Bijstandsgerechtigde drijft onderneming in watersportartikelen

Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat X een onderneming in watersportartikelen drijft. Het hof acht daarbij onder andere de verklaringen die tijdens een onderzoek zijn afgelegd van belang.

X geniet tot 31 januari 2002 een bijstandsuitkering. Hij staat sinds 1 februari 2002 ingeschreven bij de KvK. X heeft zich ook bij de Belastingdienst gemeld als startende ondernemer. X verkoopt watersportartikelen, onder andere jetski’s. De ondernemingsactiviteiten worden verricht vanuit een showroom en werkplaats die naast de woonwagen van X zijn gelegen. Uit een boekenonderzoek blijkt dat de leverancier van de jetski’s het overgrote deel van de verkopen in de periode 2000 tot februari 2002 als contante verkopen heeft geboekt en dat na 1 februari 2002 bijna geen contante verkopen meer zijn geboekt. X is sinds 1 februari 2002 de grootste afnemer van de jetski’s. Naar aanleiding van het boekenonderzoek stelt de inspecteur dat X IB-ondernemer is en legt hij een IB-navorderingsaanslag 2000 op aan X in verband met de verkoop van jetski’s. X stelt echter dat hij in 2000 slechts om niet jetski’s voor zijn leverancier bewaarde.

Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat het aannemelijk is dat X sinds het jaar 2000 betrokken is geweest bij de verkoop van waterscooters. Deze betrokkenheid beperkte zich volgens het hof niet tot het om niet opslaan van waterscooters voor de leverancier. Het Hof wijst hierbij onder andere op een luchtfoto uit het jaar 2000 waarop een aantal in de directe omgeving van de woonwagen opgestelde waterscooters zichtbaar is. Verder hecht het hof belang aan diverse verklaringen die door afnemers en anderen zijn afgelegd. De inspecteur heeft X dan ook terecht als IB-ondernemer aangemerkt. Het hof verklaart het hoger beroep van X ongegrond.

(Bron: Taxlive)

Updated: 15 januari 2014 — 08:35