Stappenplan onzakelijke lening en tbs

In een recent besluit geeft de staatssecretaris  onder andere het beleid weer voor leningen en borgstellingen die worden belast  als resultaat uit overige werkzaamheden. Hij geeft een stappenplan voor de  beoordeling voor de (on)zakelijkheid van een lening.

Het aangaan of hebben van een schuldvordering  (lening ) op een ‘eigen’ bv, op een verbonden persoon of op bepaalde  samenwerkingsverbanden wordt onder de terbeschikkingstellingsregeling belast als  resultaat uit een werkzaamheid. De Hoge Raad heeft in een aantal arresten meer  duidelijkheid verschaft over de onzakelijke lening (die onder meer ‘Lening is geheel zakelijk of onzakelijk’ en ‘Verlies op onzakelijke lening verhoogt verkrijgingsprijs  deelneming bij liquidatie’).    Dit betreft zowel de  definiëring van de onzakelijke lening als de afwikkeling ervan. Daarbij is van  belang dat een zakelijke lening wel ten laste van het resultaat mag worden  afgewaardeerd en een onzakelijke lening niet. In het besluit zijn de stappen  gepubliceerd die de staatssecretaris volgt om te beoordelen of sprake is van een  zakelijke of onzakelijke lening binnen de terbeschikkingstellingsregeling.

 

Stap 1. Civiele recht is uitgangspunt

Voor de fiscale duiding (eigen of vreemd  vermogen) van de financieringsovereenkomst is het civiele recht het  uitgangspunt. Een belangrijk element is de terugbetalingsverplichting. Als een  terugbetalingsverplichting onderdeel uitmaakt van de financiering, zal vaak  sprake zijn van een leningsovereenkomst.

 

Stap 2. Kwalificatie lening

Er zijn echter leningen die niet de  gebruikelijke fiscale gevolgen hebben die verbonden zijn aan een  leningsovereenkomst. Deze worden fiscaal afgewikkeld in de kapitaalsfeer en  raken niet de terbeschikkingstellingsregeling; dit betekent onder meer dat een  afwaardering ten laste van het resultaat niet mogelijk is. Het gaat dan om de

  • schijnlening (een lening die alleen in schijn bestaat, omdat partijen in   werkelijkheid geen overeenkomst van geldlening tot stand hebben willen   brengen);
  • deelnemerschapslening (een lening die aan drie cumulatieve voorwaarden   voldoet: winstafhankelijkheid van de vergoeding, achterstelling bij alle   concurrente crediteuren en het ontbreken van een vaste looptijd); en
  • bodemlozeputlening (een lening waarvan op het moment van de   geldverstrekking al duidelijk is dat de opgenomen gelden niet kunnen worden   terugbetaald of verrekend).

 

Stap 3 Corrigeren rentevergoeding: zakelijke lening

Vervolgens wordt de rentevergoeding beoordeeld,  in combinatie met de overige elementen van de overeenkomst, zoals de looptijd en  eventuele zekerheden. Is de rentevergoeding niet in overeenstemming met het ‘at  arm’s length’ beginsel? Dan wordt bezien of dit ter bepaling van het resultaat  kan worden gecorrigeerd zodanig dat wel wordt voldaan aan dit criterium, waarbij  de overige elementen onveranderd blijven. Het mag geen winstdelende lening  worden. Na correctie is dan sprake van een zakelijke lening. Een eventuele  afwaardering kan plaatsvinden ten laste van het resultaat.

 

Stap 4. Corrigeren rentevergoeding niet mogelijk: onzakelijke lening

Als het niet mogelijk is een zakelijk  (niet-winstdelend) rentepercentage vast te stellen, waarbij een onafhankelijke  derde nog bereid zou zijn om een lening onder overigens dezelfde voorwaarden te  verstrekken, dan is sprake van een onzakelijke lening. Een afwaardering kan,  vanwege dit op onzakelijke gronden aanvaarde debiteurenrisico, niet ten laste  van het resultaat uit een werkzaamheid worden gebracht.

 

Stap 5. Beoordelingstijdstip

Of sprake is van een onzakelijke lening moet  worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening. Let er daarbij  op dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd door onzakelijk handelen van  de crediteur alsnog onzakelijk kan worden.

 

Stap 6. Kwijtschelden onzakelijke lening

Het kwijtschelden van een onzakelijke lening zal  leiden tot een informele kapitaalstorting, ook indien en voor zover de vordering  oninbaar is. Immers, het verlies dat de ab-houder bij de kwijtschelding lijdt,  vloeit dan voort uit het debiteurenrisico dat hij heeft aanvaard in zijn  hoedanigheid van aandeelhouder. Ook voor de debiteur zal in zo’n geval de  kwijtschelding als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt.

 

Borgstellingen

In het besluit geeft de staatssecretaris ook de  verschillende situaties aan die spelen rondom een borgstelling. Een borg kan  onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen voor een borgstelling uit hoofde  van een borgstellingsovereenkomst die hij is aangegaan voor een schuld van de bv  waarin hij of een verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft.

(Bron: Taxence)

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit onder de loep

Om het voortbestaan van een onderneming niet in gevaar te brengen, kent de Successiewet de bedrijfsopvolgingsfaciliteit. Deze lag even onder vuur en dat vuurtje is – ondanks een uitspraak van de Hoge Raad – nog niet helemaal gedoofd. Discussie of niet, de vrijstelling bij verkrijging van ondernemingsvermogen is dit jaar zelfs verder omhooggegaan.

Kort gezegd komt de faciliteit erop neer dat degene die ondernemingsvermogen erft of geschonken krijgt – onder voorwaarden – (nagenoeg) geen schenk- en erfbelasting hoeft te betalen. Er geldt namelijk een forse vrijstelling. De verkrijging van ondernemingsvermogen of aandelen in een bv is voorwaardelijk vrijgesteld voor zover de waarde van de objectieve onderneming niet groter is dan € 1.045.611 (2013: € 1.028.132). Is de waarde meer, dan geldt een voorwaardelijke vrijstelling van 83% over het meerdere. Bent u, ondanks de hoge vrijstelling, toch schenk- en erfbelasting verschuldigd, dan kunt u hiervoor tien jaar (rentedragend) betalingsuitstel aanvragen.

Let op! Bij de verkrijging van aandelen geldt deze vrijstelling alleen voor dat deel van de waarde dat toerekenbaar is aan echt ondernemingsvermogen. Daarnaast kan het beleggingsvermogen tot maximaal 5% van het echte ondernemingsvermogen worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. Voor aandelen in een pure beleggings-bv geldt de vrijstelling niet. Zoals gezegd, kent de bedrijfsopvolgingsfaciliteit een aantal voorwaarden. Een van die voorwaarden is dat u als verkrijger de onderneming nog minimaal vijf jaar moet voortzetten. Voldoet u niet aan het voortzettingsvereiste van vijf jaar, dan vervalt de voorwaardelijke vrijstelling en moet er alsnog belasting worden betaald.

Geoorloofde vrijstelling De bedrijfsopvolgingsfaciliteit lag enige tijd onder vuur. De faciliteit zou door de zeer hoge vrijstelling zorgen voor een ongeoorloofd onderscheid tussen de verkrijging van privé- en ondernemingsvermogen. Wie immers particulier vermogen erft, kan geen gebruikmaken van deze vrijstelling. In november vorig jaar besliste de Hoge Raad echter dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Heeft u destijds bezwaar gemaakt tegen een aanslag schenk- en erfbelasting, dan heeft de Belastingdienst inmiddels uw bezwaar collectief afgewezen.

Aanhoudende onrust Wellicht heeft u in de pers iets gelezen over de Stichting Meldpunt Collectief Onrecht. Deze stichting wil een procedure starten bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De stichting is van mening dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit wel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zij roepen dan ook mensen op om via een collectieve procedure mee te procederen.

Het is de vraag of dit zinvol is. De uitkomst is onzeker. Het is daarom verstandig om niet zonder meer aan te haken bij deze collectieve procedure, maar eerst advies in te winnen bij uw adviseur.

(Bron: Schuiteman Accountants & Adviseurs)

Bij middeling moet premie volksverzekeringen ook meetellen

De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar de onderdelen 5.4 tot en met 5.19 van de conclusie van A-G Niessen dat het beroep van mevrouw X ongegrond is. Volgens de A-G fungeert de herrekende premie volksverzekeringen terecht als korting op de IB-teruggaaf.

Mevrouw X verzoekt in 2012 om een IB-middelingsteruggaaf over 2007, 2008 en 2009. Volgens art. 3.154 lid 7 Wet IB 2001 wordt onder de geheven inkomstenbelasting (IB) mede verstaan de premie volksverzekeringen (PVV) en wordt onder de herrekende IB mede verstaan de PVV. X stelt dat bij de berekening van de teruggaaf alleen de IB moet worden betrokken. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de keuze van de wetgever om een middelingsteruggaaf te berekenen aan de hand van belasting- en premiedruk samen niet van redelijke grond is ontbloot. Gelet op de duidelijke wettekst en de wetsgeschiedenis moet de premie wel als rekengrootheid in de middeling worden meegenomen. X gaat in sprongcassatie. De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar de onderdelen 5.4 tot en met 5.19 van de conclusie van A-G Niessen dat het beroep van X ongegrond is. Volgens de A-G fungeert de herrekende premie terecht als korting op de belastingteruggaaf. De middelingsregeling wordt dus materieel ook voor de premieheffing toegepast. Deze keuze van de wetgever is goed te verdedigen en is niet van elke redelijke grond ontbloot. De belasting en premie worden namelijk samen in de eerste schijf geheven en kunnen dus voor het bepalen van de progressie niet los van elkaar worden gezien. De wetgever was redelijkerwijs niet gehouden om de middelingsregeling in te voeren en heeft in deze dus een ruime beoordelingsvrijheid. De regeling is volgens de A-G ook niet in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM, noch van het gelijkheidsbeginsel als vervat in art. 26 IVBPR of art. 14 EVRM. Zo wordt de herrekende premie volksverzekeringen ook niet “bijgeheven”.

(Bron: Taxlive)

Meerderheidsregel zet naheffing aan de kant

Behandelt de Belastingdienst gelijke gevallen niet op een gelijke manier, dan kunt u naar de rechter stappen. Daarbij speelt onder meer de meerderheidsregel een rol. Deze regel kwam onlangs ook aan bod bij het gerechtshof in Den Haag.

De meerderheidsregel houdt in dat als de fiscus weet dat de wet niet correct wordt toegepast bij een meerderheid van gelijke gevallen binnen een regio en daar niet tegen optreedt, u hier een beroep op kunt doen. U moet dan dus aannemelijk maken dat de Belastingdienst in een meerderheid van gelijke gevallen de wet niet correct heeft toegepast.

In vergelijkbare gevallen geen naheffing

In deze zaak ging het om twee directeuren-grootaandeelhouders van een bv die een naheffingsaanslag kregen wegens een te lage bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak. Ze hadden hun eigen bijdrage afgetrokken van de bijtelling, terwijl later bleek dat deze eigen bijdrage eigenlijk een aanbetaling was om de auto later van de leasemaatschappij te kopen. Achteraf bleek dat de fiscus in vergelijkbare gevallen geen naheffingsaanslag had opgelegd. Omdat de inspecteur dit niet kon weerleggen, vernietigde het gerechtshof de naheffingsaanslag. 

(Bron: Fiscalio)

6 vragen en antwoorden over de directeur-grootaandeelhouder (dga)

Eigenaar zijn van een onderneming maakt u nog niet automatisch een zogenoemde directeur-grootaandeelhouder (dga). Wanneer kunt u zichzelf wel beschouwen als een dga en welke dga-categorie is dan op uw situatie van toepassing? Dat leest u in onderstaand artikel: 6 vragen en antwoorden over de directeur-grootaandeelhouder (dga).

1. Wat is een directeur-grootaandeelhouder (dga)?

Een heel duidelijke omschrijving voor een directeur-grootaandeelhouder (dga) is er eigenlijk niet. Er bestaan namelijk meerdere wetten waarin dga’s voorkomen, maar in iedere wet wordt weer een andere definitie gehanteerd. Grofweg kan worden gesteld dat een dga de hoogste baas is binnen een besloten vennootschap (BV) of naamloze vennootschap (NV) en een groot deel van de aandelen bezit.

2. Hoeveel categorieën zijn er?

Volgens de ‘Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder’ bestaan er vier categorieën directeur-grootaandeelhouders:

  1. Een dga die – al dan niet samen met zijn/haar echtgenoot – zoveel aandelen bezit dat hij meer dan de helft van de stemmen in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigt. U heeft dan een meerderheidsbelang en kan niet tegen uw zin worden ontslagen.
  2. Een dga die minder dan de helft van de aandelen bezit (minderheidsbelang) en toch niet ontslagen kan worden, omdat in de statuten is bepaald dat er voor een ontslag sprake moet zijn van een versterkte meerderheid in de algemene vergadering (meer dan 71 procent).
  3. Een groep van meerdere dga’s, die allemaal (nagenoeg) evenveel aandelen hebben en daarmee nevengeschikte dga’s zijn.
  4. Een dga die zelf geen aandelen bezit, maar wiens bloed- of aanverwanten in totaal minstens tweederde van de aandelen bezitten. In dat geval is er sprake van een zekere ‘familievennootschap’.

U heeft te maken met een ‘algemene vergadering van de vennootschap’ indien er bij uw onderneming sprake is van meerdere aandeelhouders. Vaak is dit het geval bij grotere bv’s.

3. Hoe zit het met de aansprakelijkheid?

Voert u een bv of nv? Dan bent u in eerste instantie niet persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van uw bedrijf. Een bv is namelijk een rechtspersoon, waardoor de risico’s niet voor u, maar voor ‘het persoon de bv’ zijn. Overigens kunt u alsnog persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor schulden van uw bv. Ten eerste, omdat veel banken en andere traditionele investeerders u als dga vaak ook privé laten meetekenen voor leningen. Of wanneer er sprake is van één van de volgende situaties:

  • U bent te zware contracten aangegaan terwijl u wist dat de bv hieraan niet kon voldoen.
  • U meldt de Belastingdienst niet op tijd dat u de belastingen en premies niet kunt betalen.
  • U kunt de belastingen en premies niet betalen door onbehoorlijk bestuur in de drie jaar voor de melding aan de Belastingdienst.
  • De bv gaat failliet door onbehoorlijk bestuur in de afgelopen drie jaar, bijvoorbeeld omdat u de jaarrekening te laat heeft gedeponeerd, geen boekhouding heeft bijgehouden of activa ongunstig heeft vervreemd.

4. En wat zijn de consequenties voor mijn salaris?

Als directeur-grootaandeelhouder bent u als werknemer in dienst van de bv. U betaalt dan dus eigenlijk salaris uit aan uzelf. Dit moet overigens een normaal salaris zijn, waaraan jaarlijks een zeker minimum wordt gesteld. In 2013 moet u uzelf bijvoorbeeld minimaal 43.000 euro uitbetalen, tenzij u kunt aantonen dat een lager loon gebruikelijk is voor mensen in een soortgelijke functie die géén aanmerkelijk belang hebben. Dat er een minimum aan het salaris van een dga zit, is om te voorkomen dat u belastingvoordeel uit uw inkomsten haalt. Het salaris valt namelijk onder box 1, terwijl de winst uit uw onderneming in het lagere belastingtarief in box 2 komt te staan.

5. Welke risico’s moet ik als dga afdekken?

Werknemers zijn in Nederland verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen (de WW, ZW, WIA). Ook al bent u als DGA in dienst van uw eigen bv: houd er rekening mee dat u níet automatisch verzekerd bent voor de werknemersverzekeringen. Zo bent u niet verzekerd voor deze wetten wanneer:

  • U op de aandeelhoudersvergadering vijfitg procent of meer van de stemmen kunt uitbrengen;
  • Tweederde of meer van de aandelen in handen zijn van u of die van uw familieleden (tot en met de derde graad);
  • U niet tegen uw wil ontslagen kunt worden.

In de praktijk bent u dus alleen automatisch verzekerd als u een minderheidsbelang heeft en als u wel tegen uw wil ontslagen kunt worden.

6. Hoe regelt een dga zijn of haar pensioen?

Doordat u als dga als werknemer wordt aangemerkt, heeft u in principe meer mogelijkheden om een pensioen op te bouwen dan een zelfstandig ondernemer. U kunt een pensioen in eigen beheer opbouwen of via een pensioenverzekeraar:

  • Bij pensioen in eigen beheer is het de bv die u pensioen toekent en uitkeert. Dit legt u vast in een pensioenovereenkomst tussen uzelf en de bv. Handig is dat u daardoor zelf kunt bepalen hoeveel geld u reserveert en wanneer u dat doet. Tegelijkertijd zit daar ook het gevaar: er is geen sprake van een consistente opbouw en u kunt in de verleiding komen om investeringen in uw bedrijf een hogere prioriteit te geven dan uw oudedagvoorziening.
  • Sluit u een pensioenverzekering af bij een verzekeraar, dan betaalt u een vaste pensioenpremie. De verzekeraar beheert uw geld en brengt daarvoor kosten in rekening. U zult meestal duurder uit zijn, maar heeft wel de zekerheid dat uw pensioen veilig is.

Wat mag de fiscus weten?

Het recht van de Belastingdienst op informatie over ondernemingen reikt ver. Hierdoor kunnen ondernemers verplicht worden om gegevensdragers ter beschikking te stellen aan de fiscus. De ondernemer kan er eventueel zelf voor zorgen dat deze geen informatie bevatten die de inspecteur niet hoeft te weten door de administratie te splitsen.

Informatieverplichting

Iedere belastingplichtige is verplicht op verzoek van de inspecteur alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de belastingheffing bij de belastingplichtige zelf. Deze verplichting geldt ook als de ontvanger van de belastingen gegevens en inlichtingen opvraagt voor de inning van de belastingschuld. Voor ondernemers die hun onderneming via een eenmanszaak drijven betekent dit dat zij zelf moeten voldoen aan het informatieverzoek van de Belastingdienst. Wordt de onderneming via een bv gedreven, dan moeten  de bestuurders voldoen aan de informatieverzoeken met betrekking tot de fiscale positie van de bv. Als een belastingplichtige een vertegenwoordiger aanwijst, kan de Belastingdienst ook deze vertegenwoordiger benaderen voor inlichtingen. Als hoofdregel geldt dat men de fiscus niet ongevraagd inlichtingen hoeft te geven. Hierop bestaan uitzonderingen, zoals de verplichting om een correctie op te sturen bij een onjuiste aangifte loonheffingen.

 

Derden

Voor een beperkte groep personen en lichamen bestaat ook een informatieplicht met betrekking tot de fiscale positie van derden. Deze groep bestaat uit de administratieplichtigen en de inhoudingsplichtigen (werkgevers). Zo is een werkgever verplicht de Belastingdienst te vertellen over het privégebruik van een bestelauto van de zaak door zijn werknemer als deze werknemer (ten onrechte) beschikt over een Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto. Geestelijken, notarissen, advocaten, procureurs, artsen en apothekers hoeven de fiscus geen informatie over derden te verstrekken als dat in strijd is met hun ambtelijke geheimhoudingsplicht. Zij hebben een verschoningsrecht.

 

Administratieplicht

Bedrijven zijn daarnaast ook administratieplichtig. Zij moeten daardoor een administratie voeren die voldoende inzicht geeft in onder andere de fiscale positie van de onderneming. Een ambtenaar van de Belastingdienst kan bij een controle om inzage in de administratie vragen. Administratieplichtigen moeten in beginsel aan dit verzoek voldoen. Zij moeten zelfs toestaan dat de controleur kopieën van de administratie maakt. Het is aan te raden de door de controleambtenaar gewenste kopieën zelf te maken en daarbij exact te registreren welke gegevens en kopieën aan de controleambtenaar zijn verstrekt. Zo kunt u bijhouden waar de medewerker van de Belastingdienst zich mee bezig houdt. Administratieplichtigen zijn ook verplicht de ambtenaar inzage te geven in de opzet en werking van hun administratie, zodat de controle binnen een redelijke termijn kan gebeuren.

Gesplitste administratie

Wie niet zijn hele administratie aan de controleur wil geven, doet er goed aan een gesplitste administratie bij te houden. Het ene deel bevat dan informatie die de controleur mag inzien en het andere deel informatie die hij links kan en moet laten liggen. Een Noorse holding, die haar administratie bijhield op een server die zij met andere bedrijven deelde, had geen splitsing gemaakt. Toen de Noorse belastingdienst een controle hield, vroeg de controleur om een kopie van alle gegevens op de server. De holding weigerde eerst, maar moest uiteindelijk van de belastingrechter toch een back-up maken en overhandigen. De holding bracht de zaak vervolgens voor het Europese Hof van de Rechten voor de Mens. Het Hof constateerde dat de Noorse fiscus het Europees recht niet had geschonden. De controle was een jaar van tevoren aangekondigd, zodat de holding maatregelen had kunnen nemen. Bovendien waren na de controle de digitale gegevens op de back-up gewist en de papieren kopieën vernietigd.

Relevante informatie

De bevoegdheid van de fiscus om informatie op te vragen is echter niet oneindig. De gevraagde informatie moet van belang kunnen zijn voor de heffing of invordering van belastingen. Een informatieverzoek mag dus slechts zien op fiscaal relevante informatie. De grenzen van de informatiebevoegdheid zijn echter zeer ruim. Dit komt omdat de betekenis van bepaalde gegevens vaak alleen valt te bepalen aan de hand van hun onderlinge samenhang. Overigens mag men wel informatie of gegevens weigeren als de fiscus deze alleen vraagt om een boete op te kunnen leggen.

Behoorlijk gedrag van de fiscus

Bij zijn verzoek om inlichtingen moet de controleur zich wel redelijk opstellen. Hij mag het de belastingplichtige niet te moeilijk maken om te voldoen aan de informatieverplichting. De fiscus is daarbij gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

(Bron: Taxence)

Hoe lang moet u uw administratie bewaren?

Iedere ondernemer is wettelijk verplicht zijn administratie 7 jaar te bewaren (fiscale bewaarplicht). Wij streven echter naar zo min mogelijk administratieve lasten en hanteren soms kortere bewaartermijnen. Hoe lang u uw administratie moet bewaren, hangt af van het belang dat wij hebben bij de verschillende soorten gegevens in uw administratie. Bepaalde onderdelen van uw administratie worden aangemerkt als basisgegevens. Daarbij moet u denken aan:

  • het grootboek
  • de debiteuren- en crediteurenadministratie
  • de voorraadadministratie
  • de in- en verkoopadministratie
  • de loonadministratie

De basisgegevens moeten 7 jaar bewaard blijven. Na deze termijn vragen wij deze gegevens niet meer bij u op.

Uitzondering

In verband met de herzieningstermijn van de aftrek voorbelasting voor onroerende zaken, zoals bedrijfspanden, moet u de gegevens van onroerende zaken 10 jaar bewaren.

Voor de overige gegevens kunt u met ons afspraken maken over kortere bewaartermijnen dan 7 jaar. Voor de basisgegevens en de overige gegevens kunt u met ons afspraken maken over:

  • de vorm waarin u de gegevens bewaart (op papier of elektronisch)
  • het detailniveau (bijvoorbeeld dagstaten of telstroken van de kassa)

Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd.

Let op!

De kortere bewaartermijnen gelden uitsluitend voor de Belastingdienst. Bij andere overheidsinstellingen kunt u dus nog te maken krijgen met de wettelijke bewaartermijn van 7 jaar.

De bewaarplicht geldt ook voor computerprogramma’s en bestanden. U moet er dus ook voor zorgen dat deze programma’s en bestanden bij een controle kunnen worden gebruikt. Met het uitsluitend bewaren van een bestand in afgedrukte vorm voldoet u niet aan uw bewaarplicht. Wel kunt u, onder bepaalde voorwaarden, bestanden en andere gegevens in een andere vorm bewaren. Dit wordt conversie genoemd. De voorwaarden zijn:

  • U zet alle gegevens over.
  • U zet de gegevens inhoudelijk juist over.
  • U zorgt ervoor dat de nieuwe gegevensdrager tijdens de hele bewaartermijn beschikbaar is.
  • U kunt de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd (re)produceren en leesbaar maken.
  • U zorgt ervoor dat een controle van de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd kan worden uitgevoerd.

Het is verstandig om, voordat u tot conversie overgaat, uw plannen aan ons voor te leggen.

Laat u (een deel van) uw administratie verzorgen door een computer- of loonservicebureau? Dan vallen de gegevensdragers van die servicebureaus waarop gegevens staan over uw onderneming, ook onder de fiscale bewaarplicht.

(Bron: Belastingdienst)

De Dga en zijn bv

Haal met de adviezen die in deze checklist zijn opgenomen het beste uit de fiscale positie van de directeur-grootaandeelhouder (dga).

De volgende onderwerpen komen aan bod:

1. Wie is directeur-grootaandeelhouder?

2. Fiscale gevolgen bij aanmerkelijk belang

3. Dividend uitkeren aan de dga

4. Houd rekening met toepassing tbs-regeling

5. Wijk niet te veel af van het gebruikelijk loon

6. Houd rekening met bijzonderheden bij loongifte dga

7. Ga na of sprake is van omzetbelastingplicht

8. Onderschat de aansprakelijkheidsrisico’s niet

9. Verkoop, fusie of liquidatie van de bv

1. Wie is directeur-grootaandeelhouder?

De directeur-grootaandeelhouder (dga) is enerzijds directeur van een bv en anderzijds aandeelhouder. Voor de vraag of bepaalde inkomsten wel of niet belast zijn en in hoeverre de dga als bestuurder van de bv aansprakelijk is voor de schulden van de bv, kijkt men altijd eerst in welke hoedanigheid de dga heeft gehandeld.

Directeur en enig grootaandeelhouder

De directeur die tevens grootaandeelhouder is, bezit een aanzienlijk deel van de aandelen in de bv. Het is echter niet helemaal duidelijk vanaf welke percentage van een grootaandeelhouder kan worden gesproken. Voor de toepassing van bepaalde regelingen zoals de aanmerkelijk belangregeling speelt het percentage aandelen (en stemrecht) een belangrijke rol.

Zorg voor een zakelijke relatie

De relatie tussen de dga en de bv moet berusten op zakelijk gronden. Dat wil zeggen dat de dga zijn bv op dezelfde manier moet behandelen als iedere willekeurige andere partij.

2. Fiscale gevolgen bij aanmerkelijk belang

De dga heeft een aanmerkelijk belang in zijn bv. Hierdoor krijgt hij bij vrijwel iedere opbrengst afkomstig van de bv of bij de verkoop van de aandelen van de bv te maken met de zogenoemde aanmerkelijk belangheffing in box 2.

Is er sprake van een aanmerkelijk belang?

Als iemand ten minste 5% van de aandelen in een bv of nv bezit is er sprake van een aanmerkelijk belang in deze vennootschap, met alle regelingen die daarbij horen.

Let op de meesleep- en meetrekregeling

Heeft een aandeelhouder een aanmerkelijk belang in een vennootschap, dan worden zijn andere aandelen in die vennootschap automatisch meegesleept. Een aandeelhouder die geen aanmerkelijk belang heeft kan toch onder de aanmerkelijk belangregeling vallen wanneer een met hem verbonden persoon wel een aanmerkelijk belang heeft.

Inkomstenbelasting over inkomen uit aanmerkelijk belang

De dga is als aanmerkelijk belanghouder 25% inkomstenbelasting verschuldigd over zijn inkomen uit aanmerkelijk belang, ook wel de box 2 heffing genoemd. Dit inkomen omvat vrijwel iedere opbrengst afkomstig van de bv of van de verkoop van de aandelen van de bv, met uitzondering van het inkomen dat al belast is in box 1, zoals loon- en pensioeninkomen.

Wat zijn reguliere voordelen?

Reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang zijn: het fictieve rendement bij een buitenlandse beleggingsvennootschap, de teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort en de teruggaaf van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd. Kostenaftrek is alleen op enkele uitzonderingen na mogelijk.

Wat zijn vervreemdingsvoordelen?

Er wordt een vervreemdingsvoordeel behaald bij een positief verschil tussen de overdrachtsprijs (tegenprestatie betaald bij aankoop) en de verkrijgingsprijs (alles wat bij verkoop is ontvangen).

Verreken verliezen uit aanmerkelijk belang

Verliezen uit aanmerkelijk belang zijn in beginsel alleen te verrekenen met inkomsten uit aanmerkelijk belang van het voorafgaande kalenderjaar en de negen komende kalenderjaren.

3. Dividend uitkeren aan de dga

Als een uitkering plaatsvindt (op aandelen) aan de dga met een in Nederland gevestigde bv kwalificeert dit als een dividenduitkering. Over de totale opbrengst van dit dividend wordt 15% dividendbelasting geheven. De dga kan de ingehouden dividendbelasting wel als voorheffing in mindering brengen bij de aangifte inkomstenbelasting.

Doe aangifte dividendbelasting

De dividendbelasting wordt door de bv ingehouden op het uit te keren dividend en deze wordt vervolgens aan de Belastingdienst afgedragen.

Profiteer van vrijstellingen

Een bv hoeft geen dividendbelasting te betalen wanneer de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Er is sprake van een deelneming als een bv minimaal 5% van de aandelen in een andere bv bezit. Daarnaast bestaat in de dividendbelasting ook een vrijstelling voor dividenduitkeringen binnen een fiscale eenheid. Een fiscale eenheid is, grofweg, een eenheid van bv’s waarvan de ene bv minimaal 95% van de aandelen van de andere bv(‘s) bezit.

4. Houd rekening met toepassing tbs-regeling 

Het vermogen van de dga valt in beginsel onder de vermogensrendementsheffing van box 3. Maar wanneer de dga een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan zijn bv of een samenwerkingsverband van die bv wordt dit vermogen belast in box 1.

Trek verlies af tegen progressief tarief

Doordat vermogen bij een terbeschikkingstelling van box 3 naar box 1 verschuift betaalt de dga in plaats van 1,2%, het normale, progressieve tarief (maximaal 52%) over de inkomsten uit dat vermogen. Bij verliessituaties kan dit voordelig zijn, omdat de dga in dat geval zijn verlies tegen (maximaal) 52% kan aftrekken.

Aandelenbezit in eigen of verbonden bv?

De terbeschikkingstellingsregeling (tbs-regeling) is ook van toepassing als de dga een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan een verbonden bv. Een verbonden bv is bijvoorbeeld de werkmaatschappij die onder de holding van de dga ‘hangt’.

Terbeschikkingstelling aan verbonden personen

Een met de dga verbonden persoon is bijvoorbeeld zijn echtgenote of zijn fiscale partner, maar ook zijn minderjarige (stief)kinderen. De groep van verbonden personen bij de tbs-regeling kan worden verruimd als sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke transactie. De Belastingdienst kijkt daarbij naar het totaalplaatje.

Voorkom belastingheffing, trouw onder huwelijkse voorwaarden

Een ter beschikking stelling gevolgd door een huwelijk in gemeenschap van goederen leidt tot belastingheffing over de helft van de meerwaarde van het vermogensbestanddeel. De dga kan dit voorkomen door huwelijkse voorwaarden op te stellen.

5. Wijk niet te veel af van het gebruikelijk loon

Bij het toekennen van een salaris aan de dga moet de bv rekening houden met de gebruikelijkloonregeling. Is het salaris lager dan het gebruikelijk loon of is helemaal geen salaris toegekend, dan riskeert de bv een belastingheffing over het fictief loon. Dit is het verschil tussen het genoten salaris en het gebruikelijk loon.

Bepaal het gebruikelijk loon

Het uitgangspunt bij de gebruikelijkloonregeling is dat de dga minimaal een jaarsalaris geniet van € 42.000 (2012) exclusief onbelaste onkostenvergoedingen en pensioenpremies. Voor het vaststellen hiervan kijkt de Belastingdienst: (1) welk loonniveau gebruikelijk is voor soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij geen sprake is van een aanmerkelijk belang of (2) welk salarisniveau door de vennootschap kan worden gedragen op basis van de opbrengsten van de vennootschap (afroommethode).

Wees voorzichtig met toekennen van lager gebruikelijk loon

Het is in een aantal gevallen toegestaan af te wijken van het standaardbedrag. De dga moet wel aannemelijk kunnen maken dat een gebruikelijk loon lager is dan het standaardbedrag.

Uitzonderingen op hoger gebruikelijk loon

De dga hoeft niet altijd een hoger salaris aan te houden. Meent de Belastingdienst van wel, dan moet hij aannemelijk maken dat het gebruikelijk loon van de dga hoger moet zijn dan het standaardbedrag.

6. Houd rekening met bijzonderheden bij loonaangifte dga

De aangifte van de dga mag onder bepaalde voorwaarden vooraf worden ingediend. In dat geval hoeven minder rubrieken ingevuld te worden dan voor andere werknemers.

Corrigeer onjuiste vooraf ingediende aangifte

Een onjuiste vooraf ingediende loonaangifte moet zo spoedig mogelijk worden gecorrigeerd. Hoe dit precies moet gebeuren is afhankelijk van het wel of niet verstreken zijn van de termijn waarbinnen de aangifte moet zijn voldaan.

De bv mag afhankelijk van het softwarepakket dat wordt gebruikt bij het invullen van de loonaangifte, bepaalde rubrieken overslaan Dit is bijvoorbeeld mogelijk bij het aangifteprogramma van de Belastingdienst.

Wijzig vooraf ingediende loonaangifte in bijzondere gevallen

In bijzondere gevallen, zoals bij het overlijden van de dga of einde van de bv moet de bv de vooraf ingediende loonaangifte zo spoedig mogelijk wijzigen.

Niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen?

De dga is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen als hij in de statuten benoemd is tot directeur (statutair directeur). Ook het percentage stemmen die de dga en (zijn echtgenoot) in de algemene vergadering van aandeelhouders heeft speelt daarbij een belangrijke rol.

Voorkom correctie loonaangifte

Om te voorkomen dat de vooraf ingediende aangifte gecorrigeerd moet worden is het aan te raden alleen vooraf aangifte te doen als het salaris van de dga vaststaat.

7. Ga na of sprake is van omzetbelastingplicht

Ondernemers moeten afhankelijk van hun activiteiten omzetbelasting in rekening brengen aan hun afnemers. Ook de dga kan onder omstandigheden als btw ondernemer worden aangemerkt.

Prestaties: belast of vrijgesteld

Alleen de bv die belaste prestaties verricht moet omzetbelasting in rekening te brengen aan haar afnemers.

Dga niet meer per definitie btw ondernemer

De dga is geen btw ondernemer wanneer zijn enige werkzaamheden bestaan uit het werken voor zijn eigen bv. Als hij daarnaast nog meer werkzaamheden verricht kan er wel sprake zijn van omzetbelastingplicht.

Btw-aspecten auto van de zaak

De bv mag in beginsel eerst alle omzetbelasting van de auto in aftrek brengen. Aan het einde van het jaar moet de bv wel een correctie op deze aftrek aanbrengen als compensatie voor het privégebruik. Sinds 1 januari 2012 geldt een nieuwe (forfaitaire) regeling voor de berekening van deze btw-correctie. Het privégebruik wordt op grond hiervan vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm).

Verricht de dga ook andere activiteiten?

Verricht de dga naast zijn baan als directeur, andere zelfstandig (neven)werkzaamheden waar hij ook inkomen meeverdiend, dan is de kans groot dat hij btw ondernemer is.

8. Onderschat de aansprakelijkheidsrisico’s niet

De dga loopt als bestuurder van zijn bv een aantal veel voorkomende aansprakelijkheidsrisico’s.

Voorkom bestuurdersaansprakelijkheid

Een dga kan pas aansprakelijk worden gesteld voor de schulden van de bv als de schuldeiser kan bewijzen dat de dga blaam treft voor de schuldsituatie. In dat geval spreekt men van ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’.

Pas op voor contractuele aansprakelijkheid bij leningen aan de bv

Banken of andere instellingen zijn eerder geneigd een lening aan een bv te verstrekken als de dga als privépersoon garant wilt staan. Dit heeft zowel voor- als nadelen. De dga doet er verstandig aan niet blindelings te tekenen, maar eerst eventuele mogelijkheden te onderzoeken om de lening elders of tegen andere voorwaarden af te sluiten. Een zorgvuldige afweging van de voor- en nadelen is dus aan te raden.

Krijgt de dga borgstellingsprovisie?

Als de dga een borgstellingsprovisie krijgt is dit vrijwel altijd belast in box 1. Op het moment dat de dga een bedrag betaalt aan de financier, krijgt de dga een vordering op zijn bv. De fiscale consequenties van de aansprakelijkheidstelling zijn afhankelijk van de hoedanigheid van de directeur-grootaandeelhouder. Dat wil zeggen dat het van belang is of de directeur-grootaandeelhouder heeft getekend in zijn hoedanigheid van directeur, dus als werknemer van de bv, of in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van de bv.

9. Verkoop, fusie of liquidatie van de bv

Wanneer een bv ophoudt te bestaan, bijvoorbeeld door fusie of liquidatie zijn er een aantal zaken die de dga en de bv goed in de gaten moeten houden.

Aandachtspunten bij verkoop van de bv

Als de dga zijn aandelen in de bv verkoopt blijft de bv gewoon bestaan. Alleen de nieuwe eigenaar wordt in dat geval de dga van de bv. Toch zijn er in dit kader een aantal belangrijke aandachtpunten. Bijvoorbeeld het wel of niet veranderen van de naam van de bv na de verkoop of het wel of niet in dienst blijven als directeur. De keuze kan namelijk fiscale gevolgen hebben.

 

Aandachtspunten bij fusie van de bv

Bij een fusie tussen twee bv’s gaan de bv’s meestal in elkaar op, hetgeen het geval is bij onder meer een bedrijfsfusie of aandelenfusie. Vanwege de complexiteit hiervan is het verstandig een specialist, bijvoorbeeld een accountant en/of belastingadviseur in te schakelen.

 

Nasleep bij liquidatie

In tegenstelling tot verkoop of fusie wordt de bv bij (vrijwillig of gedwongen) liquidatie wel beëindigd. Bij een liquidatie komt veel meer bij kijken dan bij een fusie. Zo kan de Belastingdienst alsnog een aanslag opleggen als hij een belastingclaim denkt te hebben over de periode dat de bv nog bestond. De voormalige aandeelhouders kunnen in dat geval aansprakelijk zijn voor de betaling van die belastingschuld.

(Bron: Taxence bewerkt Ambitions.nu)

Welke soorten VAR-verklaringen zijn er en wat moet ik controleren als ik een ZZP’er inhuur?

De Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) is een belangrijk document in de praktijk. Het geeft u vooraf duidelijkheid hoe u een ingehuurde ZZP’er fiscaal moet behandelen. Er zijn vier soorten VAR-verklaringen. Dit zijn de volgende: VAR Winst uit onderneming (VAR-WUO), VAR Resultaat uit overige werkzaamheden (VAR-RUO), VAR Inkomsten uit werkzaamheden voor de vennootschap (VAR-DGA), VAR Loon uit dienstbetrekking (VAR LOON). Het verdiend de voorkeur dat u een ZZP’er inhuurt met een VAR WUO of VAR DGA. Dan loopt u namelijk de minste fiscale risico’s.

 

Als u een ZZP’er inhuurt dan dient u de volgende zaken te controleren: U dient een kopie op te nemen van de VAR in uw administratie (Dit dient bij voorkeur een VAR-DGA of VAR-WUO te zijn). U dient de identiteit vast te stellen aan de hand van een paspoort of een ID-bewijs, hiervan neemt u een kopie op in uw administratie (vergeet bij het ID-bewijs de achterzijde niet te kopiëren). U moet controleren dat u een VAR krijgt voor de correcte soort werkzaamheden. Dus komt iemand tegelzetten, dan moet dat ook op zijn VAR staan en niet een ander soort werkzaamheid. Bovendien moet u erop letten dat de werkzaamheden verricht worden binnen de geldigheidsduur van de VAR.

Een VAR is namelijk hoogstens maar één kalenderjaar geldig. Heeft u twijfels over VAR of huurt mensen uit het buitenland in met een VAR dan is het verstandig om de geldigheid telefonisch te checken bij het landelijk coördinatiepunt VAR van de belastingdienst 088-1511000. Laat de belastingdienst dan bij voorkeur de geldigheid schriftelijk bijvoorbeeld per e-mail aan u bevestigen.

Onderstaand een overzicht van de soorten VAR-verklaringen:

 

Soort VAR Gevolgen voor de opdrachtnemer Gevolgen voor de opdrachtgever
Loon uit dienstbetrekking U kunt uw opdrachtgever geen zekerheid geven over het inhouden en afdragen
van loonheffingen.
De opdrachtgever moet zelf toetsen of er sprake is van een (fictieve)
dienstbetrekking.
Resultaat uit overige werkzaamheden U kunt uw opdrachtgever geen zekerheid geven over het inhouden en afdragen
van loonheffingen.
De opdrachtgever moet zelf toetsen of er sprake is van een (fictieve)
dienstbetrekking.
Winst uit onderneming U kunt uw opdrachtgever de zekerheid geven dat hij geen loonheffingen hoeft
in te houden. Als u de VAR-wuo gebruikt, bent u niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen en kunt u geen beroep doen op een uitkering op basis van
een van deze verzekeringen.
De opdrachtgever hoeft geen loonheffingen in te houden en af te dragen.
Voorwaarden zijn wel dat:

  • de werkzaamheden op de VAR overeenkomen met de werkzaamheden die u voor de
    opdrachtgever verricht
  • de werkzaamheden binnen de geldigheidsduur van de VAR worden verricht
  • de opdrachtgever uw identiteit heeft vastgesteld
  • de opdrachtgever kopieën van uw identiteitsbewijs en de VAR bij zijn
    administratie bewaart
Inkomsten uit werkzaamheden voor rekening en risico van uw
vennootschap
U kunt uw opdrachtgever de zekerheid geven dat hij geen loonheffingen hoeft
in te houden. Als u de VAR-dga gebruikt, bent u niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen en kunt u geen beroep doen op een uitkering op basis van
een van deze verzekeringen.Let op!De VAR zegt niets over uw arbeidsrelatie met uw vennootschap
of een vennootschap waarin u een aanmerkelijk belang hebt.
De opdrachtgever hoeft geen loonheffingen in te houden en af te dragen.
Voorwaarden zijn wel dat:

  • de werkzaamheden op de VAR overeenkomen met de werkzaamheden die u voor de
    opdrachtgever verricht
  • de werkzaamheden binnen de geldigheidsduur van de VAR worden verricht
  • de opdrachtgever uw identiteit heeft vastgesteld
  • de opdrachtgever kopieën van uw identiteitsbewijs en de VAR bij zijn
    administratie bewaart. De VAR geeft uw opdrachtgever geen vrijwaring van een
    mogelijke aansprakelijkheid op grond van een inleners- of ketenaansprakelijkheid
    als uw vennootschap in gebreke blijft met de afdracht van de loonheffingen (en
    omzetbelasting) die verschuldigd is over de uitgevoerde
    werkzaamheden

Inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekering

Als uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat bij u te veel inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekering is ingehouden, zorgt de Belastingdienst in het volgende kalenderjaar automatisch voor een teruggaaf. U hoeft zelf dus niets te doen. U ontvangt ook een brief over de teruggaaf.

  • Wanneer betaalt u te veel inkomensafhankelijke bijdrage
  • Terugbetaling aan u of aan uw werkgever of uitkeringsinstantie
  • Voorschot op teruggave inkomensafhankelijke bijdrage

Wanneer betaalt u te veel inkomensafhankelijke bijdrage

U kunt te veel inkomensafhankelijke bijdrage betalen als u bijvoorbeeld 2 werkgevers heeft of naast uw loon ook pensioen of een (lijfrente)uitkering ontvangt. Iedere werkgever en uitkeringsinstantie moet namelijk de inkomensafhankelijke bijdrage inhouden. Deze bijdrage geldt overigens tot een maximum bedrag. Komt uw totale inkomen boven dit bedrag uit en heeft u 2 werkgevers of uitkeringsinstanties, dan kan te veel worden ingehouden.

Terugbetaling aan u of aan uw werkgever of uitkeringsinstantie

De Belastingdienst betaalt het te veel betaalde bedrag terug aan diegene die te veel heeft betaald:

  • Als uw werkgever of uitkeringsinstantie de bijdrage vergoedt, krijgt deze de te veel betaalde inkomensafhankelijke bijdrage terug.
  • Als uw bijdrage niet door uw werkgever of uitkeringsinstantie wordt vergoed, krijgt u zelf de te veel betaalde inkomensafhankelijke bijdrage terug.
  • Als uw ene werkgever of uitkeringsinstantie de bijdrage wel vergoedt en de andere niet, krijgt u de bijdrage zoveel mogelijk rechtstreeks terug. Als er nog een bedrag overblijft, gaat dit naar uw werkgever of uitkeringsinstantie.

Als de teruggaaf die uw werkgever of uitkeringsinstantie voor u ontvangt lager dan een bepaald bedrag is, mag uw werkgever of uitkeringsinstantie ervoor kiezen de teruggaaf niet te verrekenen of uit te betalen. Dit bedrag wordt jaarlijks vastgesteld. U kunt dit bedrag opvragen bij de BelastingTelefoon of vinden op de website van de Belastingdienst.

Voorschot op teruggave inkomensafhankelijke bijdrage

Als u aan bepaalde voorwaarden voldoet, betaalt de Belastingdienst een voorschot uit op de teruggaaf van de inkomensafhankelijke bijdrage die te veel wordt ingehouden op uw inkomsten. De voorwaarden vindt u op de website van de Belastingdienst. De hoogte van uw voorschot stelt de Belastingdienst vast op basis van een geschat inkomen. Het kan gebeuren dat u na de definitieve berekening geld moet terugbetalen aan de Belastingdienst of extra geld terug ontvangt.

 

(Bron: ministerie van financiën 9-5-2011)