Aansprakelijkheid belastingschuld fiscale eenheid btw

Tussen ondernemers kan voor de btw een fiscale eenheid btw bestaan. Er is dan sprake van één ondernemer. Eén van de gevolgen van een fiscale eenheid btw is de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de totale omzetbelastingschuld. Die aansprakelijkheid blijft bestaan tot het moment waarop de inspecteur op de hoogte is gebracht van het feit dat de fiscale eenheid btw niet langer bestaat.

 

Het voorbeeld betreft een bv die deel uitmaakte van een fiscale eenheid btw. Begin 2012 gingen drie andere bv’s van de fiscale eenheid failliet. De Belastingdienst legde naheffingsaanslagen btw op aan de bv. De bv bestreed de aansprakelijkheidstelling voor de btw-schuld van de fiscale eenheid omdat deze in strijd zou zijn met de btw-richtlijn en het EU-recht.

 

Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank. De kern is dat aansprakelijkheidsstelling nodig is om de btw-schulden van de fiscale eenheid te kunnen innen. De reden hiervoor is dat de fiscale eenheid civielrechtelijk niet bestaat, alleen fiscaal. Het verhalen van de btw-schuld bij de fiscale eenheid is daardoor niet mogelijk. Ook kan een fiscale eenheid btw geen eigenaar zijn van goederen. Er kan dus geen beslag worden gelegd om de openstaande belastingschulden te innen.

 

Tip

Houdt u rekening met een hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling voor de btw-schuld als een fiscale eenheid btw bij beschikking door de Belastingdienst is vastgesteld. Bestaat de fiscale eenheid btw niet langer? Breng de Belastingdienst hier dan tijdig van op de hoogte.

(Bron: Abab)

Ontwikkelingen pensioenknip

Op 8 juli 2015 is de pensioenknip weer opengesteld voor pensioengerechtigden. Met de pensioenknip is het mogelijk eerst een tijdelijke pensioenuitkering aan te kopen en later een levenslange pensioenuitkering.

Veel pensioenproducten werken op basis van een pensioenkapitaal. Op de pensioendatum moet het pensioenkapitaal worden omgezet in een pensioenuitkering. Daartoe moet een nieuwe verzekering gesloten worden. De hoogte van de pensioenuitkering is afhankelijk van de verzekeringstarieven op de pensioendatum. De verzekeringstarieven zijn weer afhankelijk van de rente op de kapitaalmarkt. Is de rente laag, dan zal de uitkering ook laag zijn. Is de rente hoog, dan zal de uitkering hoger zijn.

De achtergrond van de pensioenknip is gelegen in de lage rekenrente bij de aankoop van een pensioenuitkering. Voor mensen die een pensioenkapitaal moeten omzetten in een pensioenuitkering, leidt die lage rekenrente tot een laag pensioen. Uitstellen van het aankoopmoment is vaak niet mogelijk waardoor mensen geconfronteerd worden met een teleurstellende pensioenuitkering.

Door de aankoop van de pensioenuitkering (deels) uit te stellen kan men inspelen op de verwachting dat de rekenrente stijgt. Daarnaast kan het resterende pensioenkapitaal langer worden belegd en kan er meer rendement worden behaald. Als de rekenrente op het tweede aankoopmoment hoger is, dan kan een hogere pensioenuitkering worden aangekocht, zo is de gedachte.

De oude pensioenknip heeft weinig voordeel gebracht voor de pensioengerechtigden. De rekenrente blijkt zich al langere tijd op een dieptepunt te bewegen en lijkt nog steeds te dalen. In plaats van een hogere uitkering, hebben de mensen die in het verleden hun pensioen hebben ‘geknipt’ vaak een lagere uitkering. Daarnaast was het onder de oude regeling niet mogelijk om de tweede uitkering bij een andere aanbieder onder te brengen. Men had niet de mogelijkheid te shoppen op het tweede aankoopmoment.

Voor de huidige regeling van de pensioenknip moet shoppen tussen de verschillende aanbieders wel mogelijk zijn. Staatssecretaris Jette Klijnsma schrijft in een brief aan de tweede kamer dat zij dit wil verankeren in wetgeving. Bron

Of het aantrekkelijk is de pensioenknip toe te passen hangt sterk af van uw persoonlijke situatie en toekomstverwachting. Zoals gezegd kan het positief uitpakken maar ook negatief. Het doorbeleggen van het pensioenvermogen lijkt aantrekkelijk maar u mag daar niet teveel van verwachten. Door de korte resterende looptijd van de beleggingen is het vaak niet verantwoord om risico te lopen in de beleggingen. Veelal komt men uit op beleggingen in obligatiefondsen. Een kenmerk van dergelijke fondsen is dat de waarde daarvan stijgt als de rente daalt en andersom.

De pensioenknip wordt toegepast indien men een stijgende rente verwacht. Dan kan immers een hogere pensioenuitkering worden gekocht voor het beschikbare kapitaal. Echter door te beleggen in obligaties wordt dit effect (deels) weer teniet gedaan. Bij een stijgende rente zal de waarde van de obligatiebelegging dalen.

De obligatiebelegging kent een vaste geldstroom die bestaat uit rente en aflossing op de einddatum. Als de marktrente stijgt, wordt die vaste geldstroom relatief minder aantrekkelijk ten opzichte van de markt en zal de waarde dus dalen. Bij langlopende obligaties is dit effect sterker dan bij kortlopende obligaties.

Daarnaast dient u bij de pensioenknip rekening te houden met extra (advies) kosten. In plaats van één aankoop moment met advieskosten zijn er bij de pensioenknip twee aankoopmomenten met advieskosten.

De gedachte van de pensioenknip is op zich goed echter, in het huidige economische klimaat is het zeer de vraag of daadwerkelijk voordeel behaald kan worden met de pensioenknip.

Pensioen bij overgang onderneming

Geef bij een overname het onderdeel pensioen veel aandacht. Ook als het om een activa-passiva transactie gaat.

Bij een bedrijfsovername heeft de koper de keuze om de aandelen in de betreffende vennootschap over te nemen dan wel (een deel van) de activa en passiva. Voordeel van een activa-passiva transactie is veelal dat exact duidelijk is welke schulden er mee over gaan naar de koper. Uit een recent arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat een koper voor vervelende verrassingen kan komen te staan.  

In de betreffende zaak vielen zowel de koper als de verkoper onder een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. In de koopovereenkomst waren partijen overeengekomen dat alle verschuldigde premies tot aan de overdrachtsdatum voor rekening zouden blijven van de verkoper.

Na de transactiedatum gaat de verkoper failliet en blijkt er een achterstand in premiebetalingen te zijn van circa € 2.000.000. Het bedrijfstakpensioenfonds vordert dit bedrag van de koper.

Bij een activa-passiva transactie is sprake van overgang van onderneming. Uit de wet volgt dat in dat geval alle rechten en verplichtingen, voorvloeiend uit de arbeidsovereenkomst, van rechtswege overgaan op de koper (artikel 7:663 BW). Uit het arrest van het Hof blijkt dat een wettelijk verplicht bedrijfspensioen een recht of verplichting is, voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. Als gevolg hiervan gaat de verplichting van rechtswege mee over op de koper. Dat is niet anders indien partijen een andere afspraak zouden hebben gemaakt, zoals in dit geval.

Daarnaast oordeelt het Hof dat het bedrijfstakpensioenfonds een zelfstandig recht heeft om de bedragen te vorderen bij koper.

Uit het arrest blijkt dat een koper na een overgang van onderneming voor zeer vervelende en verstrekkende verrassingen kan komen te staan. Het is dus zaak om voorafgaand aan de transactie tijdens het due diligence onderzoek na te gaan of alle premies zijn betaald en daar zo nodig bewijstukken van te verlangen. Als er betalingsachterstanden blijken te zijn, zal daar expliciet rekening mee moeten worden gehouden. Het vragen van een vrijwaring door de verkoper zal niet voldoende zijn, zoals ook uit het arrest blijkt. De verkoper was immers failliet gegaan. Meer voor de hand ligt het dan ook om de betalingsachterstand te verdisconteren in de koopprijs.

(Bron: Pellicaan)

Hoelang blijft de cloud legaal?

Gegevensopslag in VS Mag een Nederlands bedrijf nog wel data opslaan in de VS? Onduidelijkheid overheerst. Advocaten en adviseurs hebben het druk.

Bijna alles wat je in Nederland op een computer doet is terug te voeren op Amerikaanse servers van Amazon, Microsoft en Google. Dat is te danken aan de cloud: goedkope rekenkracht en opslag op afstand.

Maar Nederlandse bedrijven die vertrouwen op deze cloud kunnen er niet meer blindelings van uitgaan dat ze voldoen aan alle regels voor bescherming van privacy. Dat komt doordat het Europese Hof van Justitie eerder deze maand het zogeheten Safe Harbor-verdrag torpedeerde. Volgens het Hof biedt dat onvoldoende bescherming tegen meegluren door de Amerikaanse overheid.

Privacyadvocaten en -adviseurs van onder meer KPMG, De Brauw Blackstone Westbroek en SOLV Advocaten hebben het daardoor veel drukker dan normaal, laten ze desgevraagd weten. Het schrappen van Safe Harbor zorgt bij bedrijven voor veel onzekerheid.

Elk bedrijf dat gegevens verzamelt of verwerkt, is verantwoordelijk voor de veiligheid van die gegevens. Safe Harbor was de meest gebruikte juridische constructie bij clouddiensten. Van veelgebruikte opslagdiensten van bijvoorbeeld Microsoft en Google, en van klantendatabanken van bijvoorbeeld Salesforce, is nu onduidelijk geworden of die voldoen aan de privacybeschermingseisen. Mogelijk is dat niet zo.

Er zijn voor Safe Harbor wel juridische alternatieven om data op te slaan in de VS. Een optie is om dat te regelen in modelcontracten, waarin staat dat de gebruiker akkoord gaat met opslag in de VS. Of in zogeheten binding corporate rules: bedrijfsbrede, door de overheid goedgekeurde privacyvoorwaarden.Maar: „Er zijn organisaties waar dan ruim 1.800 verschillende contracten nodig zijn, zegt Ronald Koorn, partner bij KPMG. „Onwerkbaar.”

Niet uniek voor de VS

Bovendien oordeelde het Hof dat er in de VS überhaupt te weinig waarborgen zijn om data af te schermen voor geheime diensten. „Dat zou kunnen betekenen dat ook alternatieven niet zomaar meer kunnen”, zegt Menno Weij, partner bij SOLV Advocaten. Dit probleem is niet uniek voor dataopslag in de VS. „Ook bij opslag in andere landen is hierover veel onduidelijk”, zegt Richard van Staden ten Brink, partner van De Brauw Blackstone Westbroek.

Privacyexperts zeggen dat er al langer onzekerheid bestaat over de legaliteit van het opslaan van gegevens in de Amerikaanse cloud, maar dat door de Safe Harbor-uitspraak nog meer verwarring is ontstaan. „Multinationals waren hier al langer mee bezig”, zegt Johan van Duijn, manager bij KPMG. „Maar ook andere organisaties die veel te maken hebben met de cloud komen nu met vragen.”

Er moet een standaard komen die voor rust zorgt

Adviseurs en advocaten hebben een financieel belang om te benadrukken hoe ingewikkeld en riskant de situatie is; daaraan verdienen zij immers hun geld. Maar ook de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders, waaronder het College bescherming persoonsgegevens (CBP), hebben de afgelopen week gewaarschuwd dat het zeer onduidelijk is hoe gegevens nu legaal op servers in de VS servers gestald kunnen worden. Zij eisen snelle actie van Europese instellingen. Een nieuw verdrag tussen de EU en de VS zou een oplossing zijn.

Ook werkgeversorganisatie VNO-NCW/MKB Nederland pleit voor een ‘Safe Harbor 2.0’: „Dat moet op hoog politiek niveau gebeuren”, zegt secretaris David de Nood. „Het dataverkeer tussen de Verenigde Staten en Europa is van groot economisch belang.”

De toezichthouders hebben een deadline gesteld op 31 januari. Als bedrijven hun Amerikaanse dataverwerking dan nog niet goed hebben geregeld, overwegen zij in te grijpen, waarschuwden ze vrijdag. Dat zorgt voor nog meer druk op bedrijven.

(Bron: NRC.nl)

Wetsvoorstel aanpassing fiscale eenheid ingediend

Het regime van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting wordt aangepast om dit in overeenstemming te brengen met het EU-recht. Dit blijkt uit een wetsvoorstel dat de Staatssecretaris van Financiën heeft ingediend bij de Tweede Kamer. De vooruitlopend op deze wetswijzigingen ingediende verzoeken worden beoordeeld aan de hand van een beleidsbesluit (V-N 2015/7.13).

Het Hof van Justitie EU heeft in drie zaken het regime van de fiscale eenheid in strijd met het EU-recht geoordeeld (V-N 2014/30.9). De regeling voor de fiscale eenheid wordt in dit wetsvoorstel uitgebreid voor twee situaties. De eerste betreft de situatie dat een in Nederland gevestigde moedermaatschappij de aandelen houdt in een dochtervennootschap die is gevestigd in een andere EU-/EER-lidstaat en die dochtervennootschap (onmiddellijk of middellijk via een andere EU/EER-vennootschap) de aandelen houdt in een in Nederland gevestigde (klein)dochtermaatschappij. In die situatie kan onder voorwaarden een fiscale eenheid tot stand worden gebracht tussen de in Nederland gevestigde moedermaatschappij en de in Nederland gevestigde (klein)dochtermaatschappij. De in het buitenland (EU/EER) gevestigde dochtervennootschap, de zogenoemde tussenmaatschappij, maakt daarbij geen deel uit van de fiscale eenheid.

Daarnaast wordt het mogelijk om in de situatie waarin de aandelen in twee of meer in Nederland gevestigde zustermaatschappijen worden gehouden door een in de EU/EER gevestigde moedervennootschap, onder voorwaarden een fiscale eenheid tot stand te brengen tussen de in Nederland gevestigde zustermaatschappijen. De in het buitenland (EU/EER) gevestigde moedervennootschap, de zogenoemde topmaatschappij, maakt daarbij geen deel uit van de fiscale eenheid.

De recente uitspraak in de zaak Groupe Steria (V-N 2015/44.11, TaxVisions editie 10 juli 2015) wordt momenteel nog bestudeerd.

(Bron: Taxlive)

Ondanks rekenrente van 3,23% bij overname pensioenverplichting BV moet toch met 4% worden gerekend

De Hoge Raad oordeelt dat de in de markt gebruikelijke rekenrente voor de waardering van pensioenverplichtingen lager kan zijn dan 4%. De jaarlijkse dotatie aan een voorziening voor een toegezegd pensioen kan dan lager zijn dan deze volgens goed koopmansgebruik met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen zou moeten zijn.

Belanghebbende, X bv, is een 100%-dochtervennootschap van A bv. A bv heeft aan haar dga pensioenrechten toegekend en daartoe in eigen beheer een pensioenvoorziening gevormd. X bv neemt de pensioenverplichting eind 2005 over van A bv voor € 1,9 mln. Hierbij is een rekenrente van 3,23% toegepast. In geschil is of de inspecteur bij het opleggen van de VPB-aanslag 2005 terecht het standpunt inneemt dat de pensioenverplichting moet worden gewaardeerd met toepassing van een rekenrente van ten minste 4% en zonder leeftijdsterugstellingen. Rechtbank ‘s-Gravenhage oordeelt dat de inspecteur terecht rekening heeft gehouden met een rekenrente van 4%. Met betrekking tot de leeftijdsterugstellingen oordeelt de rechtbank dat X bv daar geen rekening mee mag houden. Hof Den Haag oordeelt dat de te hanteren rekenrente, op grond van art. 3.29 Wet IB 2001, netto ten minste vier percent moet bedragen. Volgens het hof is dit niet anders als de pensioenverplichtingen zijn overgenomen en daarvoor een (zakelijk bepaalde) koopsom is ontvangen die is vastgesteld met inachtneming van een rekenrente van minder dan vier percent. X bv mag volgens het hof echter wel, op grond van art. 8 lid 6 Wet VPB 1969, rekening houden met leeftijdsterugstellingen. Het hof overweegt daarbij dat ter bepaling van de sterftekansen een leeftijdsterugstelling alleen kan worden toegepast ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstabel en een overlevingstabel van recentere datum. Daar is volgens het hof sprake van. Het hof vermindert de aanslag in verband hiermee met € 50.764.

De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de in de markt gebruikelijke rekenrente voor de waardering van pensioenverplichtingen lager kan zijn dan 4%, en dat de wetgever desondanks de voorgestelde wettekst niet heeft aangepast. Volgens de Hoge Raad aanvaardt de wetgever dan ook dat de jaarlijkse dotatie aan een voorziening voor een toegezegd pensioen lager kan zijn dan deze volgens goed koopmansgebruik met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen zou moeten zijn. In casu leidt dit er toe dat, onmiddellijk na de overname van de pensioenverplichting, een vrijval van een gedeelte van de overnamesom verplicht tot de winst wordt gerekend. Verder stelt de Hoge Raad nog vast dat uit de stukken van het geding blijkt dat de inspecteur wel is uitgegaan van de overlevingstafel GBM/GBV 2000-2005. Het oordeel van het hof op dit punt is dan onjuist. De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af.

(Bron: Taxlive)

Nieuwe Wet Pensioencommunicatie maakt werkgever verantwoordelijk

Sinds 1 juli jl. is de Pensioenwet – die ervoor zorgt dat toegezegde pensioenen zo goed mogelijk beschermd worden – uitgebreid met nieuwe verplichtingen inzake pensioencommunicatie.

Kort samengevat moet er: beter over pensioen gecommuniceerd, moet dat individueel en mag dat digitaal. Beter betekent dan: correct, evenwichtiger en duidelijker. Individueel betekent dat een werknemer inzicht en overzicht moet krijgen. Maar ook dat hij weet welke keuzes hij kan en moet maken – event gestuurd – en wat de consequenties daarvan zijn.

Vervolgens, en mijns inziens is dat eigenlijk het belangrijkste, heeft de werkgever hierbij een spilfunctie. Ofwel, de werkgever is (eind)verantwoordelijk voor het verzorgen en bewerkstelligen van goede pensioencommunicatie.

Dat is ook logisch, immers de werkgever is een pensioenovereenkomst aangegaan met de werknemer. Dat hij deze vervolgens laat uitvoeren door een pensioenfonds of verzekeraar/PPI doet dan niet ter zake. Dat heten niet voor niets uitvoerders.

De nieuwe eisen aan pensioencommunicatie betekenen dus dat:

-werknemers van hun werkgever mogen verwachten dat ze goed worden geïnformeerd en

-dat werkgevers hiervoor verantwoordelijk zijn. Zij kunnen dat wel ‘uitbesteden’ aan de uitvoerder van de regeling, maar dan moet ze wel continu verifiëren dat de communicatie juist is en goed aankomt én of de werknemer deze ‘boodschap’ wel kan en gaat begrijpen.

De vraag is dan gerechtvaardigd of de uitvoerder voldoende écht communiceert of zich vooral ook indekt, en dat misschien wel ook moet, tegen mogelijke aansprakelijkheid?

Uit onderzoek blijkt ook dat werknemers het liefst persoonlijk, op de werkvloer geïnformeerd wil worden. Dat kost echter veel tijd en geld. Een eerste oplossing is dus digitaal communiceren en veel meer zelfwerkzaamheid van de werknemer bewerkstelligen én afdwingen.

Daarvoor zijn inmiddels prima PensioenCommunicatieTools beschikbaar en ook werkgeverspensioenchecklists. Of de door de PensioenFederatie en het Verbond van Verzekeraars aangereikte checklist voldoende uitgebreid is waag ik te betwijfelen.

Werkgevers die het niet zo nauw nemen met de nieuwe pensioencommunicatie lopen het risico op grond hun nieuwe zorgplicht te worden aangesproken. Naast het niet invullen van gewoon goed werkgeverschap geen prettig vooruitzicht.

Dat naast de invulling door de werkgever er ook nog aanvullende wetgeving nodig is die werknemers meer keuzemogelijkheden en eigen verantwoordelijkheid geven is evident om pensioencommunicatie echt te laten landen. Maar dat ontslaat een werkgever niet om nu al aan de slag te gaan. Zijn toekomstige zorgplicht wordt door die meer keuzemogelijkheden uiteraard alleen nog maar groter.

(Bron: Pensioenweblog)

Snellere btw registratieplicht bij internetverkopen

Ondernemers moeten zich voor hun internetverkopen van goederen sneller dan voorheen voor btw-doeleinden registreren in Frankrijk, als zij goederen leveren aan in Frankrijk woonachtige vrijgestelde ondernemers of particulieren. Het drempelbedrag wordt vanaf 2016 verlaagd van € 100.000 naar €  35.000 en is dan even hoog als in België. Het drempelbedrag voor Duitsland bedraagt € 100.000. Blijft btw registratie ten onrechte achterwege? Dan loopt u het risico op een btw naheffingsaanslag en een fikse boete.

 

Regeling voor afstandsverkopen

De regeling voor afstandsverkopen geldt voor verkopen op afstand. Dit zijn verkopen vanuit een andere lidstaat. Een dergelijke levering aan een btw-ondernemer leidt normaal gesproken tot een intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst van de verzending.

 

De levering aan de volgende afnemers leidt echter niet tot een verwerving:

  • Particulieren (= niet-btw-ondernemers).
  • Landbouwregelaars (= toepassing landbouwregeling).
  • Btw-ondernemers die uitsluitend btw-vrijgestelde prestaties verrichten.
  • Niet-btw-plichtige rechtspersonen, die uit de lidstaat minder afnemen dan

o    € 10.000 (lidstaat van verwerving: Nederland)

o    € 11.200 (lidstaat van verwerving: België)

o    € 12.500 (lidstaat van verwerving: Duitsland)

o    € 10.000 (lidstaat van verwerving: Frankrijk).

 

Doordat in de lidstaat van aankomst geen heffing btw plaatsvindt, bepaalt de lidstaat van verzending het btw-tarief. De leveranciers doen er dus goed aan om zich in de lidstaat te vestigen met het laagste btw-tarief. Zij zorgen ervoor, dat het voor de afnemers niet uitmaakt vanwaar de goederen worden verzonden. Dit bereiken de leveranciers door zorg te dragen voor de verzending van de goederen.

 

Concurrentie voorkomen

De regeling voor afstandsverkopen moet voorkomen, dat er concurrentie optreedt tussen lidstaten. Boven een bepaalde omzetdrempel bepaalt de lidstaat van aankomst het btw-tarief. Er moet dan btw worden voldaan in de lidstaat van aankomst van de verzending. De leverancier is deze btw verschuldigd.

 

Btw-registratie in ander EU-lidstaat

Bij overschrijding van de drempelwaarde (of het jaar ervoor) bent u verplicht tot btw-registratie in de andere EU-lidstaat. Doet u dit niet? Dan riskeert u een naheffingsaanslag en een fikse boete van de buitenlandse Belastingdienst. De kans op een dergelijke buitenlandse naheffing wordt namelijk steeds groter.

 

Tip

Levert u goederen aan vrijgestelde ondernemers of particulieren in andere lidstaten? Ga dan na of u uw onderneming moet registreren in de andere lidstaat.

(Bron: ABAB)

Geen omkering bewijs zonder informatiebeschikking

De Hoge Raad oordeelt dat voor elke vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar heeft te gelden dat de inspecteur zich slechts op omkering en verzwaring van de bewijslast kan beroepen als een informatiebeschikking onherroepelijk is geworden of als de vereiste aangifte niet is gedaan.

Mevrouw X exploiteert een juweliersbedrijf. Na een boekenonderzoek legt de inspecteur een btw-naheffingsaanslag aan X op. De aanslag is bij uitspraak op bezwaar van 7 januari 2013 gehandhaafd. Met betrekking tot de aanslag is geen informatiebeschikking vastgesteld. Rechtbank Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk. Volgens Hof Den Haag moet reeds vanwege het niet nakomen van de administratieve verplichtingen de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat voor elke vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar heeft te gelden dat de inspecteur zich slechts op omkering en verzwaring van de bewijslast kan beroepen als een informatiebeschikking onherroepelijk is geworden of als de vereiste aangifte niet is gedaan. Ook ten aanzien van de administratieve verplichtingen is de omkering en verzwaring van de bewijslast afhankelijk van een informatiebeschikking (zie HR 2 oktober 2015, nr. 14/02335, V-N 2015/18.5). Het beroep van X is gegrond. Verwijzing volgt naar Hof Amsterdam om alsnog de stelling van de inspecteur te behandelen dat X niet de vereiste aangiften heeft gedaan.

(Bron: Taxlive)

Verdedigingsbeginsel vergt nauwkeurig onderzoek feitenrechter

Uit een FIOD-onderzoek bleek dat de certificaten van oorsprong van de door BV X geïmporteerde spaarlampen waren vervalst. Naar aanleiding hiervan legde de inspecteur in juli 2006 twee UTB’s aan antidumpingrechten van in totaal € 826.939 op. BV X ging in beroep en stelde dat zij in haar verdedigingsbelang was geschaad. Hof Amsterdam stelde vast dat de rechten van de verdediging van BV X weliswaar niet waren geëerbiedigd, maar besliste dat BV X daardoor niet was benadeeld. De stelling van BV X dat haar de mogelijkheid was ontnomen om vooraf te stellen dat zij ten aanzien van één van de aangiften niet als schuldenaar kon worden aangemerkt, was volgens het Hof een juridische stelling die na het uitreiken van de UTB’s kon worden getoetst. BV X ging met succes in cassatie. De Hoge Raad stelde voorop dat uit het Kamino en Datema-arrest van het EU-Hof van Justitie volgde dat een schending van de rechten van de verdediging bij de totstandkoming van een (bezwarend) besluit kon leiden tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit, wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Daarvoor was niet vereist dat de douaneautoriteiten zonder deze schending zouden hebben afgezien van het vaststellen van één of meer van de UTB’s of dat deze op een lager bedrag zouden zijn gesteld. Volgens de Hoge Raad moest worden bewezen dat, wanneer de schending niet had plaatsgevonden, (1) degene tot wie de UTB was gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de UTB van belang was en (2) niet kon worden uitgesloten dat deze had kunnen leiden tot een besluitvormingsproces met een andere afloop. Dit moest worden beoordeeld door de feitenrechter. De uitspraak van het Hof was volgens de Hoge Raad onjuist. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verwees de zaak terug naar Hof Amsterdam voor een verder onderzoek.

(Bron: FUTD)