Wiebes onderzoekt gevolgen “sjoemelsoftware” voor belastingheffing

Onregelmatigheden in de CO2-emissies zijn direct van invloed op verleende belastingvoordelen en staatssecretaris Wiebes vindt het van groot belang dat alle relevante feiten zo snel mogelijk op tafel komen. Hij is daarom een onderzoek gestart naar de mogelijke gevolgen van deze onregelmatigheden voor de belastingheffing. Dit antwoordt de bewindsman op Kamervragen over het terugvorderen van ten onrechte verleende belastingvoordelen bij sjoemelende autofabrikanten. Volgens de staatssecretaris is duidelijk dat een eventueel schadeverhaal thuishoort bij de veroorzaker van de schade en niet bij de consument. Volkswagen heeft in een brief aan de minister van Financiën laten weten dat de Volkswagen Groep eventuele additionele heffingen als gevolg van een te lage fabrieksopgave voor de CO2-emissies volledig voor haar rekening zal nemen. Zij heeft nadrukkelijk verzocht om geen aanvullende claims bij de consumenten neer te leggen. De volgende fiscale regelingen zijn volgens de staatssecretaris relevant: een lagere BPM, verlaagde tarieven in de MRB voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 g/km en (de milieukortingen in) de bijtelling voor privégebruik van een auto van de zaak. Verder zal er ook doorwerking zijn naar onder andere de BTW en de provinciale opcenten en kunnen ook stimuleringsregelingen, zoals de milieu-investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen, worden geraakt door eventuele onregelmatigheden in de CO2-emissies.

(Bron: FUTD)

Tijdelijke verlenging aankooptermijn pensioen

Bij expiratie van een pensioenpolis moet binnen een “redelijke termijn” een recht op een pensioenuitkering worden aangekocht. Wat onder een “redelijke termijn” termijn kan worden verstaan heeft de belastingdienst in (Vraag & Antwoord 10-001 d.d. 040510) aangeven dat hierbij een onderscheid gemaakt moet worden naar de situatie bij leven en de situatie bij overlijden.

Voor een uitkering bij leven geldt een termijn van 6 maanden voor een uitkering bij overlijden geldt een termijn van 12 maanden.

De “redelijke termijn” is tijdelijk verlengd tot 31 december 2016 en geldt naast de regeling pensioenknip. Dat betekent dat bij thans expirerende pensioenpolissen uiterlijk ultimo 2016 een pensioen moet zijn aangekocht. Hierdoor kan ook nog gebruik worden gemaakt van het wetsvoorstel variabele pensioenuitkering, dat thans in voorbereiding is.

(Pensioenweblog)

Verdwijnen rechtspersoon niet fataal voor beslaglegger

De Hoge Raad heeft vandaag in de zaak Promneftstroy/Yukos Capital en Glendale geoordeeld dat het verdwijnen van een rechtspersoon niet betekent dat de schuldeiser die beslag heeft gelegd ten laste van die verdwenen rechtspersoon geen verhaalsmogelijkheden meer heeft. Als de goederen waarop de schuldeiser beslag heeft gelegd, in weerwil van het beslag zijn overgedragen aan een derde, kan de schuldeiser zijn vordering tegen deze derde richten. De Hoge Raad vult met deze beslissing een lacune in de Nederlandse wetgeving.

De zaak gaat over de gevolgen van het faillissement van Yukos Oil. Yukos Capital en Glendale hebben als schuldeisers van Yukos Oil beslag gelegd op goederen van Yukos Oil, waaronder haar aandelen in de Nederlandse rechtspersoon Yukos Finance. De curator in het Russische faillissement van Yukos Oil heeft die aandelen verkocht, volgens Yukos Capital en Glendale  in weerwil van het beslag. Door het einde van het Russische faillissement hield Yukos Oil op te bestaan. Daardoor konden Yukos Capital en Glendale haar niet meer dagvaarden om hun vorderingen toegewezen te krijgen. Daarom leek voor hen ook de mogelijkheid te zijn vervallen om voor die vorderingen verhaal te nemen op de beslagen goederen, nu de toewijzing van hun vorderingen daarvoor een wettelijke voorwaarde is.

De Hoge Raad heeft echter beslist dat schuldeisers die zich bevinden in een situatie zoals Yukos Capital en Glendale, hun vorderingen kunnen richten tegen degene aan wie de goederen zijn overgedragen. Dat is in dit geval Promneftstroy. Dat betekent dat bij de rechtbank Amsterdam verder kan worden geprocedeerd over de zaak.

(Bron: Rechtspraak.nl)

Vermogenstoerekening na inkeer zonder medewerking ex niet te herzien

X was onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met Y. In 2006 werd de echtscheiding uitgesproken. Y beschikte in de jaren 2001 tot en met 2004 in het buitenland over vermogensbestanddelen die in geen van hun aangiften IB waren opgenomen. Het betrof bedragen tussen € 292.696 en € 386.180, afkomstig uit de erfenis van haar moeder. In december 2009 meldde X het buitenlandse vermogen bij de Belastingdienst. Y wilde echter niet meewerken. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op, waarbij hij de helft van de vermogensbestanddelen aan X toerekende. X ging in beroep en stelde dat hij de keuze van toerekening van vermogensbestanddelen zonder instemming van de ex-partner kon herzien, waardoor de volledige bedragen bij Y in de heffing moesten worden betrokken. Hof Den Bosch was het niet met X eens. Herziening in de zin van artikel 2.17, lid 3, Wet IB 2001 was volgens het Hof niet mogelijk, omdat de ex-partner daar niet aan meewerkte. X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat met het wettelijke vermoeden van een verdeling bij helfte juist was beoogd te voorkomen dat de inspecteur een juridisch correcte verdeling moest maken, met alle bewijsrechtelijke complicaties van dien, in situaties waarin partners niet in staat of bereid waren om zelf een (andere) verdeling te maken. De Hoge Raad verwierp ook de stelling van X dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel had gehandeld. De inspecteur had de wettelijk voorgeschreven toerekening van het buitenlandse vermogen toegepast, zodat hem geen onzorgvuldig handelen kon worden verweten. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X ongegrond.

(Bron:FUTD)

Geen bedrijfsfusiefaciliteit bij louter inbreng gerechtigdheid in pand

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de ingebrachte activa niet kunnen worden aangemerkt als een ‘tak van bedrijvigheid’. X bv kan de bedrijfsfusiefaciliteit dan niet toepassen.

Belanghebbende, X bv, neemt deel als commanditair vennoot in G cv. Bij de oprichting van G cv heeft X bv haar gehele onderneming, uitgezonderd de gerechtigdheid in een pand, in G cv ingebracht. Verder heeft X bv een voorbehoud gemaakt voor de stille reserves. In 2009 richt X bv S bv op. X bv brengt vervolgens haar activa en passiva in ter volstorting van de aandelen S bv, en claimt de bedrijfsfusiefaciliteit van art. 14 Wet VPB 1969. De inspecteur stelt echter dat de bedrijfsfusiefaciliteit niet van toepassing is, omdat er geen sprake is van een overdracht van een onderneming of een zelfstandig deel van een onderneming. De inspecteur belast dan ook de boekwinst op het pand en het restant van de voorbehouden stille reserves.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de bedrijfsfusiefaciliteit niet kan worden toegepast, omdat de ingebrachte activa niet kunnen worden aangemerkt als een ‘tak van bedrijvigheid’. Volgens het hof kan het louter ter beschikking stellen van (een deel van de economische gerechtigdheid in) een pand namelijk niet als ‘tak van bedrijvigheid’ worden gezien. Het hof overweegt hierbij dat niet aannemelijk is geworden dat de omvang en aard van de werkzaamheden ter zake van het ter beschikking stellen en het daarmee behaalde rendement, meer omvatten dan voor normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

Offline aanvraagprogramma WBSO-subsidie voor 2016 beschikbaar

Vanaf nu is het ook mogelijk om offline een WBSO-aanvraag voor 2016 in te vullen. Ondernemers die al vanaf 1 januari 2016 gebruik willen maken van WBSO, dienen uiterlijk 30 november 2015 de aanvraag te doen.

Het aanvraagprogramma WBSO 2016 is te downloaden op de site van de Rijksdienst van Ondernemend Nederland (RVO). De aanvraag kan offline worden ingevuld en vervolgens online via het eLoket indienen. De WBSO-aanvraag kan ook online ingevuld en ingediend worden. Voor beide manieren is eHerkenning (niveau 2+) nodig.

Op tijd aanvragen
Ondernemers die al vanaf januari 2016 hun kosten voor R&D willen verlagen, dienen uiterlijk 30 november 2015 WBSO aan te vragen. Een aanvraag moet namelijk uiterlijk één volledige kalendermaand voor de start van de R&D-werkzaamheden bij de RVO worden ingediend. Bij aanvragen na 30 november 2015 is de startdatum later dan 31 januari 2016.

Zelfstandigen
Voor zelfstandige ondernemers gelden andere regels. Zij kunnen tot en met 1 januari 2016 een WBSO-aanvraag indienen voor hun eigen R&D-werkzaamheden die starten op 1 januari 2016.

De WBSO-informatie van de RVO is gebaseerd op de wijzigingen in de WVA zoals opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2016 en de hierop gebaseerde Regeling S&O-afdrachtvermindering en is onder voorbehoud van goedkeuring van het Belastingplan. Pas nadat het Belastingplan 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer, kan de Regeling worden gepubliceerd in de Staatscourant. Tot die tijd is de Regeling als voorgenomen beleid te downloaden onder officiële bekendmakingen.

Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Zakelijk gebruikt pand is nog geen pand van maatschap voor de omzetbelasting

Het feit dat een maatschap gebruik maakt van een werkkamer in een pand van de maten, betekent niet automatisch dat die maatschap het pand mag rekenen tot haar ondernemingsvermogen. De Hoge Raad heeft dit onlangs bevestigd.

Drie natuurlijke personen, onder wie een echtpaar, dreven binnen maatschapsverband een champignonkwekerij. Het echtpaar had een pand laten bouwen dat zij na oplevering voor een deel als woning ging gebruiken. De rest van het pand werd ter beschikking gesteld aan de maatschap zonder dat het echtpaar een vergoeding vroeg. Het echtpaar had het pand niet ingebracht in het vermogen van de maatschap. De vraag was of de maatschap het pand voor de btw volledig mocht rekenen tot haar ondernemingsvermogen en daarmee de btw op dat pand kon aftrekken. Zowel Hof Amsterdam als de Hoge Raad meende van niet. De Hoge Raad wees erop dat twee maten het pand hadden gekocht. Dat de maatschap een deel van dit pand gebruikte voor bedrijfsdoeleinden betekende niet dat het pand behoorde tot het bedrijf van de maatschap. De maatschap mocht daarom de btw op dit pand niet aftrekken.

(Bron: Taxence)

Erfbelasting was niet onbeperkt na te vorderen

X was enig erfgenaam van de in december 1998 overleden Y. Tot de nalatenschap behoorden onder meer een tegoed op een bankrekening en effecten bij een bank in Zwitserland. X vermeldde het Zwitserse vermogen niet in de aangifte successierecht. In februari 2014 maakte X in het kader van de IB alsnog melding van niet-aangegeven vermogen. De inspecteur legde naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag successierecht van € 100.925 op. X ging in beroep en stelde dat navordering niet meer mogelijk was, omdat bij de inwerkingtreding van de onbeperkte navorderingsbevoegdheid op 1 januari 2012 de daarvoor geldende navorderingstermijn van 12 jaar al was verstreken. Rechtbank Gelderland besliste dat uit de letterlijke tekst van artikel 66, lid 3, SW niet volgde dat onbeperkte terugwerkende kracht toekwam aan die bepaling, in die zin dat ook voor nalatenschappen waarvoor de bevoegdheid tot navordering op 1 januari 2012 al was vervallen, de in de tijd onbeperkte navorderingsbevoegdheid gold. Ook uit de parlementaire geschiedenis volgde niet dat de wetgever had bedoeld om in dit soort situaties onbeperkte terugwerkende kracht te verlenen. Uit de toelichting op het amendement waarbij de onbeperkte navorderingsbevoegdheid was ingevoerd, en de antwoorden van de staatssecretaris bleek volgens de Rechtbank dat uitsluitend was bedoeld om nalatenschappen onder de bepaling te laten vallen waarvoor de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar nog niet was verstreken op 1 januari 2012. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde de navorderingsaanslag.

(Bron: FUTD)

Let op fiscale aspecten bij inhuur zzp’ers

Als u met zzp’ers werkt, is het belangrijk om met een aantal fiscale aspecten rekening te houden. U wilt immers geen problemen krijgen met de Belastingdienst. Nu de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) op termijn wordt afgeschaft, is het belangrijk om hier tijdig op te anticiperen.

 

Een juiste VAR biedt een opdrachtgever vooraf zekerheid dat er geen loonheffingen verschuldigd zijn. Hierdoor is het voor een zzp’er makkelijker om een opdracht te verkrijgen. In de praktijk blijkt echter dat veel zzp’ers met een VAR als schijnzelfstandige werkzaam zijn, terwijl de Belastingdienst de opdrachtgever dan niet kan aanspreken. Dit is een belangrijke reden waarom de VAR komt te vervallen.

Voorbeeldovereenkomsten

De VAR wordt vervangen door een systeem van voorbeeldovereenkomsten. Inmiddels zijn er diverse overeenkomsten op de website van de Belastingdienst gepubliceerd. U kunt ook zelf een overeenkomst ter goedkeuring voorleggen aan de Belastingdienst. Een voorbeeldovereenkomst biedt ondernemers en zzp’ers zekerheid dat er geen loonheffingen zijn verschuldigd. Dit geldt overigens alleen als conform de overeenkomst wordt gewerkt. Mocht achteraf blijken dat de overeenkomst niet juist is nageleefd, dan kan de opdrachtgever toch worden geconfronteerd met een naheffing van loonheffingen.

 

Minder rechtszekerheid

De nieuwe regelgeving biedt opdrachtgevers dus minder rechtszekerheid dan onder het regime van de VAR. De tijd moet nog uitwijzen op welke punten de Belastingdienst zal toetsen en in hoeverre afwijkingen van de overeenkomst wel of niet worden geaccepteerd. Door forse kritiek op de voorgestelde regels is de invoering van de voorbeeldovereenkomsten uitgesteld tot 1 april 2016. Dit is althans de streefdatum. De vrijwarende werking van de VAR blijft voor de opdrachtgever bestaan, totdat de nieuwe regels in werking treden, dus in elk geval tot 1 april 2016.

 

Huurt u als ondernemer regelmatig zzp’ers in, dan doet u er nu al verstandig aan om in aanloop naar de nieuwe regels kritisch te kijken naar de zzp’ers die u inhuurt en te controleren of u straks werkt conform goedgekeurde overeenkomsten.

(Bron: ABAB)

Niet-aftrekbaarheid valutaverlies buitenlandse deelneming EU-proof

Alle aandelen van BV X waren in handen van de naar Amerikaans recht opgerichte A Inc. BV X kocht op 13 april 2007 van A Inc alle aandelen van de in Engeland gevestigde B Ltd voor USD 960.000.000 (op 13 april 2007 afgerond € 709.744.000). Uitgaande van een koers GBP/EUR van 1,4687 bedroeg de waarde van de aandelen op het moment van verwerving GBP 483.246.000. Op 2 december 2009 verkocht BV X haar aandelen B Ltd terug aan A Inc. voor € 1.195.179.000. Met deze verkoop realiseerde BV X een winst van € 485.435.000. Uitgaande van een koers GBP/EUR van 1,0976 bedroeg de waarde van de aandelen op het moment van verkoop GBP 1.088.902.000. Het koersverloop van het GBP ten opzichte van de € tussen 13 april 2007 en 2 december 2009 leidde tot een valutaverlies op de initiële investering door BV X in de aandelen B Ltd van € 183.363.000 en een valutaverlies op de waardeaangroei van de aandelen B Ltd van € 91.000.000. Het totale valutaverlies bedroeg € 274.363.000. In haar aangifte Vpb 2009 claimde BV X aftrek van de valutaverliezen. De inspecteur stond de aftrek niet toe. BV X ging in beroep en stelde dat het weigeren van de aftrek van het valutaverlies in strijd was met de vrijheid van vestiging zoals neergelegd in artikel 49 VWEU. Dit bleek volgens haar uit de arresten Deutsche Shell en Groupe Steria van het EU-Hof van Justitie. Rechtbank Noord-Holland besliste echter dat uit een recenter arrest dan het Deutsche Shell-arrest, namelijk het arrest X AB van 10 juni 2015, volgde dat het niet in aftrek toestaan van de valutaverliezen niet in strijd was met de vrijheid van vestiging. Artikel 13 Wet Vpb dat in geen enkele aftrek van valutaverliezen voorzag, ongeacht de vestigingsplaats van de vennootschap waarin een deelneming werd gehouden, was volgens de Rechtbank symmetrisch. Daaraan deden de artikelen 13d en 28d Wet Vpb niet af. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

(Bron: FUTD)