Werkwijze fiscus bij wegpoetsen r/c-schuld DGA aan zijn BV

Naar aanleiding van een WOB-verzoek van mr. P Kok van Proced te Amstelveen heeft het Ministerie van Financiën een intern memo van de Belastingdienst gepubliceerd over het belastingvrij afboeken van een vordering in rekening-courant (r/c) van een BV op haar DGA. In het memo wordt aan medewerkers van de Belastingdienst een aantal handvatten gegeven in situaties waarin de schuld van een DGA aan zijn vennootschap belastingvrij wordt afgeboekt. Aanleiding voor dit memo was het feit dat sommige adviseurs dit onderwerp als fiscaal product actief verkochten. Uit het memo blijkt het volgende:

  • Een in de aangifte Vpb gedetecteerde casus is aanleiding om de aanslagregeling IB van de DGA voor alle openstaande jaren aan te houden.
  • In het kader van vooroverleg mag de inspecteur geen inhoudelijk standpunt geven over deze materie. In plaats daarvan moet aan de belastingplichtige worden meegedeeld dat het door hem in te nemen standpunt zal worden bestreden. De door belastingplichtigen gewenste combinatie van een uitdeling zonder navorderingsbevoegdheid sluiten elkaar volgens het memo uit. Een belastingplichtige is óf te goeder trouw en was zich niet bewust van de bevoordeling in dat geval is er geen uitdeling te onderkennen, óf hij was zich daarvan wel bewust en is er een uitdeling, maar dan was sprake van kwade trouw en het bewust doen van onjuiste aangifte.
  • Inspecteurs moeten zeer uitgebreide motiveringen vragen van belastingplichtigen die zich beroepen op een schijnlening. De stelling “schijnlening” vormt volgens het memo als zodanig als een “nieuw feit’ op grond waarvan kan worden nagevorderd, eventueel met oplegging van een boete. De Belastingdienst beschouwt de stelling “schijnlening” verder als een impliciete stelling dat jarenlang onjuiste aangiften IB en Vpb zijn ingediend, wat een strafbaar feit is.
  • In het kader van de onderzoeksplicht van inspecteurs stelt het memo dat een oplopende schuld in r/c er juist op kan wijzen dat er geen sprake is van een uitdeling. Het is in dit verband vaak niet zó duidelijk dat een lening niet kan worden terugbetaald dat daardoor een onderzoeksplicht voor de inspecteur ontstaat.

(Bron: FUTD)

Spaar-, of beleggingshypotheek soms toch af te lossen zonder fiscale sancties

De Tweede Kamer nam het amendement-Omtzigt/Ronnes aan. Hiermee kan een belastingplichtige eerder gebruik maken van de kapitaalsvrijstelling van een kapitaalverzekering eigen woning.

Kapitaalsvrijstelling KEW

Voor kapitaalverzekeringen eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW) gelden kapitaalsvrijstellingen. Voor een beroep op de lage vrijstelling ( € 36.800) moet de belastingplichtige ten minste 15 jaar premies betalen en voor de hoge vrijstelling (€ 162.000) 20 jaar. Deze jaareis geldt niet als de belastingplichtige verhuist naar een huurwoning of een restschuld eigen woning heeft.

Verruiming tijdklem

In het Belastingplan 2017 stelt het kabinet voor om de tijdklem van 15 of 20 jaar in sommige gevallen niet toe te passen. De belastingplichtige kan zijn KEW laten uitkeren en een beroep doen op de hoge kapitaalvrijstelling zonder dat hij 20 jaar premies betaalde, als:

  • het partnerschap van de belastingplichtige is geëindigd;
  • de belastingplichtige schuldhulpverlening wordt geboden;
  • de belastingplichtige een eigen woning heeft verkocht en hem, op het moment direct na die verkoop, nog steeds of opnieuw een eigen woning ter beschikking staat, of
  • er is vastgesteld dat de belastingplichtige financiële problemen heeft en als gevolg daarvan niet meer in staat is de lasten met betrekking tot zijn eigen woning te voldoen of naar verwachting binnen afzienbare tijd niet meer zal kunnen voldoen.

Subsidie voor instellingen die duurzame energie produceren

Bedrijven en (non-profit) instellingen die hernieuwbare energie (gaan) produceren, kunnen gebruik maken van de subsidieregeling SDE+. De subsidieregeling is bedoeld voor hernieuwbare energietechnieken en is onderverdeeld in de categorieën Biomassa, Geothermie, Water, Wind (land, meer en dijk) en Zon. De SDE+ categorie Wind op Zee heeft haar eigen budget en aanvraagprocedure.

Met de SDE+ stimuleert het ministerie van Economische Zaken de ontwikkeling van een duurzame energievoorziening in Nederland. Duurzame energie is beter voor het milieu, maakt Nederland minder afhankelijk van fossiele brandstoffen en is goed voor de economie. Informatie over hoe u subsidie aanvraagt en het traject daarna leest u op mijnrvo.nl.

SDE+ 2017

De Aanwijzingsregeling SDE-categorieën voorjaar 2017 is op 7 februari 2017 in de Staatscourant gepubliceerd. De voorjaarsronde is open van 7 maart tot en met 30 maart 2017 -met een budget van € 6 miljard. De SDE+ heeft twee openstellingsrondes: voorjaar en najaar. Het maximum basisbedrag van € 0,150/kWh wordt verlaagd naar € 0,130/kWh in 2017. De bekendmaking van de definitieve data en het totaalbudget van de SDE+ najaar 2017 wordt vóór 1 juni 2017 verwacht.

Fasebedragen voorjaar SDE+ 2017

Fases en data
Maximum fasebedrag
elektriciteit en warmte
(€/kWh)
Maximum fasebedrag
hernieuwbaar gas
(€/kWh)*
Fase 1: 7 maart, 9.00 uur
0,090
0,064
Fase 2: 13 maart, 17.00 uur
0,110
0,078
Fase 3: 20 maart, 17.00 uur
tot 30 maart, 17.00 uur
0,130
0,092
*De fasegrens hernieuwbaar gas is gecorrigeerd voor de bijdrage aan de duurzaamheidsdoelstelling (78,5%) en factor onderste/bovenste verbrandingswaarde Gronings aardgas (31,65/35,17)
Informatie over de wijzigingen en kenmerken van de categorieën vindt u op de pagina’s Biomassa, Geothermie, Water, Wind (land, meer en dijk) en Zon.

SDE+ volledige aanvraag

Bent u van plan om in 2017 SDE+ subsidie aan te vragen voor een project? Zorg dat u alle benodigde vergunningen en bijlagen op tijd heeft, want geen vergunning(en) terwijl wel vereist, betekent geen SDE+ subsidie.
U bent zelf verantwoordelijk voor het tijdig en volledig indienen van uw aanvraag. RVO.nl behandelt de subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst. Aanvragen die op dezelfde dag worden ontvangen, worden geacht tegelijkertijd te zijn ontvangen.

Haalbaarheidsstudie

Informatie over de haalbaarheidsstudie leest u in de ‘Handleiding haalbaarheidsstudie SDE+’. Om u te helpen met een volledige haalbaarheidsstudie biedt RVO.nl een ‘Model haalbaarheidsstudie SDE+’ aan. Vul dit model volledig in. Dan ziet u ook welke documenten u  moet uploaden voor de haalbaarheidsstudie. De handleiding en het  model haalbaarheidsstudie vindt u onder Downloads. Meer documenten en informatie over aanvragen vindt u op mijn.rvo.nl  onder Aanvragen en Bijlagen.

Aanvragen van SDE+

Ook in 2017 vraagt u SDE+ subsidie aan via het eLoket. Vanaf medio februari 2017 kunt u uw aanvraag in concept klaarzetten, de bijlagen inscannen en vervolgens uploaden in het eLoket. Zet uw aanvraag tijdig klaar in het eLoket. Uw officiële aanvraag kunt u indienen vanaf 7 maart 2017, 9.00 uur bij de start van fase 1 van de ronde SDE+ voorjaar 2017.

SDE+ voorlichtingsfilm en brochure

Gaat u hernieuwbare energie produceren en bent u van plan SDE+ subsidie aan te vragen? Bekijk dan de SDE+ 2017 voorlichtingsfilm. Binnen 4 minuten weet u of en hoe u gebruik kunt maken van de regeling. De brochure SDE+ voorjaar 2017 verschijnt binnenkort.

SDE+ 2016 Eindstand aanvragen

In de Kamerbrief van 27 januari 2017 vindt u de resultaten van de SDE+ 2016 najaarsronde. De tabellen met het aantal ingediende aanvragen SDE+ najaar 2016 en de eindstand van de SDE+ najaar 2016 vindt u bij de Stand van zaken aanvragen.

Veelgestelde vragen SDE+

Heeft u vragen over deze subsidie in het algemeen? In de FAQ vindt u antwoorden op veelgestelde vragen.

(Bron: RVO.nl)

Goudenhanddrukstamrecht en echtscheiding

Man en vrouw zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden. In het kader van de echtscheiding twisten zij over de vraag of het goudenhanddrukstamrecht van de man, onder het te verrekenen vermogen valt. Zij vragen de rechter om duidelijkheid.

De zaak (Rechtbank Den Haag, 20 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15738) verloopt als volgt. Man en vrouw zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Er is sprake van uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding. In 2007 ontvangt de man een ontslagvergoeding van € 175.000 in de vorm van een goudenhanddrukstamrecht. Hij bedingt een uitgesteld stamrecht bij de eigen BV. Op 6 juli 2015 dienen zij het echtscheidingsverzoek in bij de rechtbank. Deze datum is ook de peildatum voor het te verrekenen vermogen.
Man en vrouw twisten over de vraag of het stamrecht in de verrekening moet worden betrokken. De rechtbank oordeelt dat het stamrecht tot het privévermogen van de man behoort en geen deel uitmaakt van het te verrekenen vermogen. Er zijn nog geen stamrechtuitkeringen gedaan. De rechtbank is van oordeel dat deze aanspraken gezien de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen bepaling over het begrip inkomen, namelijk besteedbaar inkomen, buiten de verrekening vallen.

Belang voor de praktijk

Een periodiek verrekenbeding is een beding waarmee de beide partners afspreken dat ze jaarlijks het niet geconsumeerde inkomen verdelen. Onder het niet geconsumeerde inkomen moet meestal worden verstaan het inkomen dat overblijft nadat de kosten van huishouding (woonlasten, boodschappen, etc.) zijn betaald. Wat en hoe er moet worden verrekend kan verschillen. Het ene periodiek verrekenbeding is het andere niet. Dat heeft vooral te maken met de omschrijving van het begrip ‘inkomen’ in de huwelijkse voorwaarden. Feit is overigens dat er van de overeengekomen jaarlijkse verrekening vaak niet veel terecht komt. En wat dan?
Als een verrekenbeding is opgenomen in de huwelijkse voorwaarden maar niet is uitgevoerd, dan bepaalt de wet dat er bij het einde van het huwelijk alsnog moet worden verrekend tussen de beide echtgenoten. Dat kan dus bij overlijden zijn, maar ook bij echtscheiding. Vaak kan een juiste verrekening niet meer plaatsvinden, simpelweg omdat de daarvoor benodigde gegevens ontbreken. Het komt er dan op neer dat het totale vermogen van de beide huwelijkspartners moet worden verdeeld alsof er een huwelijkse goederengemeenschap is.

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Terechte btw-naheffing bij verhuurder van garageboxen

De Hoge Raad oordeelt dat de verhuur niet is vrijgesteld, aangezien de garageboxen naar hun aard zijn bestemd om te worden gebruikt als parkeerruimte voor een voertuig.

Vof X is eigenaar van elf garageboxen in een woonwijk. De garageboxen worden afzonderlijk aan particulieren verhuurd. Vof X brengt deze huurders geen btw in rekening. In geschil is de btw-naheffingsaanslag over 2010. Volgens de inspecteur is de verhuur namelijk niet vrijgesteld. Volgens vof X zijn de garageboxen in gebruik als bergruimte en is geen sprake van verhuur van parkeerruimte voor voertuigen in de zin van art. 11-1-b sub 3 Wet OB 1968. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens Hof ‘s-Hertogenbosch valt aan ervaringsregels in het maatschappelijke verkeer de wetenschap te ontlenen dat garageboxen veelal plegen te worden aangewend voor andere doeleinden dan voor het stallen van voertuigen. Het gebruik als bergruimte is contractueel ook niet uitgesloten. X vof beroept zich daarom terecht op het Besluit van 14 juli 2009, nr CPPP2008/137M, V-N 2009/39.23, waarin is bepaald dat verhuur van multifunctionele ruimten is vrijgesteld. De Staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de verhuur niet is vrijgesteld, aangezien de garageboxen naar hun aard zijn bestemd om te worden gebruikt als parkeerruimte voor een voertuig. Het feitelijke gebruik van een ruimte kan niet als onderscheidend criterium worden gebruikt voor het bepalen van het karakter van die ruimte. Niet is gesteld noch is gebleken dat de garageboxen over voorzieningen beschikken die deze in het bijzonder geschikt maken voor andere doeleinden dan het parkeren van een voertuig. Het beroep van de Staatssecretaris is gegrond. Volgt bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

(bron: Taxlive)

Leverancier fiscale software in de cloud moest gegevens aan FIOD geven

BV X leverde bedrijfssoftware voor dienstverlenende organisaties. Zij bood onder meer een door een derde ontwikkeld fiscaal softwarepakket aan ter ondersteuning van aangifte- en advieswerkzaamheden voor accountants en administratiekantoren. Het softwarepakket was een Cloud-applicatie, de gebruiker had overal ter wereld toegang tot zijn gegevens. BV X huurde daarvoor een deel van een server van Amazon in Ierland. In november 2016 werd BV X door de FIOD benaderd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de heer A, die werd verdacht van het systematisch onjuist doen van aangiften inkomstenbelasting. A maakte gebruik van het softwarepakket van BV X. De FIOD vorderde – met een machtiging van de officier van justitie – op grond van artikel 126ng van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de gegevens van A over 2011 tot en met 2016, waaronder de door A voor derden ingediende aangiften en onderliggende aantekeningen. BV X verstrekte aan de FIOD een bestand met gegevens en diende vervolgens bij de Rechtbank een klaagschrift in over de kennisneming en het gebruik van de gegevens. De strafkamer van Rechtbank Overijssel besliste dat BV X kon worden aangemerkt als een aanbieder van een communicatiedienst als bedoeld in artikel 126la, onder a, Sv, zodat de officier van justitie op juiste gronden de vordering ex artikel 126ng Sv aan BV X had gedaan. BV X faciliteerde voor haar klanten de mogelijkheid om bij de cloud te komen waar de klanten toegang hadden tot de door hen opgeslagen gegevens. Het toegang hebben tot die gegevens en het invoeren van de gegevens kon alleen via telecommunicatiestructuren en het faciliteren van de mogelijkheid om klanten toegang te geven tot de cloud, was volgens de Rechtbank dan ook een vorm van telecommunicatie. De Rechtbank verwierp de stelling van BV X dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit waren geschonden. Bij de beoordeling van de vordering waren andere alternatieven overwogen, maar die waren niet afdoende gebleken. Het was niet uitgesloten dat er verschil bestond tussen de fiscale gegevens van een klant in de cloud en de gegevens die waren doorgegeven aan de Belastingdienst. Een doorzoeking van de computers van A die vele uren in beslag zou nemen of het in beslag nemen van de server van Amazon, was volgens de Rechtbank beduidend ingrijpender. De Rechtbank verklaarde het klaagschrift van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)

Nieuwe minimumloonregels per 1 juli 2017!

Er zijn de nodige aanpassingen op komst in het minimumloon. Per 1 juli 2017 gaat de leeftijd voor het volwassenminimumloon stapsgewijs omlaag en het minimumloon voor jongeren stapsgewijs omhoog. Verder worden de regels voor het betalen van stukloon en voor meerwerk aangepast.

Op dinsdag 24 januari 2017 heeft de Eerste Kamer ingestemd met een herziening van het minimumloon. De herziening bestaat uit drie onderdelen.

1. Verlaging en verhoging

De leeftijd waarop iemand recht heeft op het wettelijk volwassenminimumloon gaat in twee stappen omlaag van 23 jaar naar 21 jaar. Per 1 juli 2017 gaat de leeftijd omlaag van 23 jaar naar 22 jaar. Tegelijkertijd gaat het minimumloon voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar (minimumjeugdloon) in stappen omhoog. Concreet betekent dit dat uw werknemers van 18 tot en met 22 jaar per 1 juli aanstaande een hoger wettelijk minimumloon ontvangen.

Let op! Op de gebruikelijke halfjaarlijkse verhoging na, wijzigt het minimumloon voor werknemers in de leeftijdscategorie 15 tot en met 17 jaar niet.

Compensatieregeling

Door de stapsgewijze verhoging van het wettelijk minimumloon voor de leeftijd van 18 tot en met 21 jaar, krijgen werkgevers te maken met hogere loonkosten. Met een compensatieregeling kunnen werkgevers rekenen op een tegemoetkoming. Deze tegemoetkoming wordt uitgedrukt in een vast bedrag per verloond uur en is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer op 31 december van het voorafgaande jaar en het gemiddelde uurloon in het kalenderjaar. De compensatie wordt na afloop van een kalenderjaar automatisch vastgesteld en uitbetaald aan werkgevers die daar recht op hebben.

Let op! De compensatieregeling treedt in werking op 1 januari 2018. Omdat de verhoging van het minimumjeugdloon al ingaat per 1 juli 2017, wordt de compensatie voor het jaar 2018 vermenigvuldigd met 1,5.

2. Minimumloon bij stukloon

Ook de regels voor het betalen van stukloon worden per 1 juli 2017 aangepast. De huidige norm waarbij de tijd die redelijkerwijs met de verrichte arbeid gemoeid is als arbeidsduur voor het minimumloon wordt aangemerkt, komt te vervallen. Bepalend wordt de werkelijke tijd die een werknemer heeft besteed aan de uitvoering van de verrichte arbeid. Betalen op basis van stukloon blijft mogelijk, maar u moet wel minimaal het wettelijk minimumloon per daadwerkelijk gewerkt uur betalen.

Let op! Bepaalde bedrijfstakken kunnen voor specifieke werkzaamheden worden uitgezonderd van de nieuwe regels. Voor de uitbetaling van stukloon zal dan niet de werkelijk bestede tijd bepalend zijn, maar, net als nu, de tijd die redelijkerwijs met de verrichte arbeid is gemoeid.

3. Minimumloon bij meerwerk

Tot slot worden ook de regels voor het betalen van meerwerk per 1 juli 2017 aangepast. Verricht uw werknemer langer arbeid dan de normale arbeidsduur, dan wordt het minimumloon naar evenredigheid verhoogd.

Let op! Voor de nieuwe regels bij meerwerk wordt de normale arbeidsduur gemaximeerd op 40 uur per week. Verdient uw werknemer het wettelijk minimumloon en geldt in uw bedrijf een 36- of 38-urige werkweek, dan bent u per 1 juli mogelijk meer kwijt als deze werknemer overwerkt.

Het blijft ook met de nieuwe regels voor meerwerk onder voorwaarden mogelijk om het meerwerk niet uit te betalen maar te compenseren door betaalde vrije tijd. Deze mogelijkheid moet dan wel zijn opgenomen in de cao.

(Koenen en Co)

Echtscheiding en de BV: Afstortingsverplichting voor de directeur-grootaandeelhouder

Het Wetsvoorstel Uitfasering Pensioen in Eigen Beheer houdt de gemoederen al geruime tijd bezig. Hoewel het wetsvoorstel zal leiden tot (in de meeste gevallen) afschaffen van pensioen in eigen beheer, spelen er momenteel nog altijd veel discussies en procedures over de afstortingsverplichting van de directeur-grootaandeelhouder als de scheiding nu reeds speelt, of al langere tijd geleden heeft gespeeld.

Met haar arrest d.d. 9 februari 2007 heeft de Hoge Raad hiervoor de basis gelegd. In principe rust op de directeur-grootaandeelhouder een afstortingsverplichting, tenzij de continuïteit van de onderneming als gevolg van die afstorting in gevaar komt. Gerechtshof Den Haag heeft daarbij ook nog de stelling opgeworpen dat de daling van de rekenrente en de daarmee aanzienlijk gestegen afstortingsverplichting niet volledig voor rekening van de directeur-grootaandeelhouder mag komen.

Twee recente uitspraken laten zien, dan ondanks deze kapstokken de rechtspraak toch nog verschillend denkt over het al dan niet aanwezig zijn van een afstortingsverplichting voor de directeur-grootaandeelhouder.
Zo oordeelde allereerst Rechtbank Den Haag op 19 december 2016 over de al dan niet aanwezigheid van een afstortingsverplichting. Wat was er in deze kwestie aan de hand. Partijen liggen in scheiding en zijn er het over eens dat de commerciële waarde van de pensioentoezegging van de man € 115.088,- bedraagt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op de helft van deze waarde en dat deze waarde afgestort moet worden in een door haar aan te wijzen pensioenfonds. De man stelt zich op het standpunt dat de afstorting er niet toe mag leiden dat de ondernemingen de verplichtingen jegens de man niet meer kan nakomen en dat is wel het geval. Dit onderbouwt de man met een rapport van zijn belastingadviseur. De man beroept zich dus niet op de continuïteit van de onderneming. De Rechtbank stelt zich op het standpunt dat niet in het geding is wat de commerciële waarde is en dat de man in principe de helft hiervan moet afstorten. De Rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat genoemde afstorting niet kan plaatsvinden zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Er zijn voldoende liquide middelen om de afstorting uit te voeren. De belangen van de man gaan niet voor op de belangen van de vrouw. De man wordt derhalve veroordeeld tot afstorting van de helft van de commerciële waarde. Een aantal zaken valt op. Zo heeft de vrouw geen recht op de helft van de commerciële waarde, maar heeft ze recht op afstorting van haar pensioenaanspraken, wat niet overeenkomt met de helft van de commerciële waarde. Ook valt op dat de man, blijkbaar, niet als verweer heeft gevoerd dat door de afstorting de daling van de rekenrente volledig voor zijn rekening c.q. die van de onderneming komt. Desalniettemin komt de Rechtbank tot een afstortingsverplichting (volledig) voor de man.

 

Rechtbank Noord-Holland kwam tevens in een echtscheidingsprocedure op 24 augustus 2016 (maar pas recent gepubliceerd) tot een ander oordeel. Ook daar vorderde de vrouw afstorting van een nog nader te bepalen bedrag verhoogd met 4% vanaf de datum van scheiding tot de datum van storting. Ook hier valt weer op dat niet de afstorting van de aan de vrouw toekomende aanspraken wordt gevorderd. De man stelt zich op het standpunt dat afstorting niet mogelijk is, zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. De Rechtbank volgt de man hierin. De liquide middelen zijn summier en de overige activa bestaan voornamelijk uit een vordering van de b.v. op de man (rekening-courant en lening voor de woning). Deze kunnen niet ingelost worden en om die reden zijn de middelen van de man onvoldoende om tot afstorting over te gaan.  Gezien de financiële positie sec is dat een begrijpelijk oordeel, echter deze positie is wel mede veroorzaakt door de man zelf. Een persoonlijke aansprakelijkheid had dan ook wellicht tot de mogelijkheden behoord.

Bovenstaande uitspraken laten zien dat er nog altijd verschillend wordt gedacht over de afstorting van pensioen in eigen beheer na scheiding en dat de feitelijke situatie tot verschillende uitkomsten kan leiden. Dit neemt niet weg, dat ook scherp alle (on)mogelijkheden in een dergelijke procedure in de gaten gehouden moeten worden, want in beide kwesties lijken niet alle mogelijkheden van partijen te zijn benut.

(Bron: Pensioenweblog)

Arbeidscontracten: Top 5 meest gemaakte fouten door werkgevers

Hoewel de Wet Werk en Zekerheid (hierna: WWZ) alweer (bijna) twee jaar is ingevoerd, maken werkgevers nog steeds fouten in arbeidsovereenkomsten. Het gevolg: ongeldige arbeidsvoorwaarden. Tijd voor een top 5 van de meest gemaakte fouten in arbeidsovereenkomsten.

1. Concurrentiebeding bij contracten voor bepaalde tijd

Sinds 1 januari 2015 is het werkgevers niet toegestaan om een concurrentiebeding op te nemen in arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Dit is slechts anders als er sprake is van een zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelang, hetgeen schriftelijk moet worden gemotiveerd in de arbeidsovereenkomst. Als de motivering ontbreekt of er geen sprake is van een zwaarwichtig bedrijfs- of dienstbelang, is het concurrentiebeding niet rechtsgeldig.

Ondanks het voorgaande zien wij in de praktijk toch dat werkgevers het zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelang ‘vergeten’ te motiveren c.q. op te nemen, met alle gevolgen van dien.

2. Aanzegging bij bepaalde tijd contracten

Bij een bepaalde tijd contract moet de werkgever de werknemer uiterlijk een maand voor afloop van de arbeidsovereenkomst schriftelijk informeren of de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet, en als dat het geval is, onder welke voorwaarden de voortzetting plaatsvindt (ook wel: de aanzegging). De aanzegging is niet vereist bij arbeidsovereenkomsten die korter dan zes maanden duren.

In de praktijk vergeten werkgevers om de aanzegging (tijdig) te doen. Dit heeft financiële consequenties; de werkgever is dan gehouden om een vergoeding aan de werknemer te betalen ter hoogte van het maandloon.

3. Proeftijd bij arbeidsovereenkomsten korter dan zes maanden

Door de inwerkingtreding van de WWZ zijn ook de regels voor het overeenkomen van proeftijden aangescherpt. Zo mag er geen proeftijdbeding worden overeengekomen bij een arbeidsovereenkomst korter dan zes maanden. Ook dit wordt in de praktijk nogal eens vergeten.

4. De transitievergoeding

Bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst kan de werkgever een transitievergoeding verschuldigd zijn aan de werknemer. Dit is het geval als de arbeidsovereenkomst tenminste twee jaar heeft geduurd en op initiatief van de werkgever is beëindigd door opzegging na toestemming van het UWV of ontbinding door de kantonrechter.

Verder is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd als een tijdelijke arbeidsovereenkomst minimaal twee jaar heeft geduurd en op initiatief van de werkgever niet wordt verlengd nadat deze van rechtswege is geëindigd.

Werkgevers blijken zich er niet altijd bewust van te zijn dat zij in dergelijke gevallen een transitievergoeding moeten betalen aan de werknemer. Als ook de werknemer zich juridisch niet laat bijstaan, komen werkgevers hier wel mee weg.

5. Ontbreken correct geformuleerde studiekostenbeding

Al in 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bevoegdheid van de werkgever om een studiekostenbeding te overeenkomen niet onbeperkt is en wordt begrensd door de wettelijke bepalingen, de eisen van goed werkgeverschap en de norm van redelijkheid en billijkheid. Daarom kan men een terugbetalingsregeling van studiekosten overeenkomen, mits de regeling:

  1. de tijdspanne vaststelt gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben bij de studiewerkzaamheden van de werknemer;
  2. (uitdrukkelijk) bepaalt dat de werknemer, indien de dienstbetrekking eindigt, het loon over die periode aan de werkgever moet terugbetalen;
  3. deze terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van de dienstbetrekking gedurende de onder 1. bedoelde tijdspanne.

Hoewel de uitspraak van de Hoge Raad ziet op een terugbetaling van loon, wordt aangenomen dat dezelfde regels gelden als het gaat om het terugbetalen van studiekosten. Verder heeft de Hoge Raad een aantal aanvullende voorwaarden gesteld, zoals de voorwaarde dat dat er geen strijd mag ontstaan met de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de voorwaarde dat de terugbetalingsregeling met haar consequenties duidelijk moet zijn geweest voor de werknemer. Dit laatste betekent dat duidelijk moet worden omschreven welke kosten van de werknemer onder welke omstandigheden worden teruggevorderd.

(Bron: Accountant.nl)

Wanneer wordt pensioen in eigen beheer nu afgeschaft?

Nadat eind december de afschaffing van het pensioen in eigen beheer werd uitgesteld, staat deze nu weer op de rails. De indexatiekwestie die aanleiding was voor dit uitstel, is opgelost. Als alles parlementair meezit, is per 1 april aanstaande de afschaffing alsnog een feit. U heeft vanaf die datum dan nog drie maanden de tijd, dus tot 1 juli, om met uw pensioenopbouw te stoppen.

Even was er onzekerheid over de vraag of (toekomstige) indexeringslasten van de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken bij afkoop van het pensioen in eigen beheer of bij omzetting in een oudedagsverplichting, direct ten laste van de fiscale winst kunnen worden gebracht. Die onzekerheid is nu weggenomen. Indexeringskosten en lasten zijn alleen aftrekbaar als deze op de fiscale balans zijn geactiveerd.

Let op! Een dergelijke actiefpost doet zich vrijwel alleen voor bij extern pensioen in eigen beheer. De pensioenverplichting van de dga is dan ondergebracht in een aparte bv.

Er is nu aangegeven hoe bij afkoop of bij omzetting van het pensioen in eigen beheer moet worden omgegaan met deze op de fiscale balans geactiveerde kosten en lasten voor de toekomstige indexatie. Wordt het pensioen in eigen beheer fiscaal gefaciliteerd afgekocht, dan mogen deze indexatiekosten en lasten op het moment van afkoop in één keer worden afgetrokken van de winst. Wordt het pensioen in eigen beheer omgezet in een oudedagsverplichting, dan mogen de geactiveerde indexatiekosten en lasten in gelijke jaarlijkse delen in aftrek worden gebracht.

Let op! Aftrek (in één keer bij afkoop en in termijnen bij omzetting) is alleen mogelijk als er in de aangifte vennootschapsbelasting van vóór 20 september 2016 een actiefpost is opgenomen voor toekomstige indexatie.

Voortgang
Nu er duidelijkheid is over de fiscale behandeling van (toekomstige) indexeringslasten, staat de afschaffing van het pensioen in eigen beheer weer op de rails. De Tweede Kamer is nu eerst aan zet. Na een schriftelijke behandeling volgt op dinsdag 7 februari de plenaire behandeling en zal er worden gestemd op donderdag 9 februari. Stemming in de Eerste Kamer is voorzien uiterlijk 7 maart aanstaande. Als alles meezit, is de afschaffing van het pensioen in eigen beheer alsnog een feit per 1 april 2017.

(Bron: Schipper Groep)