All posts in Nieuws voor de Zelfstandige zonder personeel (ZZP), belastingnieuws, ondernemerschap

Sinds 2016 is de Verklaring Arbeidsrelatie vervangen door de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelatie. Hoewel sommige zzp’ers zich afvragen of dit een verbetering is, gaf de Verklaring Arbeidsrelatie ook niet altijd zekerheid. Zeker niet als de aanvrager fouten had gemaakt bij het aanvragen van deze verklaring.

Een vrouw werkte in de jaren 2012 en 2013 als ziekenverzorgende. Zij verrichtte deze werkzaamheden uitsluitend via aangewezen zorginstellingen. De vrouw had voor 2012 en 2013 om een Verklaring arbeidsrelatie winst uit onderneming (VAR-WUO) gevraagd. De Belastingdienst verleende de vrouw voor deze jaren een VAR-WUO. Maar bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2012 en 2013 nam de inspecteur toch het standpunt in dat de vrouw geen ondernemer was. De vrouw begon daarop een beroepsprocedure.

Geen ondernemerschap

Hof Arnhem-Leeuwarden stelt ten eerste dat de vrouw geen ondernemer was.  De eindverantwoordelijkheid voor de te verlenen zorg lag namelijk bij de zorginstellingen. Deze zorgaanbieders hadden daardoor een instructiebevoegdheid. Ook kon de vrouw zich niet zonder toestemming van de zorgaanbieder laten vervangen. Zij lijkt evenmin enig ondernemersrisico te lopen.

VAR wekt geen vertrouwen

Vervolgens stelt de vrouw dat de afgegeven VAR-WUO bij haar te honoreren vertrouwen heeft opgewekt. Omdat de VAR-beschikkingen niet zijn herzien, moet de inspecteur bewijzen dat dit vertrouwen niet is opgewekt. Hij doet dit door erop te wijzen dat de vrouw een vraag in het aanvraagverzoek voor de VAR fout heeft beantwoord. Zij heeft namelijk ten onrechte ingevuld dat zij zich zonder toestemming kon laten vervangen. Bovendien heeft zij in de aanvraag voor 2013 aangegeven dat zij haar werkzaamheden voor 50% via bemiddeling verricht. In werkelijkheid is dat 100%. Daardoor heeft de Belastingdienst een verkeerde voorstelling van zaken gekregen. Onder deze omstandigheden wekt een VAR geen te honoreren vertrouwen op, zo oordeelt het hof. Het hof oordeelt dat de vrouw resultaat uit overige werkzaamheden heeft genoten.

(Bron: Taxence)

Het kabinet vindt het nodig om de arbeidsmarkt (op verschillende punten) te hervormen om onder meer duidelijkheid te creëren over de kwalificatie van de arbeidsrelatie en te komen tot een gelijker speelveld op het gebied van fiscaliteit, sociale zekerheid en arbeidsrecht. Het huidige kabinet zal daartoe een eerste stap maken, maar de echte veranderingen worden overgelaten aan het volgende kabinet. In dit artikel informeren wij u over de stand van zaken met betrekking tot het werken met zelfstandigen, gelet op de recente ontwikkelingen en voor zover het de loonheffingen aangaat.

Wetsvoorstellen ‘Minimumtarief voor zelfstandigen’ en ‘Zelfstandigenverklaring’ worden niet verder uitgewerkt

Het ‘Wetsvoorstel Minimumtarief voor zelfstandigen’ en het ‘Wetsvoorstel Zelfstandigenverklaring’ heeft gezorgd voor vele reacties vanuit het veld. De gekozen maatregelen zouden grote administratieve lasten met zich meebrengen, voor veel onduidelijkheid zorgen, geen draagvlak hebben en niet uitvoerbaar en handhaafbaar zijn voor de uitvoerende instanties. Het kabinet heeft aangegeven dat het niet goed mogelijk is om tegemoet te komen aan de bezwaren zonder tegelijkertijd fors afbreuk te doen aan de effectiviteit van de maatregelen. Een goed alternatief is niet voorhanden. Dit alles in acht nemende, heeft het kabinet doen besluiten de wetsvoorstellen niet verder uit te werken.

Webmodule

De plannen met betrekking tot de webmodule blijven in stand. Met de webmodule ontwikkelt het kabinet een instrument om opdrachtgevers duidelijkheid en waar mogelijk zekerheid te geven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen.

Als uit de beantwoording van de vragen in de webmodule volgt dat buiten dienstbetrekking wordt gewerkt, dan ontvangt de opdrachtgever een zogeheten opdrachtgeversverklaring. Met deze opdrachtgeversverklaring krijgt de opdrachtgever zekerheid dat een bepaalde opdracht buiten dienstbetrekking (en buiten fictieve dienstbetrekking) kan worden uitgevoerd. Voor deze opdracht heeft de opdrachtgever zekerheid dat geen loonheffingen hoeft te worden ingehouden en/of afgedragen. De vrijwaring geldt uiteraard alleen voor zover de vragen in de webmodule naar waarheid zijn ingevuld en er in de praktijk dienovereenkomstig wordt gewerkt. Wordt een indicatie dienstbetrekking afgegeven, dan heeft dit geen rechtsgevolgen. Echter, de kans dat daadwerkelijk sprake is van een dienstbetrekking is reëel en de opdrachtgever doet er dan ook verstandig aan om bij een indicatie dienstbetrekking te onderzoeken of de wijze waarop de arbeidsverhouding is vormgegeven, moet worden herzien. Als de webmodule geen oordeel kan geven, kan de opdrachtgever gebruik maken van de andere instrumenten die duidelijkheid geven over de aard van de arbeidsrelatie.

Opdrachtgevers worden niet verplicht de webmodule te gebruiken, omdat de webmodule bedoeld is als hulpmiddel voor opdrachtgevers die twijfelen aan de kwalificatie van een arbeidsrelatie. Er is geen registratie van afgegeven opdrachtgeversverklaringen, omdat de webmodule anoniem wordt ingevuld.

Pilot webmodule

De webmodule is nog niet definitief. Naar verwachting start op 11 januari 2021 een pilot. In de zomer van 2021 kan dan vervolgens een evaluatie van de pilot plaatsvinden en een beslissing worden genomen over het verdere vervolg van de webmodule. Na afloop van de pilot webmodule beslist het kabinet op welk moment de handhaving (gefaseerd) wordt opgestart, op z’n vroegst is dat 1 oktober 2021.

Handhaving en toezicht

De Belastingdienst houdt toezicht op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen. De uitvoering hiervan geschiedt binnen de kaders van het handhavingsmoratorium. De Belastingdienst kan onder het handhavingsmoratorium alleen handhaven (naheffingsaanslagen en/of boetes opleggen) als er sprake is van kwaadwillendheid of indien aanwijzingen niet binnen een redelijke termijn zijn opgevolgd.

De looptijd van het toezichtsplan is inmiddels verlengd tot 1 januari 2022.

Modelovereenkomsten

De modelovereenkomsten kunnen voorlopig nog worden gebruikt en verlengd worden als dat nodig is. Of deze overeenkomsten blijven bestaan, wordt nog bekeken. 

(Bron: BDO)

Als zzp’er kunt u, naast uw reguliere werkzaamheden, een extra parttimebaan in loondienst hebben. Soms kunt u deze extra inkomsten via de absorptieregeling onder de winst van uw bedrijf scharen. Handig om bijvoorbeeld te voldoen aan het urencriterium. In dit artikel vertellen we u alles wat u moet weten over de absorptieregeling, zoals wanneer u deze kunt toepassen en wat de voordelen zijn.

Fiscale voordelen via de absorptieregeling

Met de absorptieregeling kunt u looninkomsten onder voorwaarden als winst aanmerken. Het voordeel hiervan is, dat hierdoor de fiscale voordelen met betrekking tot de winst ook op uw looninkomsten van toepassing zijn. Denk daarbij aan de mkb-vrijstelling, zelfstandigenaftrek en de startersaftrek.

Samenhang werkzaamheden vereist voor absorptieregeling

Looninkomsten mogen echter alleen als winst worden aangemerkt, indien voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Zo moet er om te beginnen een nauwe samenhang bestaan tussen de werkzaamheden in dienstbetrekking en die als ondernemer. Is die er niet, dan kunt u de absorptietheorie niet toepassen.

Inkomsten uit loon lager dan winst

Verder is vereist dat de looninkomsten een ondergeschikte plaats innemen ten opzichte van de winst van uw bedrijf. Wanneer dit het geval is, staat nergens zwart op wit, maar de inkomsten uit de dienstbetrekking moeten in ieder geval fors minder zijn dan de winstinkomsten.

Tip! Voldoet u aan alle voorwaarden voor de absorptieregeling? Dan werkt dit positief door in het urencriterium. De in loondienst gewerkte uren tellen dan namelijk hiervoor mee.

Acteur vangt bot bij toepassen absorptieregeling

Onlangs wilde een acteur de absorptieregeling toepassen, maar de fiscus en ook de rechtbank Noord-Holland gingen hiermee niet akkoord. De looninkomsten van de acteur bedroegen in het jaar namelijk € 46.850, terwijl het winstinkomen bijna € 55.000 bedroeg. Volgens de rechtbank waren de looninkomsten niet van bijkomstige aard, en namen deze geen onderschikte plaats in ten opzichte van de werkzaamheden in het kader van de onderneming.

Meer bekendheid absorptieregeling door coronacrisis

De absorptieregeling is vrij onbekend, maar daar kan vanwege de coronacrisis zomaar verandering in komen. Zzp’ers zullen momenteel soms vanwege de onzekere toekomst (parttime) een dienstbetrekking vervullen. Ze zullen dan vanwege de fiscale faciliteiten deze inkomsten het liefst als onderdeel van de winst aan willen merken.

Let op! Houd er rekening mee dat de werkzaamheden in loondienst moeten samenhangen met de werkzaamheden die u verricht in de onderneming én dat de looninkomsten ondergeschikt moeten zijn.

Bent u ondernemer, heeft u relatief kleine looninkomsten naast uw winst uit onderneming en wilt u gebruik maken van deze mogelijkheid? Laat u goed adviseren over de mogelijkheden!

(Bron: DRV)

De overheid ‘sleutelt’ al jarenlang aan passende wetgeving voor zzp’ers. Deze hervorming is voortdurend nodig, omdat vaak blijkt dat zzp’ers eigenlijk schijnzelfstandigen zijn. En daarom eigenlijk te beschouwen zijn als werknemers in dienstbetrekking. Dit, terwijl zij in de positie van zzp’er minder bescherming genieten dan een werknemer. Deze problematiek speelt met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, bij zzp’ers met relatief lage tarieven.

Huidige wetgeving: Wet DBA

Op dit moment wordt de positie van zzp’ers nog steeds beoordeeld aan de hand van de Wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties). Deze wet, die zzp’ers beoordeelt aan de hand van door de partijen zelf opgestelde overeenkomsten (waarbij gebruik kan worden gemaakt van door de fiscus goedgekeurde modellen), blijkt in de praktijk niet goed werkbaar. Reden voor de overheid om beperkte handhaving van deze wet (handhavingsmoratorium) toe te passen en aan de slag te gaan met nieuwe regelgeving.

Beperkte handhaving Wet DBA loopt tot 2021

Het handhavingsmoratorium van de Wet DBA loopt in elk geval nog tot 1 januari 2021. Tijdens deze periode van beperkte handhaving treedt de Belastingdienst alleen op als een opdrachtgever kwaadwillend is, of als een opdrachtgever na aanwijzingen van de Belastingdienst zijn werkwijze niet binnen een redelijke termijn aanpast. Kortom, de Belastingdienst controleert nog wel: het is nog steeds belangrijk om de zzp-overeenkomsten goed op orde te hebben.

Een webmodule voor de toekomst

De overheid is van plan in het najaar van 2020 een pilot te draaien met een vrijwillig toe te passen webmodule. Deze webmodule is een online vragenlijst waarmee opdrachtgevers – mits de vragen naar waarheid zijn ingevuld – duidelijkheid kunnen krijgen over de vraag of een opdracht ‘buiten dienstbetrekking’ mag worden uitgevoerd. Als dat het geval is, wordt een opdrachtgeversverklaring afgegeven. Opdrachtgevers hebben dan vooraf de zekerheid dat ze geen loonbelasting en premies werknemersverzekeringen hoeven te betalen. Een verschil met de huidige situatie is dus dat de vragen (net als vroeger) weer vooraf worden gesteld en beoordeeld.

Wanneer de pilot met de (vrijwillig in te vullen) webmodule wordt opengesteld is op dit moment nog niet bekend. Verder gaat de overheid kijken of het mogelijk is om de arbeidsrechtelijke positie van bepaalde groepen zzp’ers, zoals zzp’ers die voor een platform werken, te versterken. Bijvoorbeeld door verplichtstelling van een ziekteverzekering en een pensioenregeling.

De verwachting

De verwachting is dat een groot deel van de bedrijven in de toekomst de werkrelatie anders zal moeten gaan inrichten als ze een opdracht door een zzp’er willen laten uitvoeren. Niet zozeer de beoordelingscriteria worden gewijzigd, maar wel zal er diepgaander en strenger worden gewogen. Het is daarom belangrijk om de risico’s alvast goed in te schatten en de ontwikkelingen in de komende tijd goed te blijven volgen.

Advies

Wilt u met zzp’ers (blijven) werken, speel dan alvast in op de ontwikkelingen. Houd uw contracten nog eens tegen het licht. Verklein de risico’s door te zorgen voor het (aantoonbaar) zelfstandig en vrij verrichten van de opdrachtwerkzaamheden door de zzp’er. Denk hierbij aan het regelen van zaken als vrijheid van vervanging, het aangaan van een resultaatverplichting in plaats van een inspanningsverplichting, het werken met eigen materialen, de looptijd van de opdracht, de ruimte voor het verrichten van andere opdrachten bij andere opdrachtgevers, etc.

(Bron: ACCONAVM)

Het kabinet kondigde eind 2019 nieuwe wetgeving aan voor de inhuur van zzp’ers. Daarbij werd een zelfstandigenverklaring en minimumtarief voor zzp’ers voorgesteld. Die maatregelen blijken nu toch niet haalbaar te zijn en worden ingetrokken. Wij informeren u over de laatste ontwikkelingen.

Nieuwe regelgeving

De vervanging van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA), die moet regelen wanneer een zzp’er niet in loondienst werkt, blijkt een lastige opgave. Eind vorig jaar schetste het kabinet de contouren van de nieuwe wetgeving in een concept wetsvoorstel. In dit voorstel werd een minimumtarief voor zzp’ers en een zelfstandigenverklaring voor de bovenkant van de markt geïntroduceerd.

Bij de verdere invulling van het voorstel kwamen veel bezwaren naar voren. Vooral de administratieve lasten, de complexiteit en het niet kunnen handhaven van de wet bleken grote obstakels. Het kabinet heeft daarom besloten het minimumtarief en de zelfstandigenverklaring niet verder uit te werken.

Webmodule

In een eerder artikel informeerden wij u over de ontwikkeling van een webmodule voor u als  opdrachtgever. Die webmodule bestaat uit een vragenlijst die aan opdrachtgevers duidelijkheid moet verschaffen over de vraag of een opdracht buiten dienstbetrekking mag worden uitgevoerd. Het kabinet zet de ontwikkeling van deze module voort. Op dit moment zijn er nieuwe vragen in de module opgenomen over de specifieke situatie voor de inhuur van zzp’ers via tussenpersonen en van aannemers.

De webmodule is naar verwachting in het najaar klaar voor een pilot, die ongeveer een half jaar zal duren. In deze periode biedt de webmodule nog geen zekerheid aan opdrachtgevers. Pas na de pilot neemt het kabinet definitief een beslissing over het verdere vervolg van de webmodule.

Handhavingsmoratorium

De huidige Wet DBA wordt niet gehandhaafd tot 1 januari 2021 (tenzij sprake is van kwaadwillendheid). In het najaar neemt het kabinet een beslissing over mogelijke verlenging van deze termijn. Na afronding van de pilot met de webmodule bekijkt het kabinet of met (gefaseerde) handhaving kan worden gestart.

Hoe nu verder?

Wij verwachten dat door de intrekking van de voorstellen én met een pilot voor de boeg, er ook op 1 januari 2021 nog geen duidelijkheid zal zijn over de kwalificatie van de arbeidsrelatie van de zzp’er. Het blijft daarom belangrijk om afspraken met zzp’ers binnen de huidige kaders vast te leggen. Onze specialisten adviseren u graag hierover en kunnen u desgewenst assisteren bij deze vastlegging.

(Bron: ABAB)

Wij hebben u eerder geïnformeerd over de aanscherping van de handhaving door de Belastingdienst rond de Wet DBA. Naar aanleiding van nadere berichtgeving van de Belastingdienst vragen wij nogmaals uw aandacht voor de handhaving rond de Wet DBA.

Verlenging en aanscherping handhaving 

Op dit moment heeft de Belastingdienst slechts de mogelijkheid om na te heffen en boetes op te leggen bij de opdrachtgevers ingeval van kwaadwillendheid. Hiervan is sprake indien de Belastingdienst kan bewijzen dat:

  • er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking; en
  • er sprake is van evidente schijnzelfstandigheid; en
  • er sprake is van opzettelijke schijnzelfstandigheid

Deze regels zijn verlengd tot 1 januari 2021 en aangescherpt met ingang van 1 januari 2020. De aanscherping houdt in dat de Belastingdienst met ingang van 1 januari 2020 ook kan handhaven wanneer opdrachtgevers aanwijzingen over de wijze van werken van de Belastingdienst niet (of in onvoldoende mate) binnen redelijke termijn volgen.

Verscherpt toezicht per oktober 2019!

De Belastingdienst heeft onlangs op haar website kenbaar gemaakt dat zij vanaf oktober 2019 al start met verscherpt toezicht, middels loonbelastingcontroles. Blijkt dat sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking en dat er geen sprake is van kwaadwillendheid, dan zal de Belastingdienst in eerste instantie geen boetes opleggen of naheffen. De Belastingdienst zal dan eerst aanwijzingen geven over de wijze van werken.

De opdrachtgever krijgt dan 3 maanden de tijd om de wijze van werken zo aan te passen dat:

  • er sprake is van een dienstbetrekking en dit als zodanig wordt verwerkt in de loonaangifte; of
  • dat de arbeidsrelatie zo wordt vormgegeven dat er sprake is van werken buiten dienstbetrekking

Indien de aanwijzingen niet (of in onvoldoende mate) binnen de termijn van 3 maanden worden opgevolgd zal de Belastingdienst handhaven. De eerste correcties en boetes kunnen zo per 1 januari 2020 worden opgelegd.

(Bron: Koen en Co)

Rechtbank Den Haag oordeelt dat terecht naheffingsaanslagen btw zijn opgelegd. X is ondernemer en aangifteplichtig voor de omzetbelasting, ondanks uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie wegens emigratie.

X is belastingadviseur en heeft zich per 2008 uit laten schrijven uit de gemeentelijke basisadministratie wegens emigratie. De Belastingdienst heeft X hierdoor uitgeschreven als ondernemer voor de omzetbelasting. Na emigratie heeft X zijn werkzaamheden voortgezet, hierop omzetbelasting in rekening gebracht en geen aangiftes omzetbelasting meer ingediend. De inspecteur legt naheffingsaanslagen en boetes op over de tijdvakken januari 2010 tot en met december 2014. Volgens X is niet gereageerd op de verzoeken aangifte btw te mogen doen. De inspecteur zegt de brieven niet te hebben ontvangen. Verder staat in brieven van de inspecteur aan X met betrekking tot de intrekking van zijn beconnummer volgens X dat hij niet meer economisch actief is. X stelt hieraan het vertrouwen te kunnen ontlenen dat hij geen aangifteplicht meer heeft. Uiteindelijk gaat X in beroep.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. X heeft niet bewezen dat hij heeft verzocht om uitreiking van btw-aangiften. Verder houdt de intrekking van het beconnummer geen verband met het ondernemerschap van X. Aan de intrekking kan geen vertrouwen worden ontleend, welk oordeel wordt versterkt door het feit dat X omzetbelasting in rekening bleef brengen. Het beroep is gegrond met betrekking tot de herrekening van de hoogte van de naheffingsaanslagen en boetes.

(Bron: Taxlive)

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inkomsten die mevrouw X als hoofddistribiteur geniet redelijkerwijs te verwachten zijn en niet slechts speculatief zijn.

Mevrouw X werkt vanaf 2002 voor een multi-level-markertingorganisatie die handelt in magnetische sieraden en wellness-producten. X is eerste distribiteur in Nederland. X ontvangt – behalve opbrengsten uit haar eigen verkopen – ook commissies over de verkopen die in haar netwerk door sub-distribiteurs zijn behaald. Deze commissies zijn door X niet als winst aangegeven. In geschil zijn diverse IB-(navorderings)aanslagen en in het bijzonder is in geschil of de commissies voor X een bron van inkomen zijn, zoals de inspecteur stelt.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inkomsten die X als hoofddistribiteur geniet redelijkerwijs te verwachten zijn en niet slechts speculatief zijn (vgl. Hof ’s Hertogenbosch 18 januari 2018, 16/03629, V-N 2018/23.11). De inspanningen van X zijn namelijk de basis voor de door haar behaalde positieve resultaten. Het maakt niet uit dat de hoogte van de commissies afhankelijk was van het behalen van verkooptargets en in die zin dus onzeker was. X maakt niet aannemelijk dat zij voldoet aan het urencriterium van de zelfstandigenaftrek. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn krijgt X een immateriële schadevergoeding van € 3500.

(Bron: Taxlive)

Als een activiteit gedurende verschillende jaren steeds verliezen oplevert, is het nog maar de vraag of een omzetstijging in een jaar voldoende is om te bewijzen dat steeds sprake was van een bron van inkomen.

Een man heeft in zijn aangifte IB/PVV een negatief resultaat uit overige werkzaamheden opgegeven. Deze werkzaamheden bestaan uit het opnemen en uitbrengen van cd’s met kinderliedjes. Volgens de man heeft hij de afgelopen jaren vier tot vijf cd’s opgenomen en uitgebracht. In de periode 2014 tot en met 2016 verkocht hij jaarlijks ongeveer 50 cd’s. In 2017 steeg de omzet volgens de man naar 250 stuks. Hij verwacht dat de verkopen in de volgende jaren zullen toenemen. De inspecteur ziet de toekomst van de cd-verkoop minder rooskleurig in. Hij meent dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt. In dat geval is geen sprake van een bron van inkomen.

Blijvend verliesgevend

Het geschil belandt voor Hof Amsterdam. Het hof redeneert dat men in beginsel op basis van feiten en omstandigheden van het desbetreffende jaar moet vaststellen of in dat jaar sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Men mag feiten en omstandigheden van andere jaren meewegen als deze ook licht werpen op dit vraagstuk. Het hof constateert dat in de jaren 2013, 2014 en 2015 de kosten een vijfvoud betroffen van de opbrengsten. Bij een gelijkblijvende verkoop van 50 cd’s per jaar is de verwachting dat de activiteit blijvend verliesgevend is. Er is dan geen bron van inkomen. Zelfs al zou de man inderdaad 250 cd’s hebben verkocht in 2017, dan is deze omstandigheid op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat wel sprake is van een bron van inkomen, aldus het hof. Het hof oordeelt dat de inspecteur terecht de aftrek van het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden heeft geweigerd.

(Bron: Taxence)

De Belastingdienst heeft het begrip ‘gezagsverhouding’ in het Handboek Loonheffingen 2019 nader toegelicht. De beoordeling van de gezagsverhouding is belangrijk voor de vraag of een opdrachtnemer in dienstbetrekking staat tot een opdrachtgever. Deze nadere toelichting geeft opdrachtgevers en opdrachtnemers meer handvatten om zelf te beoordelen of er sprake is van een gezagsverhouding.

Beoordeling gezagsverhouding

In de nadere toelichting op het begrip ‘gezagsverhouding’ gaat de Belastingdienst in op de elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de gezagsverhouding. Bij de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding spelen alle relevante elementen en hun onderlinge verhouding een rol. Het is niet mogelijk om van tevoren alle mogelijke elementen te definiëren. In de uitleg in het Handboek Loonheffingen is in ieder geval ingegaan op de volgende elementen:

  • Leiding en toezicht
    Bij leiding en toezicht wordt gekeken naar de invloed die de opdrachtgever heeft op de manier waarop de werkende de werkzaamheden uitvoert. Belangrijk hierbij is dat de opdrachtgever het recht heeft om instructies en aanwijzingen te geven. Of dit daadwerkelijk wordt gedaan is hierbij niet van belang. Zo kan er toch sprake zijn van een gezagsverhouding als het werk eenvoudig van aard is en het daardoor nagenoeg niet nodig is om opdrachten en aanwijzingen te geven.
  • Vergelijkbaarheid personeel
    Hier wordt gekeken naar de verhouding tussen de opdrachtnemer en de werkende en in hoeverre deze verhouding vergelijkbaar is met het personeel dat in dienst is bij de opdrachtgever. Een aanwijzing voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding bestaat als de werkzaamheden die de werkende bij de opdrachtgever verricht, bij deze opdrachtgever ook worden verricht door mensen in dienstbetrekking. Als de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van de opdrachtgever, dan is de kans groter dat er sprake is van een gezagsverhouding.
  • Werktijden, locatie, materialen, hulpmiddelen en gereedschappen
    Bij dit element is van belang in hoeverre de werkende zelf zijn werktijden en de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, kan bepalen. Ook is het hierbij relevant of de werkende al dan niet zelf voor materialen en hulpmiddelen zorgt die gebruikt worden bij de werkzaamheden.
  • Manier waarop de werkende naar buiten treedt
    Indien de werkende als een zelfstandige naar buiten treedt (bijvoorbeeld wanneer de werkende bedrijfskleding van zijn eigen bedrijf mag gebruiken), dan is dit een aanwijzing dat er geen gezagsverhouding is.

Naast de voornoemde elementen kunnen ook andere factoren een rol spelen bij de beoordeling van een gezagsverhouding. Hierbij valt te denken aan risicoaansprakelijkheid, een concurrentie- of relatiebeding en bijvoorbeeld ook doorbetaling ingeval van ziekte.

Opvolging Wet DBA

De Staatssecretaris heeft onlangs aangegeven dat de nieuwe wetgeving (de opvolger van de Wet DBA) naar verwachting per 1 januari 2021 in werking zal treden. Tot dan is de huidige Wet DBA van toepassing. De handhaving van de Wet DBA is opgeschort tot in ieder geval 1 januari 2020. Dit houdt in dat opdrachtgevers en opdrachtnemers tot 1 januari 2020 geen boetes of naheffingen krijgen als achteraf blijkt dat er sprake is van een dienstbetrekking, tenzij er sprake is van kwaadwillendheid. In dit kader is een juiste beoordeling van de gezagsverhouding dus zeker van belang.

(Bron: Mazars)