Minimumwaarderingsregel bij afkoop lijfrente niet van toepassing

De staatssecretaris heeft vooruitlopend op een wetswijziging goedgekeurd dat de minimumwaarderingsregel (art. 3.137, lid 1, Wet IB 2001) niet van toepassing is bij afkoop van een aanspraak op lijfrente of periodieke uitkeringen. Door de recente economische ontwikkelingen zijn belastingplichtigen eerder genoodzaakt om lijfrenteovereenkomsten af te kopen. De toepassing van de minimumwaarderingsregel bij (geheel of gedeeltelijke) afkoop van een aanspraak op lijfrente kan er toe leiden dat een belastingplichtige meer belasting is verschuldigd dan het bedrag van de afkoopsom van de lijfrente. Dit doet zich met name voor bij lijfrenteovereenkomsten waarbij de waarde van de aanspraak op lijfrente door beleggingsverliezen aanzienlijk lager ligt dan de betaalde en afgetrokken premies of inleg. Het besluit is op 12 september 2015 in werking getreden.

(Bron: FUTD)

Aandelenpakket vormt ab omdat geen aandelen voor ex worden gehouden

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat niet hij maar H het economische belang bij het pakket van 350.000 aandelen had. X heeft bijgevolg een ab.

Belanghebbende, X, is CEO van het Nederlandse beursgenoteerde, vastgoedfonds I nv. Begin 2002 bezit X een belang van 4,8% in I nv. Door het uitoefenen van koopopties, en de uitkering van stockdividend, heeft X per 18 april 2002 een belang van meer dan 5% in I nv. In oktober 2002 draagt X zijn aandelen I nv voor € 44,9 mln over aan een groep kopers. In december 2002 maakt X CAD 250.000 over op de bankrekening van zijn ex-echtgenote, H. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur een IB-navorderingsaanslag op aan X. Volgens de inspecteur heeft X namelijk inkomen uit ab genoten. X stelt dat hij slechts een belang van 4,857% in I nv had, omdat hij 350.000 aandelen voor H hield.

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat niet hij maar H het economische belang bij het pakket van 350.000 aandelen had. Het hof overweegt daarbij dat H in haar Canadese IB-aangifte geen voordeel ter zake van de aandelentransactie heeft aangegeven. Verder overweegt het hof dat er geen bewijs is dat X het voornemen om aandelen voor H te kopen ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De inspecteur heeft dan ook terecht een voordeel uit ab in aanmerking genomen.

(Bron: Taxlive)

Wetsvoorstel aanpassingen jaarrekeninggrenzen nu ook door Eerste Kamer aangenomen

Opnieuw een hamerstuk. De controlegrenzen voor de jaarrekening gaan nu definitief omhoog, nu ook de Eerste Kamer een klap heeft gegeven op het wetsvoorstel. Wat nu nog wacht is de ondertekening door  de koning en de aankondiging in het Staatsblad.

 

Dit wetsvoorstel implementeert EU-richtlijn 2013/34/EU  over de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De richtlijn maakt deel uit van het beleid van de Europese Commissie om de regelgeving en de toegang tot financiering voor het mkb te vereenvoudigen.  Eerder nam de Tweede Kamer deze wijziging ook al aan.

De richtlijn moderniseert en vereenvoudigt het jaarrekeningenrecht. Daarnaast bevat de richtlijn een nieuwe regeling voor de verslaglegging van betalingen aan overheden door ondernemingen die actief zijn in de winningsindustrie en houtkap van oerbossen. In de praktijk komt het er op neer dat de grenzen voor het verplicht door een accountant laten controleren van de jaarcijfers nu definitief omhoog gaan en dat zgn. micro-entiteiten – kleinere MKB-ondernemingen – veel minder gegevens hoeven te deponeren bij de KvK.

Het wetsvoorstel brengt ook de uiterste opmaaktermijn voor jaarrekeningen terug van 11 naar 10 maanden. Hierdoor wordt ook de publicatietermijn teruggebracht van 13 naar 12 maanden. De nieuwe regels zijn van toepassing op de boekjaren die op of na 1 januari 2016 aanvangen. Toepassing over boekjaar 2015 is wel mogelijk, mits àlle bepalingen worden toegepast.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Wijziging termijnen opmaken en publiceren jaarrekeningen

De NBA heeft gemerkt dat er veel vragen leven over de wijziging van de publicatietermijn voor het opmaken van jaarrekeningen. In het op 3 september door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel inzake de wijziging van Boek 2 BW zijn deze gewijzigd. Voor rechtspersonen die onder Titel 9 BW 2 vallen is de uiterste opmaaktermijn voor jaarrekeningen terug gebracht van 11 naar 10 maanden.

Gevolgen wijziging

Het gevolg is dat de standaard termijn voor publicatie ook met een maand is teruggebracht van 13 naar 12 maanden (dus uiterlijk 31 december opvolgend jaar). Wanneer alle aandeelhouders ook bestuurder zijn betekent het ondertekenen van de jaarrekening door alle bestuurders ook het goedkeuren van deze jaarrekening waarna deze binnen acht dagen gepubliceerd moet worden. Dit betekent dat hier de uiterste publicatietermijn van de jaarrekening vóór 8 november van het opvolgende jaar ligt.

Toepassing nieuwe regels

Deze nieuwe regels zijn van toepassing op boekjaren die op of na 1 januari 2016 aanvangen. Echter, wanneer al over boekjaar 2015 gebruik gemaakt wordt van andere bepalingen uit de nieuwe wetgeving, bijvoorbeeld door het kleine regime toe te passen op basis van de nieuwe grensbedragen of gebruik te maken van het micro entiteiten regime, dan moet ook deze kortere publicatietermijn al over het boekjaar 2015 worden toegepast.

Dit wetsvoorstel moet nog door de Eerste Kamer worden aangenomen waarna de ingangsdatum zal worden gepubliceerd.

Geen verzuimboete voor BV die na juridische fusie was verdwenen

BV X ging bij notariële akte van 29 juni 2011 via een juridische fusie op 30 juni 2011 onder algemene titel op in BV Y. De registratie van BV X in het handelsregister van de KvK werd met ingang van diezelfde datum beëindigd. Eind juli 2011 nodigde de inspecteur BV X uit om aangifte Vpb voor het boekjaar 2010/2011 te doen. Toen de aangifte uitbleef, stuurde de inspecteur een aanmaning en wees hij erop dat een boete zou volgen als de aangifte niet vóór 18 juli 2002 werd ingediend. Op 6 augustus 2012 ontving de inspecteur de aangifte, waarna hij conform die aangifte op 2 maart 2013 een aanslag oplegde aan BV X met een verzuimboete van € 2.460 omdat te laat aangifte was gedaan. Op het bezwaar van BV Y als rechtsopvolger van BV X verminderde de inspecteur de boete tot € 1.000. Rechtbank Noord-Holland stelde op het beroep van BV Y vast dat de inspecteur BV X eind juli 2011 had uitgenodigd om aangifte te doen, toen BV X al niet meer bestond. Volgens de Rechtbank kon daarom niet worden gezegd dat – de verdwenen rechtspersoon – BV X het in artikel 67a AWR vervatte verzuim had begaan. Daaraan deed niet af dat de inspecteur ten tijde van de toezending van het aangiftebiljet er kennelijk niet mee bekend was dat BV X was opgehouden te bestaan. De registratie daarvan in het handelsregister had op 5 juli 2011 plaatsgevonden, zodat het voor derden kenbaar was dat BV X inmiddels was verdwenen als gevolg van de juridische fusie. Daaraan deed volgens de Rechtbank in dit specifieke geval ook niet af dat de aangifte niet binnen de gestelde termijn was ingediend. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de boete.

(Bron: FUTD)

Informatiebeschikking vervalt volgens A-G wanneer Belastingdienst uitspraak op bezwaar doet

Advocaat-generaal IJzerman overweegt dat een informatiebeschikking komt te vervallen wanneer de Belastingdienst uitspraak op bezwaar doet in de procedure tegen de aanslag waarop de informatiebeschikking betrekking heeft. 

Belanghebbende, X, ontvangt een brief waarin de Belastingdienst een boekenonderzoek aankondigt voor de aangiften IB/PVV vanaf 2006 en een onderzoek bij een drietal vennootschappen van X. Als X niet alle gevraagde inlichtingen verstrekt, legt de Belastingdienst X de informatiebeschikking op die thans in geschil is.

Advocaat-generaal IJzerman overweegt dat een informatiebeschikking komt te vervallen wanneer de Belastingdienst uitspraak op bezwaar doet in de procedure tegen de aanslag waarop de informatiebeschikking betrekking heeft. Het wettelijke systeem houdt in principe in dat de inspecteur moet wachten met de vaststelling van gerelateerde aanslagen totdat de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Omdat dit veel tijd kan vergen, heeft de informatiebeschikking schorsende werking. Als de inspecteur toch uitspraak op bezwaar doet, vervalt de informatiebeschikking van rechtswege, zodat ten aanzien van die aanslag of beschikking geen omkering van de bewijslast kan intreden wegens schending van een in de vervallen informatiebeschikking genoemde informatieverplichting. De A-G ziet noch in de wettekst noch in de wetsgeschiedenis reden om, zoals het hof heeft gedaan, ook een materiële toetsing te gaan aanleggen door in zijn beoordeling te betrekken of de vragen die hebben geleid tot de informatiebeschikking betrekking hebben op de kwestie die in geschil was blijkens de uitspraak op bezwaar. Ook is er geen ruimte voor een gedeeltelijke vernietiging van een informatiebeschikking, zoals het hof heeft gedaan. Verder overweegt de A-G dat de inspecteur het controledossier en een intern memorandum van het boekenonderzoek moet overleggen aan de rechter om te beoordelen of deze stukken aangemerkt kunnen worden als op de zaak betrekking hebbende stukken.

Door cliënten betaalde bedragen niet van belang bij BUA correctie

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur het BUA terecht en correct heeft toegepast. Volgens de Hoge Raad kunnen bij de BUA-correctie de bijdragen voor privégebruik en de aan cliënten doorbelaste bedragen niet in mindering worden gebracht.

X bv stelt auto’s ter beschikking aan haar personeel. Het personeel is een eigen bijdrage verschuldigd. In 2008 en 2009 bedragen de uitgaven voor de auto’s ruim € 1,4 mln en ruim € 1,8 mln. De daarop drukkende btw van € 272.803 en € 345.740 brengt X bv volledig in aftrek, hierbij wordt geen rekening gehouden met de ontvangsten uit de eigen bijdragen. Verder brengt X bv aan haar cliënten een extra bedrag in rekening als een werknemer met een auto wordt ingeschakeld. Bij de correctie voor het privégebruik in haar aangiften maakt X bv gebruik van de forfaitaire regeling. Na toepassing van het BUA, verleent de inspecteur teruggaven van € 155.276 en € 187.912. X bv is het hier niet mee eens. Volgens X bv bieden de jurisprudentie van het HvJ EU en de btw-richtlijnen geen ruimte voor een correctie op grond van het BUA, omdat haar werknemers een meer dan symbolische vergoeding aan haar hebben betaald. Verder stelt X bv dat er rekening moet worden gehouden met de bijdragen die haar werknemers hebben betaald en de vergoedingen die door de cliënten zijn betaald. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur het BUA terecht en correct heeft toegepast. Volgens het hof leidt het feit dat de werknemers een eigen bijdrage hebben betaald er niet toe dat het BUA niet mag worden toegepast. Verder merkt het hof nog op dat geen rekening wordt gehouden met de door de werknemers en cliënten betaalde bijdragen. Volgens het hof mag namelijk slechts rekening worden gehouden met bijdragen voor ‘het gelegenheid geven tot privévervoer’. Daar is volgens het hof geen sprake van. Het gelijk is aan de inspecteur.

De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur het BUA correct heeft toegepast. De Hoge Raad overweegt hierbij onder andere dat X bv niet aannemelijk maakt in hoeverre zij recht heeft op aftrek van de in rekening gebrachte btw. De Hoge Raad wijst er daarbij op dat er geen kilometeradministratie is bijgehouden, zodat niet kan worden uitgegaan van de werkelijke kosten van het privégebruik en aansluiting kan worden gezocht bij het percentage van 27. Verder merkt de Hoge Raad nog op dat X bv niet kan volstaan met de stelling dat zij recht heeft op volledige aftrek, omdat de eigen bijdragen ten minste gelijk zijn aan de door X bv gedragen kosten van het privégebruik door de werknemers. X bv dient dan namelijk aannemelijk te maken in hoeverre zij recht op aftrek heeft van de in rekening gebrachte btw voor het gebruik van de personenauto’s. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof.

(Bron: Taxlive)

IPad voor LB toch een computer en geen communicatiemiddel

RTL verstrekte in december 2010 aan al haar 664 werknemers in vaste dienst een iPad ter waarde van € 699. RTL paste het eindheffingsregime toe op de iPads en maakte vervolgens bezwaar omdat zij vond dat sprake was van een communicatiemiddel in de zin van artikel 15b, lid 1, onderdeel f, Wet LB (tekst 2010) en niet van een computer in de zin van artikel 15b, lid 1, onderdeel s, Wet LB (tekst 2010). Rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van RTL ongegrond maar Hof Amsterdam besliste dat de iPads moesten worden ingedeeld in de categorie communicatiemiddelen. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat artikel 15b, lid 1, Wet LB in de onderdelen f en s een onderscheid maakte tussen respectievelijk de vergoeding voor telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen – niet zijnde computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur – en de vergoeding voor computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur. Het onderscheid in twee elkaar uitsluitende categorieën dwong tot indeling van een apparaat in één van die categorieën. Eerst moest worden beoordeeld of de iPads moesten worden gerekend tot de “computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur” en pas bij een ontkennende beantwoording van die vraag moest volgens de Hoge Raad worden onderzocht of de iPads konden worden gerangschikt onder de categorie “telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen”. Het Hof had dit miskend. De Hoge Raad deed de zaak zelf af en besliste dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 15b, lid 1, onderdeel s, Wet LB volgde dat bij “dergelijke apparatuur” in de zin van die bepaling kon worden gedacht aan elektronische apparatuur die geheel of gedeeltelijk was bedoeld voor taken die ook met een computer konden worden verricht. De omschrijving van de iPad liet volgens de Hoge Raad geen andere conclusie toe dan dat deze in gelijke of zelfs sterkere mate dan digitale agenda’s en GPS-apparatuur waren bedoeld voor taken die ook konden worden verricht door een computer. De Hoge Raad besliste dat de iPad moest worden gerangschikt onder de in artikel 15b, lid 1, onderdeel s, Wet LB bedoelde categorie en verklaarde het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond.

(Bron: FUTD)

Advies AG: Kindgebonden budget niet in mindering op kosten kind bij alimentatie

Het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop moet bij de berekening van de kinderalimentatie niet in mindering komen op de kosten van het levensonderhoud van kinderen (de behoefte). Dat adviseert advocaat-generaal Fred Hammerstein de Hoge Raad. Volgens hem moet het kindgebonden budget worden opgeteld bij het inkomen van de ouder die het budget ontvangt en op die manier meewegen bij diens draagkracht.  Dit advies wijkt af van de aanbeveling van de Expertgroep alimentatienormen.

In deze zaak zijn prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad omdat in de rechtspraak en literatuur over dit onderwerp verschillende opvattingen bestaan.  Aan de Hoge Raad wordt nu gevraagd hierover een duidelijke uitspraak te doen.
Wanneer het kindgebonden budget in mindering wordt gebracht op de kosten van het levensonderhoud van kinderen heeft dat tot gevolg dat er veel minder of geen alimentatie meer hoeft te worden betaald. Het kindgebonden budget laten meewegen  bij de draagkracht van de ouder die het budget ontvangt, doet volgens advocaat-generaal Hammerstein het meeste recht aan het wettelijke uitgangspunt dat beide ouders  verantwoordelijk zijn voor het levensonderhoud van hun kinderen. Na echtscheiding moeten zij in de kosten daarvan naar draagkracht bijdragen. Volgens hem heeft de wetgever het kindgebonden budget primair bedoeld als inkomensondersteunende maatregel. Tenslotte levert deze manier van berekening in de meeste gevallen een redelijke uitkomst op.
Een conclusie is een rechtsgeleerd advies aan de Hoge Raad. De advocaat-generaal is lid van het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie. Het parket bij de Hoge Raad kan zich over een door de Hoge Raad te beoordelen zaak niet anders uitlaten dan in het kader van de conclusie en is dan ook niet in de gelegenheid tot het geven van commentaar.
(Bron: rechtspraak.nl)

Erfenis vanuit het buitenland? Nieuw Europees erfrecht: Europese Erfrechtverordening

Wat zijn bij een buitenlandse erfenis voor u de gevolgen van het nieuw Europese erfrecht, de EU erfrechtverordening, dat vanaf 17 augustus 2015 ingaat? Wat regelt deze Europese Erfrechtverordening voor de afhandeling van een buitenlandse erfenis? In welk land betaalt u daardoor erfbelasting en wat is de rol van een Nederlandse notaris? Misschien gaat het om een erfenis uit het buitenland of woont u in Nederland maar hebt u of uw partner niet de Nederlandse nationaliteit. Onderstaand de opmerkelijkste veranderingen door de harmonisatie van het nieuwe internationaal erfrecht in Europa en de mogelijkheid van een Europese verklaring van erfrecht.

Het Europese erfrecht en successie

Het zal u niet verbazen, maar elk land in Europa heeft zijn eigen erfrecht. Ook de erfbelasting is vaak weer anders geregeld, met verschillende vrijstellingen, tarieven en uitsluitingen. Dat hoeft niet verkeerd te zijn, maar is wel erg lastig als u bijvoorbeeld van uw ouders erft die in het buitenland wonen of daar een woning of ander vermogen hebben. Immers dan hebt u te maken met Nederlandse regels en wetten en de regels uit het buitenland. Probeer dat allemaal maar eens soepel vanuit Nederland te regelen. Tot 17 augustus 2015 is dit vrijwel onmogelijk, vanaf 17 augustus 2015 moet dit simpeler worden.

Nieuw Europees erfrecht en de Europese Erfrechtverordening

Vanaf 17 augustus 2015 geldt in Europa, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken, de Europese Erfrecht Verordening. Deze verordening regelt volgens welk recht de verdeling van een erfenis en nalatenschap plaatsvindt. De regeling telt telt voor elke erfenis vanaf 17 augustus 2015 voor zover er niet eerder een testament is opgesteld die nog niet is herroepen en waarin een afwijkende rechtskeuze is gemaakt.

Regels Haags Erfrechtverdrag

Tot 17 augustus 2015 regelt het Haags Erfrechtverdrag dat als u als Nederlander in het buitenland woont en niet de nationaliteit van uw woonland hebt, welk recht op uw erfenis van toepassing is. Immers:

  • De Nederlandse regels van successie zijn van toepassing als de erflater op het moment van overlijden minder dan vijf jaar in het land woonde.
  • Het buitenlands erfrecht geldt als de erflater langer dan vijf jaar in het buitenland woonde.

Hiervan kunt u met een testament afwijken door zelf te kiezen voor het Nederlandse recht dan wel het recht van het land waar u woont. Als u voor land A kiest, verhuist naar land B en uw testament niet herroept, dan blijft het erfrecht uit land A gelden.

Het nieuwe internationale Europese erfrecht

Met de nieuwe Europese Erfrechtverordening wordt de keuze voor het erfrecht dat van toepassing is beperkt en kunt u dus minder zelf regelen. Het erfrecht van het woonland telt en hiervan kan alleen worden afgeweken als u na 17 augustus 2015 voor het land van uw nationaliteit kiest, of voor 17 augustus 2015 nog voor een andere mogelijkheid hebt gekozen. Als u na 17 augustus een eerder testament wilt herroepen is het de vraag of dat verstandig is, omdat dan de nieuwe regelgeving telt en uw keuze voor het land van erfrecht daarmee wordt ingeperkt.

De Nederlandse notaris regelt alles voor u

Door deze vorm van Europese harmonisatie wordt het internationaal mogelijk om een erfenis, ook als daarin buitenlandse bestanddelen zitten, volledig via een Nederlandse notaris af te wikkelen. De notaris kan ook een Europese Verklaring van Erfrecht afgeven die in geheel Europa, met uitzondering van Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken, geldig is. Voor het aanvaarden van een erfenis hoeft u als erfgenaam in Nederland niet meer naar een buitenlandse notaris, maar zou alles via een Nederlandse notaris moeten kunnen gaan.

De fiscale gevolgen van de de Europese Erfrechtverordening, EEV

Het bijzondere is dat de nieuwe regelgeving fiscaal niets regelt. De EEV regelt Europees beter wie er van u erft, maar als een buitenland ook belasting op vermogen in het buitenland hebt en zo mogelijk een erfbelasting, wordt dat met de nieuwe Europese regelgeving niet anders. Europa is nog niet zover dat ook een fiscale harmonisatie van tarieven plaatsvindt. Daarmee wordt het afwikkelen van een buitenlandse erfenis wel eenvoudiger, maar kunnen er ook bij nalatenschappen die na 17 augustus 2015 openvallen nog steeds vele fiscale strubbelingen ontstaan.

(Bron: Financieelinfo.nu)