Afwaarderingsverlies aftrekbaar omdat lening niet onzakelijk was

BV X verkreeg in maart 2008 bij de oprichting van BV A 1/3 van de aandelen. Vervolgens verstrekte BV X een lening van € 0,5 mln aan BV A. In april 2008 kocht BV A alle aandelen in BV B. In september 2009 verstrekte BV X een aanvullende lening van € 200.000, die BV A als agio stortte in BV B. De lening was achtergesteld op de vorderingen van de bank. Er was geen aflossingsschema en er waren geen zekerheden gesteld. In de jaren 2008-2010 vonden geen aflossingen plaats en de rente van 5% werd steeds bijgeschreven op de hoofdsom. De resultaten van BV A en BV B waren in de jaren 2008-2010 steeds negatief. Door de kredietcrisis die na de tweede helft van 2008 intrad, bleven de resultaten significant achter bij de verwachtingen in maart 2008. In haar aangifte Vpb 2010 waardeerde BV X de lening met € 0,5 mln af. De inspecteur was het daar niet mee eens, omdat volgens hem sprake was van een onzakelijke lening. Rechtbank Noord-Holland besliste echter dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat BV X bij het verstrekken van de lening in 2008 een debiteurenrisico had aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. Gelet op de financieringsverhouding van BV A bij aankoop van BV B, de historische resultaten van BV B en de in 2008 aanwezige winstverwachtingen was er volgens de Rechtbank voor BV X geen aanleiding om te veronderstellen dat rente en aflossing van de lening in redelijkheid niet waren te verwachten. Dat de resultaten door onvoorziene redenen in de tweede helft van 2008 uiteindelijk tegenvielen, hoefde BV X niet te verwachten bij het aangaan van de lening en daar hoefde zij dus geen rekening mee te houden. De Rechtbank verwierp ook de stelling van de inspecteur dat de lening gedurende haar looptijd alsnog onzakelijk was geworden. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

(Bron: FUTD)

Updated: 7 april 2016 — 16:32