Pensioen in eigen beheer van de BV afgeschaft: wat te doen voor 1 juli?

Vanaf 1 april 2017 is er geen pensioenopbouw in eigen beheer meer mogelijk voor de dga. De Eerste Kamer is dinsdag 7 maart 2017 namelijk akkoord gegaan met het afschaffen van het pensioen in eigen beheer.

Let op!
U moet al vóór 1 juli actie ondernemen om de nodige zaken te regelen.

Nu het pensioen in eigen beheer is afgeschaft, moet u kiezen wat u wilt gaan doen met de reeds opgebouwde pensioenaanspraken. Er zijn drie mogelijkheden:
1. Het pensioen tegen fiscale waarde afkopen met een belastingkorting.
2. Het pensioen tegen fiscale waarde omzetten in een oudedagsverplichting.
3. Het pensioen in eigen beheer ongewijzigd laten. Verdere opbouw is echter niet meer mogelijk.

Drie maanden regeltijd
U heeft nu drie maanden de tijd, dus tot 1 juli 2017, om de nodige zaken te regelen rondom de afschaffing van het pensioen in eigen beheer. U moet daarbij denken aan onder andere het premievrij maken van het in eigen beheer opgebouwde pensioen, het aanpassen van de pensioenbrief en het eventueel terughalen van een extern verzekerd pensioendeel.

Let op!
Voor het eventueel terughalen van een extern verzekerd pensioendeel is het voldoende dat uw externe verzekeraar vóór 1 juli een verzoek tot overdracht heeft ontvangen. De administratieve afhandeling kan dan vervolgens binnen de gebruikelijke termijnen in 2017 plaatsvinden.

Vragen? Wij kunnen u prima adviseren wat er in uw situatie nodig en mogelijk is.

(Bron: MTH)

Te weinig btw betaald in 2016? Corrigeer vóór 1 april!

Heeft u over 2016 te weinig btw aangegeven, doe dit dan alsnog met een suppletieformulier omzetbelasting. Doet u dat vóór 1 april 2017, dan betaalt u geen belastingrente. Een correctie van € 1.000 of minder kunt u ook in uw eerstvolgende aangifte verwerken.

Heeft u in een btw-aangifte over 2016 te weinig btw aangegeven, dan moet u dit corrigeren middels een suppletie. Wacht daar niet te lang mee. U bent namelijk geen belastingrente verschuldigd als u de verschuldigde btw alsnog aangeeft en betaalt vóór 1 april 2017. Ook kunt u zo een boete voorkomen, maar dan mag het alsnog te betalen btw-bedrag niet hoger zijn dan € 20.000 of niet meer zijn dan 10% van de betaalde btw over 2016.

Tip! Corrigeren kan met een suppletie omzetbelasting. Neem hiervoor contact op met uw adviseur.

Na het indienen van de suppletie ontvangt u van de Belastingdienst een naheffingsaanslag.

Tip! Heeft u teveel btw aangegeven, dan kunt u dit ook met een suppletieformulier corrigeren. U ontvangt dan binnen enkele weken een teruggaafbeschikking van de Belastingdienst.

Kleine correcties

Voor kleine correcties hoeft u geen suppletie in te dienen. Het gaat dan om een bedrag van € 1.000 of minder aan te veel of te weinig opgegeven btw. Deze btw mag u verwerken in uw eerstvolgende btw-aangifte. U krijgt dan van de Belastingdienst geen teruggaafbeschikking of naheffingsaanslag.

I

Heeft u over 2016 te weinig btw aangegeven, doe dit dan alsnog met een suppletieformulier omzetbelasting. Doet u dat vóór 1 april 2017, dan betaalt u geen belastingrente. Een correctie van € 1.000 of minder kunt u ook in uw eerstvolgende aangifte verwerken.

Heeft u in een btw-aangifte over 2016 te weinig btw aangegeven, dan moet u dit corrigeren middels een suppletie. Wacht daar niet te lang mee. U bent namelijk geen belastingrente verschuldigd als u de verschuldigde btw alsnog aangeeft en betaalt vóór 1 april 2017. Ook kunt u zo een boete voorkomen, maar dan mag het alsnog te betalen btw-bedrag niet hoger zijn dan € 20.000 of niet meer zijn dan 10% van de betaalde btw over 2016.

Tip! Corrigeren kan met een suppletie omzetbelasting. Neem hiervoor contact op met uw adviseur.

Na het indienen van de suppletie ontvangt u van de Belastingdienst een naheffingsaanslag.

Tip! Heeft u teveel btw aangegeven, dan kunt u dit ook met een suppletieformulier corrigeren. U ontvangt dan binnen enkele weken een teruggaafbeschikking van de Belastingdienst.

Kleine correcties

Voor kleine correcties hoeft u geen suppletie in te dienen. Het gaat dan om een bedrag van € 1.000 of minder aan te veel of te weinig opgegeven btw. Deze btw mag u verwerken in uw eerstvolgende btw-aangifte. U krijgt dan van de Belastingdienst geen teruggaafbeschikking of naheffingsaanslag.

(Bron: Schipper Groep)

Lijfrente zonder revisierente afkopen bij arbeidsongeschiktheid

Bent u arbeidsongeschikt of bent dit geworden en beschikt u over een lijfrente? Dan kunt deze onder voorwaarden afkopen zonder dat u extra belasting hoeft te betalen. Wat zijn in deze situatie de regels en voorwaarden?

Belasting plus belasting

De overheid beschouwt een lijfrente als aanvullende oudedagsvoorziening. Voortijds afkopen hoort daar dus niet bij. Om dit onaantrekkelijk te maken betaalt u 20% extra belasting bij voortijdige afkoop, de zogenaamde revisierente. Naast dus de belasting die u sowieso al over de lijfrente-uitkering zelf betaalt, in veel gevallen al 52%.

Uitzondering bij arbeidsongeschiktheid

U kunt een lijfrente afkopen zonder 20% revisierente te betalen indien u arbeidsongeschikt bent. U hoeft niet een bepaald percentage arbeidsongeschikt te zijn.

Let op! Uw arbeidsongeschiktheid moet blijken uit een verklaring van een arts. Deze moet verklaren dat u uw hoofdberoep niet volledig uit kunt oefenen en dat deze situatie naar verwachting nog minstens 12 maanden voortduurt.

Hoeveel mag ik afkopen?

Welk bedrag u jaarlijks mag afkopen zonder dat u revisierente hoeft te betalen, is afhankelijk van uw inkomen. Hiermee is duidelijk dat de faciliteit bedoeld is als aanvulling op uw inkomen uit arbeidsongeschiktheid.

Let op! Vanwege de uitvoerbaarheid is bepaald dat de afkoop van een bedrag van €40.321 (2017) per jaar niet tot heffing van revisierente leidt.

Tip: Heeft u meer aan lijfrentes en heeft u ook meer nodig om uw inkomen voldoende te kunnen aanvullen, dan kunt u via uw inspecteur te weten komen tot welk bedrag u zonder revisierente te betalen vrij kunt opnemen.

Wilt u uw lijfrente (deels) afkopen, neem dan tijdig contact op met uw verzekeraar. Na ontvangst van de artsenverklaring zal deze dan geen revisierente inhouden.

(Bron: HLB)

Stop voor 1 juli met opbouw pensioen in eigen beheer

Een kwart van de directeur-grootaandeelhouders (dga’s) weet niet wat ze met hun bestaande pensioen in eigen beheer (PEB) gaan doen als de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer per 1 april 2017 ingaat. Dit blijkt uit een onderzoek van ABN AMRO MeesPierson onder 400 dga’s naar het PEB.

De bank waarschuwt dga’s met pensioen in eigen beheer om vóór 1 juli 2017 te zorgen dat zij geen pensioen meer in hun B.V. opbouwen. ‘Als ze daar niet voor zorgen, dan moeten ze ongeveer 1,8 keer de waarde van de pensioenvoorziening op hun balans aan de Belastingdienst betalen’, aldus pensioenexpert Masha Bril. Ook raadt de bank aan om uiterlijk voor het einde van het jaar te beslissen wat te doen met het al opgebouwde pensioen. Bij afkopen is het vaak verstandig om dat dit jaar nog te doen. In dat geval geeft de Belastingdienst de hoogste korting.

 

Afkopen, omzetten of voortzetten

Dga’s die al wel een keuze maakten over wat zij doen met hun in eigen beheer opgebouwde pensioen, kozen onder andere voor afkopen (24 procent), omzetten naar oudedagsverplichting (15 procent), overhevelen naar een verzekeraar (14 procent), omzetten naar een lijfrente (12 procent) of premievrij voortzetten (10 procent).

 

Weinig enthousiast ontvangen

Pensioen in eigen beheer is populair. De helft van de dga’s bouwt op deze manier (een deel van) het pensioen op. Voor één op de vijf directeur-grootaandeelhouders is het zelfs de belangrijkste manier van pensioenopbouw. De wetswijziging is bij veel dga’s met weinig enthousiasme ontvangen. Bijna de helft van de dga’s vindt afschaffing een slecht idee.

(Bron: Taxlive)

Onderbetaling: € 230.000 boete van Inspectie SZW

Kan uw organisatie niet inzichtelijk maken hoeveel uren de werknemers precies gewerkt hebben, dan overtreedt de werkgever mogelijk de wet. Hij loopt dan risico op een boete! Hij moet gewerkte uren daarom goed bijhouden.

Iedere werkgever is verplicht om alle werknemers minimaal het wettelijk minimumloon te betalen. Doet hij dat niet, dan overtreedt hij de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). Als Inspectie SZW zo’n overtreding constateert, kan dat flink in de papieren lopen. Dat gebeurde ook bij een schoonmaakbedrijf.

Overschrijding normtijd is onbetaald

De schoonmakers van deze organisatie kregen per kamer betaald voor een normtijd: de tijd die volgens de werkgever nodig was om de kamer schoon te maken. Voor een kamer waar de gast nog een avond verbleef gold een schoonmaaktijd van tien tot twaalf minuten. Voor de kamer van een vertrekkende gast 20 minuten. In de arbeidsovereenkomsten van de werknemers stond echter dat zij per uur betaald zouden krijgen. Had een werknemer langer nodig voor het schoonmaken van de kamers en deed hij bijvoorbeeld anderhalf uur over vijf kamers van blijvende gasten in plaats van een uur, dan kreeg hij toch maar één uur betaald. Daarnaast werden extra werkzaamheden, zoals het vullen van de linnenkar, het stofzuigen van de gang en het bijplaatsen van extra bedden niet betaald.

Geen nabetaling voor werknemers

Inspectie SZW oordeelde dat de uren die de werknemers gewerkt hadden, niet overeenkwamen met de uren die de werkgever registreerde en betaalde. De Inspectie kon daardoor niet controleren of de werknemers voldoende loon en vakantiebijslag betaald kregen. Daarvoor legde zij een boete van € 230.000 op. De overtreding van de organisatie werd op basis van de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) bovendien openbaar gemaakt.
Toch kon de inspectie niet bewijzen dat de organisatie te weinig betaald had. De werknemers kregen daarom geen nabetaling van de uren die zij niet betaald gekregen hadden.

(Bron: Rendement)t

Beperking aftrek btw ook voor sommige zakelijke huisvestingskosten

Het Besluit Uitsluiting Aftrek omzetbelasting (BUA) moet ook worden toegepast als de terbeschikkingstelling van huisvesting noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Dit heeft rechtbank Gelderland onlangs aangegeven.

Een organisatie kan in principe de BTW verrekenen die in rekening is gebracht door leveranciers. Op deze hoofdregel bestaan een aantal uitzonderingen. Eén van deze uitzonderingen betreffen goederen en diensten die door een organisatie worden betaald, maar worden gebruikt voor de werknemers. Dit privégebruik door werknemers mag uiteraard niet leiden tot aftrekbare BTW voor de organisatie. Hiervoor is het BUA  ingevoerd. Hierdoor is bijvoorbeeld de BTW op uitgaven voor huisvesting van werknemers niet aftrekbaar als voorbelasting. In onderstaande zaak ging het om de vraag of het BUA ook van toepassing is als het gaat om huisvesting die noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

Werknemers waren hier maar tijdelijk

Het ging hier om een uitzendbureau dat vooral buitenlandse uitzendkrachten ter beschikking stelde aan opdrachtgevers. Voor deze uitzendkrachten werden overnachtings/verblijfsplekken geregeld waarvoor ze geen vergoeding hoefden te betalen. Het uitzendbureau vond dat het BUA niet van toepassing was omdat de werknemers hier alleen maar tijdelijk verbleven en in het land van herkomst bleven wonen. Daarnaast waren de belangen van de uitzendkrachten ondergeschikt aan die van het uitzendbureau. De benodigde werknemers met specialistische kennis waren in Nederland ook niet te vinden. Het ging daarom om kosten die rechtstreeks verband hielden met de uitzendactiviteiten. Het uitzendbureau was dus de verbruiker van de geleverde huisvestingsdienst.

Verstrekking in persoonlijk belang

De Belastingdienst was het hier niet mee eens omdat hier sprake was van een verstrekking in het persoonlijke belang van de uitzendkracht. Het uitzendbureau had er zelf voor gekozen om iets te regelen voor de werknemers. De rechter sloot zich aan bij de fiscus. Zelfs als de verstrekking noodzakelijk was voor de bedrijfsvoering bleef het BUA gelden. Er was ook geen sprake van dat het BUA in strijd was met het Europese recht.

Bond voor Belastingbetalers waarschuwt voor privacyrisico online belastingaangifte op mijnbelastingdienst

De Bond voor Belastingbetalers heeft de Autoriteit Persoonsgegevens schriftelijk verzocht te onderzoeken of de Belastingdienst bij de aangifte inkomstenbelasting handelt in overeenstemming met de privacywetgeving.

De aanleiding voor dit verzoek is onder andere een recent arrest van de Hoge Raad. Hierin oordeelt de hoogste rechter in Nederland dat de wijze waarop de Belastingdienst jarenlang gegevens systematisch verzamelt en gebruikt een ongeoorloofde inbreuk is op het privéleven van de betrokkenen. Een voldoende precieze wettelijke grondslag – die in zo’n geval is vereist op grond van artikel 8 EVRM – ontbreekt voor deze werkwijze van de overheid. Het oordeel van de Autoriteit Persoonsgegevens is derhalve relevant, Aldus de Bond.

Kruisje

De Bond heeft grote zorgen dat de Belastingdienst alles opslaat wat burgers invullen in het aangifteprogramma. Zo kan de Belastingdienst nagaan of getallen een aantal malen zijn aangepast voordat de aangifte werd verstuurd. Iemand die bijvoorbeeld de waardering van een woning of bedrijfspand een aantal malen aanpast, kan zo een kruisje achter zijn naam krijgen en gecontroleerd worden. Hetzelfde geldt voor iemand die een aantal keren zijn giften of ziektekosten aanpast of aanvult.

Bang voor slechte reputatie bij fiscus

De Bond wijst erop dat iedereen het recht heeft te zoeken naar, en te verfijnen tot, een optimale belastingaangifte. De vermeende werkwijze van de Belastingdienst kan ertoe leiden dat burgers zodoende geen aanspraak durven te maken op hun rechten, omdat ze bang zijn voor een slechte reputatie bij de Belastingdienst. Jurgen de Vries, oprichter van de Bond voor Belastingbetalers: “Wij zijn niet tegen controle door de Belastingdienst, maar vinden wel dat de Belastingdienst de burger correct en duidelijk moet informeren over de wijze waarop met data wordt omgegaan. Het is niet duidelijk of dat nu gebeurt en daarom verzoeken wij de Autoriteit Persoonsgegevens onderzoek te doen.”

(Bron: Accountantweek)

Aansprakelijkheid dga voor schulden van zijn BV; gevolgen van een stil vertrek

Een directeur-grootaandeelhouder die zijn aandelen in een BV met schulden overdraagt zonder onderzoek te doen naar de persoon van de koper en diens plannen met de BV kan aansprakelijk zijn voor schade van schuldeisers van die BV.

Tenzij in de statuten of in een aandeelhoudersovereenkomst anders is bepaald zijn aandeelhouders niet gehouden om boven het bedrag dat op de aandelen moet worden gestort bij te dragen in de verliezen van een BV. Ook bestuurders zijn in principe niet aansprakelijk voor schulden van de BV. De rechtspraak maakt daar echter een uitzondering op als zij in hun hoedanigheid van bestuurder zó onzorgvuldig hebben gehandeld dat ze daar “persoonlijk” een “ernstig verwijt” van kan worden gemaakt.

Een bekend voorbeeld hiervan is de bestuurder die namens de BV verplichtingen aangaat, terwijl hij weet (of zou moeten weten) dat de BV die niet na kan komen en ook geen verhaal biedt. In faillissement is een bestuurder daarnaast aansprakelijk voor het hele tekort in het faillissement als hij zijn taak “onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement”. Dat is het geval als “geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze zou hebben gehandeld”.

Leeghalen

Recent oordeelde de Rechtbank Oost-Brabant over een zaak waarin een verkopende dga alle aandelen voor een symbolisch bedrag van 1 euro had overdragen en aan de koper alle papieren en de bankpas van de rekening van de BV had overhandigd, zonder onderzoek te doen naar de persoon van de koper en diens plannen met de BV. Enkele jaren na de overdracht ging de vennootschap failliet.

De rechtbank was van mening dat uit de hele gang van zaken bleek dat de dga de BV heeft overgedragen om de nadelige gevolgen van een faillissement te ontlopen, zonder zich de gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers van de BV aan te trekken. Volgens de rechtbank wist de verkopende dga daarbij, of had hij moeten weten, dat er een grote kans was dat de koper de vennootschap ‘leeg zou halen’, waarna de schuldeisers zonder verhaalsmogelijkheden zouden achterblijven. De rechtbank oordeelde daarom dat sprake was geweest van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement was geweest en veroordeelde (ook) de verkopende dga tot betaling van een bedrag gelijk aan het faillissementstekort.

Een bijzondere omstandigheid was in deze zaak dat activa van de vennootschap waren verkocht en dat onduidelijk bleef of die verkoop vóór of ná de verkoop van de BV had plaatsgevonden en wat er met de opbrengst was gebeurd. Van doorslaggevende betekenis is dit echter niet geweest. De rechtbank legt de nadruk op het achterwege laten van onderzoek en dat is ook precies wat in eerdere rechtspraak aan verkopende dga’s werd verweten.

‘Veel fraude met BV’s’

Bij verkoop van aandelen door een dga is eerder herhaaldelijk een ernstig persoonlijk verwijt en/of kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aangenomen in gevallen waarin een dga zijn aandelen in een noodlijdende BV voor een symbolisch bedrag had overdragen zonder onderzoek te doen naar de koper en diens plannen met de BV. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch overwoog in dit verband in 2016 dat van de betrokken bestuurder had mogen worden verwacht “dat hij, onder meer met het oog op de belangen van de crediteuren van de vennootschap, tenminste enig onderzoek zou doen naar de hoedanigheden, zakelijke achtergrond, financiële gegoedheid en persoonlijke integriteit van de persoon aan wie hij het bestuur en de aandelen van de vennootschap wilde overdragen” (!).

Omdat – aldus de rechtspraak – als feit van algemene bekendheid moet worden beschouwd dat er veel met BV’s wordt gefraudeerd, moeten verkopende dga’s daarbij rekening houden met de mogelijkheid dat een koper de BV niet zal willen voortzetten, maar dat hij die wil leeg halen, zonder de schuldeisers te betalen.

Schadevergoeding

Heeft de verkopende dga geen onderzoek gedaan en gaat het mis, dan wordt al snel een ernstig persoonlijk verwijt en/of kennelijk onbehoorlijke taakvervulling aangenomen en worden verkopende bestuurder-aandeelhouders veroordeeld om de schade van schuldeisers van de BV te vergoeden. Hoe groot die schade is, is afhankelijk van de vraag hoeveel verhaal er zonder de verkoop van de BV voor de schuldeisers was geweest. Als komt vast te staan dat de BV op het moment van de verkoop nog bezittingen had en op enig moment na de verkoop niet meer, dan wordt er echter ook al snel van uit gegaan dat het ontbreken van verhaalsmogelijkheden het directe gevolg van de overdracht van de BV is geweest.

Katvanger

Opmerkelijk is dat de verkopende bestuurder-aandeelhouder steeds als bestuurder aansprakelijk wordt gehouden voor handelen dat in de eerste plaats eigenlijk handelen als aandeelhouder betreft, namelijk de verkoop van aandelen zonder onderzoek. De rechtbank Den Haag nam hiervoor een uitzondering op de regel aan in gevallen waarin een dga zijn aandelen verkoopt aan een ‘katvanger’. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch formuleerde de onderzoeksplicht echter als eigen verplichting van de bestuurder, die de betreffende bestuurder volgens hem had geschonden.

Wat hier ook van zij, verkopende dga’s zijn gewaarschuwd! Makkelijk op korte termijn is niet altijd verstandig op lange termijn.

(Bron: accountant.nl)

Art. 2:11 BW omvat ook aansprakelijkheid rechtspersoon-bestuurder op grond van art. 6:162 BW

De civiele kamer van de Hoge Raad oordeelt dat art. 2:11 BW van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet.

Verweerster in cassatie is fruitexporteur in Zuid-Afrika. Zij levert fruit aan A bv. Bestuurder van A bv is een holding. Deze holding wordt bestuurd door twee broers, waarvan een verantwoordelijk is voor de financiële en strategische gang van zaken en de ander toeziet op de gang van zaken op de werkvloer. Rechtbank Arnhem wijst in een aantal tussenvonnissen een vordering van verweerster op A bv wegens fraude met douanerechten toe. Vanwege het faillissement van A bv komt het echter nooit tot een eindvonnis. Verweerster slaagt er vervolgens in om de holding en een van de broers hiervoor aansprakelijk te stellen op grond van onrechtmatige daad. In cassatie stelt verweerster dat deze aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW tevens hoofdelijk rust op de andere broer (eiser). Hof Arnhem-Leeuwarden heeft deze opvatting verworpen, omdat het normale vereiste voor persoonlijke bestuurdersaansprakelijkheid (‘persoonlijk voldoende ernstig verwijt’) op die manier feitelijk wordt omzeild.

De civiele kamer van de Hoge Raad oordeelt dat art. 2:11 BW van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt dus niet alleen art. 2:9 BW en art. 2:248 BW, maar ook aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW. Dit betekent dat voor de vestiging van aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat ook die bestuurder een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. De bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder kan aansprakelijkheid ex. art. 6:162 BW wel voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.

(Bron: Taxlive)

Flitsfoto’s voor Belastingdienst onbruikbaar bij controle op autobijtelling

De Hoge Raad heeft op 24 februari 2017 beslist dat de Belastingdienst voor de controle van rittenregistraties in het kader van het privégebruik van een auto van de zaak geen gebruik mag maken van met ANPR-camera’s (Automatic Number Plate Recognition) vastgelegde beelden. Voor het gebruik van deze beelden bestaat volgens de Hoge Raad geen toereikende wettelijke grondslag en dat is vereist op grond van artikel 8 EVRM. Het privéleven van de betrokkenen wordt geraakt door de manier van het verzamelen en gebruiken van de met ANPR-camera’s verkregen gegevens. Het gaat hier namelijk niet om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland. Dit geldt volgens de Hoge Raad ook als de Belastingdienst de ANPR-gegevens heeft verkregen van het Korps Landelijke Politiediensten op basis van artikel 55 AWR, en deze niet zelfstandig heeft verzameld. Ook artikel 55 AWR biedt volgens de Hoge Raad geen voldoende precieze grondslag voor het verzamelen, vastleggen, bewaren en gebruiken van de ANPR-gegevens.

(Bron: FUTD)