Omkering van bewijslast treedt ook in zonder voorafgaande waarschuwing

De Hoge Raad oordeelt dat omkering van de bewijslast een automatische sanctie is, die van rechtswege intreedt (onder andere) wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan een informatieverzoek. Het is niet nodig dat de inspecteur de belastingplichtige eerst erop wijst dat deze wettelijk verplicht is tot informatieverstrekking. Evenmin geldt als eis dat de inspecteur de belastingplichtige wijst op de dreiging van omkering van de bewijslast.  

Belanghebbende, X, is het niet eens met een navorderingsaanslag IB/PVV 2006 die de inspecteur haar heeft opgelegd in verband met een dividenduitkering van een nv. Alle certificaten van aandelen van deze nv zijn in eigendom bij haar echtgenoot, met wie X in gemeenschap van goederen is getrouwd.

De Hoge Raad oordeelt dat omkering van de bewijslast een automatische sanctie is, die van rechtswege intreedt (onder andere) wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan een informatieverzoek. Het is niet nodig dat de inspecteur de belastingplichtige eerst erop wijst dat deze wettelijk verplicht is tot informatieverstrekking. Evenmin geldt als eis dat de inspecteur de belastingplichtige wijst op de dreiging van omkering van de bewijslast. Het andersluidende oordeel van Hof Den Haag berust op een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad casseert ook het oordeel van het hof dat X heeft voldaan aan de verplichtingen van art. 47 AWR. Dat X in een brief naar de inspecteur inhoudelijk heeft gereageerd door op te merken dat zij de rubriek ‘aanmerkelijk belang’ wel degelijk heeft ingevuld, laat onverlet dat deze schriftelijke reactie van X op een wezenlijk onderdeel, ook na rappel, incompleet was. De Hoge Raad stemt wel in met het hofoordeel dat de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat X niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Amsterdam die moet onderzoeken of omkering van de bewijslast in deze zaak op zijn plaats is. Daarbij kan X zich, gelet op de onderlinge inlichtingenplicht tussen echtgenoten, er niet op beroepen dat zij niet beschikt over informatie over de nv.

(Bron: Taxlive)

Verhuurde bovenwoning van winkelpand was privévermogen

X en zijn echtgenote Y woonden van 1975 tot april 1980 op de bovenverdieping van een pand, waarin zij een drogisterij exploiteerden. De bovenverdieping had een eigen ingang en beschikte over een keuken, sanitair en nutsvoorzieningen. Het echtpaar kocht het pand in 1990 en rekende dit tot het ondernemingsvermogen. De bovenverdieping werd vanaf 1 april 1991 verhuurd. In 2008 staakte het echtpaar de onderneming. Met betrekking tot de overbrenging van de bovenverdieping naar privé gaven zij geen stakingswinst aan. De inspecteur verhoogde de stakingswinst met een boekwinst van in totaal € 274.570. Rechtbank Den Haag was het daarmee eens, waarna het echtpaar in hoger beroep ging en herhaalde dat de bovenverdieping vanaf de aankoop tot het verplichte privévermogen had moeten worden gerekend. Hof Den Haag besliste dat een zelfstandig rendabel te maken gedeelte van een pand dat voor belegging was bestemd als hoofregel verplicht tot het privévermogen van de belastingplichtige behoorde. Als sprake was van een onmiddellijke samenhang van de aankoop van het voor belegging bestemde gedeelte van het pand met de aankoop van een voor de bedrijfsuitoefening bestemd (gedeelte van een) pand, kon een voldoende band met de bedrijfsuitoefening aanwezig zijn om de keuze voor het belegging bestemde gedeelte tot bedrijfsvermogen te rechtvaardigen. De inspecteur had dit volgens het Hof echter niet aannemelijk gemaakt. Het woongedeelte en het bedrijfsgedeelte konden alleen gezamenlijk worden aangekocht omdat het pand niet in appartementsrechten was gesplitst. X had het pand gekocht om vermogen op te bouwen voor de oude dag. Dat in een gedeelte van het pand de drogisterij was gevestigd, was volgens het Hof onvoldoende om te concluderen dat de aankoop van het woongedeelte voortvloeide uit de aankoop van het bedrijfsgedeelte. Het woongedeelte behoorde vanaf de aankoop tot het privévermogen. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

Terechte naheffing omzetbelasting en boete voor niet afgedragen omzetbelasting

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur terecht een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete aan X heeft opgelegd. X heeft zijn stelling niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden met een lagere omzet en terugbetaalde vervoerskosten door het faillissement van twee van zijn klanten. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

Belanghebbende, X, houdt zich in de vorm van een eenmanszaak bezig met de handelsbemiddeling in textiel, kleding, schoeisel en lederwaren en de freelance vertegenwoordiging in bedrijfskleding, werkkleding en lasbenodigdheden. Uit een boekenonderzoek bij X, en een derdenonderzoek bij een afnemer van X, blijkt dat X facturen heeft uitgereikt met vermelding van omzetbelasting en dat X deze omzetbelasting niet heeft afgedragen. In geschil is of de inspecteur terecht een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete aan X heeft opgelegd.

Hof Arnhem-Leeuwarden (MK I, 10 september 2013, 12/00363, V-N Vandaag 2013/2067) oordeelt dat de inspecteur terecht een naheffingsaanslag omzetbelasting met boete aan X heeft opgelegd. X heeft zijn stelling niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden met een lagere omzet en terugbetaalde vervoerskosten door het faillissement van twee van zijn klanten. Na het boekenonderzoek heeft X van de inspecteur tot 1 januari 2011 de gelegenheid gekregen te reageren op het rapport van het boekenonderzoek. Dat de inspecteur vóór het einde van deze termijn, met dagtekening 28 december 2010, de aanslag heeft opgelegd is volgens het hof niet in strijd met het recht op verdediging of het zorgvuldigheidsbeginsel. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

(Bron: Taxlive)

Wet Werk en Zekerheid: de veranderingen op een rij

De Wet Werk en Zekerheid zal, na instemming van de Eerste Kamer, ingaan op 1 januari 2015. Een deel van de wet gaat later in op 1 juli 2015 en 1 januari 2016. Met welke belangrijke veranderingen moet je volgend jaar rekening houden?

Veranderingen per 1 januari 2015

Concurrentiebeding
Het is niet langer toegestaan om een concurrentiebeding op te nemen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Dat wil zeggen, tenzij sprake is van een ‘zwaarwichtig bedrijfs- of dienstbelang’.

Aanzegtermijn
Er geldt een aanzegtermijn van een maand bij tijdelijke contracten. Bij contracten voor een bepaalde tijd van zes maanden of langer moet de werkgever uiterlijk een maand voor het einde van het contract schriftelijk aan de werknemer laten weten of hij het contract wel of niet verlengt. Als de werkgever dit verzuimt, betaalt hij een vergoeding ter hoogte van één maandloon.

Proeftijd
Een proeftijd bij een tijdelijk contract van ten hoogste een half jaar wordt verboden. Hiermee wil het kabinet de positie van tijdelijke krachten versterken.

Doorbetalen oproepkrachten
Nu geldt nog zo dat je flexwerkers, bij  onvoldoende werk,  de eerste zes maanden niet hoeft door te betalen en dat deze periode in de cao onbeperkt verlengd worden. Vanaf 1 januari mag dat nog alleen bij werkzaamheden die incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang kennen. In de zorg worden nul-urencontracten helemaal verboden.

Veranderingen per 1 juli 2015

Ketenbepaling

Flexwerkers krijgen bij hun vierde arbeidsovereenkomst of na twee jaar (nu drie jaar) diensttijd verplicht een vast contract. In de huidige situatie begint de ketenbepaling na drie maanden uitdiensttreding weer opnieuw. Met de WWZ wordt dit verlengd naar zes maanden.

Ontslag via UWV
Nu kan een werkgever een ontslag nog laten toetsen bij de kantonrechter. Vanaf 1 juli 2015 kan dat alleen nog bij ontslag op grond van disfunctioneren of andere redenen gelegen in de persoon van de werknemer. Ontslag op grond van bedrijfseconomische verloopt standaard via het UWV Werkbedrijf.

Transitievergoeding
De ontslagvergoeding wordt vervangen door een transitievergoeding. Werknemers met een contract van tenminste 24 maanden hebben recht op een transitievergoeding van maximaal 75.000 euro, afhankelijk van de lengte van hun dienstverband.

Veranderingen per 1 januari 2016

Verkorting WW-duur
De WW-duur wordt vanaf 2016 in stapjes afgebouwd. Dit gebeurt met 1 maand per kwartaal. Vanaf 2019 is de maximale publieke  WW-uitkering dan nog maximaal 2 jaar. De hoogte van de WW-uitkering in deze periode is gekoppeld aan het laatstverdiende loon.

(Bron: PenO Actueel)

Rechtbank en hof volgen correcties inspecteur bij sportschoolhouder

Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur de omzet en de zelfstandigenaftrek van X terecht heeft gecorrigeerd. X heeft namelijk inhoudelijk niets ingebracht tegen de correcties.

X is in loondienst en exploiteert daarnaast een sportschool. Naar aanleiding van de IB-aangifte 2007 verzoekt de inspecteur X om contact met de Belastingdienst op te nemen. X voldoet niet aan dat verzoek. De inspecteur corrigeert vervolgens de aangifte aan de hand van de gegevens die X tijdens een boekenonderzoek over de jaren 2002-2006 heeft verstrekt. De inspecteur corrigeert onder andere de aangegeven omzet en de geclaimde zelfstandigenaftrek. X is het niet eens met de correcties. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur de correcties op juiste wijze heeft vastgesteld. De rechtbank overweegt daarbij onder andere dat X geen nadere gegevens heeft verstrekt en niet heeft gemotiveerd waarom de aanslag naar zijn mening te hoog is.

Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur de omzet en de zelfstandigenaftrek van X terecht heeft gecorrigeerd. Het Hof stelt daarbij vast dat X zich in zijn bezwaarschrift en andere schriftelijke stukken op ongepaste wijze heeft uitgelaten, in het bijzonder over medewerkers van de Belastingdienst, en dat hij niet of nauwelijks inhoudelijke klachten heeft aangedragen. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

(Bron: Taxlive)

Terechte navordering bij restauranthouder met gebrekkige administratie

Hof Den Haag oordeelt in hoger beroep dat de omzetcorrecties niet te hoog zijn, aangezien de heer X de goed gemotiveerde standpunten van de inspecteur slechts weerspreekt met niet c.q. onvoldoende onderbouwde verklaringen over de vermeende onjuistheid daarvan.

De heer X exploiteert een restaurant met een zit- en afhaaldeel. X verzorgt ook de catering van evenementen, zoals op jaarlijkse festivals. In 2010 blijkt bij een boekenonderzoek dat de administratie van X grote gebreken vertoond. In geschil zijn diverse IB-navorderingsaanslagen, alsmede de vergrijpboetes. Rechtbank Den Haag oordeelt dat in het midden kan blijven of de bewijslast moet worden omgekeerd. De inspecteur maakt de correcties namelijk reeds voldoende aannemelijk. De aanslag over 2002 wordt wel vernietigd en de boetes voor 2005 en 2006 worden gematigd tot 25% wegens grove schuld. X gaat in hoger beroep. Hof Den Haag oordeelt dat de omzetcorrecties niet te hoog zijn, aangezien X de goed gemotiveerde standpunten van de inspecteur slechts weerspreekt met niet c.q. onvoldoende onderbouwde verklaringen over de vermeende onjuistheid daarvan. De boetes zijn terecht omdat de administratie schromelijk tekortschiet. Er is sprake van aan grove, in laakbaarheid aan opzet grenzende nalatigheid. Het beroep van X is ongegrond en het incidentele beroep van de inspecteur is daarom wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk.

(Bron: taxlive)

 

 

Voorwaardelijke korting van 15% drukt WOZ-waarde nieuwbouwwoning

Hof Amsterdam oordeelt dat de voorwaardelijke korting van 15% leidt tot een lagere waarde in het economische verkeer van de woning en daarmee tot een lagere WOZ-waarde.

Belanghebbende, X, koopt in november 2010 een nieuwbouwwoning. X krijgt een (onvoorwaardelijke) korting op de vrij-op-naamprijs van 10% vermeerderd met een voorwaardelijke korting van 15%. Bij een positieve waardeontwikkeling dient de nominale korting ingeval van doorverkoop te worden terugbetaald vermeerderd met 30%, bij een negatieve waardeontwikkeling wordt X voor 50% gecompenseerd in de terugbetaling. In geschil is of de 15%-korting invloed heeft op de WOZ-waarde 2011 van de woning.

Hof Amsterdam oordeelt dat de voorwaardelijke korting van 15% leidt tot een lagere waarde in het economische verkeer van de woning en daarmee tot een lagere WOZ-waarde. Het hof verwijst naar zijn uitspraak van 5 september 2013, nr. 12/00546, Belastingblad 2013/516 en oordeelt dat de heffingsambtenaar niets heeft aangevoerd op grond waarvan het hof in de onderhavige zaak tot een andere beslissing kan komen. De kortingsregeling maakt onlosmakelijk onderdeel uit van een samenstel van afspraken die betrekking hebben op de aankoop(prijs) van de woning. Het hof stelt de waarde van de voorwaardelijke kortingsregeling per aankoopdatum vast op 7,5%. Het hof stelt de WOZ-waarde in goede justitie vast, rekening houdend met de vrij-op-naamprijs, de waardedrukkende invloed van de kortingsregeling en de waardeontwikkeling van de aankoopdatum tot de peildatum.

(Bron: Taxlive)

Fraus legis kan duidelijke wettekst artikel 12a Wet Vpb opzij zetten

De Hoge Raad heeft op 23 mei 2014 acht arresten gewezen over de toepassing van artikel 12a Wet Vpb, dat de handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve (HIR) moet tegengaan. De Hoge Raad besliste als volgt:
· Een aanwezige HIR kan al op het tijdstip van de totstandkoming van de koopovereenkomst worden afgeboekt op de waarde van de onroerende zaken waarin is geherinvesteerd, omdat goed koopmansgebruik toelaat dat de aanschaffingskosten dan al worden geactiveerd.
· Op grond van de tekst van artikel 12a Wet Vpb vindt deze bepaling bij een investering in een bedrijfsmiddel in beginsel slechts toepassing als de herinvestering plaatsvindt op een later tijdstip dan het moment van de in die bepaling bedoelde belangwijziging.
· Als in een voorkomend geval het belang in een belastingplichtige met een HIR is gewijzigd, voorafgaand aan die wijziging de aanwending van de HIR vanuit materieel oogpunt heeft plaatsgevonden door de nieuwe houder van dat belang, sprake is van een samenstel van rechtshandelingen waarbij de tijdsvolgorde van die rechtshandelingen zo is ingericht dat het herinvesteringstijdstip juist voor de wijziging in het belang in die belastingplichtige heeft plaatsgevonden, en het doorslaggevende oogmerk van dit samenstel van (rechts)handelingen is om de wettelijke regeling van artikel 12a Wet Vpb te ontgaan, worden doel en strekking van die bepaling op onaanvaardbare wijze doorkruist als door dat samenstel van handelingen vrijval van de HIR zou kunnen worden voorkomen.
· Artikel 12a Wet Vpb kan ook van toepassing zijn in geval van vervreemding van het bedrijfsmiddel en herinvestering in hetzelfde jaar.
· Als een bedrijfsmiddel is vervreemd en een belastingplichtige ervoor heeft gekozen om een HIR te vormen, is voor toepassing van de ruilarresten geen plaats.
· Bij toepassing van artikel 12a Wet Vpb wordt de HIR direct voorafgaand aan de belangwijziging en daarmee ook direct voorafgaand aan de ontvoeging van de desbetreffende maatschappij uit de f.e., toegevoegd aan de winst van de f.e. op grond van artikel 15aj, lid 4, Wet Vpb. De HIR valt dus niet vrij bij de zelfstandig belastingplichtig geworden (voormalige) dochtermaatschappij.

 

(Bron: FUTD)

Nieuw besluit over reiskostenvergoedingen

De Staatssecretaris van Financiën keurt goed dat belastingplichtigen met de ‘vrije bewijsleer’ kunnen voldoen aan hun bewijslast bij het reizen met openbaar vervoer.

Besluit Staatssecretaris van Financiën, 20 mei 2014 BLKB2014-644M, Stcrt. 2014, 14684

De Staatssecretaris van Financiën heeft een nieuw besluit gepubliceerd over reiskostenvergoedingen en privé-gebruik auto. Het besluit is een actualisering van het besluit van 19 december 2010, nr. DGB2010/6957M, V-N 2011/2.7. De wijzigingen zijn voor het merendeel redactioneel van aard. Wel nieuw is een goedkeuring over de bewijslast bij reizen met openbaar vervoer. Hij keurt nu goed dat belastingplichtigen die gevraagd worden om het bewijs voor reisaftrek te leveren, ook op een andere wijze dan met plaatsbewijzen of overzichten van transacties, nl. met de ‘vrije bewijsleer’, aan het verzoek van de inspecteur kunnen voldoen. Hij stelt daaraan de volgende voorwaarden: 1. De reiziger overlegt een reisverklaring van de werkgever waaruit blijkt welk reispatroon hij heeft gehad in het desbetreffende jaar. 2. De reiziger maakt aannemelijk dat de reizen zijn gemaakt. Dat is bijvoorbeeld mogelijk met betalingsbewijzen voor de OV-chipkaart of de reisgegevens van TLS Deze goedkeuring is van overeenkomstige toepassing voor het onder de overgangsregeling in de loonheffingen te leveren bewijs van het reizen per openbaar vervoer. De goedkeuring geldt voor de aanslagen die betrekking hebben op de jaren 2011 en later omdat de OV-bedrijven met toestemming van de staatssecretaris de reisgegevens die betrekking hebben op 2011 en later korter zijn gaan bewaren. Belastingplichtigen bij wie de reisaftrek over de jaren 2011 en 2012 is gecorrigeerd vanwege het niet meer kunnen downloaden van reisgegevens kunnen de inspecteur om een herbeoordeling van hun aangifte vragen, uitsluitend voorzover het de reisaftrek betreft.

(Bron: Taxlive)

Goed vastleggen van optie voor belaste verhuur

Onder voorwaarden kunt u ervoor kiezen om de verhuur van een onroerende zaak te belasten met BTW. Het is daarbij belangrijk om de keuze goed vast te leggen. Blijkt achteraf dat u niet aan de voorwaarden voldoet, dan kunt u net als bij een recente zaak van rechtbank Gelderland een naheffingsaanslag verwachten.

De verhuur van een onroerende zaak is in principe vrijgesteld van BTW. U kunt echter verzoeken om de verhuur met BTW te belasten. U kunt dit doen door een apart verzoek bij de Belastingdienst in te dienen of de BTW-belaste verhuur op te nemen in de huurovereenkomst. De verhuur moet dan wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. In deze zaak ging het om een directeur-grootaandeelhouder (dga), die een onroerende zaak verhuurde aan zijn bv. De dga nam de optie voor BTW-belaste verhuur op in de huurovereenkomst, maar deze huurovereenkomst werd niet geëffectueerd. De bv kreeg echter wel de beschikking tot het pand. Door het ontbreken van een overeenkomst en een verzoek aan de fiscus, was deze verhuur vrijgesteld van BTW. De Belastingdienst legde daarom naheffingsaanslagen op om de BTW te herzien.

Voorwaarden BTW-belaste verhuur

De dga vond de naheffingsaanslagen niet terecht en ging naar de rechter. De rechtbank stelde dat de dga ook nooit aan de voorwaarden voldeed voor de BTW-belaste verhuur. De onroerende zaak werd namelijk niet voor ten minste 90% of meer gebruikt voor belaste prestaties. Daarnaast moest de fiscus rekening houden met het huwelijksgoederenregime van de dga. De dga was daardoor met zijn partner ieder voor 50% eigenaar van het pand. De aftrek van BTW hoorde in dat geval beperkt te worden tot het aandeel van de dga in de onroerende zaak. Bij de herziening van de BTW had de inspecteur hier rekening mee moeten houden. De fiscus mocht dus naheffingsaanslagen opleggen, maar moest die wel verminderen vanwege het huwelijksgoederenregime.

(Bron: Fiscaal Rendement)