De Hoge Raad oordeelt dat een bedrijfstakpensioenfonds een zelfstandig vorderingsrecht op de verkrijger van de onderneming.

Indien er sprake is van een overgang van een onderneming, waarbij de werkgever zowel vóór als ná de overgang van de onderneming verplicht is aangesloten bij hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds, dan gaat volgens de Hoge Raad de verplichting tot betaling van de vóór de overgang van de onderneming door de vervreemder onbetaald gelaten pensioenpremies over op de verkrijger van de onderneming. Het bedrijfstakpensioenfonds verkrijgt in dat geval een zelfstandig vorderingsrecht jegens de verkrijger tot inning van de achterstallige pensioenpremies.

 

Wat was er aan de hand? GOM is een schoonmaakbedrijf dat verplicht is aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf (Bpf).  In 2008 heeft GOM de activa overgenomen van VBG, die ook verplicht was aangesloten bij het Bpf. Tijdens de onderhandelingen over de koopprijs was al bekend dat VBG een betalingsachterstand van ruim 1,9 miljoen aan pensioenpremies aan het Bpf had. Van belang is ook nog dat in de definitieve koopovereenkomst een vrijwaringsclausule is opgenomen, op grond waarvan de vervreemder de verkrijger vrijwaart voor alle claims die betrekking hebben op of voortvloeien uit de periode van vóór de transactiedatum. Partijen waren dan ook overeengekomen dat de vervreemder deze premies alsnog zou voldoen. Echter, na het sluiten van de koopovereenkomst is de vervreemder in staat van faillissement verklaard, waardoor de premies niet zijn voldaan aan het Bpf.

Het Bpf richt zich vervolgens tot GOM, de verkrijger, en vordert de achterstallige premies. GOM vordert in een procedure een verklaring voor recht dat zij niet gehouden is tot betaling van pensioenpremies die VBG tot het moment van overgang van de onderneming verschuldigd is geworden. In reconventie heeft het Bpf betaling van de achterstallige, door VBG verschuldigd geworden, pensioenpremies plus wettelijke rente gevorderd.

Zowel de rechtbank als het hof hebben de vordering van GOM afgewezen en die van Bpf toegewezen. Het hof overweegt dat uit de pensioenovereenkomst volgt dat GOM de statuten, het pensioen- en het uitvoeringsreglement op grond van artikel 4 Wet Bpf 2000 dient na te leven én op grond daarvan is de (wettelijke) verplichting tot betaling van de pensioenpremies overgegaan van VBG op GOM.

GOM kon zich met dit oordeel niet verenigen en heeft cassatieberoep ingesteld.

Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Het eerste onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof dat ook de verplichtingen tot betaling van vóór de overgang van onderneming onbetaald gelaten pensioenpremies tot de rechten en verplichtingen behoren die op de voet van art. 7:663 BW van rechtswege overgaan op de verkrijgende werkgever. Daarnaast klaagt het onderdeel over ’s hofs oordeel dat BPF een eigen recht heeft jegens de verkrijger om de achterstallige premies te innen. Het tweede onderdeel, dat voorwaardelijk is voorgesteld, is voorts gericht tegen het oordeel dat een op de Wet Bpf 2000 gebaseerd pensioen behoort tot de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:663 BW.

De Hoge Raad overweegt in dat kader dat genoemde wettelijke bepalingen ten doel hebben werknemers bij overgang van onderneming te beschermen en het behoud van hun rechten veilig te stellen. In artikel 7:663 BW is dan ook vastgelegd dat de rechten en verplichtingen voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst van rechtswege overgaan op de verkrijger. Hieronder valt sinds 2002 tevens een pensioenregeling. Volgens de Hoge Raad vloeit uit het samenstel van de artikelen 7:663 BW en 7:664 BW en uit de wetsgeschiedenis voort dat ook een op de Wet Bpf 2000 gebaseerd pensioen tot de rechten en verplichtingen behoort die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst.

Artikel 7:663, tweede volzin, BW bepaalt dat de vervreemder nog gedurende een jaar ‘naast de verkrijger’ aansprakelijk is voor de nakoming van de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen en de vervreemder slechts tot aan het tijdstip van overgang daarvoor aansprakelijk is. Volgens de Hoge Raad kan deze bepaling op niets ander zien dan op verplichtingen die zijn ontstaan in het tijdstip voorafgaand aan de overgang. Dit maakt volgens de Hoge Raad dat de verplichting tot betaling van vóór de overgang door de vervreemder onbetaald gelaten pensioenpremies overgaat op de verkrijger.

Resteert de vraag of het Bpf een zelfstandig vorderingsrecht heeft jegens de verkrijger ten aanzien van de inning van de achterstallige pensioenpremies. Daarbij overweegt de Hoge Raad onder meer dat als het pensioenfonds niet over een dergelijk eigen recht zou beschikken, de nakoming van de – voor de dekkingsgraad van het totaal van de verplichtingen van het pensioenfonds belangrijke – verplichting van de verkrijger om eventueel achterstallige premies te betalen, onvoldoende zou zijn gewaarborgd. Indien het pensioenfonds wegens een te lage dekkingsgraad over zou dienen te gaan tot korting op de pensioenen worden daarmee de belangen van de werknemers (indirect) geschaad. Aldus brengt een redelijke, en uit het oogpunt van een effectieve rechtsbescherming van de werknemers wenselijke, uitleg van de artikelen 7:663 BW en 7:664 BW mee dat het Bpf ter zake de achterstallige pensioenpremies een eigen recht heeft. De Hoge Raad verwerpt dan ook het cassatieberoep.

Conclusie Bovenstaande maakt eens te meer duidelijk dat achterstallige pensioenpremies een belangrijk onderdeel is, waarmee rekening moet worden gehouden bij onderhandelingen over een eventuele overgang van een onderneming.

Belastingschuld niet aftrekbaar in box 3. Of wel?

Een dga (naar verluidt de oprichter van Randstad) schonk in 2008 ieder van zijn drie dochters een substantieel aandelenbelang in zijn holding. Destijds was er nog geen doorschuifmogelijkheid voor de afrekening van de aanmerkelijk belangheffing. En de dga had dus een aanzienlijke IB-schuld. Hij kreeg hiervoor wel 10 jaar lang renteloos uitstel van betaling. IB-schulden zijn niet aftrekbaar in box 3.

Daar verzon de dga het volgende op: hij droeg de IB-schuld over aan zijn BV. Op die manier bracht hij alsnog een vermogensdaling van meer dan 100 miljoen in box 3 teweeg. Daar wordt elke zichzelf respecterende inspecteur natuurlijk wat chagrijnig van.

Volgens de inspecteur ging de vlieger niet op omdat bij een schuldovername de schuldeiser (de belastingdienst) de overname moet goedkeuren. En dat deed de belastingdienst niet. Volgens de inspecteur bleef de dga dus gewoon een (niet aftrekbare ) belastingschuld aan de fiscus houden. De zaak kwam voor het Hof en uiteindelijk voor de Hoge Raad. De Hoge Raad gaf de dga gelijk. Ook al werkt de schuldovername niet tegenover de ontvanger, de schuld gaat de dga niet meer aan (in de woorden van de Hoge Raad: “De draagplicht van de belastingschuld is overgegaan op de BV”) en behoort dus niet meer tot het vermogen in box 3.

Bijkomend fiscaal voordeel van deze constructie is het volgende. De dga heeft de schuld overgedragen tegen de contante waarde. Voor minder dus dan de nominale waarde (er was immers 10 jaar uitstel van betaling). De BV moet na 10 jaar natuurlijk wel de volledige nominale waarde aan de belastingdienst betalen. Het verschil tussen de nominale waarde en de lagere contante waarde is een extra aftrekpost voor de BV!

(Bron: Accountantweek.nl)

Ook bij < 10% belast gebruik is btw aftrekbaar

Op grond van de Btw-richtlijn mag een ondernemer in beginsel de btw aftrekken op afgenomen goederen en diensten voor zover deze worden gebruikt voor btw-belaste prestaties. Deze bepaling biedt geen ruimte voor een regeling die de btw-aftrek volledig weigert als de ondernemer het aangeschafte goed voor minder dan 10% gebruikt voor btw-belaste prestaties.

Aftrekbare btw

In beginsel mogen ondernemers btw aftrekken als voorbelasting in hun aangifte omzetbelasting als deze btw gedurende het aangiftetijdvak:

  • is gefactureerd door andere ondernemers vanwege de prestaties die aan de ondernemer zijn verricht. De facturen moeten aan bepaalde eisen voldoen;
  • door de ondernemer verschuldigd is geworden omdat hij een intracommunautaire verwerving heeft verricht. Hierbij geldt als aanvullende voorwaarde voor het recht op aftrek dat de ondernemer moet beschikken over een correcte factuur; of
  • verschuldigd is geworden als gevolg van invoer van goederen, verlegging, het verrichten van prestaties binnen het eigen bedrijf die zijn aangewezen als btw-belaste diensten om concurrentieverstoring te voorkomen of vanwege de levering van een nieuw vervoermiddel door een particulier of wederverkoper.

 

Het recht op aftrek van voorbelasting is gekoppeld aan het gebruik voor btw-belaste prestaties. Bij bepaalde vormen van gebruik van de afgenomen prestaties in het buitenland kan ook recht op aftrek van voorbelasting bestaan. Bijvoorbeeld als de ondernemer volgens de nationale wet recht op aftrek van voorbelasting zou hebben gehad als het gebruik in Nederland had plaatsgevonden.

 

Uitzonderingen op recht op aftrek

In bepaalde gevallen is het recht op aftrek van voorbelasting uitgesloten. Als iemand ten behoeve van de onderneming een korte tijd verblijft in een horecabedrijf, is de btw in de kosten van eten en drinken niet aftrekbaar. Daarnaast kent het Besluit Uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) nog enkele situaties waarin de aftrek van btw als voorbelasting is beperkt of zelfs geheel is uitgesloten. Daarbij valt te denken aan de btw op standsuitgaven of op loon in natura met uitzondering van de auto voor de zaak (de auto van de zaak valt onder een aparte regeling).

 

Uitsluitend gebruik voor (andere dan) belaste prestaties

De situatie is eenvoudig als de ondernemer prestaties afneemt die hij uitsluitend gebruikt voor btw-belaste prestaties. In beginsel kan hij dan gewoon alle btw aftrekken. Gebruikt de ondernemer de afgenomen prestaties uitsluitend ten behoeve van activiteiten die zijn vrijgesteld van btw, dan is de zaak eveneens simpel. Hij heeft dan geen recht op aftrek van voorbelasting.

 

Gemengd gebruik niet-investeringsgoederen en diensten

Als de ondernemer een afgenomen goed of dienst zowel voor btw-belaste prestaties als voor andere doeleinden (btw-vrijgestelde prestaties of privédoeleinden) gebruikt, mag hij een deel van de voorbelasting aftrekken. Voor diensten en goederen waarop doorgaans niet wordt afgeschreven – de zogeheten niet-investeringsgoederen – geldt dat men het recht op aftrek in eerste instantie moet bepalen op het moment van inkoop. Als de ondernemer het goed nog niet in gebruik heeft genomen, zal hij een schatting moeten maken. Wanneer hij daadwerkelijk het niet-investeringsgoed gaat gebruiken, moet hij de verhouding in het geschatte gebruik vergelijken met de verhouding in het werkelijke gebruik. Als de werkelijke verhouding afwijkt van de geschatte verhouding, moet een btw-correctie plaatsvinden. In beginsel baseert de ondernemer de verdeling op basis van omzetverhoudingen tenzij het werkelijk gebruik een betere verdeelsleutel vormt.

 

Gemengd gebruik investeringsgoederen

Voor investeringsgoederen gelden grotendeels dezelfde regels voor de berekening van de aftrek van voorbelasting voor de btw-aftrek als voor niet-investeringsgoederen. Een verschil is dat de ondernemer bij investeringsgoederen voor ieder goed afzonderlijk bepaalt of hij de btw splitst op basis van het werkelijk gebruik of op basis van de omzetverhoudingen. Bovendien moet de ondernemer gedurende de herzieningstermijn van vijf jaar (tien jaar bij onroerende investeringsgoederen) ieder jaar nagaan of de verhouding in het werkelijke gebruik met meer dan 10% afwijkt van de oorspronkelijke verhouding waarvan hij was uitgegaan. Overigens geldt deze 10%-marge in beginsel niet in het eerste jaar. Is sprake van een te grote afwijking, dan moet de ondernemer over 20% (10% als het gaat om onroerende zaken) een btw-correctie toepassen.

 

Nihilaftrek bij belast gebruik <10%

Voor het Hof van Justitie van de EU is de vraag gekomen of de fiscus het recht op aftrek van voorbelasting geheel mag weigeren als een afgenomen goed of dienst voor minder dan 10% voor economische activiteiten wordt gebruikt. Het district Potsdam-Mittelmark had namelijk enkele aangeschafte goederen voor 2,65% gebruikt voor btw-belaste prestaties. De belastingdienst van Brandenburg stond echter geen enkele aftrek toe nu het gebruik voor belaste prestaties minder dan 10% was. Maar deze beperking was niet toegestaan onder de Zesde Richtlijn. Ook de huidige richtlijn stelt dat een ondernemer recht heeft op aftrek van voorbelasting voor zover hij deze gebruikt voor belaste prestaties.

(Bron: Taxence)

Aftrek congres zakenlunch en receptie omhoog

Afbeeldingsresultaat voor representatiekostenDe aftrek voor bepaalde zakelijke kosten zoals een zakenlunch, een receptie of congressen en seminars zal waarschijnlijk vanaf 2017 omhoog gaan. Dit heeft de Staatssecretaris deze week aangekondigd. Deze aftrekmogelijkheid van de zogenaamde ‘gemengde kosten’ geldt voor IB-ondernemers en resultaatgenieters.

Met zijn aankondiging doelt de Staatssecretaris waarschijnlijk op de volgende in aftrek beperkte kosten en lasten die verband houden met:

  • Voedsel, drank en genotmiddelen;
  • Representatie, waaronder recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak;
  • Congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke.

Huidige regeling

Al jarenlang is in de wet bepaald dat deze kosten tot een bedrag van € 4.500 niet in aftrek komen op de winst. Naar keuze kan de belastingplichtige ook kiezen om in plaats van een niet aftrekbaar bedrag van € 4.500, 26,5% van de genoemde kosten niet in aftrek te brengen. 73,5% van deze kosten zijn dan wel aftrekbaar.

Nieuwe regeling?

Met de wetswijziging wil de Staatssecretaris waarschijnlijk het aftrekpercentage van 73,5% verhogen. Hoeveel de verhoging is en of ook het bedrag van € 4.500 mogelijk verlaagd wordt, is nog niet bekend. Het voorstel wordt voor 7 november 2016 verwacht. Het budget van de maatregel is wel al bekend en bedraagt € 20 miljoen.

Let op! De hiervoor beschreven aftrekbeperking geldt voor IB-ondernemers en resultaatgenieters. In de vennootschapsbelasting geldt de aftrekbeperking echter ook als er werknemers in dienst zijn. Het bedrag van € 4.500 wordt in dat geval vervangen door 0,4% van het totale belastbare loon van de werknemers als dit tot een hogere uitkomst leidt.

(Bron: HLB)

Inspecteur verdeelt aftrekbare hypotheekrente terecht 50-50 onder echtpaar

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur de afgetrokken eigenwoningrente terecht heeft gecorrigeerd. Nu zowel X als A de volledige hypotheekrente in aftrek heeft gebracht, mag de inspecteur aan ieder de helft toerekenen.

Belanghebbende, X, is gehuwd met A. X dient een pro forma bezwaarschrift in tegen de IB-aanslag 2012. In haar bezwaarschrift verzoekt X om te worden gehoord, en claimt zij aftrek van € 8699 aan eigenwoningrente. De inspecteur stelt de aftrekbare eigenwoningrente vast op € 8574, en rekent hiervan € 4287 aan X toe. X stelt dat zij ten onrechte niet is gehoord en dat de correctie ten aanzien van de eigenwoningrente ten onrechte is doorgevoerd.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inspecteur de afgetrokken eigenwoningrente terecht heeft gecorrigeerd. De rechtbank wijst er hierbij op dat X en A beiden € 8699 aan eigenwoningrente in hun aangiften hebben afgetrokken. Op grond van art. 2.17 Wet IB 2001 heeft X dan recht op aftrek van de helft. Ten aanzien van het verzoek van X om te worden gehoord, merkt de rechtbank op dat de inspecteur in totaal ten minste 12 brieven en 22 e-mails aan X heeft gestuurd, met name met verzoeken om informatie en een nadere motivering van het pro forma bezwaarschrift. Van deze brieven en e-mails hielden er in totaal 20 (mede) verband met het horen van X. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat X, als er sprake was van een concrete uitnodiging, deze altijd op het laatste moment afzegde. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur X in voldoende mate gelegenheid geboden om te worden gehoord. Het beroep is ongegrond.

(Bron: Taxlive)

Afkoop van reeds ingegaan pensioen in eigen beheer

Door de plannen van het kabinet voor afschaffing van het pensioen in eigen image-phpbeheer, is vanaf 2017 pensioenopbouw in uw eigen bv niet meer mogelijk. Maar wat als uw pensioen al is ingegaan? Mag u dan ook afkopen? Het antwoord is ja, maar de belastingkorting wordt berekend over een lagere fiscale (balans)waarde dan de waarde op 31 december 2015.

Let op! De plannen van het kabinet moeten nog worden goedgekeurd door het parlement.

Overgangsregime

Voor iedere directeur-grootaandeelhouder (dga) die pensioen heeft opgebouwd in zijn eigen bv komt er een overgangsregime van drie jaar. De dga zal in die tijd een keuze moeten maken:

  • het opgebouwde pensioen in eigen beheer afkopen met een belastingkorting;
  • omzetten van het eigenbeheerpensioen in een oudedagsverplichting, of;
  • het pensioen in eigen beheer ongewijzigd laten.

Ongeacht wat de dga kiest, verdere pensioenopbouw in eigen beheer is vanaf 1 januari 2017 niet meer mogelijk.

Afkoop van reeds ingegaan pensioen

Ook wanneer u al enige tijd pensioenuitkeringen ontvangt vanuit uw bv, kunt u kiezen voor de afkoopmogelijkheid. Deze houdt het volgende in:

De pensioenaanspraak wordt allereerst zonder fiscale gevolgen afgestempeld naar de fiscale (balans)waarde. Deze afgestempelde pensioenaanspraak kan vervolgens met een belastingkorting worden afgekocht. Deze korting wordt alleen verleend over de fiscale (balans)waarde van de pensioenverplichting in de bv op 31 december 2015. Over de waardestijgingen na die datum wordt geen korting verleend.

Omdat uw pensioen al is ingegaan (u heeft al pensioenuitkeringen uit uw bv ontvangen) zal de fiscale (balans)waarde op het moment van afstempelen veelal lager zijn dan de fiscale waarde eind 2015. De belastingkorting wordt voor u berekend over die lagere fiscale (balans)waarde.

Belastingkorting

Koopt u uw reeds ingegaan pensioen af in 2017 dan geldt een belastingkorting van 34,5%. U bent dan loonheffing verschuldigd over 65,5% van de fiscale (balans)waarde op het moment van afstempelen. Waardestijgingen na het afstempelmoment zijn volledig belast. In 2018 bedraagt de belastingkorting 25% en in 2019 19,5%. Verder bent u bij afkoop geen revisierente verschuldigd.

(Bron: HLB)

Kamervragen over telefonisch intrekken van bezwaar

Het Tweede Kamerlid Omtzigt (CDA) heeft vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën over onder meer het telefonisch intrekken van bezwaren. Aanleiding hiervoor zijn de interne werkinstructies die via een WOB-verzoek openbaar zijn geworden. De heer Omtzigt wil in de eerste plaats weten waarom de Belastingdienst in strijd met artikel 6.14, lid 1, Awb bij het afhandelen van een bezwaarschrift geen ontvangstbevestiging stuurt naar de indiener van het bezwaar. Daarnaast wijst hij op artikel 6:21 Awb en de jurisprudentie waarin is voorgeschreven dat een bezwaar alleen schriftelijk kan worden ingetrokken of mondeling tijdens een hoorzitting, terwijl de werkinstructie uitgaat van een telefonische intrekking van bezwaarschriften. Het Kamerlid vraagt de staatssecretaris of deze instructie contra legem-beleid is en of dit beleid door de bewindsman is vastgesteld of door de Belastingdienst zelf. Verder vraagt de heer Omtzigt naar cijfermatige overzichten van het aantal mensen dat hun bezwaar telefonisch heeft ingetrokken in 2015 en in 2016, onderverdeeld naar soorten belastingplichtigen (zoals particulieren en (MKB- en grote) ondernemingen) en in hoeveel gevallen waarvan het bezwaar telefonisch is ingetrokken, sprake was van bijstand door een adviseur, advocaat of gemachtigde.

(Bron: FUTD)

Geen grove schuld bij laakbaar slordig handelen rittenregistratie auto

Het niet-noteren van de omrijdkilometers en het niet effectief controleren van het verbod op privégebruik van de auto van de zaak, wil in het kader van de beboeting voor het niet toepassen van de bijtelling privégebruik nog niet zeggen dat sprake is van grove schuld. Zo oordeelde Hof Amsterdam in de volgende zaak.

Het ging om een uitzendbureau dat over verschillende auto’s beschikte. De auto’s werden gebruikt voor het opalen en afzetten van ingeroosterde ploegen. De chauffeurs mochten de auto’s niet zonder toestemming van belanghebbende privé gebruiken, maar als zij toestemming voor privégebruik vroegen, kregen ze die in beginsel. Bovendien parkeerden de chauffeurs de auto’s na hun werk nabij hun woning en bleven na afloop van de werkzaamheden in het bezit van de autosleutels. Dat betekende volgens het hof dat de auto’s ook voor privédoeleinden aan de chauffeurs ter beschikking stonden. Daar kwam nog bij dat het uitzendbureau niet aannemelijk kon maken dat zij effectief controleerde of het verbod op privégebruik door de chauffeurs daadwerkelijk werd nageleefd. Verder waren de gegevens zoals die waren opgenomen in de rittenoverzichten in onvoldoende mate controleerbaar. Het hof liet de naheffingsaanslagen in verband met het privégebruik van de auto’s dan ook in stand, maar verminderde wel de boete van ruim € 100.000. De door belanghebbende ingebrachte bewijsmiddelen waren weliswaar dermate oncontroleerbaar dat het onvoldoende was om aan de bewijslast te voldoen. Maar dat betekende op zichzelf nog niet dat belanghebbende telkens toen zij afzag van inhouding en afdracht ter zake van een voordeel in verband met de terbeschikkingstelling ernstig nalatig handelde. Laakbaar slordig handelen is niet voldoende voor het oordeel dat sprake is van grove schuld, aldus het hof.

(Bron: Taxence)

Btw van gezamenlijke kosten in uw medische praktijk

Werkt u als medicus samen met andere collega’s of praktijken? Dan heeft u vaak gezamenlijke kosten. Denk aan het salaris van een gemeenschappelijke secretaresse of receptioniste in een praktijk van samenwerkende huisartsen die werkzaamheden verricht voor iedere aangesloten huisarts. Deze loonkosten zijn gemeenschappelijke kosten. Bij het verdelen van die kosten bestaan btw-risico’s.

De kostenmaatschap

In de praktijk wordt vaak gebruik gemaakt van een zogenaamde kostenmaatschap om de kosten te verdelen. Echter, als de maatschap alleen wordt gebruikt om kosten te verdelen is dat ‘oneigenlijk gebruik’. Een maatschap is namelijk een overeenkomst tussen twee of meer personen met het doel om het ontstane voordeel met elkaar te delen. De term ‘kostenmaatschap’ bestaat voor de btw niet en is in feite een verwarrend begrip.

Let op! Voor de Belastingdienst bestaat het begrip ‘kostenmaatschap’ niet.

Ook kan de Belastingdienst vinden dat het door belasten van de kosten aan de maten binnen de kostenmaatschap een prestatie tegen vergoeding vormt. De bedragen die de maten aan de kostenmaatschap betalen worden niet als een voor de btw onbelaste kapitaalstorting aangemerkt, maar als een vergoeding voor verrichte diensten waarover btw moet worden betaald.

Tip: U kunt hier mogelijk onder uitkomen met de kleine ondernemingsregeling (KOR). Als medici natuurlijke personen (geen BV of soortgelijke vennootschap)  zijn en de jaarlijks verschuldigde btw minder is dan € 1.345 kunt u op basis van KOR een verzoek indienen bij de Belastingdienst om af te zien van administratieve verplichtingen.

Kosten voor gemene rekening

Een beter alternatief om de gemeenschappelijke kosten te verdelen is om één van de partijen de kosten te laten dragen en daarna een vaste verdeelsleutel overeen te komen. Deze is van tevoren vastgesteld en de verdeling gebeurt zonder winstopslag. Van belang is dat ook degene die de kosten omslaat een deel van de kosten zelf draagt. Als aan deze voorwaarden is voldaan is geen reden tot btw-heffing. Het principe van kosten voor gemene rekening kan zowel voor personeelskosten als voor overige (algemene) kosten toegepast worden.

Model  Afspraken over            Voordeel  Nadeel 
Overeenkomst tot verrekening van voor gemene rekening gemaakte personeelskosten/ algemene kosten. De verdeling van gezamenlijke personeelskosten/algemene kosten. Voorkomt btw- heffing bij de verdeling van gezamenlijke personeelskosten/ algemene kosten. Weinig flexibiliteit bij verdeling van de gezamenlijk personeelskosten/ algemene kosten.

POT-overeenkomst

Een derde mogelijkheid is het gebruik van de POT-overeenkomst. De medici sluiten dan gezamenlijk contracten met een langere looptijd. Ieder van de medici is dan dus contractpartij en moet zijn/ haar handtekening plaatsen onder het contract. Dit kan een arbeidscontract zijn maar bijvoorbeeld ook een leveringscontract voor gas, water en licht. Anders dan bij de kosten voor gemene rekening zijn aan de verdeelsleutel geen voorwaarden verbonden en bestaat er dus meer flexibiliteit.

Model Afspraken over Voordeel Nadeel
POT-overeenkomst De verdeling van gezamenlijke kosten met als basis een langdurig contract. Voorkomt btw- heffing bij de verdeling van gezamenlijke kosten.
Veel flexibiliteit.
Er moeten gezamenlijk contracten worden gesloten.

Tip: Medici die kosten willen delen zonder btw-heffing, kunnen het beste gebruik maken van kosten voor gemene rekening of de POT-overeenkomst.

(Bron: HLB)

RJ-Uiting 2016-13 “Richtlijn 650 Fondsenwervende organisaties” gepubliceerd

In de RJ-Uiting 2016-13 heeft de Raad de ontvangen commentaren op Uiting 2016-8 “Ontwerp-RJ 650 Fondsenwervende organisaties” en ontwerp-RJk C2 “Kleine fondsenwervende organisaties” verwerkt.

De belangrijkste commentaren en de verwerking zijn:

Belangrijkste wijzigingen in RJ 650

  • Het model voor de staat van baten en lasten is gewijzigd.
  • In het model voor de staat van baten en lasten worden baten van particulieren en baten van bedrijven onderscheiden
  • In alinea 102 is opgenomen dat fondsenwervende organisaties naast RJ 650 ook RJ 640 en de andere hoofdstukken van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving moeten toepassen.

Belangrijkste wijzigingen in RJk C2

  • Het model voor de staat van baten en lasten is gewijzigd.
  • In alinea 102 is opgenomen dat kleine fondsenwervende organisaties naast RJk C2 ook RJk C1 en de andere hoofdstukken van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving voor kleine rechtspersonen moeten toepassen. Voor het bestuursverslag past de kleine fondsenwervende organisatie RJk C2 toe.
  • De nummering van de alinea’s in RJk C2 is ten opzichte van RJ-Uiting 2016-8 op enkele plaatsen gewijzigd om daarmee de volgorde van de posten van de staat van baten en lasten aan te houden.

Als gevolg van de ontvangen commentaren op RJk C2 zijn ook enkele alinea’s in RJk C1 gewijzigd.

Wijzigingen in RJ 640 Organisaties zonder winststreven en RJk C1 Kleine Organisaties zonder winstreven

In RJ 640 zijn enkele bepalingen toegevoegd met betrekking tot de verwerking en waardering van nalatenschappen:

  • In de praktijk is er vaak onduidelijkheid over het moment waarop baten uit nalatenschappen moeten worden verwerkt in de jaarrekening. In RJ 640.208 en RJk C1.207 is daarom opgenomen dat de nalatenschap als bate moet worden verwerkt als een betrouwbare schatting van de omvang van de nalatenschap kan worden gemaakt. Hiervan is in ieder geval sprake bij ontvangst van de akte van verdeling.
  • In RJ 640.208 en RJk C1.207 is toegevoegd dat wanneer een organisatie een nalatenschap verkrijgt dat belast is met vruchtgebruik, bij de waardering van die nalatenschap rekening moet worden gehouden met het recht van vruchtgebruik.

Ingangsdatum

Richtlijn 650 Fondsenwervende organisaties en Richtlijn C2 Kleine fondsenwervende organisaties en de overige wijzigingen in Richtlijn 640 Organisaties-zonder-winststreven en Richtlijn C1 Kleine organisaties-zonder-winststreven worden van kracht voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2017.

(Bron: Accountancyvanmorgen)