Aansprakelijkheid BV voor BTW-schuld f.e. niet strijdig met EU-recht

BV X en BV Y maakten deel uit van een f.e. voor de BTW. Nadat enkele andere BV’s uit die f.e. failliet waren gegaan, stelde de ontvanger BV X en BV Y aansprakelijk voor twee onbetaald gebleven naheffingsaanslagen BTW die aan de f.e. waren opgelegd (€ 349.481 en € 107.192). Zij gingen daartegen in beroep en stelden dat de aansprakelijkstelling in strijd was met de BTW-Richtlijn en de EU-rechtelijke beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. Rechtbank Noord-Nederland besliste dat artikel 43, lid 1, IW de aansprakelijkheid regelde voor de gehele BTW-schuld van een f.e van natuurlijke personen en lichamen. Geen enkele bepaling in de BTW-Richtlijn regelde dit punt. Volgens vaste rechtspraak was een aangelegenheid bij ontbreken van een EU-regeling een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat. Van strijd met de BTW-Richtlijn was volgens de Rechtbank dus geen sprake. De nationale wetgever was met artikel 43, lid 1, IW volgens de Rechtbank ook gebleven binnen de grenzen van de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaakten van de rechtsorde van de EU. Hierbij was van belang dat een f.e. alleen fiscaal bestond en niet civielrechtelijk, waardoor het niet mogelijk was om belastingschulden bij een f.e. te innen. Artikel 43, lid 1, IW was een noodzakelijke maatregel voor de inning van de belastingschulden van de f.e. De Rechtbank handhaafde de aansprakelijkstelling van BV X en BV Y. Hof Amsterdam verenigde zich in het door BV X en BV Y ingestelde hoger beroep met de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV Y toch nog gegrond omdat in het bedrag van de aansprakelijkstelling een boete van € 2.161 was begrepen en de ontvanger niet had gesteld dat het belopen van deze boete was te wijten aan BV Y.

(Bron: FUTD)

Gift van BV wegens liefdadigheidswensen aandeelhouder toch aftrekbaar

De staatssecretaris heeft een besluit uitgebracht over de giftenaftrek in de Vpb als de gift (ook) verband houdt met de charitatieve behoefte van de aandeelhouder. Gezien het verband met een persoonlijke behoefte van de aandeelhouder zouden deze giften kwalificeren als middellijke uitdeling en als zodanig geheel van aftrek zijn uitgesloten, maar een dergelijke benadering vindt de staatssecretaris niet passend bij doel en strekking van de giftenaftrek in de Vpb. Hij hanteert daarom de volgende uitleg. Een gift door een vennootschap die is ingegeven door de persoonlijk charitatieve behoefte van de aandeelhouder, maar (overigens) voldoet aan de door artikel 16 Wet Vpb gestelde vereisten voor giftenaftrek, komt als gift in aftrek en wordt niet als uitdeling aangemerkt. Voor de volledigheid merk de staatssecretaris op dat de voor giftenaftrek vereiste zogenoemde ANBI-status van de begiftigde onder andere meebrengt dat de aandeelhouder geen doorslaggevende zeggenschap mag hebben over de ANBI.

(Bron: FUTD)

Gebruikelijk loon geldt ook voor parttimer

Werkt u als directeur-grootaandeelhouder (dga) slechts parttime voor uw bv, dan geldt toch het volledige gebruikelijk loon als u essentiële werkzaamheden voor uw bv verricht. Dit blijkt uit een recente zaak van Gerechtshof Amsterdam.

In deze rechtszaak ging het om een dga die met zijn bv een uitzendbureau dreef. De dga werkte slechts parttime; hij was al jaren arbeidsongeschikt en werkte gemiddeld slechts vijf uur per week. Het meeste werk werd gedaan door zijn vrouw, die zelf geen aandeelhouder van de bv was. De dga kreeg weliswaar betaald, maar dit bedrag bleef ver achter bij het gebruikelijk loon. Zijn vrouw ontving wel een loon dat in de buurt kwam van het gebruikelijk loon. De Belastingdienst vond echter dat de dga zelf ook het gebruikelijk loon moest verdienen. De bv stapte naar de rechter .

Dga vervulde geen ondergeschikte rol in de bv

Uiteindelijk kwam de zaak na terugverwijzing door de Hoge Raad bij Gerechtshof Amsterdam terecht.  Daar gaf de bv opnieuw aan dat de parttime werkende dga niet in aanmerking kwam voor het volledig gebruikelijk loon. Maar het gerechtshof had een andere kijk op de zaak. Volgens de rechter werkte de dga weliswaar parttime, maar vervulde hij geen ondergeschikte rol in de bv. De dga beschikte over deskundigheid die zijn vrouw niet had en verrichtte zo essentiële en leidinggevende werkzaamheden voor de bv. Daarom moest aan de dga toch, ondanks dat de werkzaamheden geen volledige werkweek besloegen, een volledig gebruikelijk loon worden toegekend. Het feitelijke aantal gewerkte uren maakte in dit geval niet uit.

Gebruikelijk loon alleen bij aanmerkelijkbelanghouder

De Hoge Raad oordeelde eerder in deze zaak dat het gebruikelijk loon alleen van toepassing was op de aanmerkelijkbelanghouder. Het maakte in deze zaak niet uit dat de echtgenote van de dga wel bijna het gebruikelijk loon verdiende en dat het ging om een huwelijk in gemeenschap van goederen. Gerechtshof Amsterdam moest de zaak daarom opnieuw beoordelen.

(Bron: Rendement)

Is een verplichtgestelde pensioenregeling een arbeidsvoorwaarde bij overgang onderneming?

Hof Arnhem-Leeuwarden buigt zich over de vraag of een verplichtgestelde pensioenregeling heeft te gelden als een arbeidsvoorwaarde, die op grond van artikel 7:662 BW e.v. bij overgang van onderneming van rechtswege overgaat van de vervreemder op de verkrijger?

Én of dan ook de verplichting tot betaling van de vóór de overgang door de vervreemder onbetaald gebleven premies over gaat op de verkrijger alsmede over de vraag of derden een rechtstreeks vorderingsrecht kunnen ontlenen aan de Wet overgang onderneming?

Wat is er aan de hand? Gom is een schoonmaakbedrijf en valt onder de werkingssfeer van de verplichtgestelde pensioenregeling van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna Bpf). Op 21 mei 2008 Gom (als koper) een overeenkomst van koop en verkoop van activa gesloten met Van Berkel Holding BV en VBG Holding BV (als verkoper). Gom heeft de werknemers, die zij van de verkoper hebben overgenomen aangemeld bij het Bpf en met ingang van 19 mei 2008 betaalt Gom dan ook de pensioenpremies voor deze werknemers aan het Bpf.
In de koopovereenkomst is echter opgenomen dat partijen zich ervan bewust zijn dat er een betalingsachterstand is met betrekking tot de pensioenregeling. Pas bij brief van 6 april 2011 heeft Bpf aan Gom opgave gedaan van het totaalbedrag aan premieachterstand betreffende de overgenomen werknemers en vervolgens wordt Gom gesommeerd om de achterstallige pensioenpremies te voldoen.

Gom vordert in conventie dat de kantonrechter voor recht verklaart dat zij niet gehouden is tot betaling van de achterstallige premies. Ter onderbouwing hiervan stelt Gom dat artikel 7:633 BW slechts ten doel heeft dat bij overgang van onderneming de rechten van de werknemer die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst mee overgaan. Volgens Gom maakt een verplichtgestelde pensioenregeling géén onderdeel uit van de tussen de werkgever en werknemer overeengekomen arbeidsvoorwaarden omdat de grondslag voor deelname aan het Bpf een wettelijke is.
In reconventie vordert het Bpf betaling van het bedrag van 1,9 miljoen euro, te vermeerderen met de wettelijke rente én 15% buitengerechtelijke kosten van totaal ruim 400.000,- euro. De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW e.v.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of een op de Wet Bpf 2000 gebaseerd pensioenregeling behoort tot de ‘rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst in de zin van 7:633 BW én kan het Bpf aan genoemd artikel een vorderingsrecht ontlenen? Zowel de kantonrechter als het hof beantwoorden bovengenoemde vragen beiden bevestigend.
De kantonrechter oordeelt dat in de Pensioenwet is bepaald dat met een pensioenovereenkomst, gesloten tussen een werkgever en een werknemer, gelijk wordt gesteld de uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichting tot deelname aan een bedrijfstakpensioenregeling. Verwezen wordt naar de memorie van toelichting van de PW, waarin is aangegeven dat het voor de rechten en plichten over en weer tussen werkgever en werknemer niet uit maakt of zij het pensioen feitelijk zelf overeenkomen, dan wel dat de hun vertegenwoordigende organisaties dat doen. Er wordt van de fictie uitgegaan dat de werkgever en de werknemer dit zelf zijn overeengekomen en dat er een koppeling is met de arbeidsrelatie. De omstandigheid dat de verplichtstelling bij wet geschiedt, heeft niet tot gevolg dat een verplichtgestelde bedrijfstakpensioenregeling niet kan worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde. De verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst zijn derhalve overgegaan van de vervreemder op de verkrijger. De vóór de overgang onbetaald gebleven premies komen voor rekening van de verkrijger! Dit volgt ook uit het feit dat de vervreemder nog gedurende een jaar na de overgang NAAST de verkrijger hoofdelijk verbonden is tot nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. Gom stelt dat slechts de werknemer een vorderingsrecht heeft op de werkgever tot betaling van de pensioenpremies. De kantonrechter oordeelt dat, gelet op het doel van de Wet overgang van ondernemingen, een redelijke wetsuitleg, de conclusie rechtvaardigt dat het Bpf een vorderingsrecht heeft voor de inning van de onbetaalde premies. Mede omdat het onbetaald blijven van de premies bij een verplichtgestelde bedrijfstakpensioenregeling er niet toe mag leiden dat er geen pensioen wordt uitgekeerd. Dit maakt dat de individuele werknemer niet snel zal overgaan tot het instellen van een vordering jegens zijn werkgever.

Gom gaat in appel. Het hof dient 3 vragen te beantwoorden:

  1. Behoort een op de Wet Bpf gebaseerd pensioen tot de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst als bedoeld in 7:633 BW?
  2. Zo ja, gaat de verplichting tot betalen van de vóór de overgang onbetaald gebleven premies over op de verkrijger?
  3. Zo ja, heeft het Bpf dan een zelfstandig vorderingsrecht jegens de verkrijger?

Het hof beantwoord bovengenoemde vragen positief. Verwezen wordt naar de memorie van toelichting van de Wet op overgang van onderneming en naar reikwijdte van de Pensioenwet. Hieruit volgt dat een verplichtgestelde pensioenregeling gelijk wordt gesteld met een pensioenovereenkomst gesloten tussen werkgever en werknemer. In geval van een verplichtstelling wordt de werkgever geacht een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst gedaan te hebben. Ten aanzien van het rechtstreeks vorderingsrecht oordeelt het hof het volgende. De pensioenovereenkomst is overgegaan op de verkrijger én daarmee ook de verplichting van de vervreemder om tot het moment van overgang voor haar werknemers premies te betalen. Op grond van artikel 4 Wet Bpf was de vervreemder de premies verschuldigd en daarvoor gold een zelfstandig recht van het Bpf tot nakoming van die verplichting. Door de overgang van de onderneming is de verplichting tot betaling van de achterstallige premies niet vervallen, maar op grond van 7:664 lid 2 BW juncto 7:663 BW overgegaan op Gom mét het daaraan gekoppelde wettelijk recht van Bpf om deze premies bij Gom te innen.

(Bron: Pensioenweblog)

Dossier: WOZ-waarde (indicaties voor waardevermindering)

Uw gemeente stelt ieder jaar de waarde van uw woning vast bij een voor bezwaar vatbare beschikking. De nieuwe WOZ-beschikking die u voor 2015 heeft of gaat ontvangen, gaat uit van de waarde van uw woning per 1 januari 2014. Deze WOZ-waarde is niet alleen van belang voor de OZB, maar ook voor het eigenwoningforfait in de inkomstenbelasting, de afschrijvingsbasis van bedrijfsonroerend-goed in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, de waterschapsomslagen en in bepaalde gevallen ook voor de erf- en schenkbelasting. Het is dan ook van groot belang om de WOZ-waarde die de gemeente aan uw woning heeft toegekend, goed te controleren.

De procedures bij de belastingrechter over de effecten van bepaalde omstandigheden op de WOZ-waarde van woningen zijn talrijk, en loop veelal ook in het voordeel van de woningbezitter af. Fiscaal up to Date heeft in haar nieuwsbrief en databank veel uitspraken van Rechtbanken, Hoven en Hoge Raad opgenomen over waardeverminderende omstandigheden. De uitspraken betreffen niet alleen de algemene oorzaken, zoals achterstallig onderhoud aan de woning, bodemverontreiniging, geluidshinder en verkeersoverlast en verkeerde berekende inhoudsmaten, maar ook opmerkelijkere waardedrukkende factoren. Zo was de huisvesting van arbeidsmigranten op een bungalowpark voor Hof Den Haag aanleiding om de WOZ-waarde van een recreatiewoning op dat park te verminderen. Hof Arnhem-Leeuwarden verminderde de WOZ-waarde van een woning omdat de woningeigenaar overlast ondervond van jongelui die zijn tuin gebruikten als doorgangsroute om een speelterrein te bereiken. Dat zelfde Hof verminderde WOZ-waarde van een “uitgewoond” appartement met € 23.000. Keuken en sanitair waren zeer eenvoudig, de woning werd verwarmd door een gaskachel en warm water kwam uit een gasgeiser. Ook nabijgelegen hoogspanningsmasten en UMTS-masten voor mobiele verbindingen kunnen een lagere WOZ-waarde meebrengen. Zo verminderde Hof Den Haag de WOZ-waarde van een woning met € 37.000 in verband met een bovengrondse hoogspanningsverbinding op 116 meter afstand van de woning.

Wat oudere, maar nog steeds zeer tot de verbeelding sprekende uitspraken zijn de vermindering van de WOZ-waarde vanwege een naburig papegaaienbedrijf en vanwege het uitzicht op het WC-raampje van de buren.

Het volgende overzicht is een greep uit deze verzameling van spraakmakende zaken (via het Fidanummer krijgt u inzage in de rechterlijke uitspraak, alleen beschikbaar voor abonnees).

Bent u nog geen abonnee? Neem een (proef)abonnement en ervaar de snelle en complete nieuwsvoorziening van Fiscaal up to Date.

Recente artikelen (openbaar):

  • WOZ-waarde lager door onverklaarbaar verschil met referentieobjecten
  • Arbeidsmigranten op bungalowpark reden voor lagere WOZ-waarde
  • WOZ-waarde uitgewoond appartement met € 23.000 verminderd
  • ‘Succesvol bezwaar maken tegen WOZ-waarde’ Telegraaf, 26 januari 2015
  Instantie Fidanr.
WOZ-waarde lager door onverklaarbaar verschil met referentieobjecten Hof Arnhem-Leeuwarden 18-11-2014, nr. 13/00328 20146902
Arbeidsmigranten op bungalowpark reden voor lagere WOZ-waarde Hof Den Haag 29-7-2014, nr. 13/01652 20145892
WOZ-waarde uitgewoond appartement met € 23.000 verminderd Hof Arnhem-Leeuwarden 26-8-2014, nr. 13/01041 20145454
Slechte staat damwand drukte WOZ-waarde met € 19.000 Hof Arnhem-Leeuwarden 19-8-2014, nr. 13/00612 20145202
Structurele hoge waterstand en schimmel drukten WOZ-waarde met € 20.000 Hof Den Haag 5-8-2014, nr. 14/00113 20145145
Deplorabele staat woning drukte WOZ-waarde met € 12.000 Hof Amsterdam 3-7-2014, nr. 12/00346 20145009
WOZ-waarde fors lager omdat gemeente met teveel grond en inhoud rekende Hof Arnhem-Leeuwarden 24-6-2014, nr. 13/00597 20144187
Rijwoningen met minder grond geen referentiepanden voor hoekwoning Hof Amsterdam 26-6-2014, nr. 13/00110 20144089
Oostkapelle wat ligging en wind betreft geen Zoutelande: WOZ-waarde verlaagd Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-4-2014, nr. 13/4908 20143039
Waardedruk van € 11.000 voor scheuren in muren en staat van dakkapel Hof Arnhem-Leeuwarden 3-6-2014, nr. 13/00640 20143413
WOZ-waarde door vervuiling voormalige stortplaats met ruim 35% omlaag Hof Arnhem-Leeuwarden 4-3-2014, nr. 13/00208 20141592
Misbruik door jongelui van tuin aan water drukte WOZ-waarde woning Hof Arnhem-Leeuwarden 11-2-2014, nr. 12/00205 20140968
Waardevermindering van 25% voor bodemverontreiniging Hoge Raad 31-1-2014, nr. 13/03957 20140490
Ligging woning aan rondweg was waardedrukkende omstandigheid Rechtbank Noord-Nederland 7-6-2013, nr. 12/4343 20140214
Bovengrondse hoogspanningsleiding verminderde WOZ-waarde met € 37.000 Hof Den Haag 27-5-2013, nr. 12/00404 20140048
WOZ-waarde € 35.000 lager door geluidsoverlast van muziekvereniging Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-10-2013, nr. 12/5447 20137248
WOZ-waardedruk van meer dan € 100.000 voor wateroverlast souterrain Hof Arnhem-Leeuwarden 9-4-2013, nr. 12/00046 20132548
Dreigende executieverkoop was WOZ-waardedrukkend Hof Arnhem-Leeuwarden 29-1-2013, nr. 12/00018 20130952
Burenruzie verminderde WOZ-waarde als dit potentiële koper beïnvloedde Hof Arnhem-Leeuwarden 8-1-2013, nr. 12/00048 20130100
WOZ-waarde verminderd door economische crisis Hof Den Haag 15-6-2012, nr. 11/00346 20124072
WOZ-waarde verminderd wegens ligging langs drukke weg Hoge Raad 11-5-2012, nr. 12/00069 20123076
WOZ-waarde grachtenpand wegens verzakking € 143.000 lager Hof Amsterdam 26-4-2012, nr. 11/00072 20122965
Asbest leidde ook zonder noodzaak tot verwijdering tot lagere WOZ-waarde Hof Amsterdam 2-2-2012, nr. 11/00552 20122504
Houtworm en asbest in dakbeschot leidden tot lagere WOZ-waarde Hof Leeuwarden 27-3-2012, nr. 11/00109 20122186
WOZ-waarde met € 40.000 verminderd wegens stankoverlast Hoge Raad 17-2-2012, nr. 11/03369 20121152
Verlaging WOZ-waarde met bijna 5% voor plaatsing UMTS-telefoniemasten Hof Amsterdam 12-1-2012, nr. 10/00095 20120536
Ligging woning bij druk kruispunt leidde tot lagere WOZ-waarde Rechtbank Breda 7-12-2011, nr. 11/3523 20120474
Bodemverontreiniging,
wateroverlast en schoolplein leidden tot lagere WOZ
Rechtbank Dordrecht 10-1-2012,
nr. 11/34
20120326
Geluidsoverlast van treinverkeer
verminderde WOZ-waarde met € 16.000
Hof Arnhem 22-11-2011, nr. 11/00268 20116563
WOZ-waarde wegens wateroverlast
in kruipruimte met € 20.000 verminderd
Hof Amsterdam 28-7-2011, nr.
10/00887
20113815
Met aftrek van € 40.000 was
slechte onderhoudstoestand van flat gedekt
Hof Den Haag 8-6-2011, nr.
10/00295
20113388
Naastgelegen bordeel en
verzakkingen drukten WOZ-waarde met ruim 10%
Rechtbank Den Haag 1-6-2011, nr.
10/8694
20113401
Uit de hand gelopen burenruzie
drukte WOZ-waarde met € 75.000
Hof Amsterdam 28-4-2011, nr.
09/00808
20113249
Waardedruk van € 41.000 voor
tunnelbak en hangplek jongeren
Hoge Raad 29-4-2011, nr.
10/03620
20112052
Drugstoerisme in Bergen op Zoom
verminderde WOZ-waarde
Rechtbank Breda 7-2-2011, nr.
10/3342
20111123
Waardedruk van € 22.000
door geluidsoverlast van Randstadrail
Hof Den Haag 25-3-2011, nr.
10/00203
20110608
WOZ-waarde verminderd wegens Reeperbahn-effect Hof Den Bosch 29-7-2010, nr.
08/00797
20105429
Waardevermindering van
€ 40.000 voor achterstallig onderhoud
Hof Den Haag 6-10-2010, nr.
09/00894
20105159
Vochtschade aan binnenzijde
woning verminderde WOZ-waarde met € 15.000
Hof Den Haag 22-6-2010, nr.
09/00425
20103594
Rompslomp voor
bestemmingswijziging drukte WOZ-waarde met 10%
Hof Den Haag 23-6-2010, nr.
09/00764
20103401
Vermindering WOZ-waarde wegens
overlast naastgelegen veehouderij
Rechtbank Dordrecht 20-11-2009,
nr. 07/1088
20101778
WOZ-waarde met € 97.000
verminderd wegens overlast van hondenkennel
Hof Den Haag 19-1-2010, nr.
09/00537
20101482
WOZ-waarde van sloopwoning nabij
luchthaven fors verminderd
Hof Amsterdam 5-11-2009, nr.
07/00324
20095358
Fundering- en gevelschade
verminderden WOZ-waarde met € 55.000
Hof Den Haag 25-8-2009, nr.
07/00563
20093727
Schade aan woning door verslaafde
leidde tot lagere WOZ-waarde
Hof Den Haag 30-6-2009, nr.
08/00034
20093041
Nabijheid van horeca en
coffeeshop drukte WOZ-waarde
Hof Den Haag 7-7-2009, nr.
07/00627
20093961
Plannen om dijk terug te leggen
verminderden WOZ-waarde met 10%
Hof Arnhem 8-9-2009, nr.
08/00199
20094061
Nabijheid van spoorlijn
verminderde WOZ-waarde van woning met € 37.300
Rechtbank Almelo 28-10-2008, nr.
08/368
20084377
Waardedruk nabijgelegen
luchthaven en verkeersweg was 5%
Hof Arnhem 5-10-2007, nr.
07/00037
20073502
Windmolens nabij woning
verminderden WOZ-waarde met € 25.000
Hof Leeuwarden 17-8-2007, nr.
76/06
20072900
Waardedruk door asbestvervuiling
bedroeg in totaal € 47.740
Hof Arnhem 5-7-2007, nr.
06/00399
20072684
Studentenoverlast drukte
WOZ-waarde met € 35.000
Rechtbank Den Haag 29-6-2007,
nr. 06/5791
20072411
Naast woning gelegen pretpark
drukte WOZ-waarde
Rechtbank Middelburg 29-12-2006,
nr. 06/239
20070061
Nabijheid hondenuitlaatplaats
verminderde WOZ-waarde met f 5.000
Hoge Raad 11-02-2005 nr. 3992 20050630
Slagschaduwhinder windmolen
verminderde WOZ-waarde
Hoge Raad 17-12-2004, nr. 39644 20044508
Naburig papegaaienbedrijf
verminderde WOZ-waarde met € 10.000
Hof Arnhem 9-8-2004, nr.
02/03453
20043208
Niet-ontplofte bom in tuin
verminderde WOZ-waarde met € 22.689
Hof Den Haag 3-8-2004, nr.
03/03484
20042740
Naburige kippenmesterij leidde
tot vermindering WOZ-waarde
Hof Leeuwarden 20-2-2004, nr.
1403/02
20040631
Skatebaan leidde tot
vermindering WOZ-waarde
Hof Arnhem 23-4-2003, nr.
02/03112
20032205
WC-raampje van buren had
waardedrukkend effect op woning
Hof Den Haag 16-8-2000, nr.
97/03153
20003476

(Bron: FUTD)

Schenking bij verkoop aan zoon van door hem gehuurde woning

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de waarde vrij van huur van belang is. Nu X de woning heeft verkregen van zijn vader voor de waarde in verhuurde staat, is er sprake van een schenking.

X huurt een woning met drie bergingen van zijn vader. In 2008 wordt de woning met bergingen aan X geleverd. De verkoopprijs bedraagt € 162.000. De onroerende zaak is, in verhuurde staat, door een makelaar op € 150.000 getaxeerd. Een andere makelaar taxeert de waarde, vrij van huur en gebruik, op € 230.000. De inspecteur stelt dat er sprake is van een schenking, omdat van de waarde vrij van huur en gebruik moet worden uitgegaan.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat er sprake is van een schenking, omdat X de woning heeft gekocht voor de waarde in verhuurde staat. De rechtbank overweegt daarbij dat het huurcontract, dat aan de bewoning ten grondslag ligt, door de koop, teniet gaat. De waarde van de onroerende zaak moet dan worden gesteld op de waarde in onbewoonde staat. Het gelijk is aan de inspecteur.

(Bron: Taxlive)

Geen overgangsrecht voor concurrentiebeding

Een kantonrechter heeft bij de beoordeling van een concurrentie- en relatiebeding – dat voor 1 januari 2015 was overeengekomen – besloten om af te wijken van het overgangsrecht. Hij schorste het beding, onder meer omdat een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang ontbrak.

Sinds 1 januari 2015 zijn de regels voor het concurrentiebeding (en relatiebeding) veranderd. Dit beding mag niet meer onderdeel zijn van een tijdelijk contract, tenzij u hierin omschrijft welke zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen het beding rechtvaardigen. Maar dan nog staat niet vast dat het concurrentiebeding bij een rechter zal standhouden. Ten eerste moet het werkgeversbelang zwaarder zijn dan dat van de werknemer en ten tweede moet u dit belang zeer concreet hebben geformuleerd. Dit bleek vorige maand ook in een zaak bij Rechtbank Amsterdam.

Nieuwe regels van toepassing op ‘oud’ concurrentiebeding

Onlangs is opnieuw een interessante uitspraak gedaan over het concurrentiebeding. Hierbij paste de kantonrechter bewust het overgangsrecht niet toe. Dit recht bepaalt dat de nieuwe voorwaarden voor het beding niet gelden voor contracten die voor 1 januari 2015 zijn aangegaan. Hoewel het concurrentiebeding uit deze zaak voor die datum was overeengekomen, oordeelde de rechter dat de maatschappelijke opvatting over het beding gewijzigd is – en deze ten grondslag lag aan de nieuwe wetgeving – waardoor hij de nieuwe voorwaarden wel bij het oordeel kon betrekken.

Concurrentiebeding mist zwaarwegend bedrijfsbelang

In het kort geding stond centraal of een organisatie een ex-werknemer aan een concurrentie- en relatiebeding kon houden en of dit al geschonden was. De werknemer had geen contractverlenging gekregen en was voor zichzelf begonnen in dezelfde sector als zijn voormalig werkgever. Volgens de rechter was echter geen sprake van ‘identieke bedrijfsactiviteiten’, zoals in het concurrentiebeding stond geformuleerd. Maar was deze overlap er wel (deels) geweest, dan zou het beding nog steeds tekortschieten omdat de werkgever het zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelang hiervan onvoldoende kon onderbouwen.

(Bron: Rendement)

Tablet valt echt onder oude computerregeling van 2015 onder noodzakelijkheidscriterium

De Hoge Raad heeft besloten dat iPads en andere tablets fiscaal moeten worden behandeld als computerapparatuur. Dat betekent dat een bedrijf dat in 2010 een iPad aan het voltallige personeel uitdeelde, toch voor de naheffing over deze apparatuur opdraait.

Het vergoeden of verstrekken van een tablet kan onder de oude regels voor vergoedingen en verstrekkingen alleen onbelast gebeuren bij een zakelijk gebruik van minimaal 90%. Dat heeft de Hoge Raad onlangs bepaald. Tablets vallen namelijk onder de regels van computers en dergelijke apparatuur. Als tablets zouden kwalificeren als communicatiemiddel, zou onbelaste vergoeding of verstrekking al bij meer dan 10% zakelijk gebruik mogelijk zijn geweest.

Tablet kan nu onder noodzakelijkheidscriterium

Onder de werkkostenregeling is het onderscheid tussen communicatiemiddelen en computerapparatuur niet meer relevant. Als u vindt dat de werknemer de tablet nodig heeft voor zijn werk, valt hij onder het noodzakelijkheidscriterium (tool) en is dan belastingvrij, ongeacht het privégebruik. En kunt u het apparaat niet onder het noodzakelijkheidscriterium kwijt, dan kan de tablet nog onder de gerichte vrijstelling vallen die geldt voor hulpmiddelen die de werknemer voor minstens 90% zakelijk moet gebruiken.

Oordeel Hoge Raad wijkt af van gerechtshof

Eerder trok een advocaat-generaal van de Hoge Raad al dezelfde conclusie. Het oordeel van de Hoge Raad staat haaks op dat van het gerechtshof, dat de communicatieopties van tablets zwaarder vond wegen dan de computermogelijkheden.

Vergoeding aan personeel moet gebruikelijk zijn onder WKR

Het gebruikelijkheidscriterium van de werkkostenregeling (WKR) zal vanaf 2016 scherper worden toegepast. U kunt daardoor een vergoeding of verstrekking alleen in de vrije ruimte laten vallen als dit gebruikelijk is binnen de WKR.

Momenteel richt het gebruikelijkheidscriterium van de WKR zich op de omvang van de vergoeding of verstrekking aan werknemers. Die moet gebruikelijk zijn in vergelijkbare omstandigheden om het te kunnen aanwijzen als eindheffingsbestanddeel, oftewel om het in de vrije ruime te kunnen laten vallen zodat de vergoeding of verstrekking onbelast blijft. In het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen (pdf) is op Prinsjesdag een subtiele wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964 voorgesteld. De nieuwe bepaling stelt dat u als werkgever alleen vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers als eindheffingsbestanddeel mag aanwijzen als het onderbrengen hiervan in de WKR gebruikelijk is. Hiermee wil de regering voorkomen dat werkgevers grote bonussen ten onrechte in de vrije ruimte stoppen. Dit is verleidelijk, omdat 80% eindheffing voordeliger is dan bruteren.

Aantal factoren spelen een rol

Als een vergoeding of verstrekking op zich al ongebruikelijk is, zal het aanwijzen ervan als eindheffingsbestanddeel dat ook zijn. Om straks te toetsen of aan het gebruikelijkheidscriterium is voldaan, spelen de volgende factoren een rol:

  • Wat is de aard van de vergoeding of verstrekking?
  • Wat is de omvang of waarde van de vergoeding of verstrekking?
  • Hoe werd de vergoeding of verstrekking vóór de WKR in de organisatie behandeld?
  • Krijgen collega’s de vergoeding of verstrekking ook?
  • Krijgen vergelijkbare werknemers bij een andere werkgever de vergoeding of verstrekking ook?

De aanscherping van het gebruikelijkheidscriterium is pas definitief als de Eerste en Tweede Kamer ermee akkoord gaan.

(Bron: Rendement)

ABRvS wil conclusie van A-G over termijn herziening kinderopvangtoeslag

In de Awir zijn geen uiterste, bindende termijnen opgenomen, waarbinnen voorschotten kinderopvangtoeslag kunnen worden herzien. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in zes zaken over kinderopvangtoeslagen een conclusie gevraagd aan A-G Keus. In alle zaken heeft de Belastingdienst/Toeslagen uitbetaalde voorschotten voor kinderopvangtoeslag meer dan vijf jaar na het verstrekken ervan in het nadeel van de aanvragers herzien of de toeslag definitief lager vastgesteld. De ABRvS wil van de A-G weten of, net als in het belastingrecht, een uiterste termijn is verbonden aan zo’n herziening en definitieve vaststelling. Hem is ook gevraagd om aandacht te besteden aan de verjaringstermijnen en andere vergelijkbare bindende termijnen binnen het algemeen bestuursrecht en het civiele recht. Verder attendeert de ABRvS erop dat de termijn waarbinnen de kinderopvangtoeslag definitief moet zijn vastgesteld, slechts termijnen van orde zijn. De ABRvS vindt uit een oogpunt van rechtszekerheid dat een aanvrager binnen een bepaalde termijn duidelijkheid moet krijgen over zijn aanspraak op een toeslag. De ABRvS zal de zaken op 14 december 2015 op een rechtszitting behandelen. De A-G brengt zijn conclusie uiterlijk zes weken na deze zitting uit. Daarna zal de ABRvS uitspraak doen in deze zaken, die speelden bij de rechtbanken van Den Haag, Rotterdam, Gelderland en Noord-Holland en waarin verschillend werd beslist.

(Bron: FUTD)