Fiscus moet fouten in administratie per jaar onderzoeken

De fiscus mag er niet zomaar van uitgaan dat fouten in uw administratie die zich het ene jaar voordoen, ook in andere jaren voorkomen. Dat heeft de rechter eerder bepaald. Alleen in zeer bijzondere gevallen is dit toegestaan.

Als ondernemer bent u verplicht een administratie te voeren. Wat dit precies omvat, is niet wettelijk bepaald. Wel is bepaald dat uw financiële rechten en plichten, waaronder uw fiscale, uit uw administratie moeten zijn af te leiden. Bij fouten of onvolkomenheden kunnen correcties en boetes worden opgelegd.

Zaak over afdrachtvermindering onderwijs

In de betreffende zaak had een ondernemer de afdrachtvermindering onderwijs geclaimd over de jaren 2009 tot en met 2013. Deze fiscale tegemoetkoming bestond tot 2015 voor werknemers die een beroepspraktijkopleiding volgden. Deze faciliteit kende de nodige administratieve eisen, waaraan deze ondernemer niet altijd had voldaan. Het gevolg was dat de inspecteur een naheffing oplegde over het jaar 2012, die 15% bedroeg van de dat jaar geclaimde afdrachtvermindering. Vervolgens paste de inspecteur deze correctie ook toe op de jaren 2009, 2010, 2011 en 2013, zonder daadwerkelijk te onderzoeken of ook over die jaren een naheffing gerechtvaardigd was. Daarop stapte de ondernemer naar de rechter.

Naheffing en boetes teruggedraaid

De rechter was van mening dat een eenmaal gevonden tekortkoming in de administratie niet zomaar mag worden toegepast op niet-onderzochte jaren. Dit mag alleen in zeer uitzonderlijke gevallen. Of hiervan sprake was, had de inspecteur niet onderzocht. Daarom mocht in de onderhavige situatie het gevonden foutpercentage niet zomaar worden toegepast op de niet-onderzochte jaren. De naheffingen en boetes over de niet-onderzochte jaren verdwenen daarop van tafel.

Let op! De fiscus mag een fout wel doorvoeren naar andere jaren als er voldoende reden is om aan te nemen dat de feitelijke situatie in deze jaren een constant beeld vertoont. Daarnaast mag de fiscus ook een fout doorvoeren naar andere jaren als van tevoren duidelijk is dat de data in die jaren in dezelfde mate fouten vertonen als die van het onderzochte jaar.

Heeft u vragen naar aanleiding van deze uitspraak, neem dan contact op met uw adviseur.

(Bron: HLB)

Vanaf 1 september 2016 betere bescherming tegen schulderfenissen

Wetsvoorstel voor meer bescherming erfgenamen tegen schulderfenissen aangenomen in Eerste Kamer

Gisteren is in de Eerste Kamer een wetsvoorstel aangenomen om erfgenamen te beschermen tegen onverwachte schulden in een erfenis. De regeling gaat in op 1 september 2016. “De wet zegt nu nog dat je een erfenis kunt accepteren door je te gedragen als erfgenaam. En dat als er dan schulden zijn je die uit eigen portemonnee moet betalen,” aldus Lucienne van der Geld van Netwerk Notarissen. Het wetsvoorstel brengt hierin maar ten dele verandering.

Twee wijzigingen

In het wetsvoorstel wordt de wet op twee punten aangepast. Er wordt verduidelijkt wanneer je je gedraagt als erfgenaam en zo de erfenis accepteert. Ook komen er mogelijkheden om een erfenis alsnog beneficiair te aanvaarden. Dit kan als je er na het accepteren van de erfenis achter komt dat er een voor jou onbekende schuld is. Door beneficiaire aanvaarding beschermen erfgenamen zich tegen eventuele schulderfenissen. Van der Geld: “De in het wetsvoorstel opgenomen gedragingen nemen niet alle onzekerheid weg. Ze zijn namelijk heel algemeen omschreven. Hoe zit het met een erfgenaam die een ogenschijnlijk waardeloze vaas naar de kringloop brengt; heeft hij de erfenis onbewust toch aanvaard? Er ontstaat een ‘grijs’ gebied en dat levert in de praktijk onduidelijkheden op.”  Ook wordt het probleem van een ‘woning onder water’ niet opgelost. De erfgenaam die een woning erft met een forse hypotheekschuld, draait waarschijnlijk nog steeds voor die schuld op. Netwerk Notarissen adviseert erfgenamen daarom nog steeds om beneficiair te aanvaarden, ook als het wetsvoorstel is aangenomen.

Schulderfenis

Toen in de eerste crisisjaren steeds duidelijker werd dat het aantal schulderfenissen steeg, hebben Netwerk Notarissen en het Centrum voor Notarieel Recht van de Radboud Universiteit, de politiek geadviseerd de wet aan te passen om erfgenamen te beschermen tegen schulderfenissen. Zij schreven daarvoor een rapport met knelpunten in de wet. Van der Geld: “Een van de geconstateerde knelpunten uit ons rapport is dat je zonder dat je het weet een schulderfenis kunt accepteren. De wet zegt dat je een erfenis kunt accepteren door je te gedragen als erfgenaam. En dat als er dan schulden zijn je die uit eigen portemonnee moet betalen.” De wet die 1 september a.s. in werking treedt, neemt dat knelpunt ten dele weg. “Er wordt nu wel een stap in de goede richting gezet”, vindt Lucienne van der Geld.

(Bron: Netwerknotarissen)

Geen bestuurdersaansprakelijkheid voor extern adviseur

Ook een extern adviseur die de regie in handen heeft met betrekking tot de financiële zaken van een in moeilijkheden verkerend bedrijf, is geen feitelijk bestuurder. Dus als het bedrijf toch failliet gaat, kan de ontvanger de externe adviseur niet aansprakelijk stellen voor onbetaald gebleven belastingschulden.

Na de faillissementen van enkele vennootschappen in een concern, stelde de fiscus de externe adviseur van het concern aansprakelijk voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen van die vennootschappen. Uit verklaringen tijdens het FIOD-onderzoek en de strafzaak bleek dat de adviseur ‘de touwtjes in handen had’ en dat hij de beslissingen nam. Bij die beslissingen werden zijn adviezen doorgaans overgenomen. Ook was hij ongeveer 1,5 dagen per week aanwezig bij het concern. Het hof oordeelde desondanks dat de adviseur niet was aan te merken als feitelijk bestuurder. De adviseur was gespecialiseerd in het herstructureren van in moeilijkheden verkerende concerns en bedrijven. Bij aanvang van de begeleiding van dergelijke bedrijven stelde hij actielijsten op van nog te regelen zaken, waaronder een eventuele melding betalingsonmacht. Deze handelingen zijn volgens het hof handelingen die van een dergelijk adviseur kunnen worden verwacht. Van een buiten zijn functie van extern bedrijfskundig adviseur treden of het feitelijk verrichten van bestuurshandelingen was dan ook geen sprake. Nu de adviseur niet feitelijk beleidsbepaler is geweest, kon hij niet aansprakelijk worden gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen. Het gelijk was daarmee aan de adviseur.

(Bron: Taxence)

Door in ongerede geraakte administratie geen recht op btw-vooraftrek

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd, wegens het ontbreken van de administratie. X moet het door haar geclaimde recht op aftrek van voorbelasting namelijk staven met facturen.

Y, de dochter van belanghebbende, X, verzorgt de administratie van X. In 2013 stelt de inspecteur een boekenonderzoek in. Naar aanleiding van het boekenonderzoek legt de inspecteur een btw-naheffingsaanslag op aan X, omdat X geen facturen kan overleggen. X stelt dat Y enkele malen is verhuisd en dat de administratie daarbij in het ongerede is geraakt. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X het risico heeft genomen dat de administratie in het geval van verhuizing kwijt zou raken. Dit risico dient volgens de rechtbank voor haar rekening en risico te blijven. Het gelijk is aan de inspecteur.

Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur terecht een naheffingsaanslag heeft opgelegd. Volgens het hof moet X het door haar geclaimde recht op aftrek van voorbelasting staven met facturen. Dat de administratie is zoekgeraakt door de verhuizingen van Y tussen diverse ggz-instellingen, ontslaat X niet van deze verplichting, volgens het hof. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

(Bron: Taxlive)

Doorbelasten kosten aan dochter-BV’s onvoldoende voor ondernemerschap

BV X was een holdingvennootschap met een aantal dochtermaatschappijen, waaronder Holding BV Y die 12 dochter-BV’s had. Alle aandelen in BV X waren in handen van BV D, die de directie voerde voor de onderliggende vennootschappen. BV X berekende managementkosten met BTW door aan haar dochtermaatschappijen en BV Y berekende accountantskosten voor jaarrekeningen met BTW deels door aan haar dochter-BV’s. Na een boekenonderzoek legde de inspecteur naheffingsaanslagen BTW op aan BV X (2009-2011) en BV Y (2009-2012). Volgens de inspecteur waren zij geen ondernemer voor de BTW en hadden zij daarom ten onrechte voorbelasting in aftrek gebracht. Rechtbank Gelderland besliste op het beroep van BV X en BV Y dat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat rechtsbetrekkingen bestonden tussen hen en hun dochtermaatschappijen en dat zij voor hun dochtermaatschappijen geen prestaties hadden verricht. De enkele doorbelasting van aan BV X en BV Y gerichte facturen was zonder nadere toelichting niet voldoende. De aard en omvang van de verrichte dienstverlening en de daarvoor bedongen vergoedingen waren niet aannemelijk gemaakt. Bovendien hadden BV X en BV Y niet verklaard hoe de (mondelinge) managementovereenkomsten zich verhielden tot de managementdiensten die BV D voor het concern verrichtte. De Rechtbank verwierp ook de stelling van BV X en BV Y dat zij een f.e. voor de BTW vormden met respectievelijk BV Y en tien dochter-BV’s. Hun activiteiten strekten niet in hoofdzaak tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel en de activiteiten van de ene vennootschap werden ook niet in hoofdzaak voor een andere vennootschap uitgeoefend. De Rechtbank nam daarbij in aanmerking dat geen prestaties voor derden of onderlinge prestaties hadden plaatsgevonden. Er was geen sprake van economische verwevenheid, zodat BV X en BV Y geen deel konden uitmaken van een f.e. Tot slot besliste de Rechtbank dat BV X en BV Y ook geen beroep konden doen op de holdingresolutie van 18 februari 1991, omdat zij niet hadden verzocht om in een f.e. te worden opgenomen. Zij hadden dus niet voldaan aan alle voorwaarden van de resolutie.

(Bron: FUTD)

Erfbelasting ook volgens Hof Arnhem-Leeuwarden niet onbeperkt na te vorderen

X was enig erfgenaam van de in december 1998 overleden Y. Tot de nalatenschap behoorden onder meer een tegoed op een bankrekening en effecten in Zwitserland. X deed in augustus 1999 aangifte successierecht, maar vermeldde het Zwitserse vermogen niet in de aangifte. In februari 2014 gaf X in het kader van de IB het niet-aangegeven vermogen alsnog aan door middel van een vrijwillige verbetering. De inspecteur legde op 21 juli 2014 een navorderingsaanslag successierecht op. X ging in beroep en stelde dat navordering niet meer mogelijk was, omdat bij de inwerkingtreding van de onbeperkte navorderingsbevoegdheid op 1 januari 2012 de voorheen geldende navorderingstermijn van twaalf jaar al was verstreken. Rechtbank Gelderland stelde X in het gelijk, waarop de inspecteur in hoger beroep ging. Hof Arnhem-Leeuwarden was het met de Rechtbank eens dat uit de tekst van artikel 66, lid 3, SW niet volgde dat onbeperkte terugwerkende kracht toekwam aan die bepaling, in die zin dat de onbeperkte navorderingsbevoegdheid ook gold voor nalatenschappen waarvoor de bevoegdheid tot navordering op 1 januari 2012 al was vervallen. Het Hof leidde dit ook af uit de toelichting op het amendement waarbij de onbeperkte navorderingsbevoegdheid was ingevoerd. Een herleving van de navorderingsbevoegdheid greep volgens het Hof zo in op het wettelijk systeem, dat de wetgever expliciet terugwerkende kracht aan artikel 66, lid 3, SW had moeten verlenen om dit doel te bereiken. Aangezien dat niet was gebeurd, kon volgens het Hof niet worden geconcludeerd dat de navorderingsbevoegdheid was herleefd. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

(Bron: FUTD)

Cassatieberoep tegen geen premieplicht twee DGA’s met 40%-belang ingetrokken

A en B hadden ieder 50% van de aandelen in handen van expeditiebedrijf BV X en waren beiden tot 22 augustus 2007 statutair bestuurder. Hun belang in BV X hadden zij op 22 augustus 2007 ondergebracht in hun persoonlijke holdings BV D en BV E. BV X had met beide holdings een managementovereenkomst gesloten en sindsdien ontvingen A en B de beloning voor hun bestuurswerkzaamheden bij BV X via hun holdings. Op 11 september 2008 trad een derde aandeelhouder (BV C) toe tot BV X, die 20% van de aandelen in bezit kreeg. BV D en BV E hadden vanaf dat moment elk 40% van de aandelen BV X. De inspecteur stelde dat BV X premies werknemersverzekeringen was verschuldigd voor A en B vanaf de datum van de aandelenoverdracht op 11 september 2008 tot en met 31 december 2012. BV X ging in beroep. Hof Amsterdam besliste in navolging van Rechtbank Noord-Holland dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een dienstbetrekking tussen BV X en de heren A en B. Voor het geval dat veronderstellenderwijs moest worden aangenomen dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, besliste het Hof dat BV X niet premieplichtig was op grond van een grammaticale uitleg van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder. De staatssecretaris ging in cassatie, maar heeft nu laten weten dat hij zijn (pro forma) beroepschrift in cassatie heeft ingetrokken. In een onderschrift bij de uitspraak van het Hof licht hij toe dat de beslissing van feitelijke aard is zodat daartegen geen cassatie kan worden ingesteld en tegen de verdere beslissing van het Hof met een overweging ten overvloede is cassatie ook niet mogelijk.

(Bron: FUTD)

Geen BOR voor fictieve verkrijging ex art. 13a SW

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de BOR niet van toepassing is op de fictieve verkrijging ex art. 13a SW. De BOR is namelijk slechts van toepassing op vermogensbestanddelen die bij A hebben behoord tot een ab als bedoeld in de Wet IB 2001, en daar is geen sprake van.

Belanghebbende, X, en zijn vrouw A zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Sinds 27 mei 2004 houden X en A de aandelen in Z bv. A is in loondienst werkzaam bij Z bv, en X geniet een pensioen uit Z bv. A overlijdt in 2012. Door het overlijden van A vallen pensioen- en lijfrenteverplichtingen vrij, en neemt de waarde van de aandelen in Z bv toe. De inspecteur corrigeert op grond van art. 13a de aangifte erfbelasting. Hij neemt namelijk de waardestijging van het aan X krachtens de huwelijksgemeenschap toekomende ab in aanmerking als belaste verkrijging. In geschil is of de BOR van toepassing is op deze fictieve verkrijging.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de BOR niet van toepassing is op de fictieve verkrijging ex art. 13a SW. De rechtbank overweegt daarbij dat de BOR slechts van toepassing is op vermogensbestanddelen die bij A hebben behoord tot een ab als bedoeld in de Wet IB 2001. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het ab dat op grond van het huwelijksvermogensrecht aan X kan worden toegerekend, en waarop in casu art. 13a SW van toepassing is, in fiscale zin niet tot het vermogen van A heeft behoord. X heeft dan geen recht op toepassing van de BOR op deze fictieve verkrijging. Verder verwerpt de rechtbank nog het beroep van X op een besluit van de staatssecretaris waarin is opgenomen dat de BOR ook van toepassing is op een fictieve verkrijging van ondernemingsvermogen. Dat, door toepassing van de bezitseis, de BOR nooit van toepassing kan zijn op een fictieve verkrijging op grond van art. 13a SW, acht de rechtbank niet van belang. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

Afschaffing VAR-verklaring heeft aanpassing overeenkomsten tot gevolg

De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (hierna: “de Wet DBA”) heeft al veel pennen in beweging gezet. Met de komst van deze wet op 1 mei jl. is de welbekende VAR-verklaring afgeschaft. In de plaats daarvan komt:

  • een modelovereenkomst; of
  • een aan de Belastingdienst voorgelegde individuele overeenkomst.

Ik zal in deze blog niet de wet herkauwen. Wel deel ik graag met u een aantal praktische tips & tricks gebaseerd op de vele overeenkomsten die wij de afgelopen tijd hebben beoordeeld en het contact dat wij hierover hebben gehad met de Belastingdienst. Waarom? Omdat als u op enig moment een opdracht geeft of heeft gegeven aan een zzp’er, deze wetswijziging van belang is voor uw onderneming.

Transitieperiode tot 1 mei 2017

Werkgevers hebben tot 1 mei 2017 de tijd om het systeem van de modelovereenkomsten of een door de Belastingdienst geaccordeerde individuele overeenkomst in te voeren. Als u na deze periode niet  op deze wijze werkt, riskeert u een naheffing voor loonbelasting en premies werknemersverzekeringen en mogelijk zelfs een boete.

Tips & tricks
  1. Bedenk of u een “standaard” overeenkomst (de zgn. modelovereenkomst) wilt gebruiken of een op uw situatie toegespitste overeenkomst.
  2. Kiest u voor een modelovereenkomst, dan is een aantal bepalingen uit de modelovereenkomst cruciaal. De Belastingdienst noemt ze de “geel gemarkeerde delen”. Deze bepalingen moeten in de overeenkomst worden overeengekomen.
  3. Kiest u voor een modelovereenkomst, neem dan altijd een verwijzing op naar de modelovereenkomst zoals weergegeven op de website van de Belastingdienst.
  4. Eventuele algemene voorwaarden mogen niet in strijd zijn met de geel gemarkeerde delen van de modelovereenkomst.
  5. Zowel in een individuele overeenkomst als in een modelovereenkomst moeten arbeidsrechtelijke elementen worden vermeden, om een zogenoemd verkapt dienstverband te voorkomen. Denk hierbij aan een concurrentiebeding, loondoorbetaling tijdens ziekte en instructies aan de opdrachtnemer (zzp’er).
  6. Neem in de overeenkomst (model of individueel) een vrijwaring op ten aanzien van de opdrachtnemer (zzp’er) ten opzichte van de opdrachtgever.
  7. We merken dat de doorlooptijd van de beoordeling van een individuele overeenkomst langer is dan 6 weken. Wilt u snel zekerheid? Kies dan voor een modelovereenkomst.
  8. Laat de opdrachtnemer (zzp’er) een factuur exclusief BTW opstellen.
  9. Maak afspraken over de termijn waarbinnen de overeenkomst (model of individueel) mag worden opgezegd.
  10.  Spreek af wat u gaat doen, en kom deze afspraken na. Want als de feitelijke situatie anders is dan de gemaakte afspraken loopt u nog steeds het risico op naheffing voor loonbelasting en premies werknemersverzekeringen.
  11. De Belastingdienst zal de komende tijd steeds meer modelovereenkomsten online zetten. Houd dus de website van de Belastingdienst in de gaten. Dit doen wij ook!

(Bron: DVAN)

Kosten nieuwe parketvloer in rijksmonument niet aftrekbaar

X kocht een appartement in een rijksmonument. De oude, beschadigde parketvloer verving zij door een nieuwe parketvloer met daaronder isolatie. In haar aangifte IB 2011 vermeldde zij, vóór toepassing van de aftrekdrempel, € 73.182 aan kosten voor rijksmonumentenpanden. Daarvan had € 10.000 betrekking op de aanleg van de parketvloer (exclusief isolatie). De inspecteur weigerde de aftrek van de kosten van de parketvloer omdat volgens hem met het leggen van de parketvloer geen sprake was van het in oorspronkelijke staat terugbrengen van de vloer van het appartement. Daarnaast was volgens hem sprake van inrichtingsuitgaven die kwalificeerden als niet-aftrekbare huurderslasten. Rechtbank Den Haag was het echter met X eens dat sprake was van ernstig achterstallig onderhoud en vond het aannemelijk dat het vervangen van de parketvloer nodig was om het appartement in bruikbare staat te herstellen. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Den Haag besliste dat de kosten van het leggen van een vloerbedekking, van welke aard dan ook, moesten worden gerekend tot de kosten die in huurverhoudingen door de huurder pleegden te worden gedragen, tenzij sprake was bijzondere omstandigheden. De door X gestelde omstandigheid dat de parketvloer, nadat deze was gelegd, een bestanddeel van de woning was omdat deze daarvan niet kon worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan de vloer werd aangebracht, was volgens het Hof geen bijzondere omstandigheid. Hetzelfde gold immers voor andere zaken, zoals behang, die aan of in de woning werden aangebracht en waarvoor buiten twijfel stond dat de met het aanbrengen daarvan gemoeide kosten behoorden tot de huurderlasten. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

(Bron: FUTD)