Scholingskosten niet aftrekbaar voor nieuwe vakkennis

Ook onder de Wet IB 2001 geldt dat alleen kosten voor opleidingen om de eigen vakkennis op peil te houden aftrekbaar zijn van de winst of het resultaat uit overige werkzaamheden. Voor andere studiekosten is men aangewezen op de persoonsgebonden aftrek.

Wie als zelfstandig ondernemer of resultaatgenieter inkomsten uit zijn werkzaamheden in de aangifte inkomstenbelasting opvoert als winst respectievelijk resultaat uit overige werkzaamheden vindt het misschien niet meer dan logisch om scholingskosten in mindering te brengen op die inkomsten. Maar net als onder de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 geldt ook onder de Wet IB 2001 dat eerst moet worden vastgesteld dat de betreffende opleiding tot doel heeft eerder opgedane vakkennis op peil te houden.

Nieuwe kennis valt onder persoonsgebonden aftrek

Als het volgen van een opleiding ertoe leidt dat iemand meer geld kan vragen voor zijn diensten doordat hij nieuwe vakkennis opdoet, en daarmee zijn vakbekwaamheid uitbreidt, zijn de scholingskosten alleen als persoonsgebonden aftrekpost op te voeren.

Het huidige kabinet wil echter de persoonsgebonden aftrekpost voor scholingsuitgaven per 1 januari 2018 vervangen door scholingsvouchers die bestemd zijn voor diegenen voor wie het maatschappelijk belang van deelname aan scholing groot wordt gevonden. Daarmee zou voor zelfstandige ondernemers alleen het op peil houden van de eerder opgedane vakkennis en vaardigheden nog aftrekbaar blijven. De stemming over het betreffende wetsvoorstel is overigens na zware kritiek uit de Tweede Kamer opgeschort. Of deze aftrekpost toekomst heeft valt op dit moment niet te zeggen.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Lek gedicht in ontwerpwetgeving pensioen in eigen beheer

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft een lek gedicht in de wet die het afschaffen van het pensioen in eigen beheer voor dga’s regelt. Aanvankelijk leek het erop dat dga’s kosten voor de pensioenopbouw in één keer van de winst zouden kunnen aftrekken. Maar Wiebes steekt daar een stokje voor.

De bewindsman heeft een zogeheten novelle naar de Tweede Kamer gestuurd om dit lek in de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen te dichten. Eind vorig jaar trok Wiebes het wetsvoorstel nog op het allerlaatste moment terug, net voordat de Eerste Kamer erover zou gaan stemmen.

Kosten voor pensioen dat meegroeit met inflatie

Wiebes wilde namelijk eerst nog nader onderzoek doen naar kritische kanttekeningen van pensioenexperts. Deze kritiek draaide om de kosten voor het indexeren van de pensioenen, ofwel: het pensioen mee laten groeien met de inflatie. Bij het omzetten of afkopen van hun pensioen in eigen beheer zouden dga’s die indexatiekosten voor de hele pensioenopbouw in één keer mogen aftrekken van de winst.
Dat scheelt voor dga’s aardig in de vennootschapsbelasting, maar het zou een gevoelige slag voor de schatkist zijn. Die tegenvaller zou mogelijk in de miljarden euro’s kunnen gaan lopen, zo rekenden de experts voor. Dat wilde Wiebes niet op zijn geweten hebben en daarom heeft hij nu via de novelle een reparatie uitgevoerd. In het stuk staat dan ook klip en klaar dat het afkopen of omzetten van het pensioen in eigen beheer ‘niet leidt tot een bij de bepaling van de winst in aanmerking te nemen (positief of negatief) voordeel’.

Uitzondering voor kleine groep ondernemers

Wiebes laat nog wel een achterdeurtje open, omdat het kabinet een totaal verbod op het verrekenen van indexatielasten een te strikte maatregel vindt. Maar deze uitzondering geldt alleen voor dga’s die al vóór Prinsjesdag 2016 een post op hun balans hadden met toekomstige kosten en lasten voor de pensioenopbouw. Zij kunnen onder voorwaarden alsnog de indexatiekosten verrekenen met de winst. Volgens Wiebes geldt dit voor zo’n 6% van alle dga’s in ons land.
In de regel zijn dat dga’s die hun pensioen in eigen beheer bij hun ‘pensioen-bv’ hebben ondergebracht. Bij dit zogeheten externe eigen beheer betaalt de bv pensioenpremie aan de pensioen-bv.
De wet treedt op zijn vroegst op 1 april aanstaande in werking. Wel is er een coulancetermijn afgesproken van drie maanden nadat de wet is ingegaan. In die maanden kunt u dus alles goed regelen zonder daarvoor bestraft te worden.

(Bron: Rendement)

Meerdere bv’s? Mogelijk geen of minder eindheffing WKR

Voor eind februari 2017 moet u de eindheffing van de WKR hebben berekend en betaald. Heeft u meerdere bv’s, dan kan het zo zijn dat u in de ene bv vrije ruimte te kort heeft, terwijl u in de andere bv ruimte over heeft. Met de concernregeling kunt u dan onder voorwaarden een collectieve vrije ruimte creëren en zo belasting besparen. Uiterlijk bij het indienen van de aangifte loonheffingen januari 2017 moet u kiezen of u de concernregeling toepast of niet.

De eindheffing van de werkkostenregeling wordt per werkgever berekend. Bestaat uw onderneming uit meerdere bv’s, dan mag u deze eindheffing ook op bedrijfsniveau berekenen als u de concernregeling toepast.

Voorwaarden

U kunt de concernregeling toepassen voor uw bv’s als tijdens het hele kalenderjaar:

  • De ene bv een belang van minimaal 95% heeft in de andere bv, of
  • De andere bv een belang heeft van minimaal 95% heeft in de ene bv, of
  • Een ander een belang van minimaal 95% heeft in de ene bv terwijl deze ander ook een belang heeft van minimaal 95% in de andere bv.

Tip: De concernregeling wordt toegepast door bv’s die inhoudingsplichtig zijn voor de loonheffingen. Het is echter ook mogelijk om bijvoorbeeld een tussenholding zonder werknemers in de concernregeling te betrekken zolang er maar sprake is van een (middellijk) belang van minimaal 95%. Een holding met een 100% belang in een tussenholding zonder personeel kan dus gewoon de concernregeling toepassen met de 100% dochters van de tussenholding.

Belang

Bij een belang van minimaal 95% gaat het om een belang in het aandelenkapitaal. Daarnaast kunnen stichtingen ook de concernregeling toepassen als zij financieel, organisatorisch en economisch zo verweven zijn dat zij een eenheid vormen.

Alles of niets

Als gekozen wordt voor de concernregeling geldt deze voor alle bv’s die het gehele kalenderjaar hebben voldaan aan de eigendomseis van minimaal 95%. Het is dus niet mogelijk om bepaalde bv’s uit te sluiten.

Gevolgen

Door de concernregeling ontstaat een collectieve ruimte van alle tot het concern behorende bv’s (werkgevers). De bv met de grootste totale fiscale loonsom geeft de eindheffing als gevolg van de overschrijding van de gezamenlijke vrije ruimte aan en draagt deze af.

Let op! Alle tot het concern behorende inhoudingsplichtigen zijn wel aansprakelijk voor de verschuldigde eindheffing, ook al draagt maar één bv de eindheffing af. Daarnaast zijn alle bv’s  verplicht om in hun administratie een aantal vastleggingen te doen zoals de totale fiscale loonsom, een overzicht van de eindheffingsbestanddelen, gegevens van de andere inhoudingsplichtigen en de gezamenlijk verschuldigde belasting.

(Bron: HLB)

Verdeling hypotheekrente niet te herzien zonder toestemming ex-echtgenoot

Belastingadviseur A had in de aangiften IB 2010 de negatieve inkomsten uit de eigen woning van € 40.088 volledig toegerekend aan Y en alle gezamenlijke bezittingen en schulden voor box III volledig toegerekend aan zijn echtgenote X. De aanslagen waren conform de aangiften opgelegd. Na hun echtscheiding in 2013 wilde X de verdeling van de negatieve inkomsten uit eigen woning zodanig herzien dat de helft aan haar werd toegerekend. Hof Den Bosch besliste dat uit artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001 (tekst 2010) bleek dat X en de ex-echtgenoot gezamenlijk moesten verzoeken om de in de aangifte gekozen verdeling van de inkomensbestanddelen en vermogensbestanddelen te wijzigen. Uit de schriftelijke inlichtingen die de ex-echtgenoot het Hof had verstrekt, bleek dat er geen instemming van hem was met de door X gewenste wijziging, zodat de inspecteur de herziening van de verdeling volgens het Hof terecht had geweigerd.

(Bron: FUTD)

Goederen terug halen bij faillissement (eigendomsvoorbehoud)

EIGENDOMSVOORBEHOUD

Het komt vaak voor: je hebt net een hele partij zaken geleverd en je klant gaat – nog voordat hij heeft betaald – failliet. Dan heb je het nakijken.

Een oplossing is het eigendomsvoorbehoud, een bepaling in de overeenkomst of algemene voorwaarden die ervoor zorgt dat het juridisch eigendom van de geleverde zaken pas overgaat op de klant op het moment dat de koopsom (geheel) is betaald.

MIDDEL BIJ FAILLISSEMENT

Het eigendomsvoorbehoud is een effectief middel omdat bij een eventueel faillissement de curator de zaken die onder eigendomsvoorbehoud zijn geleverd (in beginsel) niet mag verkopen nu deze geen onderdeel vormen van de boedel. De zaken zijn immers eigendom van de leverancier en niet van de failliete onderneming.

Een eigendomsvoorbehoud heeft helaas niet altijd het gewenste effect. Soms duurt het lang voordat de zaken weer worden terug geleverd of blijft dit in het geheel uit, waardoor je schade kunt ondervinden.

AFKOELINGSPERIODE

Aan het begin van een faillissement kan er een zogenaamde afkoelingsperiode worden gelast. Deze periode is bedoeld om de curator de tijd te geven zich een oordeel te vormen over de omvang en samenstelling van de failliete boedel en om mogelijkheden zoals het voortzetten of verkopen van de onderneming te overwegen. Gedurende deze periode kunnen de geleverde zaken alleen met machtiging van de rechter-commissaris worden opgeëist. Een leverancier kan zich succesvol tot de rechter-commissaris wenden als hij bijvoorbeeld kan aantonen dat hij schade lijdt als gevolg van het niet terug geleverd kunnen krijgen van de goederen.

SCHADELOOSSTELLING

Het wil wel eens voorkomen dat de curator tijdens de afkoelingsperiode de zaken – ondanks dat ze zijn geleverd onder eigendomsvoorbehoud – aan derden verkoopt. Dat zal gebeuren in het geval er zwaarwegende belangen zijn die prevaleren boven het individuele belang van de leverancier.

Vorig jaar is er een geschil ontstaan tussen de curatoren van Etam Groep Retail B.V. en een tweetal leveranciers omtrent de verkoop van in eigendomsvoorbehoud geleverde zaken. De zaak is aan de rechter voorgelegd.

In de Etam-zaak werd duidelijk dat een mogelijke doorstart van de failliete onderneming kan worden aangemerkt als een zwaarwegend belang. In dat geval mag de curator de zaken – ondanks het eigendomsvoorbehoud – toch verkopen. De curator zal dan wel de leverancier schadeloos moeten stellen.

Verder was er in de Etam-zaak met name onenigheid over de hoogte van de vergoeding die de curatoren hadden voorgesteld te betalen. In deze zaak oordeelde de rechter dat het geoorloofd was om de in eigendomsvoorbehoud geleverde zaken alsnog te verkopen maar werd de vergoeding die daarvoor werd voorgesteld om te betalen door de curatoren te laag geacht.

conclusie

Een beroep op het eigendomsvoorbehoud tijdens een afkoelingsperiode heeft dus niet altijd tot gevolg dat u ook uw eigendommen (direct) terugkrijgt. Ook kan het voorkomen dat, net zoals in de Etam-zaak, wordt voorgesteld dat er een bepaald deel van de waarde van de zaken wordt betaald aan de leverancier als schadeloosstelling

(Bron: DVAN)

Wet aanpassing fiscale eenheid aangenomen

De Eerste Kamer heeft op 29 november 2016 het wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale eenheid aangenomen. Daarmee is het nu mogelijk om een fiscale eenheid aan te gaan als de tussenhoudster een in het buitenland gevestigde dochter is of als zustermaatschappijen in Nederland zijn gevestigd terwijl zij een buitenlandse moedermaatschappij hebben.

Het regime van de fiscale eenheid is aangepast naar aanleiding van jurisprudentie van het Europese Hof. Het regime is nu in overeenstemming is met het EU-recht, waarbij zo veel mogelijk is aangesloten bij de voorwaarden en de uitwerking van het bestaande fiscale-eenheidsregime. Deze regeling voor de fiscale eenheid wordt uitgebreid voor twee situaties. De eerste betreft de situatie dat een in Nederland gevestigde moedermaatschappij de aandelen houdt in een dochtervennootschap die is gevestigd in een andere lidstaat van de EU of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) en die dochtervennootschap (onmiddellijk of middellijk) de aandelen houdt in een in Nederland gevestigde (klein)dochtermaatschappij. In die situatie kan er onder voorwaarden een fiscale eenheid tot stand worden gebracht tussen de in Nederland gevestigde moedermaatschappij en de in Nederland gevestigde (klein)dochtermaatschappij. De in het buitenland (EU/EER) gevestigde dochtervennootschap, de zogenoemde tussenmaatschappij, maakt daarbij geen deel uit van de fiscale eenheid. Daarnaast wordt het mogelijk om in de situatie waarin de aandelen in twee of meer in Nederland gevestigde zustermaatschappijen worden gehouden door een in de EU/EER gevestigde moedervennootschap, onder voorwaarden een fiscale eenheid tot stand te brengen tussen de in Nederland gevestigde zustermaatschappijen. De in het buitenland (EU/EER) gevestigde moedervennootschap, de zogenoemde topmaatschappij, maakt daarbij geen deel uit van de fiscale eenheid.

De wet treedt op 9 december 2016 in werking.

(Bron: PKF Wallast)

Verlengde navorderingstermijn bij verkoop tegen te lage prijs

Toepassing van de verlengde navorderingstermijn is ook mogelijk als de winst uit aanmerkelijk belang voortkomt uit de verkoop van onroerend goed in een ander land, terwijl de verkoopwinst gerealiseerd is door een in Nederland gevestigde vennootschap.

Een ab-houder verkocht in 2005 de aandelen in een tweetal Duitse vennootschappen tegen een zeer lage (nominale) waarde aan zijn Nederlandse vennootschap. Volgens de inspecteur wist belanghebbende op het verkoopmoment al dat de aandelen, vanwege de (aanstaande) verkoop van de onroerende zaken in Duitsland, vele malen hoger waren dan de nominale waarde. De verkoopwinst was echter niet vermeld in de aangifte inkomstenbelasting van belanghebbende. De inspecteur legde buiten de vijfjaarstermijn een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op waarbij hij rekening hield met de verkoopwinst van het onroerend goed als zijnde winst uit aanmerkelijk belang. Ook legde hij een vergrijpboete op van ruim € 600.000. De rechtbank vond dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de ab-houder bij het doen van aangifte aanzienlijke inkomsten wegens winst uit aanmerkelijk belang bewust buiten het zicht van de fiscus probeerde te houden. Verder oordeelde de rechtbank dat het realiseren van de verkoopwinst door de Nederlandse B.V. onverlet liet dat de inkomsten waren opgekomen uit de verkoop van onroerend goed in Duitsland en daarmee hun oorsprong in Duitsland vonden. Dit betekende dat de verlengde navorderingstermijn van toepassing was. De inspecteur had bovendien voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag. De rechter zag dan ook geen reden om van de aanslag af te wijken.

(Bron: Taxence)

Pensioen telt niet mee voor gebruikelijk loon

Een pensioeninkomen van de eigen bv telt niet mee bij het bepalen van de hoogte van het gebruikelijk loon. Een pensioenuitkering is geen vergoeding voor de werkzaamheden van de dga en hangt dus niet samen met het gebruikelijk loon.

In een zaak voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant draaide het om een directeur-grootaandeelhouder (dga) die al pensioen van zijn bv ontving terwijl hij ook gewoon doorwerkte. Voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, was zijn gebruikelijk loon € 60.000 per jaar. Vanaf de pensioendatum ontving hij zo’n € 30.000 per jaar aan pensioen van zijn bv. Hij verlaagde zijn salaris daarom ook, zodat hij in totaal weer op € 60.000 uitkwam. De fiscus ging hier echter niet mee akkoord en legde een naheffingsaanslag op wegens een te laag gebruikelijk loon. De dga stapte hierop naar de rechter.

Gebruikelijk loon is voor tegenwoordige dienstbetrekking

Daar stelde de dga dat zijn totale inkomsten inclusief het pensioen voldeden aan de eisen voor zijn gebruikelijk loon. Het ging wat hem betreft immers om het inkomen dat hij ontving van zijn bv. De inspecteur voerde echter aan dat een pensioenuitkering hier onder valt. De rechter was het met de fiscus eens. Het loon van de dga moet gebruikelijk zijn voor de werkzaamheden die hij verricht. Een pensioenuitkering is geen vergoeding voor de huidige werkzaamheden. De inspecteur hoefde dus geen rekening te houden met het ontvangen pensioen bij de correctie van het gebruikelijk loon.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 augustus 2016,

(Bron: Rendement)

Vermogensrendementsheffing over spaargeld niet strijdig met eigendomsrecht

De belastingkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in een proefproces de vermogensrendementsheffing over spaartegoeden in box 3 in stand gehouden voor de jaren 2013 en 2014. Bij de heffing wordt uitgegaan van een zogenaamd forfaitair rendement van 4%. Dit is een fictief percentage aan rendement waarover belasting betaald moet worden. Voor dit proefproces waren door de Belastingdienst onder meer twee zaken geselecteerd waarin belastingplichtigen stelden dat in de jaren 2013 en 2014 het forfaitaire rendement van 4% teveel afwijkt van het rendement dat daadwerkelijk behaald kan worden.

Eigendomsrecht

Het percentage van 4% is vastgelegd in de wet. De rechter moet de wet toepassen en kan daar alleen van afwijken als de wet in strijd is met een verdrag. Volgens de belanghebbenden is belastingheffing over een forfaitair rendement van 4% voor spaartegoeden in strijd met het eigendomsrecht zoals dat beschermd wordt in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM), omdat het percentage hoger is dan het daadwerkelijk te behalen rendement.

Niet in strijd met verdrag

De rechtbank is van oordeel dat de huidige heffing van 30% over een forfaitair rendement van 4% over spaartegoeden niet in algemene zin in strijd is met artikel 1 EP EVRM in de jaren 2013 en 2014. De Hoge Raad oordeelde eerder al dat de rendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1. De Hoge Raad heeft daartoe geoordeeld dat voor die jaren niet is komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar was (het onhaalbaarheidscriterium). De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de jaren 2013 en 2014 anders te oordelen. Ook voor die jaren is namelijk met alles wat de belanghebbenden hebben aangevoerd niet komen vast te staan dat aan het onhaalbaarheidscriterium wordt voldaan. Dat de werkelijk te behalen rendementen op spaartegoeden in die jaren lager zijn dan 4% is niet voldoende.

(Bron: Rechtspraak.nl)

datum van eerste toelating op de weg essentieel voor bijtelling privégebruik auto

In uitgave 3 van de Nieuwsbrief Loonheffingen 2017 is aangegeven dat per 2017 voor de bijtelling privégebruik auto de zogenoemde datum van eerste toelating op de weg (DET) relevant is. Wat houdt dit in?

Per 1 januari 2017 wordt voor het bepalen van de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak niet meer gesproken over het moment waarop de auto voor het eerst op naam is gesteld, maar over de datum van eerste toelating op de weg (DET). In de praktijk zal dit meestal dezelfde datum zijn, maar bij auto’s uit het buitenland kan er verschil zijn.

Bijtelling auto’s van vóór 2017 blijft 25%

De bijtelling voor auto’s van de zaak met een DET van op of na 1 januari 2017 bedraagt 22% van de cataloguswaarde van de auto. Alleen voor nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een verlaagd bijtellingspercentage van 4%.Dit tarief geldt voor 60 maanden vanaf de eerste dag van de maand na de DET van de auto van de zaak.
Voor auto’s van de zaak die vóór 2017 voor het eerst te naam zijn gesteld, geldt standaard (voor niet-zuinige auto’s) gedurende 60 maanden een bijtellingspercentage van 25%. Dit percentage is per 2017 niet naar beneden bijgesteld. Pas na afloop van de periode van 60 maanden gaat het nieuwe regime gelden.

(Bron: Rendement)