Meerderheid autoverzekeraars negeert nieuwe regels schadevrije jaren

Autoverzekeraars negeren massaal de nieuwe regels die gelden voor schadevrije jaren. Dit blijkt uit onderzoek van MoneyView. Bij 55% van de verzekeraars is zelfs niets terug te vinden in de polisvoorwaarde over de nieuwe regeling.

Met de invoering van de vernieuwde Bedrijfsregeling nr. 11 per 1 januari van dit jaar beoogt het Verbond van Verzekeraars een branchebrede uniformering van omgaan met schadevrije jaren tot stand te brengen. Op die manier kan de consument makkelijker terugvinden over hoeveel schadevrije jaren hij beschikt, wat de gevolgen zijn voor zijn bonus/maluspositie én wordt transparanter wat het gevolg is voor de premie als er een schuldschade veroorzaakt wordt.

MoneyView onderzocht in hoeverre verzekeraars deze regeling ook daadwerkelijk doorgevoerd hebben in hun polisvoorwaarden en wat de gevolgen zijn voor de polishouder. Bij slechts 45% van de verzekeraars is de nieuwe regeling terug te vinden in de verzekeringsvoorwaarden. 20% van de verzekeraars heeft de regeling zowel doorgevoerd voor de opbouw en terugval van schadevrije jaren als in de bonus-malusladder, 25% heeft de regeling slechts deels doorgevoerd. Bij 55% van de verzekeraars is in de voorwaarden niet terug te vinden of, en zo ja welke, aanpassingen er naar aanleiding van Bedrijfsregeling nr. 11 zijn doorgevoerd.

Omdat slechts een beperkt aantal verzekeraars iets met de nieuwe regeling heeft gedaan, is er nog geen marktbreed effect op de premie te bespeuren. Voor de beperkte groep verzekeraars die de Bedrijfsregeling nr. 11 volledig hebben doorgevoerd, is de conclusie van MoneyView dat een schuldschade gemiddeld genomen een lagere premiestijging tot gevolg heeft dan voorheen het geval was.

(Bron: AMWEB)

Standpunten fiscus aan- en verkoopkosten deelnemingen onder de loep

Een WOB-verzoek zorgde ervoor dat de standpunten van de Belastingdienst inzake de fiscale behandeling van aan- en verkoopkosten van deelnemingen nu op tafel liggen. Mr. Almer de Beer licht toe wat hem hierin opvalt.

Sinds 1 februari 2005 kunnen aankoopkosten van deelnemingen niet meer in aftrek komen, maar moeten deze geactiveerd worden. Ook verkoopkosten waren in het verleden aftrekbaar, maar vallen sinds 1 januari 2007 onder de deelnemingsvrijstelling. In reactie op een WOB-verzoek neemt de Belastingdienst een aantal voor de praktijk interessante standpunten in wat betreft de fiscale behandeling van aan- en verkoopkosten van deelnemingen voor de vennootschaps- en omzetbelasting. Zonder volledig te zijn wijst mr. Almer de Beer op de volgende:

 

Aankoop deelneming

  • De Belastingdienst wijst op de tendens dat belastingplichtigen bij financiering van de deelneming met vreemd vermogen, de aankoopkosten als financieringskosten in aftrek willen brengen. Deze kosten (zoals kosten van een due dilligence) moeten worden gesplitst in een deel aankoopkosten en een deel financieringskosten. Hierbij past volgens de fiscus een kritische blik.
  • Kosten die in een rechtstreeks verband staan tot de verwerving van de deelneming zijn aankoopkosten deelneming. Daartoe kunnen ook indirecte kosten behoren. Ook indirecte kosten die gemaakt zouden zijn als geen deelneming zou zijn verworven, moeten worden geactiveerd. Denk hierbij aan een deel van het salaris van de directeur die de onderhandelingen voert over de verwerving van de deelneming.
  • Voor ‘het rechtstreekse verband’ is volgens de Belastingdienst niet vereist dat de verwerving van de deelneming nagenoeg zeker is, een redelijke verwachting lijkt voldoende. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij een concrete zoekopdracht.

 

Verkoop deelneming

  • Van niet aftrekbare verkoopkosten is sprake indien de kosten voldoende causaliteit hebben met de beoogde verkoop en de kosten worden gemaakt op een moment dat er een redelijke verwachting is dat de verkoop doorgang vindt.
  • Kosten die moeizame discussies opleveren zijn volgens de Belastingdienst de interne kosten, zoals de salariskosten van werknemers die zich hebben ingespannen om de deelneming te verkopen. Indien interne kosten rechtstreeks verband houden met de verkoop van de deelneming zijn deze niet aftrekbaar. Daarbij wijst de Belastingdienst nog op het feit dat de omvang van de interne verkoopkosten, nooit een zwart wit situatie is en dat discussies hierover vaak gevoelig liggen. Het is dan ook een onderwerp dat zich bij uitstek leent voor onderhandelingen.
  • Van verkoopkosten kan sprake zijn bij een ‘redelijke verwachting’ dat de deelneming verkocht wordt. Daarvan is dus niet pas sprake als nagenoeg zeker is dat de verkoop doorgaat.
  • Als een verkoop uiteindelijk niet doorgaat, zijn de verkoopkosten wel aftrekbaar. Een andere mening is volgende de Belastingdienst op grond van de wettekst niet verdedigbaar.

(Bron: Taxence)

Huurvordering van Heineken geeft rechtstreekse aanspraak op boedel

De Hoge Raad oordeelt dat de vordering van de ontvanger een faillissementsvordering is, en dat de (huur)vordering van Heineken een boedelvordering is. De huurvordering geeft een rechtstreekse aanspraak op de boedel en concurreert niet met de faillissementsvordering.

Heineken verhuurt een pand aan Lithium bv. Begin 2008 verpandt Lithium bv onder andere de bedrijfsinventaris aan Heineken. Op 13 april 2011 legt de Belastingdienst executoriaal beslag op de bedrijfsinventaris van Lithium bv. Lithium bv wordt vervolgens op 31 mei 2011 failliet verklaard. In verband met een mogelijke doorstart laat de curator de huur voortduren, die uiteindelijk op 7 september 2011 wordt beëindigd. Heineken legt vervolgens beslag op de inventaris en executeert haar pandrecht. De curator vordert opheffing van het beslag, mede ter behartiging van de belangen van de ontvanger uit hoofde van vorderingen waarvoor het fiscale bodemvoorrecht geldt, en eist de executieopbrengst op. In geschil is of Heineken zich als pandhouder kan verhalen op de executieopbrengst voor haar boedelvordering of dat Heineken de executieopbrengst moet afdragen aan de curator omdat het bodemvoorrecht van de fiscus prevaleert.

De Hoge Raad oordeelt dat de vordering van de ontvanger, waarvoor het bodemvoorrecht geldt en waarop de curator zich beroept, geen boedelvordering is maar een faillissementsvordering. Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat de (huur)vordering van Heineken wél een boedelvordering is. De Hoge Raad is dan ook van mening dat de huurvordering een rechtstreekse aanspraak op de boedel geeft, en niet concurreert met een faillissementsvordering als die van de ontvanger. De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie van de curator.

.(Bron: Taxlive)

Bestuurder BV aansprakelijk voor boedeltekort vanwege slechte administratie

Curator krijgt makkelijk zijn zin als er niet of nauwelijks wordt gereageerd op hetgeen de curator stelt.


Aangevoerde externe omstandigheden door bestuurder worden een op een verworpen.

Op 2 maart jl. is er weer een uitspraak gewezen. Dit keer door Rechtbank Overijssel.


Wat was er aan de hand?

De curator in het faillissement van Powertech vordert een verklaring voor recht dat X als (middellijk) bestuurder van Powertech zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Powertech als bedoeld in artikel 2:248 lid 2 BW. De rechtbank wijst de vordering toe en veroordeelt X tot betaling van het boedeltekort en terugbetaling van enkele onrechtmatige onttrekkingen, die X baseerde op een borgstellingsvergoeding en privé-investeringen.


De curator heeft gedetailleerd aangevoerd dat de administratie van Powertech op verschillende onderdelen niet op orde is en dus niet klopt
. De curator heeft daarvan veel voorbeelden gegeven. X is op al deze voorbeelden niet ingegaan. X heeft de door de curator genoemde omissies niet betwist. X heeft derhalve zijn taak van middellijk bestuurder van Powertech onbehoorlijk vervuld. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak te zijn geweest van het faillissement van Powertech.


Andere oorzaak faillissement?

X heeft in dat kader aangevoerd dat het faillissement veroorzaakt is door de vliegramp in de Oekraïne, door het opzeggen van het krediet door de Rabobank, vanwege het niet doorgaan van een aantal potentiële projecten door onrust in Oost-Europa en vanwege een eenzijdige actie van één crediteur hangende de herstructurering.

De vliegtuigramp in de Oekraïne vond plaats op 17 juli 2014. Het staat vast dat ruim vóór deze datum de activiteiten van Powertech waren gestaakt, het personeel van Powertech was ontslagen en de inventaris van Powertech was weggegeven. Daarbij komt dat het faillissementsverzoek is ingediend door Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf en Stichting Sociaal Fonds Metaal en Techniek op basis van een vonnis van 17 december 2013, voor vorderingen die dateren uit het derde kwartaal 2012. De vliegtuigramp in de Oekraïne heeft op deze gang van zaken geen enkele invloed kunnen hebben.

De rechtbank zal derhalve voor recht verklaren dat X als (middellijk) bestuurder van Powertech zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Powertech als bedoeld in artikel 2:248 lid 2 BW.

De bestuurder ‘hangt’ voor ruim € 200.000. Nu denkt men vaak “dit overkomt mij niet”.


Hoe de risico’s van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW uit de weg te gaan?

  • zorg in ieder geval dat de administratie in orde is, en
  • dat de jaarrekening(en) tijdig worden gedeponeerd.

Anders staat de bestuurder al 2-0 achter… en lijkt het negen van de tien keer een gelopen race te zijn voor de curator.

(Bron: Pellicaan)

Huurprijswijziging winkelruimte kan op grond van wet afgedwongen worden.

Verhuurders van V&D-panden kregen er al vóórdat het faillissement van V&D werd uitgesproken van langs in de media. Zij zouden het noodlijdende V&D niet tegemoet hebben willen komen door de huurprijs te verlagen. Die medewerking was echter niet vereist. Huurders en verhuurders van winkelruimten kunnen een huurprijswijziging op grond van de wet afdwingen. Hoe gaat dat in zijn werk?

De wet bepaalt dat zowel een huurder als een verhuurder om een wijziging van de huurprijs kan vragen. Dit kan – kort gezegd – als de huurprijs niet overeenstemt met die van vergelijkbare bedrijfsruimtes in de nabije omgeving. Een huurprijswijziging kan in principe elke vijf jaar worden gevraagd.

Partijen moeten daarvoor eerst gezamenlijk een deskundige benoemen, die een (nieuwe) huurprijs vaststelt. Als één van partijen hier niet aan wil meewerken, of niet kan instemmen met een advies van een deskundige, kan de rechter een deskundige benoemen.

Het spreekt voor zich dat het belangrijk is om te weten of een huurprijswijziging vragen überhaupt zinvol is. Schakel daarom altijd eerst een eigen deskundige in. Als hij deze vraag bevestigend beantwoordt, dan kunt u daarna eerst de andere partij en vervolgens eventueel de rechter benaderen.

Of V&D van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, is mij niet bekend. Dat had alleen gekund als vergelijkbare bedrijfsruimten in de directe omgeving een lagere huurprijs per m² hadden.

Voor veel ondernemers die een winkelpand huren is het zinvol om juist nu de huurprijs eens onder de loep te nemen. Zeker als in de directe omgeving van hun winkel veel winkelpanden leegstaan. Dan bestaat de kans dat de gemiddelde huurprijs de laatste jaren omlaag is gegaan en de ‘buren’ dus minder betalen.

Bent u van mening dat u als huurder te veel huur betaalt of vindt u juist dat uw huurder te weinig huur betaalt? Neem dan contact met mij op. Samen kunnen we kijken wat de mogelijkheden zijn.

(Bron: DVAN)

Beoordelingsfout inspecteur staat navordering in de weg

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigt de aan X opgelegde navorderingsaanslag ib/pvv omdat sprake is van een beoordelingsfout van de inspecteur.

Bij het vaststellen van de aanslag ib/pvv 2010 wijkt de inspecteur af van de door X ingediende aangifte. Hij constateert namelijk dat X geen recht heeft op de zelfstandigen- en startersaftrek. De in de aangifte geclaimde inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: ick) wordt niet gecorrigeerd. Nadat in het jaar 2014 blijkt dat de ick niet automatisch is aangepast na de correctie van de zelfstandigen- en startersaftrek, legt de inspecteur de in geschil zijnde navorderingsaanslag ib/pvv 2010 op. X heeft volgens de inspecteur door een automatiseringsfout ten onrechte de ick ontvangen. X komt in beroep. In geschil is of de inspecteur mag navorderen. Niet in geschil is dat geen sprake is van een nieuw feit en evenmin van kwade trouw. Evenmin is in geschil dat X niet in aanmerking komt voor de ick.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant beslist dat sprake is van een beoordelingsfout, die aan navordering in de weg staat. De inspecteur had bij de vaststelling van de aanslag ib/pvv 2010 kunnen zien dat X na de correctie van de zelfstandigenaftrek geen recht op de ick had. Door de ick niet te corrigeren is sprake van onjuist inzicht van de inspecteur in het recht en heeft de inspecteur dus een beoordelingsfout gemaakt. De inspecteur had de ick handmatig kunnen corrigeren. De rechtbank onderkent dat als het aanslagprogramma wel goed had gewerkt, dat programma de ick had gecorrigeerd en de fout was voorkomen. Dit doet er echter niet aan af dat er ook sprake is van een beoordelingsfout. Navordering is niet mogelijk. Het beroep is gegrond. De navorderingsaanslag wordt vernietigd.

(Bron: Taxlive)

Vera van Dijk: Standaardisatie in de BankenRapportage

Mijn eerste blog opende met het idealistische gedachtegoed van SBR om slechts één keer te ‘taggen’ aan de bron en daarna ‘met één druk op de knop’ elk gewenst rapport te genereren. Dit zou niet alleen voor de overheid gelden, andere partijen kunnen hierop aansluiten. De banken hebben dit geprobeerd. Brengt dit dan wellicht de lastenverlichting?

Ondernemers kunnen de kredietrapportage aan de drie grote banken in SBR aanleveren. Kleine ondernemingen kunnen dit online via SBR Direct doen. Een XBRL export uit de financiële administratie exporteren en importeren in SBR Direct, even aanvullen en klaar. Aanlevering kan natuurlijk ook system-to-system.
Inhoudelijk zijn er echter verschillen in de elementen die de banken uitvragen en dat betekent helaas toch soms opnieuw ‘taggen’. Tevens vragen de banken diepgaandere informatie dan in een jaarrekening aan de KvK is opgenomen. Enkele voorbeelden:

Materiële vaste activa
In de bankentaxonomie dient in de balans de materiële vaste activa verder uitgesplitst te worden dan voor de KvK vereist is. De volgende nadere uitsplitsing wordt in de balans:

  • Huurdersinvesteringen
  • Vliegtuigen
  • Schepen
  • Inventaris
  • Automobielen en overige transportmiddelen.

Bovenstaande zou bij de jaarrekening waarschijnlijk zijn getagd als ‘Andere vaste bedrijfsmiddelen’. Voor de bank moet je dus alle grootboekrekeningen die hieraan gekoppeld zijn, opnieuw doorlopen en een specifieke bank tag moeten geven.
In de jaarrekening staat verder ‘Vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering en vooruitbetaald’ opgenomen. Voor de toelichting in de bankenrapportage vraagt men echter een uitsplitsing naar ‘Vaste bedrijfsmiddelen in uitvoering’ en ‘Vooruitbetalingen op materiële vaste activa’. Dus ook hier weer de grootboekrekeningen doorlopen en een ander tagje eraan plakken.
In de bancaire toelichting is een uitsplitsing registergoederen opgenomen waar nadere informatie over de bedrijfsgebouwen, vliegtuigen en schepen kan worden gegeven. De informatie die hier wordt gevraagd, is ook vrij gedetailleerd. Per registergoed moet de aanschafwaarde, het aanschafjaar, de boekwaarde en afschrijvingsmethode worden vermeld. Dat betekent dat in de administratie in ieder geval de aanschafwaarde en cumulatieve afschrijvingen op separate grootboekrekeningen moeten worden bijgehouden. Enkel een grootboekrekening voor boekwaarde betekent extra handelingen bij het opstellen van de een banken rapportage.
Per registergoed moet tevens de zekerheden worden toegelicht met daarbij een opgave van de hoogte van de inschrijving en de rang.

Belangen
In de jaarrekening wordt de groep toegelicht. Voor de KvK moet daarvoor een overzicht worden gegeven van de geconsolideerde belangen. De banken gaan nog een stapje verder. Er wordt bij geconsolideerde belangen een uitsplitsing gevraagd naar:

  • Rechtspersonen die volledig in de geconsolideerde jaarrekening zijn betrokken
  • Rechtspersonen die volledig in de geconsolideerde jaarrekening zijn betrokken voor een deel evenredig aan het gehouden belang.

Vervolgens wordt gevraagd naar een overzicht van niet-geconsolideerde belangen met een uitsplitsing naar:

  • Dochtermaatschappijen zonder rechtspersoonlijkheid
  • Rechtspersonen opgenomen tegen nettovermogenswaarde
  • Rechtspersonen waarin voor meer dan 20% wordt deelgenomen.

En niet te vergeten dat bij iedere categorie en voor ieder ingevuld belang wordt gevraagd naar KvK nummer, naam, woonplaats, aandeel in geplaatst kapitaal, aandeel in stemrecht, reden van consolideren / niet consolideren.

Dat is nogal wat….

En dan vervolgens bij de toelichting op de financiële vaste activa nog eens een overzicht van Belangen in deelnemingen te vragen met nagenoeg dezelfde informatie!
U denkt vast: dat geldt voor de grote ondernemingen. Nee het gaat hier om de kredietrapportage klein commercieel consolidatie.

Niet in de balans opgenomen verplichtingen
Voor de huur- en operationele leasecontracten verlangen de banken meer gedetailleerdere informatie dan nu in de jaarrekening is opgenomen. Voor ieder contract wordt o.a. een identificatie van het contract gevraagd, de looptijd, de einddatum en de jaarverplichting.

Vorderingen en schulden
In de bancaire toelichting wordt daarnaast veel informatie gevraagd over de vorderingen en de schulden. Daarbij valt te denken aan een identificatie van de vordering of de schuld, de naam van de tegenpartij, de boekwaarde, de jaarlijkse aflossing, het rentepercentage, een indicatie van de achterstelling en de verstrekte zekerheden. Voor de debiteuren en crediteuren wordt een uitsplitsing gevraagd naar betaaltermijn 30, 60, 90 en meer dan 90 dagen. Een eveneens praktisch probleem ontstaat zodra bijvoorbeeld de verstrekte zekerheden betrekking hebben op méér dan één financiering.

Opbrengsten en kosten
In de bancaire toelichting wordt een uitsplitsing naar activiteiten gevraagd. Voor iedere activiteit wordt de omzet en de kostprijs omzet gevraagd. Daarbij kan de kostprijs omzet nog uitgesplitst worden naar inkoopkosten, loonkosten en overige bedrijfskosten. De loonkosten en overige bedrijfskosten zijn echter specifieke reeds benoemde rubrieken in de winst- en verliesrekening. Wordt nu verlangd dat we deze kostenrubrieken dubbel gaan aanleveren?
Specifiek in de overige bedrijfskosten worden de franchisefee en managementfee gevraagd. Deze vallen dus niet onder bijvoorbeeld de overige personeelskosten of verkoopkosten, een uitsplitsing die veelal in de jaarrekening wordt gehanteerd.

De aanlevering naar de bank
De informatie die de banken uitvragen vereisen dus dat enkele grootboekrekeningen voor de bankenrapportage anders worden getagd dan voor de KvK. Daarnaast gaat de gevraagde informatie, met name in de bancaire toelichting, soms erg ver. Dit is veelal ook informatie die niet rechtstreeks uit de administratie komt. Bij de intermediairs is dit veelal opgeslagen in het permanent dossier.
Is alle informatie verplicht om aan te leveren? Naar mijn weten niet. En misschien wordt dat nou net de ‘redding’ in de efficiency: u kunt ervoor kiezen om alleen de informatie uit de jaarrekening en/of de aangifte inkomstenbelasting aan te leveren. Dan hergebruikt u de data conform het gedachtengoed van SBR!
Als die conclusie voorzichtig kan worden getrokken, zouden de banken dan wellicht ook de SBR-jaarrekening die reeds is opgesteld willen accepteren? Immers kregen zij in het verleden daar ook een kopie van. En als in het verleden niet werd verlangd dat we de jaarrekening ging herschrijven, waarom wordt in de digitale (SBR) variant de jaarrekening dan omgedoopt in een bankenrapportage?

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Pas op met het ik-opa-testament!

Een ik-opa-testament wordt over het algemeen vormgegeven door middel van een lastbevoordeling (het klassieke ik-opa-testament) of door middel van een ‘uitgesteld’ legaat. De wijze waarop dit wordt vormgegeven kan grote fiscale gevolgen hebben.

Een ik-opa-clausule houdt simpel gezegd in dat de grootouder zijn kinderen tot erfgenamen benoemt onder de last een bedrag onvoorwaardelijk schuldig te erkennen aan zijn kleinkinderen.

 

Klassieke ik-opa-testament

Bij het klassieke ik-opa-testament kan men onder omstandigheden te maken krijgen met de fictiebepaling van artikel 10, lid 1 van de Successiewet 1956. Zie in dit kader het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2009 en de brief van 13 oktober 2009 van de staatssecretaris van Financiën. En omdat artikel 7 van de SW niet voorziet in een aftrek van eerder betaalde erfbelasting, leidt de toepassing van artikel 10 lid 1 SW tot dubbele belasting. Dit is uiteraard niet het geval wanneer slechts de vrijstelling is gelegateerd.

 

Uitgesteld legaat

Het alternatieve uitgesteld legaat is vergelijkbaar met het klassieke ik-opa-last. Dat is ook de reden waarom artikel 10 lid 9 SW is ingevoerd. In lid 9 is opgenomen dat lid 1 van artikel 10 ook van toepassing is als tot het vermogen van de erflater een of meer als gevolg van een uiterste wil ontstane schulden behoren. Maar alleen voor zover de nominale waarde van die schuld meer bedraagt dan de waarde van wat de ouders volgens erfrecht hebben verkregen van degene die de uiterste wil heeft opgemaakt, zonder rekening te houden met de schulden aan de kinderen.

 

Fiscale behandeling

De grondslag bij een fictieve verkrijging is op grond van lid 1 of lid 9 dus verschillend. Bij lid 1 vindt de belastingheffing plaats over de gehele ik-opa-vordering, terwijl bij lid 9 wordt geheven over dat deel van de ik-opa-vordering dat meer bedraagt dan het kind zelf uit de nalatenschap van grootouder heeft verkregen. Tamara Peters van Neijenhof stelt terecht in het Vakblad Estate Planning dat er een verschil is in de heffing voor twee economisch vergelijkbare situaties. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft wellicht kans van slagen. Dit is helaas niet gebeurd in de zaak van 3 juni 2014 bij Rechtbank Den Haag.

(Bron: Taxence)

Aanzegtermijn bij ontslag

Heeft u werknemers met een tijdelijk contract? Dan krijgt u te maken met de aanzegtermijn. Met de aanzegtermijn weten deze werknemers waar ze aan toe zijn. Krijgen ze verlenging van hun contract, of niet? En onder welke voorwaarden?

Hoe werkt de aanzegtermijn?

U moet uw werknemer schriftelijk laten weten of u het contract verlengt. Dat doet u een maand voor het contract stopt. Ook moet u de voorwaarden voor verlenging noemen.

Wanneer geldt de aanzegtermijn?

De aanzegtermijn geldt bij tijdelijke contracten van een half jaar of langer die eindigen op of na 1 februari 2015.

Wanneer geldt de aanzegtermijn niet?

  • Bij vaste contracten
  • Bij tijdelijke contracten korter dan een half jaar
  • Bij een uitzendovereenkomst met uitzendbeding
  • Bij tijdelijke contracten zonder einddatum

Wat als u zich niet houdt aan de aanzegtermijn?

Bent u te laat met aanzeggen? Of vergeet u de aanzegtermijn? Dan moet u uw werknemer een vergoeding betalen. De hoogte van de vergoeding hangt af van hoeveel u te laat bent en wat voor soort contract uw werknemer heeft.

De voorwaarden vergeten?

Bent u wel op tijd met aanzeggen, maar vergeet u de voorwaarden voor verlenging? Dan gelden bij verlenging de voorwaarden van het vorige contract.

Wat is het verschil tussen aanzegtermijn en opzegtermijn?

De aanzegtermijn is er alleen voor tijdelijke contracten. Die eindigen altijd van rechtswege, opzeggen is dus niet nodig. Door de aanzegtermijn bent u verplicht uw werknemer op tijd duidelijkheid te geven. De opzegtermijn geldt bij vaste arbeidscontracten.

(Bron: Ondernemersplein)

Btw-gevolgen modelovereenkomsten Wet DBA

De Belastingdienst heeft modelovereenkomsten op haar site geplaatst voor de situatie waarin de opdrachtgever zeker wil weten dat hij geen loonheffingen hoeft in te houden en af te dragen. De voorbeeldovereenkomsten van de Belastingdienst zeggen niets over de aanwezigheid van btw-ondernemerschap en of er een vrijstelling kan worden toegepast.

De modelovereenkomsten zijn geen werkgeversgezag; meestal is sprake van opdrachtverstrekking. De opdrachtnemer stuurt een factuur waarbij hij/zij per tijdseenheid of afgerond project wordt betaald. In deze situatie zal al gauw sprake zijn van btw-ondernemerschap, maar dit moet per geval afzonderlijk worden beoordeeld.

Btw-vrijstelling

Bij een aantal overeenkomsten is een btw-vrijstelling van toepassing, bijvoorbeeld omdat er medische prestaties worden verricht waarbij een BIG-registratie vereist is. Bij toepassing van de voorbeeldovereenkomst voor muziekonderwijzer, is de leeftijd van de leerling van belang voor vaststelling van de btw-heffing. Is de leerling jonger dan 21 jaar, dan is er een vrijstelling voor de btw. Is de leerling ouder dan 21 jaar, dan is er 21% btw over de muzieklessen verschuldigd. Bij toepassing van de overeenkomsten dient per geval beoordeeld te worden of er sprake is van btw-ondernemerschap. Dit is afhankelijk van de feitelijke situatie. Over het algemeen zal snel sprake zijn van btw-ondernemerschap, maar kunnen specifieke vrijstellingen van toepassing zijn waardoor er geen btw hoeft te worden vermeld op de factuur.

(Bron: HLB)