Verzuimboeten van 40% voor naheffing bijtelling privégebruik auto gehandhaafd

De inspecteur legde aan X naheffingsaanslagen loonheffingen 2011 en 2012 op in verband met een onjuiste rittenregistratie voor de door zijn werkgever ter beschikking gestelde auto, met verzuimboeten van respectievelijk € 4.715 en € 2.847. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde vast dat bij een onjuiste of onvolledige rittenregistratie op grond van artikel 13bis, lid 16, Wet LB in samenhang met artikel 67c AWR een verzuimboete van 100% kon worden opgelegd, met een maximum van € 4.920, en dat op grond van paragraaf 24, lid 5, BBBB dit maximum werd geheven als een onjuiste of onvolledige rittenadministratie werd overgelegd. De door de inspecteur opgelegde boeten kwamen overeen met 40% van de nageheven belasting. De Rechtbank vond aannemelijk dat de rittenregistratie over beide jaren onjuist was, zodat de boeten in overeenstemming met de wet en het beleid waren vastgesteld. De Rechtbank zag geen aanleiding om de boeten verder te matigen en verklaarde het beroep van X ongegrond.

(Bron: FUTD)

NettoPensioen fiscaal anders dan verwacht

(Netto) pensioen volgens de Pensioenwet

Omdat het gaat over netto ‘pensioen’ in de zin van de Pensioenwet, wordt de fiscale behandeling van het netto pensioen (tweede pijler) anders dan die van de netto lijfrente (derde pijler). Dit vanwege de verschillen in de juridische basis, de verzekeringsvorm, de begunstigden en de afkoopmogelijkheden. In de toelichting op het ontwerpbesluit is aangegeven dat voor het netto pensioen de fiscale voorwaarden worden toegespitst op het loonbelastingregime van de tweede pijler.

Hierbij een overzicht van de verschillen tussen het netto pensioen en de netto lijfrente:

 
Netto pensioen (2e pijler) Netto lijfrente (3e pijler)
INKOMENSVOORZIENINGEN Ouderdoms-, partner-, wezen- of arbeidsongeschiktheidspensioen Oudedagslijfrente, nabestaandenlijfrente of tijdelijke oudedagslijfrente
AANBIEDER Pensioenfonds, verzekeraar of premiepensioeninstelling (PPI) Pensioenfonds, verzekeraar, PPI, bank of beleggingsinstelling
KRING VAN GERECHTIGDEN
NABESTAANDEN-
VOORZIENINGEN
Partnerpensioen: (gewezen) echtgenoot of degene met wie (gewezen) werknemer gemeenschappelijk huishouding voert / voerde

Wezenpensioen: (pleeg)kinderen tot 30 jaar

Nabestaandelijfrente: elke willekeurige natuurlijk persoon die verzekeringnemer (belastingplichtige) heeft aangewezen
UITKERINGSVORMEN Levenslange uitkering in geld (niet beleggingseenheden) die kan variëren binnen de marge 100:75 Levenslange of tijdelijke uitkering die vast en gelijkmatig is in geld of beleggingseenheden
VERERVEN Niet mogelijk Wel mogelijk (in geval van spaarrekening of beleggingsrecht)
AFKOOP Afkoopmogelijkheden worden beheerst door Pensioenwet (PW). Afkoop niet mogelijk behalve in PW opgenomen situaties (met name klein pensioen) Afkoopmogelijkheden worden niet beheerst door Pensioenwet, maar door Wet inkomstenbelasting 2001. Voorgestelde sanctie bij schending voorwaarden: vrijstelling in box 3 wordt (fictief) teruggenomen*

* De voorgestelde sanctie is het alsnog betalen van vermogensrendementsheffing. Berekend over de helft van de afkoopwaarde x het aantal deelnemingsjaren (met een maximum van 10 jaar).

In de brief aan de Tweede Kamer wordt erkend dat in eerste instantie door de staatssecretaris van Financiën is aangegeven dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen netto pensioen en netto lijfrente. Maar, door de term netto lijfrente (tweede pijler) te wijzigen in netto pensioen, vindt het kabinet het meer passend ook het fiscale kader daarop aan te passen nu sprake is van pensioen in de zin van de Pensioenwet. Dit brengt onder meer de volgende wijzigingen voor netto pensioen met zich mee:

  • Kring van gerechtigden bij nabestaandenvoorzieningen is beperkter dan bij netto lijfrente;
  • De hoogte van pensioenuitkeringen kan variëren binnen de bandbreedte 100:75, en;
  • De mogelijkheid bestaat om een beschikbare premiestaffel van 3% rekenrente te hanteren als basis voor de inleg (vermenigvuldigd met de nettofactor).

(Bron: Brief staatssecretarissen van SZW en Financiën 1 september 2014, kenmerk 2014- 0000126834)

Reactie Zwitserleven

Door het wijzigen van de naam netto lijfrente (tweede pijler) naar netto pensioen krijgen we er ook weer een ander fiscaal kader bij. Dit resulteert in de volgende mogelijkheden, met ieder haar eigen fiscaal kader:

 
INKOMEN TOT EN MET
€ 100.000
Werknemerspensioen (tweede pijler)
(Bruto) lijfrente (derde pijler)
INKOMEN BOVEN
€ 100.000
De werknemer betaalt de premies uit het nettoloon. Deze zijn niet aftrekbaar via de aangifte Inkomstenbelasting.

Opmerkelijk is dat wordt aangegeven dat de fiscale voorwaarden van netto pensioen worden toegespitst op het loonbelastingregime van de tweede pijler. Echter, een netto pensioen heeft in zijn geheel niets (meer) van doen met de Wet op de loonbelasting 1964. Op het bruto loon zijn immers al de loonheffingen ingehouden, is het netto loon geworden en daarmee heeft het loon (en dus ook het netto pensioen) het loonbelastingregime verlaten.

Bovendien is het opmerkelijk dat nu de regels van de Pensioenwet van toepassing zijn, dit ook zijn effect blijkt te hebben op de fiscale maximering van de inleg. Eerst werd nog gesproken over een voor beide ‘regimes’ gelijke inleg. Nu is voor het netto pensioen ook een inleg op basis van een 3% rekenrente staffel (vermenigvuldigd met de nettofactor) mogelijk. Onduidelijk is waarom dit ook is gewijzigd. Het netto lijfrente product wordt door een lager fiscaal maximale inleg ten opzichte van het netto pensioen hiermee op achterstand gezet.

Hoewel pensioen in de zin van de Pensioenwet in beginsel niet wordt gerenseigneerd, verwachten wij dat het netto pensioen wél zal moeten worden gerenseigneerd. De Belastingdienst zal namelijk willen weten of de inleg niet meer dan fiscaal maximaal is. Dit in combinatie met de box 3 – vrijstelling.

(Bron: Zwitserleven)

Prinsjesdag: Belastingplan 2015

Het Belastingplan 2015 bestaat uit (1) maatregelen uit het Regeerakkoord, de Begrotingsafspraken 2014 en de (augustus)besluitvorming in 2014, (2) de werkkostenregeling (WKR), (3) de energiebelasting en (4) overige maatregelen.

  • Het tarief in de eerste schijf van de IB wordt in 2015 verhoogd van 36,25% tot 36,5%.
  • Het maximum van de algemene heffingskorting wordt verhoogd van € 2.103 naar € 2.203 en het minimum wordt verlaagd van € 1.366 tot € 1.342. Het afbouwpercentage wordt met 0,32%-punt verhoogd tot 2,32% voor 2015 en tot 3,32% voor 2016.
  • De maximum arbeidskorting gaat van € 2.097 naar € 2.220 en de minimale arbeidskorting wordt verminderd van € 367 tot € 184. Het afbouwpercentage blijft onveranderd op 4%, maar de afbouwgrens wordt in 2015 verhoogd van circa € 41.300 naar circa € 49.900 en latere jaren ook. Het einde van het afbouwtraject ligt in 2015 bij een inkomen van circa € 100.800 in plaats van € 92.200.
  • De tarieven voor de S en O-afdrachtvermindering in de eerste schijf van 35% (voor starters: 50%) en de tweede schijf van 14% blijven hetzelfde, evenals de loongrens van € 250.000. Het plafond van € 14 mln verandert ook niet.
  • Naar verwachting blijft de RDA in 2015 60%.
  • De huidige doelmatigheidsmarge van 30% in de gebruikelijkloonregeling voor DGA’s wordt verlaagd naar 25%. Voor 2015 is voorzien in overgangsrecht. Als hoofdregel geldt vanaf 2015 dat het in aanmerking te nemen loon ten minste wordt gesteld op het hoogste van (a) 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, (b) het hoogste loon van de overige werknemers van de vennootschap, € 44.000.
  • Het heffingsplafond van 300 m3 in de belasting op leidingwater wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2014 gehandhaafd.
  • De afvalstoffenbelasting wordt geherintroduceerd. Het tarief bedraagt € 13 per ton afval.
  • De maximale periode voor de aftrek van rente op restschulden wordt verlengd van 10 naar 15 jaar.
  • De verlenging van de termijn van de renteaftrek voor de leegstaande, te koop staande voormalige eigen woning of een leegstaande toekomstige eigen woning wordt structureel gemaakt, evenals de verlenging van de regeling herleving van de hypotheekrenteaftrek na verhuur van een voormalige eigen woning.
  • De tijdelijke toepassing van het verlaagde BTW-tarief op renovatie en herstel van woningen wordt verlengd tot 1 juli 2015.
  • Met ingang van 2016 wordt de ouderenkorting met € 83 verlaagd. De ouderenkorting komt in 2016 voor belastingplichtigen met een inkomen tot circa € 36.200 uit op circa € 970 en voor belastingplichtigen met een hoger inkomen op circa € 70.
  • De ouderentoeslag in box III wordt met ingang van 1 januari 2016 afgeschaft.
  • De onder het overgangsrecht vallende deelnemers aan een levensloopregeling die in 2013 geen gebruik hebben gemaakt van de 80%-regeling, kunnen dat in 2015 alsnog onder voorwaarden doen.
  • Het afbouwpercentage van het kindgebonden budget wordt verlaagd van 7,6 naar 6,75.
  • De sinds 1 januari 2011 bestaande facultatieve WKR wordt met ingang van 1 januari 2015 verplicht voor alle werkgevers. De WKR wordt wel, zoals eerder aangekondigd, op vijf punten aangepast en om dat te financieren wordt de vrije ruimte vanaf 2015 verlaagd van 1,5% naar 1,2%.
  • De toepassing van het verlaagde tarief in de energiebelasting voor coöperaties en Verengingen van eigenaren (VvE) die lokaal energie opwekken, wordt vanaf 2015 onder voorwaardenuitgebreid tot ondernemers.
  • De vrijstelling in de energiebelasting voor duurzame energie die zelf wordt opgewekt, bijvoorbeeld met zonnepanelen, en direct zelf wordt verbruikt, wordt uitgebreid naar de huursector.
  • Om te voorzien in inkomen bij arbeidsongeschiktheid, kunnen ZZP’ers een derdepijlerpensioen eerder opnemen zonder dat revisierente wordt verschuldigd.
  • Bij een (gedeeltelijke) afkoop van een nettolijfrente wordt alsnog een bedrag in box III in aanmerking genomen. Dit bedrag is een forfaitaire benadering van het genoten box III-voordeel, waarbij een tegenbewijsregeling geldt.
  • In box III wordt een afzonderlijke vrijstelling voor nettopensioen opgenomen.
  • In verband met de vervanging per 1 januari 2015 van de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen door de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, kan de heffingskorting tijdsevenredig worden toegekend voor de periode waarin de belastingplichtige binnenlandse of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Deze maatregel gaat per 1 januari 2016 in. Voor 2015 geldt een overgangsmaatregel.
  • Buitenlandse geldboeten worden uitgesloten van aftrek in de IB en Vpb en ook de LB wordt aangepast om te voorkomen dat buitenlandse boeten als eindheffingsbestanddeel kunnen worden aangewezen.
  • Aanvullende tier 1-kapitaalinstrumenten die worden uitgegeven door verzekeraars, worden voor de Vpb behandeld als vreemd vermogen, net als bij banken.
  • Ziekenhuizen en andere verplegings- en verzorgingstehuizen komen vanaf 2015 in aanmerking voor de BTW-vrijstelling, ook als zij winst beogen.
  • Voor het vaststellen van het te betalen bedrag aan BPM van een gebruikte personenauto kan onder voorwaarden een taxatierapport worden gebruikt voor bepaalde auto’s.
  • Vanaf 2016 komt er voor de MRB en de BPM een aanpassing in de definitie van (onzuinige) motorrijtuigen met de functie van personenvervoer en met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg en een dubbele cabine.
  • Het gebruik van het BSN door banken voor de informatieverplichting in het kader van de eenbankrekeningmaatregel voor de IB en toeslagen wordt geregeld in de IW en de Awir. De tenaamstellingsverplichting voor teruggaven BTW vervalt.
  • De Belastingdienst/Toeslagen krijgt de bevoegdheid tot versnelde invordering van toeslagen, renten en boeten in bijzondere situaties.
  • Toezichthouders voor toeslagen krijgen een binnentredingsbevoegdheid.
  • Naar aanleiding van het Irimie-arrest van het EU-Hof van Justitie wordt de regeling invorderingsrente uitgebreid voor de gevallen waarin de belastingschuldige een recht krijgt op een terug te geven bedrag aan belasting omdat de heffing en inning van die belasting strijdig is met het EU-recht.

(Bron: FUTD)

Defiscalisering in box III pas vanaf tijdstip waarop geldvordering opeisbaar is

Medio 2011 overleed Y. Zijn echtgenote X verkreeg alle tot zijn nalatenschap behorende goederen en de overige erfgenamen kregen ieder een vordering op haar ter grootte van de waarde van het erfdeel. Y had in zijn testament ook opgenomen dat de helft van de geldvorderingen die de vier kinderen uit zijn eerste huwelijk op X hadden, een jaar na zijn overlijden opeisbaar werd en het resterende gedeelte twee jaar na zijn overlijden. De geldvorderingen van deze vier kinderen bedroegen in totaal € 713.132. X ging in beroep tegen de aanslag IB over 2012. Zij stelde dat de inspecteur de schuld aan haar vier stiefkinderen ten onrechte niet tot de rendementsgrondslag van box III had gerekend. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het niet met haar eens. De bewuste vorderingen en de daarmee corresponderende schulden waren op de peildatum (1 januari 2012) niet opeisbaar. Naar de letter van de wet behoorden deze volgens de Rechtbank daarom niet tot de grondslag sparen en beleggen (de zogenoemde defiscalisering). De Rechtbank verwees hiervoor naar de wetgeschiedenis van het met ingang van 1 januari 2012 gewijzigde artikel 5.4, lid 1, Wet IB 2001. Hieruit bleek volgens de Rechtbank dat pas vanaf het moment dat de geldvordering opeisbaar werd, de defiscalisering niet meer gold. Dit was volgens de Rechtbank ook in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, omdat die had beoogd om iemand te betrekken in de rendementsheffing die op de peildatum in economische zin kon beschikken over het nagelaten vermogen. In dit geval was het X die op 1 januari 2012 kon beschikken over het bedrag van € 713.132, zodat de daarmee corresponderende schuld terecht niet in aftrek was gebracht op haar vermogen.

(Bron: FUTD)

Herzienings-BTW ontstaat niet in de loop van het boekjaar bij overname onderneming

BV X maakte deel uit van een f.e. voor de BTW. Zij verkreeg op 12 december 2007 een gebouw van CV E, die het gebouw in 2003 had gekocht en de voorbelasting volledig in aftrek had gebracht. Met ingang van 1 januari 2007 verhuurde CV E een deel van het gebouw vrijgesteld van BTW. Met betrekking tot de levering van het gebouw was artikel 31 Wet OB (overgang van een algemeenheid van goederen) van toepassing. BV X gaf over het vierde kwartaal 2007 herzienings-BTW aan over de periode 12 tot en met 31 december 2007. De inspecteur was het niet eens met de tijdsgelange berekening van de herzienings-BTW en legde een naheffingsaanslag op. BV X ging in beroep. Rechtbank Haarlem en Hof Amsterdam verklaarden het beroep van BV X ongegrond.

De Hoge Raad besliste op het beroep in cassatie van BV X dat op grond van artikel 31 Wet OB bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, al dan niet tegen vergoeding of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, geen levering plaatsvond en dat degene op wie de goederen overgingen, in de plaats trad van de ondernemer die de goederen overdroeg, tenzij bij ministeriële regeling anders was bepaald. Dit laatste was niet het geval. Het in de plaats treden betrof onder meer belasting die na de overdracht werd verschuldigd vanwege eventuele herrekening in de zin van artikel 12, lid 2, Uitvoeringsbeschikking OB (UBOB) of eventuele herziening in de zin van de artikelen 13 en 13a UBOB. Dat de overnemer in de plaats trad van de overdrager betekende volgens de Hoge Raad niet dat de overnemer de al door de overdrager verschuldigd geworden maar nog niet voldane BTW verschuldigd werd in de plaats van de overdrager. Artikel 13, lid 2, UBOB bepaalde dat de herziening met betrekking tot onroerende zaken plaatsvond telkens voor 1/10 gedeelte van de voorbelasting op basis van de voor het boekjaar geldende gegevens. De herziening moest volgens de Hoge Raad volgens deze bepaling plaatsvinden bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van het boekjaar. Dit betekende dat de wettelijke bepalingen ervan uitgingen dat wegens herziening met betrekking tot een bepaald boekjaar te betalen BTW in één keer, aan het eind van het boekjaar, verschuldigd werd. De Hoge Raad verwierp het betoog van BV X dat de verschuldigdheid van BTW wegens herziening gedurende de loop van een boekjaar ontstond omdat deze stelling geen steun vond in het recht. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Short-stay Verhuur: de belastingdienst kijkt met je mee

Met name in en rondom de grote steden storten steeds meer particulieren en ondernemers zich op ‘short stay’-verhuur, oftewel de kortlopende verhuur van appartementen aan toeristen via sites zoals Airbnb. Let op, schrijft Sprout-expert Robert Kok, want je loopt een groot risico om aangeslagen te worden door de Belastingdienst.

Ook in onze praktijk banaderen klanten ons vaker met vragen hierover. Veel ondernemers zien de ‘short stay’-verhuur als een eenvoudige manier om het rendement op hun in privé aangehouden onroerend goed te verhogen.

Op zich niet zo gek, want de opbrengsten zijn in het algemeen hoger dan ingeval van reguliere verhuur. Toch wordt er bij het maken van een kosten/batenanalyse meestal voorbij gegaan aan de fiscale aspecten.

Verhuur van in privé aangehouden onroerende zaken valt in beginsel in box III. Daarbij wordt de waarde van het onroerend goed belast met 1,2% vermogensrendementsheffing. De feitelijke huuropbrengst doet verder niet ter zake.

Voorwaarde voor belastingheffing in box III is dat sprake is van ‘normaal vermogensbeheer’. Voor zover hier van belang betekent dit dat je geen werkzaamheden verricht, die zijn gericht op het behalen van voordelen die uitgaan boven het bij normaal vermogensbeheer te verwachten rendement.

Gasten

Hier wringt hem juist de schoen.  Inherent aan de ‘short stay’-verhuur is dat je meer werkzaamheden verricht dan ingeval van reguliere verhuur. Denk bijvoorbeeld aan het aantrekken van gasten (meestal door tussenkomst van een website), het ontvangen van gasten en overdragen van sleutels, het schoonmaken en inspecteren van de woning, enzovoort. Hiermee realiseer je in het algemeen een opbrengst die hoger uitkomt dan ingeval van reguliere verhuur.

Al met al voldoende aanwijzingen voor de belastingdienst om te stellen dat de werkzaamheden het normaal vermogensbeheer te boven gaan. In dat geval is sprake van een onderneming en zijn de resultaten in box I belast met inkomstenbelasting tegen maximaal 52%. Ook de eventuele toekomstige waardestijging van de onroerende zaken wordt dan onder omstandigheden belast.

Daarnaast ben je omzetbelasting verschuldigd over de omzet minus kosten. De vrijstelling ter zake van verhuur van onroerende zaken geldt namelijk niet voor ‘short-stay’-verhuur aan toeristen. Het goede nieuws is dat je slechts het verlaagde tarief van 6% hoeft te betalen.

Denk niet dat het met de belastingheffing allemaal wel los zal lopen. Alhoewel de belastingdienst in het verleden weinig aandacht had voor het fenomeen ’short stay’-verhuur, wordt er inmiddels steeds meer op gelet. Geef je de opbrengsten niet aan, dan riskeer je hoge boetes.

(Bron: Sprout)

Factuur voldoet als leverancier traceerbaar is

De Belastingdienst kan de aftrek van voorbelasting weigeren als de ondernemer niet beschikt over een correcte factuur van zijn leverancier. Een kleine onvolledigheid in de tenaamstelling maakt een factuur niet automatisch ongeschikt. Zo luidt het oordeel van de Hoge Raad.

In beginsel moet een factuur de volledige naam en het volledige adres van de ondernemer (de leverancier) en zijn afnemer bevatten (zie ook: ‘Nieuwe btw-regels voor facturering en administratie per 1 januari 2013’). De Hoge Raad benadrukt dat daarbij van belang is dat de fiscus de leverancier aan de hand van de factuurgegevens kan identificeren en traceren. In de zaak voor de Hoge Raad ging het om een factuur waarop de handelsnaam van de leverancier stond. Deze handelsnaam was niet identiek aan de naam waaronder de leverancier was ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel. Het adres op de factuur kwam wel overeen met het adres in het register. De Hoge Raad concludeerde dat in deze zaak de leverancier van de belanghebbende misschien wel te identificeren en te traceren was. Omdat in de voorgaande fase het hof daar geen rekening mee had gehouden, verwees de Hoge Raad de zaak door naar een ander hof.

Update

Inmiddels heeft het hof waarnaar deze zaak is verwezen uitspraak gedaan. Het hof heeft geoordeeld dat de onvolledige naam geen ruimte overliet voor misverstanden. Daar zorgden de overige gegevens op de factuur wel voor. Ook had de belanghebbende de fiscus diverse keren verzocht het btw-nummer van de leverancier te verifiëren. Steeds had de Belastingdienst bevestigd dat het btw-nummer correspondeerde met de gegevens onder de geregistreerde naam en handelsnaam van de leverancier. Belanghebbende mocht er dus van uitgaan dat alles klopte en zijn beroep was dan ook gegrond.

(Bron: Taxence)

Onzakelijke lening ondanks betalingen van rente

Uit een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat het enkele feit dat een schuldenaar netjes de verschuldigde rente betaalt niet bewijst dat een lening zakelijk is.

De zaak was als volgt. Een holding was samen met haar 100%-dochtermaatschappij, een vastgoed-bv, gevoegd in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De holding bezat daarnaast 75% van de aandelen in een andere bv, die onder meer een boekenwinkel dreef. De boekenwinkel huurde een bedrijfspand van de vastgoed-bv. Toen grote huurachterstanden ontstonden, sloot de vastgoed-bv een leningsovereenkomst met de boekenwinkel. Volgens zowel de fiscus als het hof bleek het hierbij te gaan om een onzakelijke lening.

Te hoog debiteurenrisico

Het hof constateerde dat de lening een aanzienlijk bedrag betrof en dat de boekwinkel bij het aangaan van de lening een negatief vermogen had. Verder was de vordering van de vastgoed-bv achtergesteld bij een door een bank verstrekte geldlening. De vastgoed-bv had evenmin enige andere zekerheid bedongen. Bovendien had de schuldenaar geen aflossingen betaald, ook niet na het einde van de overeengekomen looptijd. Het hof oordeelde dat de vastgoed-bv een debiteurenrisico had gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou accepteren, zelfs niet tegen een hogere rente. Dat de boekenwinkel steeds de verschuldigde rente had betaald, deed daar niets aan af. Dit kwam overigens ook omdat de rentebetalingen waren gefinancierd uit een rekening-courant met de holding. De vastgoed-bv had het hoge debiteurenrisico alleen geaccepteerd omdat de schuldenaar een zustermaatschappij was. Nu sprake was van een onzakelijke lening, mocht de fiscale eenheid geen afwaarderingsverlies in aanmerking nemen op de vordering van de vastgoed-bv.

(Bron: Taxence)

Betekent einde huwelijk ook einde hypotheekaftrek?

De eigen woning is een van grootste pijnpunten in echtscheidingssituaties. Vaak is de hypotheek te hoog om slechts door één salaris te kunnen worden opgebracht. Spoedige verkoop van de woning is dan een gedwongen zaak, maar in deze huidige markt nog steeds erg moeilijk. Eén van de vragen die rijst is hoe het zit met de hypotheekaftrek.

Echtscheiding

Voor de belastingwetgeving is van belang tot welk moment sprake is van fiscaal partnerschap. Gehuwden worden aangemerkt als fiscaal partners tot het moment dat het verzoek tot echtscheiding is ingediend èn zij niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Op het moment dat echtgenoten duurzaam gescheiden van elkaar gaan leven en niet meer op hetzelfde adres zijn ingeschreven bij de BRP maar er geen verzoek tot echtscheiding is ingediend, zijn ze nog aan te merken als fiscaal partners voor de Wet IB (artikel 1.2 Wet IB). Alleen voor de eigenwoningregeling geldt een uitzondering (artikel 3.111 lid 4 Wet IB). Daar is specifiek bepaald dat onder gewezen partner ook wordt verstaan de duurzaam gescheiden levende echtgenoot. Gehuwden die niet meer bij elkaar wonen en in scheiding liggen, kunnen daarmee ook gebruik maken van de fiscale regeling die er bij echtscheiding geldt. De regeling geldt ook voor samenwoners die de samenwoning verbreken.

Tweejaartermijn

Over het algemeen speelt het volgende een rol bij scheiding op het moment waarop een van de partners de woning verlaat. Voor de vertrekkende partner (stel de man) kan de woning niet meer kwalificeren als eigen woning, omdat daarvoor is vereist dat de woning wordt gebruikt als hoofdverblijf. Hij zou dan geen recht meer hebben op hypotheekrenteaftrek. Voor deze situatie heeft de wetgever echter een tegemoetkomende regeling getroffen (artikel 3.111 lid 4 Wet IB). De vertrekkende partner kan de woning nog maximaal twee jaar na datum van vertrek aanmerken als eigen woning, onder voorwaarde dat de woning als hoofdverblijf ter beschikking staat voor de partner die in de woning blijft wonen (stel de vrouw). De man heeft recht op aftrek van de hypotheekrente, maar moet dan wel zijn aandeel van het forfait aangeven.

Tijdwinst

Dit geeft partijen twee jaar de tijd om de gevolgen van de scheiding met betrekking tot de woning te regelen. Overigens, als op enig moment binnen de termijn van twee jaar de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, blijft de termijn van twee jaar gewoon doorlopen. Het is immers heel goed mogelijk dat een eventuele algehele gemeenschap van goederen na de scheiding nog niet is verdeeld. De termijn blijft dus lopen en de woning blijft kwalificeren als eigen woning.

Verhuisregeling

De termijn van twee jaar is niet volledig te benutten in de situatie waarin de woning op enig moment voor de achterblijvende echtgenoot geen eigen woning meer vormt. Bijvoorbeeld omdat deze echtgenoot op enig moment ook de woning verlaat. De staatssecretaris van Financiën heeft echter in zijn Besluit van 24 november 2009 goedgekeurd dat men in dat geval gebruik kan maken van de zogenoemde ‘verhuisregeling’ (CPP2009/2342M, onderdeel 4). De verhuisregeling is van toepassing als bij verhuizing de nieuwe woning al is betrokken, terwijl de oude woning nog leegstaat in afwachting van verkoop. De oude woning wordt dan naast de nieuwe woning gedurende ten hoogste het kalenderjaar en drie jaar (na 2014 weer twee jaar) onder voorwaarden nog aangemerkt als een eigen woning in fiscale zin (artikel 3.111 lid 2 Wet IB). Als gebruik wordt gemaakt van de goedkeuring, wordt voor de vertrekkende partner de tweejaartermijn van de echtscheidingsregeling opgeschroefd naar de termijn van het kalenderjaar en (voor 2014 nog) drie jaar, gerekend dan vanaf datum vertrek uit de woning. De periode waarover de echtscheidingsregeling is toegepast, wordt voor de verhuisregeling aangemerkt als leegstand.

Voorbeeld

Een echtpaar gaat op 1 juli 2014 duurzaam gescheiden leven. De vrouw verhuist. De woning is haar eigendom. De man blijft tot 1 maart 2016 in de woning wonen. Na zijn verhuizing wordt de woning te koop gezet en verkocht op 1 september 2016. Tot 1 maart 2016 geldt voor de vrouw de scheidingsregeling. Die bepaling geldt niet meer als de voormalige partner verhuist. Vanaf dan kan op basis van de goedkeuring de verhuisregeling gelden. De verhuisregeling kan dan tot uiterlijk 31 december 2017 van toepassing kan zijn. De woning is echter eerder verkocht op 1 september 2016, zodat de verhuisregeling geldt tot de verkoopdatum.

(Bron: Taxence)

Besluit over margeregeling omzetbelasting geactualiseerd

De staatssecretaris heeft het besluit van 4 juli 2007 over de margeregeling in de BTW geactualiseerd. Dit is de regeling voor gebruikte goederen en kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (kav-goederen). Het besluit is op 26 juli 2014 in werking getreden en bevat onder meer de volgende (beleidsmatige) wijzigingen:

  • De verhoging van het algemene BTW-tarief van 19% naar 21% is verwerkt
  • De herziening van de keuze om al dan niet de margeregeling toe te passen is onder voorwaarden versoepeld
  • Ter verduidelijking is een nieuwe paragraaf opgenomen over de samenloop van de autodemontageregeling en de margeregeling
  • De onderdelen over intracommunautaire transacties met kav-goederen zijn verduidelijkt. Ten onrechte afgetrokken BTW staat de toepassing van de kav-vergunning niet in de weg
  • De grens voor afgifte van een inkoopverklaring is verhoogd naar € 500.
  • De wederverkoper die de margeregeling toepast, moet op de factuur een bepaalde aanduiding opnemen in verband met nieuwe factureringsregels per 1 januari 2013

 

(Bron: FUTD)