende tegemoetkoming en gaat de Belastingdienst ervan uit dat u in die periodes hetzelfde aantal uren heeft besteed als u in de vergelijkbare periode in 2019 heeft gedaan. U kunt dan dus (deels) aan de hand van uw administratie van 2019 beoordelen of u in 2020 en/of 2021 aan het urencriterium voldoet.  

Normaal niet voldaan aan het urencriterium?

Er is een groep ondernemers die normaliter niet aan het urencriterium zou voldoen maar door de maatregel wel aan het urencriterium voldoet. Die hebben in deze beide jaren dan een voordeel.

(Bron: Flynth)

De Wet homologatie onderhands akkoord is sinds 1 januari 2021 in werking. De wet omvat een regeling die levensvatbare bedrijven redt als zij onder een te zware schuldenlast dreigen te bezwijken. Deze bedrijven krijgen de mogelijkheid om hun schuldenlast te saneren. Eén individuele schuldeiser kan niet langer een stok in het wiel steken.  

Oude situatie 

Voor de WHOA kon een onderneming die een mooie omzet maakte, met goede marges, toch failliet gaan. Bijvoorbeeld als er tijdens een moeilijke periode een aanzienlijke schuldenlast ontstond en de onderneming niet meer kon voldoen aan aflossings- en renteverplichtingen. Voor een eventueel schuldeisersakkoord was de medewerking van alle schuldeisers nodig. Weigerde één van hen mee te werken, dan bleef een minnelijke regeling uit. Een faillissement was het logische, maar minst gunstige gevolg.

Nieuwe situatie 

De WHOA geeft de rechtbank nu de mogelijkheid een onderhands akkoord te sluiten tussen een onderneming en een deel van de schuldeisers en aandeelhouders. Die moeten samen goedkeuring verlenen aan de herstructurering van de schulden. Ze moeten die schulden homologeren. De rechterlijke goedkeuring hiervan borgt dat alle betrokken schuldeisers en aandeelhouders zijn gebonden aan de inhoud van het akkoord. Dus ook die ene schuldeiser die niet wilde meewerken.  

Voor wie? 

De regeling geldt voor ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm. Voorwaarde is wel dat de schuldenaar in een toestand verkeert waarin het ‘redelijkerwijs aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schulden niet zal kunnen voortgaan’.   

Herstructurering 

De verwachting is dat ondernemingen op basis van de WHOA toewerken naar een effectieve herstructurering van hun schulden. Dit leidt uiteindelijk tot een daling van het aantal uitgesproken faillissementen en betere uitkomsten en toekomstperspectieven voor alle betrokkenen. 

  • Let op! Het akkoord geldt niet vorderingen en andere rechten van werknemers op grond van een arbeidsovereenkomst. 

Inhoud van het akkoord 

De ondernemer met schulden is in beginsel vrij om te bepalen wat hij aanbiedt, hoe hij het akkoord vormgeeft en welke schuldeisers en aandeelhouders hij bij het akkoord betrekt. Daarbij kan worden gedacht aan:

  • Het aanpassen van rechten van schuldeisers; 
  • Het saneren van schulden; 
  • Het omzetten van schulden in aandelen; 
  • Het wijzigen van rechten van aandeelhouders en/of het wijzigen of beëindigen van lopende overeenkomsten.  

Homologatie 

Homologatie van het akkoord is mogelijk als er ten minste één klasse van schuldeisers is die met het akkoord instemt. De rechtbank bepaalt de datum van de zitting waarop het homologatieverzoek wordt behandeld. Tot aan de dag van de zitting kunnen alle stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders bij de rechtbank een schriftelijk verzoek indienen tot afwijzing van het homologatieverzoek. 

Voor kleine ondernemers geldt een extra bescherming. Zij kunnen de rechter verzoeken de homologatie te weigeren indien zij niet ten minste 20% van hun vordering betaald krijgen.  

Gevolgen van de homologatie 

Nogmaals: De homologatie heeft tot gevolg dat het akkoord bindend is voor de schuldenaar en alle schuldeisers en aandeelhouders die bij het akkoord betrokken zijn en gerechtigd waren daarover te stemmen. Dit betekent dat ook de schuldeisers of aandeelhouders die uiteindelijk geen stem hebben uitgebracht of niet met het akkoord hebben ingestemd, zijn gebonden. 

(Bron: Flynth)

Corona: Denk aan tegemoetkoming voor melding betalingsonmacht

Categories: Nieuws, Nieuws voor het MKB (BV), Nieuws voor het MKB(BV), belastingnieuws, belastingaangifte of belastingaanslag
Reacties uitgeschakeld voor Corona: Denk aan tegemoetkoming voor melding betalingsonmacht

Bent u bestuurder van een bv of een andere rechtspersoon waarvoor de Nederlandse vennootschapsbelasting geldt? Dan kunt u door de ontvanger van de belastingen aansprakelijk worden gesteld als die rechtspersoon bepaalde belasting- en premieschulden niet betaalt. Om die aansprakelijkheid te voorkomen, moet u normaal gesproken een melding van betalingsonmacht doen. Dan kunt u alleen nog aansprakelijk worden gesteld als de ontvanger aannemelijk maakt dat:

  • er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaren voorafgaand aan het tijdstip van de melding;
  • En het niet betalen van de belastingen/premies hiervan een gevolg is.

Normaal moet u binnen twee weken na de dag waarop de belasting op de aangifte betaald moet zijn een rechtsgeldige melding doen van betalingsonmacht. Heeft u echter om uitstel van betaling gevraagd in verband met corona, dan is een aparte melding van betalingsonmacht niet nodig.

Achteraf alsnog niet rechtsgeldig geacht

De melding van betalingsonmacht wordt alsnog niet-rechtsgeldig geacht als achteraf blijkt dat de betalingsonmacht niet hoofdzakelijk verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis. Doe bij twijfel dus op de gebruikelijke wijze melding van betalingsonmacht binnen de daarvoor gestelde termijn van twee weken.

Tegemoetkoming alleen bij uitstel vanwege corona

De tegemoetkoming ziet alleen op schulden die meedelen in het bijzonder uitstel van betaling wegens de coronacrisis. Voor nieuw opgekomen schulden na afloop van dat uitstel moet u dus wel tijdig een melding betalingsonmacht doen!

Pensioenpremies

De tegemoetkoming geldt niet voor te betalen pensioenpremies aan een bedrijfspensioenfonds. Kan een BV zijn premies voor het bedrijfspensioenfonds niet voldoen, dan moest/moet daarvoor dus wél ‘gewoon’ een tijdige melding betalingsonmacht worden gedaan.

(Bron: Flynth)

Op 21 januari 2021 heeft het kabinet aangekondigd dat het steunpakket voor het opvangen van de gevolgen van de coronacrisis opnieuw wordt uitgebreid, dit keer met € 7,6 miljard. Hierdoor worden de totale ‘corona-uitgaven’ voor 2020 en 2021 inmiddels geraamd op € 61,3 miljard. Dat is hoger dan de jaarbegroting van de Ministeries van Justitie en Veiligheid, Defensie, Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Infrastructuur en Waterstaat en Financiën bij elkaar opgeteld.

De belangrijkste wijzigingen zijn:

NOW-regeling

  • De maximale subsidie op de loonkosten gaat in het eerste en tweede kwartaal van 2021 omhoog van 60-80% naar 85%;
  • De maximale loonsom die voor subsidie in aanmerking komt wordt in het tweede kwartaal van 2021 niet verlaagd naar 1x het maximummaandloon maar blijft staan op 2x het maximummaandloon;
  • Het minimale omzetverlies wordt in het tweede kwartaal van 2021 niet verhoogd naar 30% maar blijft staan op 20%;
  • De loonsomvrijstelling (het percentage waarmee de loonsom mag dalen zonder gevolgen voor de NOW-subsidie) wordt in het tweede kwartaal van 2021 niet verhoogd naar 20% maar blijft staan op 10%.

TVL-regeling

  • Het vergoedingspercentage voor de vaste lasten wordt voor zowel het eerste als tweede kwartaal van 2021 verhoogd van 50-70% (afhankelijk van het omzetverlies) naar 85% (ongeacht het omzetverlies);
  • Het minimale omzetverlies blijft voor zowel het eerste als tweede kwartaal van 2021 op 30% staan en wordt niet verhoogd naar 45%;
  • De eis van maximaal 250 werknemers wordt voor zowel het eerste als tweede kwartaal van 2021 losgelaten. Hiermee komen ook grotere bedrijven in aanmerking voor de TVL-regeling;
  • Het maximale subsidiebedrag gaat voor het eerste en tweede kwartaal van 2021 omhoog van € 90.000 naar € 330.000 voor MKB-bedrijven en € 400.000 voor niet-MKB bedrijven (meer dan 250 werknemers);
  • Het minimale subsidiebedrag gaat omhoog van € 750 naar € 1.500;
  • Er komt nader onderzoek of de drempel van € 3.000 aan vaste lasten kan worden verlaagd, zonder dat dit op negatieve wijze doorwerkt in andere elementen van de TVL-regeling;
  • De aanvullende voorraadsubsidie voor de detailhandel uit het vierde kwartaal van 2020 wordt voortgezet in het eerste kwartaal van 2021 en wordt verhoogd van 5,6% naar 21% (opslag op het vastelastenpercentage). De maximale voorraadsubsidie bedraagt € 200.000. Dit valt buiten het hiervoor genoemde maximum (punt 4)

Voorbeelden
Deze wijzigingen leveren onderaan de streep het volgende op:

  • Een hotel met restaurant met een omzet van € 800.000 per kwartaal, een loonsom van € 154.850 per kwartaal, € 320.000 aan vaste lasten per kwartaal en een omzetverlies van 100% zal door de wijzigingen € 393.650 aan NOW- en TVL-subsidie ontvangen in het eerste kwartaal van 2021 (in plaats van € 348.850);
  • Een kledingzaak met een omzet van € 200.000 per kwartaal, een loonsom van € 25.000 per kwartaal, € 30.000 aan vaste lasten per kwartaal en een omzetverlies van 100% zal door de wijzigingen € 81.850 aan NOW- en TVL-subsidie ontvangen in het eerste kwartaal van 2021 (in plaats van € 46.050).

(Bron: BDO)

Eén van de belangrijke maatregelen die de overheid heeft getroffen om ondernemingen te helpen tijdens de coronacrisis is een ruimhartig beleid inzake het verkrijgen van uitstel van betaling voor belastingschulden. Daarbij maakt de Belastingdienst onderscheid tussen uitstel voor maximaal drie maanden en uitstel voor langer dan drie maanden.

Kort uitstel (voor drie maanden)

Als u een verzoek tot bijzonder uitstel (i.v.m. corona) doet op of na 12 maart 2020, dan zal de Belastingdienst de invorderingsmaatregelen opschorten voor drie maanden. Dit geldt dan zowel voor aanslagen waar u op dat moment uitstel voor heeft gevraagd, als de aanslagen die in die drie maanden nog extra zijn opgelegd. Het moet daarbij wel gaan om de belastingschulden die voor bijzonder uitstel in aanmerking komen. Dat zijn: loonheffingen, omzetbelasting, inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, vennootschapsbelasting, kansspelbelasting, assurantiebelasting, verhuurderheffing, milieubelastingen (energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE), kolenbelasting, afvalstoffenbelasting, belasting op leidingwater), accijnzen en verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Vanaf tijdvakken vanaf 1 mei 2020 kunt u als vergunninghouder van personenauto’s ook uitstel van betaling krijgen voor de bpm.

Na afloop van deze drie maanden is het dan in beginsel zo dat u weer aan uw nieuwe betalingsverplichtingen moet gaan voldoen. Het aflossen van de achterstallige schulden moet u doen vanaf 1 oktober 2021 gedurende een periode van maximaal 36 maanden in gelijke termijnen. Uiteraard mag u ook eerder starten met aflossen.

Voor zogenaamde ‘pre corona belastingschulden’ (schulden die nog van voor de corona crisis stammen, waar u wellicht al een afwijkende regeling voor had getroffen) geldt dat deze tijdelijk ‘mee’ mochten gaan in de drie maanden uitstel. Als u geen verlenging heeft aangevraagd, mogen deze pre coronaschulden niet mee worden genomen in de betalingsregeling van 36 maanden, maar moeten dan direct worden voldaan.

U kunt ook uitstel aanvragen voor een langere periode. Dat kunt u nu direct doen, maar u kunt ook nog wachten, als u nog niet weet of u langer uitstel nodig heeft.

NB. Mocht u eerst kort uitstel hebben aangevraagd en toch langer uitstel nodig hebben, dan moet dit  in beginsel worden aangevraagd vóór het aflopen van de drie maandstermijn. Voor het aanvragen van de verlenging van het uitstel is een speciaal digitaal formulier beschikbaar.

Langer dan drie maanden uitstel

Aan uitstel langer dan drie maanden worden meer eisen gesteld dan aan het korte uitstel van drie maanden. Deze voorwaarden zijn:

  • De bestaande betalingsproblemen maken langer uitstel noodzakelijk.
  • Deze betalingsproblemen zijn hoofdzakelijk door de coronacrisis ontstaan.
  • Er is wel telkens regulier aangifte gedaan.
  • Het uitstel geldt alleen voor de specifieke belastingschulden waarvoor corona-uitstel mogelijk is. 
  • Als de totale belastingschuld ten tijde van ontvangst van het verzoek om uitstel € 20.000 of meer bedraagt is een verklaring van een derde-deskundige vereist.
  • De ondernemer moet verklaren geen dividenden en bonussen te zullen uitkeren, of eigen aandelen te zullen inkopen.

Omvang totale belastingschuld

Meer of minder dan 20.000 euro
Als de totale belastingschuld minder dan 20.000 euro bedraagt (op het moment van de eerste aanvraag van uitstel), hoeft er geen speciale verklaring bij het verzoek te worden gevoegd. Wel zult u aannemelijk moeten maken dat u aan de overige voorwaarden voldoet, namelijk dat uw betalingsproblemen er (nog steeds) zijn en dat ze hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn veroorzaakt. Het is dus niet zo dat uw problemen alléén door de coronacrisis mogen komen, maar andere redenen mogen dus alleen bijkomstig zijn.

Meer dan 20.000 euro: derde-deskundige verklaring
Is de totale openstaande belastingschuld meer dan € 20.000 ten tijde van het eerste verzoek om uitstel, dan moet een derde deskundige een verklaring verstrekken. In deze verklaring moet het volgende zijn opgenomen:

  • Een verklaring dat aannemelijk is dat sprake is van werkelijke betalingsproblemen op het moment van het verzoek om uitstel of naar verwachting op korte termijn daarna (met deze korte termijn bedoelt de overheid met name aan te sluiten bij de periode waarin de actuele coronabeperkingen van het kabinet ten aanzien van uw onderneming gelden).
  • Een verklaring dat aannemelijk is dat deze betalingsproblemen hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan.
  • Een liquiditeitsprognose die volgens de derde-deskundige plausibel is. 

De eerste twee vereisten zullen naar verwachting weinig discussie opleveren. De laatste eis zal het meest lastige zijn om in te vullen. Het zal immers niet altijd meevallen om een plausibele liquiditeitsprognose op te stellen als nog niet duidelijk is wanneer de ondernemer zijn bedrijf weer goed kan opstarten. 

De prognose mag echter worden opgesteld aan de hand van de feiten en omstandigheden die op het moment van het indienen van het verzoek om uitstel van betaling bekend zijn. Enige inschatting zal daarbij altijd onvermijdelijk zijn.

Wie komt in aanmerking als derde-deskundige? 

De verklaring van de derde hoeft geen assuranceverklaring te zijn. De verklaring hoeft niet, maar mag wel door een externe accountant worden opgesteld. Het mag ook gaan om een externe consultant, een externe financier of een brancheorganisatie. Wel is het vanzelfsprekend aan de ontvanger om te beoordelen of de verklaring van voldoende kwaliteit is. 

Zonder meer uitstel, of toch meer voorwaarden?

Het is niet zo dat er altijd automatisch uitstel wordt verleend. In de meeste gevallen zal dat wel het geval zijn, echter kan de ontvanger in bijzondere omstandigheden er toch toe besluiten om geen uitstel te verlenen of al verleend uitstel van betaling in te trekken. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als de ontvanger vreest dat zijn verhaalsmogelijkheden in gevaar komen.
Krijgt u geen uitstel? Neem dan contact met ons op. 

Hoe wordt het lange bijzondere uitstel verder afgewikkeld?

Indien u uitstel heeft voor langer dan drie maanden, geldt dit voor belastingaanslagen die uiterlijk worden opgelegd tot en met 30 juni 2021. Met ingang van 1 oktober 2021 moet u uw nieuwe betalingsverplichtingen hervatten. Ook moet u dan beginnen met het aflossen van de achterstallige schulden. U kunt aflossen gedurende een periode van maximaal 36 maanden in maandelijks gelijke termijnen. Bij verlengd uitstel mag u ook pre coronaschulden meenemen in de betalingsregeling van 36 maanden.

Mocht u de schulden niet binnen deze periode kunnen aflossen, neem dan contact met ons op. Wellicht kan de ontvanger in overleg overgaan tot het toepassen van maatwerk.

(Bron: BDO)