Uitspraak Hoge Raad over niet-voortzettingseis in liquidatieverliesregeling

Als een Nederlandse bv een dochtervennootschap liquideert en daarbij een verlies maakt, mag dit zogenaamde liquidatieverlies bij de moedermaatschappij onder voorwaarden in mindering worden gebracht op de fiscale winst. Een van de voorwaarden is dat de activiteiten van de geliquideerde vennootschap niet door een andere groepsvennootschap mogen worden voortgezet. Onlangs heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over het moment waarop deze zogenaamde niet-voortzettingseis moet worden beoordeeld.

De feiten

Belanghebbende (hierna: A nv) was actief op de Indonesische verzekeringsmarkt en had een deelneming in dat land, namelijk X. De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting was van toepassing op het aandelenbelang in X. X draagt in 2002 een gedeelte van haar activiteiten over aan Y, een verbonden lichaam van A nv. De aandelen in Y worden vervolgens eind 2003 verkocht aan een niet met A nv verbonden lichaam.
X wordt in juni 2004 geliquideerd. De vereffening wordt uiteindelijk voltooid in 2010. Bij beschikking wordt het verlies van A nv voor het jaar 2010 vastgesteld. Daarbij heeft A nv een verlies voor de liquidatie van X aangegeven. De inspecteur staat dit liquidatieverlies niet in aftrek toe. De Rechtbank Noord-Holland volgt de inspecteur. A nv gaat daarop in cassatie. Discussiepunt is het moment waarop de zogenaamde niet-voortzettingseis in de liquidatieverliesregeling moet worden getoetst.

Op welk moment toetsen?

Volgens wettelijke bepalingen mag een liquidatieverlies niet eerder in aanmerking worden genomen dan op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid. Daarnaast moet voldaan zijn aan een aantal voorwaarden. Eén van die voorwaarden luidt dat de onderneming van het ontbonden lichaam geheel is gestaakt, of geheel of gedeeltelijk wordt voortgezet door een ander dan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam (de niet-voortzettingseis). Volgens de Rechtbank Noord-Holland hoort de toetsing of aan deze eis wordt voldaan plaats te vinden op het moment van de voortzetting direct na overdracht van de ondernemingsactiviteiten, dus in 2002. A nv is van mening dat dit moet gebeuren in 2010; het jaar waarin de vereffening van X is voltooid.

Visie van de Hoge Raad

De niet-voortzettingseis heeft het karakter van een antimisbruikbepaling. Aangezien uit de wettekst niet volgt op welk moment aan de niet-voortzettingseis moet worden voldaan, moet zoveel mogelijk worden aangesloten bij wat de wetgever heeft willen bestrijden met het invoeren van de regeling. De wetgever vond het daarbij onwenselijk dat een concern naar keuze de verliesverrekeningsmogelijkheden bij een dochtervennootschap kan inruilen voor een liquidatieverlies bij de moedervennootschap, door de activiteiten van de dochtervennootschap in een ander gedeelte van het concern onder te brengen. Dit heeft de wetgever tegen willen gaan door de aftrek van een liquidatieverlies pas toe te staan op het moment dat de band tussen het concern en de dochtervennootschap daadwerkelijk is verbroken. De wetgever wilde in het geval van voortzetting van (een gedeelte van) de onderneming binnen het concern de aftrek van het liquidatieverlies niet uitsluiten, maar uitstellen tot het latere moment waarop de gehele onderneming zou zijn gestaakt of door een derde zou zijn voortgezet. De toetsing of aan de niet-voortzettingseis wordt voldaan, moet dan plaatsvinden op het moment waarop het liquidatieverlies op zijn vroegst in aanmerking wordt genomen. Dat is dan op het moment waarop de vereffening is voltooid.

De conclusie van de Hoge Raad is daarom dat de toetsing plaats moet vinden op het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. A nv wordt in het gelijk gesteld: zij mag het door haar geclaimde liquidatieverlies in 2010 in aftrek brengen

(Bron: ABAB)

Updated: 14 juni 2019 — 10:55