Oplossing voor probleem pensioen dga is simpel

Bartjens analyseert het probleem van pensioen in eigen beheer voor dga’s prima (FD 4 januari). Eerder deed staatssecretaris Wiebes dat ook al in zijn brieven. Maar ik ben wel klaar met alle analyses, ik wil graag een oplossing.

Er worden overigens ook twee misvattingen geponeerd. Allereerst, dga’s móesten hun pensioenverplichting waarderen op basis van 4% rekenrente (en ook nog eens zonder leeftijdsterugstelling en indexatie). Daar waar verzekeraars al vanaf 1998 met een lagere rekenrente móesten rekenen — de marktrente daalt immers al gestaag vanaf begin jaren ’80 — móchten dga’s dat niet. Dat de fiscale voorziening daarom aanzienlijk lager is dan de benodigde commerciële ligt dus gewoon aan de wetgever zelf. Deze heeft dit probleem altijd genegeerd.

Vervolgens zijn pensioenberekeningen voor DGA’s helemaal niet moeilijk. Als je er tenminste verstand van hebt. Bovendien heeft iedereen daarvoor goede berekeningssoftware. Dat was in 1994 nota bene nog een van de redenen om het lineaire systeem in eigen beheer (dát was pas eenvoudig!) af te schaffen. En als ze complex zijn, dan geldt dat inmiddels voor alle pensioenberekeningen, ook voor gewone werknemers. Een drogreden dus.

Zoals Bartjens terecht stelt, dga’s gaan niet afkopen. Of ze het geld nu hebben of niet. De oplossing is daarom heel eenvoudig: omzetting naar het voorgestelde oudedagssparen – een soort beschikbare premieregeling met een afwikkeling als bancaire lijfrente. Beter is het misschien nog om de reeds bestaande bancaire lijfrente toe te staan voor dga’s, maar dan in eigen beheer. Dat hele fiscale regime is immers al wettelijk geregeld. De enige nog nodige uitbreiding is de bv aan te wijzen als toegelaten verzekeraar. En dat ook maar voor zzp’ers, dan zijn we meteen verlost van de (fiscale) Oudedagsreserve die nu nog geldt voor hen. De huidige fiscale voorziening mag dan worden omgezet in het nieuwe lijfrenteregime. Ik zou dan ook de afkoopvariant gewoon nog aanbieden, baat het niet dan schaadt het niet. Dat tot slot vele (ex-)partners van dga’s niet zullen meewerken is iets waar Wiebes niets aan kan doen. Die dga’s blijven dan gewoon zitten met de huidige pensioenvoorziening, met alle gevolgen van dien. Het zij zo.

(Bron: Financieel Dagblad)

Vereenvoudiging informatieplicht bij eigenwoningschuld

In het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen (OFM) 2016 is een vereenvoudiging opgenomen van de informatieplicht bij eigenwoningschuld.

Voor belastingplichtigen met een eigenwoningschuld anders dan bij aangewezen administratieplichtigen, zoals een bank, geldt een informatieplicht. Het gaat bijvoorbeeld om een schuld bij de “eigen” bv of bij een familielid. Op basis hiervan moeten deze belastingplichtigen via een modelformulier bepaalde gegevens over de schuld aan de Belastingdienst verstrekken. Informatie moet worden verstrekt bij het aangaan van de schuld en bij latere wijzigingen daarvan. In de praktijk is dit proces zeer bewerkelijk gebleken, zowel voor belastingplichtigen als voor de Belastingdienst. Daarnaast komt het vaak voor dat informatie te laat wordt aangeleverd. Dat kan leiden tot een (tijdelijke) renteaftrekbeperking. Redenen om dit proces anders in te richten.

Voorgesteld wordt om het proces te integreren in het aangifteproces en de benodigde informatie vanaf het belastingjaar 2016 alleen nog uit te vragen via de aangifte. De renteaftrek in de aangifte kan alleen worden geclaimd wanneer alle hierop betrekking hebbende vragen zijn beantwoord. De afzonderlijke sanctie van (tijdelijk) verlies van renteaftrek bij het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens kan daarmee vervallen. Voor het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens gaan dezelfde sancties gelden die van toepassing zijn bij het niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte.
[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Kostenvergoeding moet specifiek op loonstrook

Volgens de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) moet u vanaf 1 januari 2016 kostenvergoedingen aan werknemers op de loonstrook specificeren als u die als onderdeel van het loon bent overeengekomen.

Maar met ingang van 2016 moet u op grond van de WAS op de loonstrook die u periodiek aan werknemers uitdeelt, niet alleen meer het loon van de werknemer staan, u moet ook de gespecificeerde bedragen vermelden waaruit dit loon is samengesteld. Het gaat hierbij om de specificatie van kostenvergoedingen die niet naast het loon zijn overeengekomen, maar er onderdeel van zijn. De regels voor aparte kostenvergoedingen die bovenop het loon komen, veranderen niet.

Algemene kostenvergoeding is niet specifiek genoeg

Als u met een werknemer een brutoloon afspreekt waarvan hij ook kosten in verband met de dienstbetrekking moet betalen – zoals gereedschappen en zijn reizen van en naar het werk – moet u op de loonstrook dus uitsplitsen welk deel van het loon de ingebouwde kostenvergoeding is. Ook moet duidelijk zijn voor welke kosten deze vergoeding precies bedoeld is. De omschrijving ‘algemene onkostenvergoeding’ is niet voldoende.

Boete wegens onderbetaling

Ontbreekt de specificatie, dan kan Inspectie SZW niet vaststellen dat u (het netto equivalent van) het wettelijk minimumloon aan de werknemer heeft uitbetaald. Dat betekent dat uw onderneming een boete kan krijgen wegens onderbetaling.

(bron: rendement.nl)

Transitievergoeding bij wederzijds goedvinden?

Voor ontslag met wederzijds goedvinden is de werkgever niet verplicht een transitievergoeding te betalen. Maar hoe zit dit als in de vaststellingsovereenkomst staat dat het ontslag op initiatief van de werkgever wordt beëindigd?

Onder de Wet werk en zekerheid is het onderscheid tussen wederzijds goedvinden en een eenzijdige opzegging van groot belang. Bij wederzijds goedvinden is de werkgever namelijk niet verplicht een transitievergoeding te betalen, maar bij een eenzijdige opzegging wel. In een recente rechtszaak stapte een werknemer naar de kantonrechter omdat in zijn vaststellingsovereenkomst stond dat het dienstverband op initiatief van de werkgever was beëindigd. Hij stelde daarom dat er sprake was van een eenzijdige opzegging.

Geen vergoeding vanwege vaststellingsovereenkomst

De kantonrechter ging hier echter niet in mee. Het feit dat de werkgever en werknemer een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten die de werknemer had  ondertekend, wees erop dat er sprake was van wederzijds goedvinden. Bovendien had de werknemer er volgens de werkgever zelf op aangestuurd het dienstverband te beëindigen.  De werkgever hoefde daarom geen transitievergoeding te betalen.

Werkgever hoeft niet te informeren over eventuele vergoeding

De kantonrechter gaf ook aan dat de werkgever bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst de werknemer niet hoeft te informeren over zijn recht om over een eventuele vergoeding te onderhandelen. De werknemer heeft na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst wel twee weken bedenktijd

(Bron: Rendement.nl)

Rentederivaten? Heeft u recht op compensatie?

‘Banken opnieuw in de fout met rentederivaten’ kopte NOS.nl op vrijdag 4 december 2015. Banken hebben de afgelopen maanden duizenden dossiers herbeoordeeld om te kijken of MKB-klanten recht hebben op compensatie. Dit is volgens Minister Dijsselbloem niet goed gegaan. Ook toezichthouder AFM heeft hierbij steken laten vallen. De herbeoordeling zal opnieuw plaats moeten vinden.

In Nederland zijn in het verleden door de banken ongeveer 17.000 rentederivaten aan het MKB verkocht. Rentederivaten zijn bedoeld om renterisico’s af te dekken. Nu de rente laag staat, hebben deze rentederivaten een gezamenlijke negatieve waarde van miljarden euro’s.

Volgens de AFM is bij de herbeoordeling van de rentederivaten-dossiers ‘in onvoldoende mate sprake geweest van aansluiting bij het wettelijk kader. Bij de uitvoering van hun eigen werkprogramma’s blijken banken het klantbelang onvoldoende centraal te hebben gesteld.’ Bron: www.afm.nl.

Zoals de AFM duidelijk stelt, moeten alle klanten kunnen rekenen op een correcte herbeoordeling van hun dossiers en passende oplossingen. Belangrijke vraag die bij de herbeoordeling beantwoord moet worden, is of de banken destijds in essentie wel een goed advies hebben gegeven. Dat advies had zich, naast de voordelen, niet alleen uit moeten strekken over de nadelen en risico’s van het product, maar juist ook over de vraag of er wel een rentederivaat geadviseerd had moeten worden. Was het rentederivaat in het concrete geval wel in het belang van de klant? Is er voldoende naar alternatieven gekeken die voor de klant beter zouden zijn geweest en zijn die alternatieven ook aangeboden aan de klant?

Hoe en wanneer de nieuwe beoordeling zal plaatsvinden, is onderwerp van gesprek tussen de AFM en de banken. Heeft u als MKB’er een rentederivaat of heeft u die gehad? Het verdient aanbeveling om nu zelf het initiatief te nemen. Laat beoordelen of u door de bank destijds goed geadviseerd bent op alle fronten en of u recht heeft op compensatie.

(Bron: DVAN)

Vrijstelling box 1 voor kapitaalverzekering, beleggingsrechten en spaarrekening

De vrijstelling in box 1 voor op of na 1 januari 2013 afgesloten kapitaalverzekeringen eigen woning, beleggingsrechten eigen woning en spaarrekeningen eigen woning is afgeschaft en wordt belast als vermogen in box 3.
De enige uitzondering op deze regeling is de overgangsregeling voor overgesloten hypotheken. Bestaande hypotheken die voor 1 april 2013 zijn omgezet naar een (bank)spaarhypotheek vallen nog onder de oude regels voor aftrekbare hypotheekrente.
Wat voor 1 januari 2013 is afgesloten, blijft wel vrijgesteld in box 1 tot maximaal € 154.000 per persoon bij 20 jaar of langere premiebetalingen.
(Bron: ABAB)

Boeterente kan worden aangemerkt als rente van schulden voor eigen woning

De staatssecretaris keurt in een nieuw besluit over eigenwoningrente in de IB goed dat boeterente, al dan niet in het kader van rentemiddeling, niet wordt aangemerkt als kosten van geldleningen maar als rente van schulden. Boeterente is dan aftrekbaar als rente van schulden en wordt ook voor de beoordeling van de fiscale aflossingseis aangemerkt als rente. Onder boeterente wordt in dit kader verstaan de reële vergoeding die de bank in rekening brengt en die bestaat uit het renteverlies dat de bank lijdt over de nog resterende rentevastperiode bij het (gedeeltelijk) aflossen, wijzigen of oversluiten van een lening. Het maakt daarbij niet uit hoe de bank deze vergoeding berekent en of deze al dan niet wordt uitgesmeerd over de nieuwe rentevastperiode. Andere opslagen die een bank in het kader van rentemiddeling in rekening brengt, zoals een opslag voor het risico van vroegtijdig volledig aflossen bij verkoop, zijn niet aan te merken als boeterente. Deze opslagen worden dan ook niet aangemerkt als rente van schulden, behalve als het totaal van alle overige opslagen de doelmatigheidsgrens van 0,2% niet overschrijdt. Staat een aanslag IB al onherroepelijk vast, dan kan een verzoek tot ambtshalve vermindering worden ingediend als minder dan vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de aanslag betrekking heeft. Het besluit treedt op 8 december 2015 in werking.

Verlenging crisisheffing volgens A-G niet helemaal EU-proof

BV X betaalde in 2013 aan twee van haar werknemers een loon van meer dan € 150.000, dat in beide gevallen deels bestond uit een bonus op basis van begin 2012 afgesproken targets en deels uit regulier loon. Op de loonaangifte over maart 2014 droeg BV X € 41.302 aan pseudo-eindheffing hoge lonen (crisisheffing) af over in 2013 uitbetaald loon. BV X ging vervolgens in beroep tegen de afdracht. Hof Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond. Op het beroep in cassatie van BV X heeft A-G Wattel een conclusie uitgebracht. Volgens de A-G waren er drie verschillen tussen de eerste eenmalige crisisheffing (2013) en haar eenmalige verlenging (2014): (1) Bij de crisisheffing 2013 was de terugwerkende kracht nog wel ter sprake gebracht door de Eerste Kamer maar door de regering ontkend, terwijl de terugwerkende kracht van de crisisheffing 2014 door de (mede)wetgever was genegeerd. (2) De terugwerkende kracht van de verlenging schond niet alleen de gerechtvaardigde algemene verwachting van burgers dat niet onvoorzienbaar terugwerkend belasting zou worden geheven over voorbije tijdvakken, maar ook nog de concrete en specifieke gerechtvaardigde verwachtingen die waren gebaseerd op (a) een wettelijke horizonbepaling en (b) de aankondiging van de regering dat de heffing niet werd verlengd. (3) De voorzienbaarheidsdatum lag bij de verlenging later (17 september) dan die van de eerste eenmalige crisisheffing (25 mei). Volgens de A-G werd de crisisheffing 2014 pas op Prinsjesdag 17 september 2013 aangekondigd en was die vanaf dat moment voldoende voorzienbaar in de zin van de EHRM-rechtspraak om als voldoende aangekondigd te gelden. De A-G kwam tot de conclusie dat er voor de crisisheffing 2014 geen rechtvaardiging bestond voor de terugwerkende kracht, omdat de wetgever daaraan was voorbijgegaan. Dit hield in dat geen afweging had plaatsgevonden van enig algemeen belang bij die onvoorzienbaar terugwerkende kracht tegenover de “impact” daarvan voor de belanghebbende, zodat volgens de A-G sprake was van onredelijke doorkruising van verwachtingen zoals deze werden beschermd door artikel 1 Eerste Protocol EVRM. De A-G adviseerde de Hoge Raad het beroep in cassatie van BV X (gedeeltelijk) gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor de berekening van het te bieden rechtsherstel. Volgens hem hield dit in dat niet kan worden geheven over het deel van het loon dat vóór 17 september 2013 al hoger was dan € 150.000, maar wel over het loondeel boven € 150.000 voor zover het na 17 september 2013 werd genoten.

(Bron: FUTD)

Zorggroepen vrijgesteld van btw-heffing

Zorggroepen, gezondheidscentra en geboortezorgcentra in de eerste lijn betalen vanaf komend jaar geen 21 procent btw meer over de vergoeding voor de overheadkosten die zij maken. Een ruime meerderheid in de Tweede Kamer stemde woensdagmiddag in met een amendement op het Belastingplan 2016 van de parlementariërs Neppérus (VVD) en Groot (PvdA), dat deze btw-vrijstelling per 1 januari 2016 moet regelen. Het Belastingplan van staatssecretaris Wiebes moet overigens nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer, waar de coalitie van PvdA en VVD geen vanzelfsprekende meerderheid heeft.

In het amendement stellen beide coalitiegenoten voor om de verbruiksbelasting op onder meer frisdrank, limonade en vruchtensap (frisdrankaccijns) te verhogen. Het geld dat deze fiscale maatregel de schatkist oplevert, zo’n 30 miljoen euro per jaar, moet worden ingezet om een btw-vrijstelling te kunnen bekostigen voor zorggroepen. Staatssecretaris Wiebes (VVD, Financiën) kan aan de wens van de Kamer tegemoetkomen door het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting uit 1968 aan te passen. Hiervoor is geen wetswijziging nodig. Wiebes deed vorige week in een debat over het Belastingplan al de toezegging dat hij de btw-vrijstelling voor zorggroepen per 1 januari volgend jaar zou regelen, mits het amendement door een meerderheid van de Kamer gesteund zou worden.

‘Het ei is gelegd’, zegt Theo Bisschops, fiscaal jurist en directeur van zorggroep RCH Midden-Brabant. ‘Waarschijnlijk regelt de staatssecretaris via een beleidsbesluit nu dat zorggroepen en gezondheidscentra voortaan erkend worden als sociale en culturele instellingen. Volgens Europese regels zijn zij vrijgesteld van het betalen van btw. Deze weg is onlangs ook in de wijkverpleging bewandeld. Hiermee erkent de politiek dat als de zorg onderdeel is van een geheel, zoals bij ketenzorg het geval is, de belastingdienst niet zomaar een knip kan maken.’

Al enkele jaren komen zorggroepen en gezondheidscentra in het geweer tegen de btw-heffing op de vergoeding voor de administratieve kosten die zij maken om de kwaliteit van en de samenwerking in de zorg te handhaven en te verbeteren. De fiscus oordeelde tot op heden dat bij het maken van overheadkosten door zorggroepen er geen directe zorgrelatie is met de patiënt en dat er daarom geen sprake kan zijn van btw-vrijgestelde medische zorgverlening. Een standpunt dat in het voorjaar van 2014 nog door het Amsterdamse Hof werd bevestigd in een zaak die was aangespannen door zorggroep Zaanstreek-Waterland.

Al stelde Christel van Vugt, accountmanager bij brancheorganisatie InEen, onlangs in een artikel in Medisch Contact dat de fiscus in de afgelopen jaren niet één lijn heeft getrokken bij het aanslaan van de zorggroepen. ‘Sommige zorggroepen hebben (..) nooit btw betaald. Sommige hebben een vrijstelling, andere weer niet. Weer andere hebben, na de uitspraak van het Amsterdamse Hof in 2014, een forse aanslag met terugwerkende kracht opgelegd gekregen. ’

Een interessante vraag is nu of de fiscus besluit om met terugwerkende kracht de btw-aanslagen voor zorggroepen kwijt te schelden. Nika Stegeman, belastingadviseur, reageert terughoudend. ‘Het grootste struikelblok is dat de btw-vrijstelling gekoppeld is aan de verhoging van de verbruiksbelasting op frisdrank. Er is dus pas per 1 januari 2016 budgettaire dekking voor het schrappen van de btw-heffing op zorggroepen. Aan de andere kant merk je ook dat de Kamer vindt dat deze vrijstelling echt nodig is. De Kamer kan de staatssecretaris dan ook opdragen om zorggroepen met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 vrij te stellen van het betalen van btw. Een regeling waarbij zorggroepen ook een btw-vrijstelling krijgen voor de jaren tot 2015, is uitvoeringstechnisch lastig. Je hebt het hier dan namelijk over gesloten boekjaren.’

Bisschops: ‘Met deze uitspraak van de Kamer in de hand heeft de belastingdienst het recht om tot 1 januari 2016 btw te heffen op de overheadkosten van zorggroepen. In theorie zou de fiscus na dit aangenomen amendement dus zelfs extra werk kunnen gaan maken van het met terugwerkende kracht aanslaan van zorggroepen. Onder de belastinginspecteurs zitten hele eigengereide personen en de wettelijke naheffingstermijn is vastgesteld op vijf jaar. Daarna ben je pas veilig. Aan de andere kant kan staatssecretaris Wiebes ook besluiten om de btw-aanslagen op zorggroepen over de afgelopen vijf jaar juist terug te draaien. Dit is ook in de wijkverpleging gebeurd. Het is allemaal heel verwarrend. De champagne kan nog niet open.’

Zelf probeert Bisschops de heffing van ongeveer een half miljoen euro (inclusief naheffing) die zijn zorggroep RCH Midden-Brabant kreeg opgelegd ongedaan te maken via een bodemprocedure bij de rechtbank Zeeland/West-Brabant. ‘Ondanks dit besluit van de Kamer gaan wij onze procedure gewoon doorzetten. Of de fiscus moet ineens een draai make. Voor mij is dit een principekwestie.’

(Bron: Medisch-contact)

De vergeten partner in de plannen met het eigenbeheerpensioen van de BV

De perikelen met het pensioen in eigen beheer duren voort. Daarbij komt de partner van de dga die onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, er bekaaid vanaf. Zijn of haar financieel nadeel bij omzetting van de oudedagsvoorziening in eigen beheer is groot bij echtscheiding en een juiste compensatie hiervoor nagenoeg niet te bepalen. Dat zegt Sander Schilder (eigenaar van Santax fiscaal economen). “De positie van de huwelijkspartner in deze kan en mag niet onderbelicht blijven!”

Oudedagssparen in eigen beheer

Nog steeds is er geen concrete oplossing voor de knelpunten van het huidige pensioen in eigen beheer. In december volgt een nieuwe brief van staatssecretaris Wiebes van Financiën met voorstellen voor de pensioenopbouw van de dga. Hoogstwaarschijnlijk sneuvelt de oudedagsbestemmingsreserve als mogelijke oplossingsrichting en blijft over het oudedagssparen in eigen beheer (OSEB) dan wel de afschaffing (uitfaseren) van het eigenbeheerpensioen met een ‘gunstige’ afkoopregeling.

De OSEB fungeert als een spaarpotje binnen de bv waarover de dga kan beschikken op pensioengerechtigde leeftijd. Volgens Wiebes biedt het oudedagssparen een duidelijke vereenvoudiging. De bestaande pensioenverplichting in eigen beheer kan geruisloos tegen de fiscale waarde worden omgezet in een oudedagsspaarverplichting. Deze omzetting vergt instemmen/meetekenen van de partner van de dga. Tot nu toe blijft het bij deze constatering voor wat betreft de partnerpositie.

Partnerproblematiek onderbelicht

Schilder waarschuwt voor de onderbelichte positie van de huwelijkspartner van de dga, nu omzetten tegen fiscale waarde in feite betekent het gedeeltelijk afzien van het eigenbeheerpensioen. “Ook de partner heeft in deze rechten. Niet voor niets is bij omzetting instemming vereist want civiel juridisch kan dit niet zonder toestemming. De partner doet immers afstand van zijn of haar inmiddels opgebouwde rechten op kort gezegd 50% van het oudedagspensioen en voor zover toegezegd 100% van het bijzonder nabestaandenpensioen. Bij omzetting is er daarna geen ‘pensioen’ meer volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS). Dat kan bij echtscheiding een groot financieel nadeel zijn voor de partner. Vooral voor diegene die onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd.”

Aanpassing WVPS

Wiebes verklaarde eerder dat de WVPS kan worden aangepast zodat het OSEB wel hieronder valt, maar volgens Schilder wordt dit lastig omdat de OSEB in basis geen pensioen is. “Het pensioenlabeltje ontbreekt want de OSEB is gebaseerd op een reserve en pensioen op aanspraken.”

Financieel nadeel

Het financiële nadeel bij tekenen voor afzien van opgebouwde rechten is het grootst voor de partner gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting, zonder dat de WVPS in de huwelijkse voorwaarden is uitgesloten. Schilder legt uit: “Stel dat van de ongeveer 150.000 dga’s met pensioen in eigen beheer zo’n 75.000 gehuwd zijn, waarvan de helft onder huwelijkse voorwaarden en daar weer de helft van onder koude uitsluiting, maar zonder uitsluiting van WVPS. Wanneer zo’n 50% van deze dga’s gaat scheiden praten we over 9.375 partners die aanlopen tegen een financiële aderlating van in totaal circa € 1,1 miljard als geen compensatie wordt geboden. Vanwege de grote financiële consequenties zal de partner goed moeten worden voorgelicht over waar hij of zij voor tekent.”

Compensatie

Het is goed denkbaar dat de partner die onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd bij instemming/tekenen voor omzetting naar OSEB – gezien de nadelige financiële gevolgen – hiervoor een compensatie dient te krijgen. “Omgaan naar de OSEB is immers een bevoordeling van de dga, ten nadele van zijn partner”, aldus Schilder. “Vergt de zorgplicht niet dat de huwelijkspartner voor het afzien van zijn of haar (potentiële) afgeleide pensioenaanspraken financieel dient te worden gecompenseerd? En zo ja, wie dient die compensatie dan te betalen? Is dat de bv of de dga? En stel dat de compensatie pas later wordt voldaan – nadat de OSEB reeds een feit is – kan men bij de bv deze compensatie dan nog ten laste brengen van de fiscale winst? Allemaal vragen waarover geen duidelijkheid is.”

Niet goed te bepalen

Probleem is alleen dat een juiste compensatie bij de omzetting naar OSEB eigenlijk niet dan wel niet goed te bepalen is. Partijen zijn namelijk nog niet aan het scheiden. Schilder: “Bij een fiscale waarde van € 700.000 is de commerciële waarde van de pensioenaanspraak momenteel rond de € 2 miljoen. Daarvan is circa 60% ter borging van de opgebouwde rechten van de partner bij scheiding. Moet voor de compensatie echter wel worden gekeken naar de waarde van nu? Er is immers geen echtscheidingssituatie en hopelijk komt die er ook niet. Blijven beiden gehuwd met elkaar dan compenseert de dga zijn partner voor iets wat achteraf niet had gehoeven. Stel dat een echtscheiding wel in de toekomst plaatsvindt, dan heeft de partner wellicht teveel compensatie gekregen. Dat is het geval als de bv op echtscheidingsmoment kampt met een onderdekking. Uit de familierechtspraak volgt dat de (ex)partner dan moet meedelen in de onderdekking naar rato van de pensioenaanspraak, maar die partner is al overgecompenseerd voor het afzien van pensioenrechten. En wat als de fiscale en commerciële rekenrente over enkele jaren dichter bij elkaar liggen? De dga heeft  bij een huidige compensatie dan achteraf teveel betaald.”

Potentieel risico van tekenen

En dan is er, zo waarschuwt Schilder,  ook nog een potentieel risico voor de onder huwelijkse voorwaarden gehuwde dga wanneer de partner tekent voor omzetting van eigenbeheerpensioen in de OSEB tegen fiscale waarde. “Bij een latere echtscheiding kan de partner zich alsnog beroepen op de WVPS, indien deze niet is uitgesloten in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant. Tekenen voor omzetting – al dan niet met compensatie – gebeurt met een onderhands briefje en daarvoor is niets geregeld in de WVPS. Financiën doet er in ieder geval verstandig aan om in deze wet op te nemen dat ook met onderhandse schriftelijke afspraken mag worden afgeweken van de WVPS.”

Extra aandacht gewenst!

Vanwege de risico’s die de huwelijkspartner van de dga loopt en de grote financiële gevolgen, kan het niet zo zijn dat er slechts zijdelings aandacht is voor de partnerproblematiek. Schilder: “De partner verdient in de zoektocht naar een oplossing voor de pensioenproblemen van de dga een even groot podium als alle overige knelpunten van het eigenbeheerpensioen. Aan wetgever of politiek de oproep om de ‘vergeten’ partner extra op de kaart te zetten.”

[ Bron: Redacteur Marit Muller ]