Opgepast met de inzet en (buitenlandse) beloning van buitenlandse chauffeurs

Veel transportbedrijven maken de laatste jaren gebruik van de inzet van buitenlandse chauffeurs. Het doel is veelal het gebruik maken van goedkopere (en daarmee beter concurrerende) arbeidsvoorwaarden. Vaker dan gedacht blijken de Nederlandse arbeidsvoorwaarden (waaronder de cao Beroepsgoederenvervoer) toch van toepassing.
Twee veel voorkomende manieren, waarop buitenlandse chauffeurs worden ingezet, zijn cabotage en het aangaan van een arbeidsovereenkomst tussen de chauffeur en een buitenlandse dochtervennootschap.

Cabotage

Het vervoeren van goederen in Nederland door buitenlandse chauffeurs, cabotage, is aan bepaalde limieten gebonden. Zo mag een chauffeur uit een ander land slechts drie ritten binnen een week maken in Nederland, om vervolgens weer de grens over te gaan. De inspectie van Leefomgeving en Transport (ILT) kijkt hier sinds 2013 gericht op toe. Als de buitenlandse vervoerder zijn chauffeur echter regelmatiger inzet voor het uitvoeren van cabotage-ritten in Nederland, dan moet de vervoerder wel het Nederlandse loon voor zijn werkzaamheden betalen. Dat geldt weliswaar niet voor de cao, maar op grond van de zogenaamde ‘Rome I Verordening’ wel voor de Nederlandse Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Een buitenlandse dochteronderneming

De vrij recent opgerichte buitenlandse dochteronderneming van de in Nederland al jarenlang opererende transportonderneming neemt bijvoorbeeld Poolse chauffeurs in dienst. In de arbeidsovereenkomst wordt het Poolse minimumloon van toepassing verklaard. De arbeidsvoorwaarden van deze Poolse chauffeurs liggen dan vaak aanzienlijk lager dan de arbeidsvoorwaarden van hun Nederlandse collega’s die in dienst zijn bij de moedermaatschappij. De aansturing, salarisbetaling en dergelijke vindt in dit soort praktijkgevallen vaak toch vanuit de Nederlandse moeder plaats.
De vraag welk recht van toepassing is, dient te worden beantwoord aan de hand van uit Brussel opgelegde wetgeving. De Europese Unie heeft in dat kader de zogenaamde ‘Rome I Verordening’ aan haar lidstaten opgelegd. De hoofdregel van de Verordening houdt in dat een (arbeids)overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen (de rechtskeuze). Echter, voor internationale arbeidsovereenkomsten bepaalt de verordening dat een rechtskeuze tussen werkgever en werknemer er niet toe mag leiden dat een werknemer de bescherming verliest van het (bijzonder dwingende) recht dat op zijn arbeidsverhouding van toepassing zou zijn indien partijen geen rechtskeuze zouden hebben gemaakt.
Juist in het internationale beroepsgoederenvervoer is hierover veel discussie. Een (internationaal) chauffeur verricht immers zijn werkzaamheden in verschillende landen. Om te bepalen welk recht en daarmee welke arbeidsvoorwaarden dwingendrechtelijk van toepassing zijn, wordt onder andere gekeken naar de nationaliteit van de werknemer, waar deze belastingplichtig is, welk sociaal verzekeringsstel van toepassing is, in welke taal de arbeidsovereenkomst is opgesteld en waar de betaling van het salaris plaatsvindt etc.
Deze veelal zeer feitelijke problematiek stond eerder dit jaar centraal in een uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant in de zaak Van den Bosch Transport / Silotrans. Dit betrof een door het FNV aangespannen proefprocedure. De Hongaarse chauffeurs hadden volgens de rechter recht op achterstallig loon, omdat zij jarenlang ritten reden in opdracht van Van den Bosch Transportuit Erp en werden betaald naar Hongaars loon. Volgens Van den Bosch stonden de chauffeurs onder contract bij een Hongaars zusterbedrijf en kregen zij daarom terecht dit loon. De chauffeurs stelden dat zij door het Nederlandse bedrijf waren ingehuurd en dus naar de Nederlandse cao (cao Beroepsgoederenvoer) moesten worden betaald. De salarisadministratie en ondersteunende diensten waren bij Van den Bosch in Erp gecentraliseerd. Toen de chauffeurs achterstallig loon bij hun werkgever vorderden, werden zij door het Hongaarse bedrijf ontslagen.
De rechtbank oordeelde dat ook voor de Hongaarse arbeidskrachten de Nederlandse cao-arbeidsvoorwaarden gelden, zowel in gevallen dat Nederland het land is van waaruit tijdelijk wordt gewerkt als dat Nederland het land is van waaruit gewoonlijk wordt gewerkt. De rechtsgrond betreft artikel 8 Rome I Verordening / artikel 6 EVO.
Nu er geen daadwerkelijke detachering werd aangenomen en er sprake was van conflicterende wetgevingen, moet op basis van deze artikelen en de zogenaamde ‘Europese Handhavingsrichtlijn’ het recht van het land worden toegepast dat de werknemers de meest adequate bescherming biedt (Nederlands recht). De verwijzing in de arbeidsovereenkomst naar Hongaars recht heeft niet te gelden wegens doorkruising van het Nederlands dwingend recht. Afwijking daarvan is alleen mogelijk ten voordele van de werknemers.
Van belang hier waren uiteraard de omstandigheden van het geval: De chauffeurs vingen in het overgrote deel hun diensten vanuit Nederland (Erp) aan en keerden daar ook weer terug. Ook ontvingen zij hun instructies vanuit Erp. De planning, administratie, orderverwerking en ICT werden door een Nederlands bedrijf gedaan. De opleiding van de chauffeurs vond plaats in Nederland. Kortom, de link naar Nederland was simpelweg te groot.
In feite is de transportonderneming van Van den Bosch als voorbeeld gebruikt door het FNV. Volgens de vakbond zouden er meer Nederlandse transportbedrijven zijn die trachten de cao te ontduiken.

Conclusie

Een contractuele keuze voor buitenlands recht kan zeker niet altijd voorkomen dat de dwingendrechtelijke bepalingen van het land waar de feitelijke werkzaamheden plaatsvinden op de arbeidsverhouding van toepassing kunnen zijn.

(Bron: Pellicaan)

Belastingplan 2016 naar Tweede Kamer

In het Belastingplan 2016 zijn onder meer maatregelen opgenomen die voortvloeien uit de gesprekken die in het kader van het zogenoemde vijfmiljardpakket zijn gevoerd. Wij ontlenen aan het Belastingplan 2016 het volgende:

  1. Het tarief in de eerste schijf wordt verhoogd tot 36,55%.
  2. Het tarief in de tweede en derde schijf wordt met 1,85%-punt verlaagd naar 40,15%.
  3. De vierde schijf begint bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan € 66.421.
  4. De afbouw van de algemene heffingskorting wordt verhoogd met 2,476 procentpunt tot 4,796%. Ook wordt de algemene heffingskorting volledig afgebouwd.
  5. Het maximumbedrag van de arbeidskorting wordt met € 638 extra verhoogd. Het startpunt van de afbouw met 4% van het arbeidsinkomen wordt met € 15.950 verlaagd.
  6. De opbouw van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt verhoogd naar 6,159%. Het maximumbedrag van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt verhoogd met € 606.
  7. De ouderenkorting wordt per saldo verhoogd tot € 1.187.
  8. De vermogensrendementsheffing in box III wordt met ingang van 1 januari 2017 herzien. Het forfaitaire rendement wordt gebaseerd op de gemiddelde verdeling van het box III-vermogen over spaargeld en beleggingen in combinatie met een in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten. Het vermogen van elke belastingplichtige wordt verdeeld over maximaal drie schijven, namelijk: € 0 tot € 100.000, € 100.000 tot € 1 mln en meer dan € 1 mln. Het heffingvrije vermogen wordt per 2017 verhoogd naar € 25.000 per persoon.
  9. Om het emigratielek bij a.b.-houders te bestrijden, leiden winstuitdelingen na emigratie voortaan in alle gevallen tot belastingheffing of tot een (naar rato) intrekking van het uitstel van betaling. Ook wordt de conserverende belastingaanslag niet meer louter als gevolg van tijdsverloop na tien jaar kwijtgescholden. De maatregel heeft terugwerkende kracht tot en met 15 september 2015, 15.15 uur.
  10. Door een integratie van de S&O-afdrachtvermindering en de RDA bestaat de S&O-afdrachtvermindering uit een grondslag voor alle S&O-kosten. Er gelden twee schijven met percentages van 32% en 16%. De grens tussen de eerste en de tweede schijf ligt bij € 350.000. Daarnaast zal er een verhoogd starterspercentage van de eerste schijf blijven bestaan van 40. Tot slot vervalt het huidige plafond in de S&O-afdrachtvermindering.
  11. De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken wordt vereenvoudigd.
  12. De eenmalig verhoogde vrijstelling in de schenkbelasting voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen 18 en 40 jaar voor schenkingen die verband houden met de eigen woning wordt met ingang van 2017 verruimd tot € 100.000. Ook vervalt de beperking dat de schenking moet zijn gedaan van een ouder aan een kind, waardoor ook buiten de gezinssituatie kan worden gebruikgemaakt van de vrijstelling.
  13. Twee personen die zijn gehuisvest in een opvanghuis met een kind van een van beiden, worden gedurende dat verblijf niet als partners aangemerkt.
  14. Verplichtingen aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien, worden met ingang van 1 januari 2017 uitgezonderd van de in box III in aanmerking te nemen verplichtingen. Vergelijkbare verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen en verstrekkingen waarvan het recht ook is uitgezonderd van box III, worden ook uitgesloten van box III.
  15. In de praktijk wordt als financieringsstructuur of voor de vervreemding van beleggingsvastgoed steeds vaker gebruikgemaakt van de zogenoemde erfpachtlease in plaats van een sale-en-lease-back om heffing van overdrachtsbelasting te voorkomen. Deze economisch vergelijkbare gevallen worden voortaan gelijk behandeld door niet meer toe te staan dat de heffingsgrondslag waarover in geval van verkoop met gelijktijdige vestiging van een erfdienstbaarheid, een recht van erfpacht of een recht van opstal, kan worden verminderd met de gekapitaliseerde waarde van de erfpachtcanon of retributie.
  16. Een niet-ingezetene die is onderworpen aan de heffing van MRB, wordt geacht te wonen in de provincie die het laagste aantal opcenten heeft.
  17. De vrijstelling van kolenbelasting voor kolen die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, wordt opnieuw ingevoerd. Ter dekking van de herintroductie van de vrijstelling worden de tarieven in de energiebelasting voor aardgas en elektriciteit verhoogd.

(Bron:FUTD)

Gerechtshof Den Haag: Maat is hoofdelijk aansprakelijk voor door maatschap verschuldigde rijksbelastingen

Het Gerechtshof Den Haag bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag dat hoewel de vennoten van een maatschap naar de regels van het burgerlijk recht niet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de maatschap, zij op grond van artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de IW wel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de maatschap verschuldigde rijksbelastingen.

Een man is samen met zijn broer vennoot van een maatschap. De activiteiten van de maatschap bestaan uit het voor gezamenlijke rekening van de maten beleggen in onroerende zaken. De man is aansprakelijk gesteld voor door de maatschap niet betaalde omzetbelasting inclusief kosten, rente en boeten ten bedrage van in totaal € 1.239.507. Na bezwaar heeft de Belastingdienst het bedrag waarvoor de man aansprakelijk is gesteld, verminderd tot € 958.167,26.

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de man door een onjuiste adressering van de aansprakelijkstelling niet in zijn belangen is geschaad. Hij heeft immers tijdig tegen de beschikking aansprakelijkstelling bezwaar gemaakt. De man stelt verder dat hij ten onrechte aansprakelijk is gesteld, omdat hij geen volledig aansprakelijke vennoot van de maatschap is. Deze stelling is onjuist, oordeelde de Rechtbank. Hoewel de vennoten van een maatschap naar de regels van het burgerlijk recht niet hoofdelijk, doch slechts voor gelijke delen aansprakelijk zijn voor de schulden van de maatschap, zijn zij op grond van artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Invorderingswet (IW) wel hoofdelijk aansprakelijk voor de door de maatschap verschuldigde rijksbelastingen. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt als bestuurder aangemerkt de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap. Volgens de Rechtbank is de man door de Belastingdienst terecht aangemerkt als een volledig aansprakelijke vennoot en daarmee als bestuurder van de maatschap.

Hof Den Haag bevestigt in hoger beroep zonder nadere toelichting de oordelen van de Rechtbank.

(Bron: Fiscanet)

Kinderopvangtoeslag voor alle ouders omhoog

Voor alle werkende ouders gaat de kinderopvangtoeslag vanaf 1 januari 2016 omhoog.

Ouders ontvangen voor elk kind dat naar de opvang gaat meer kinderopvangtoeslag. Dit schrijft minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maandag aan de Tweede Kamer.

Het kabinet vindt het belangrijk dat jonge ouders werk en privé goed kunnen combineren. Goede en betaalbare kinderopvang helpt daarbij. Minister Asscher: ‘Goede kinderopvang biedt een vertrouwde en veilige omgeving gericht op de ontwikkeling van je kind. Daar breng je als werkende ouder met een gerust hart je kind naar toe. De kinderopvang heeft meerwaarde voor ouders en kinderen. Van die meerwaarde moeten ouders en kinderen gebruik kunnen maken.’

De vergoedingspercentages in de eerste en de tweede kindtabel worden voor iedereen verhoogd met een gelijk aantal procentpunten.

  • De eerste kindtabel wordt verhoogd met 5,8 procentpunt. Dit betekent ook dat de vaste voet stijgt van 18% naar 23,8%.
  • De tweede kindtabel wordt eveneens met 5,8 procentpunt verhoogd.

De verhoging van de kinderopvangtoeslag kost 290 miljoen euro stuctureel per jaar. De maatregel staat in de begroting die het ministerie met Prinsjesdag openbaar maakt. Asscher stuurt de maatregel nu naar de Tweede Kamer, zodat het begin volgend jaar al in kan gaan.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Fiscus moet ruim € 1,3 mln betalen voor buitensporige last KSB

Op 27 juni 2014 besliste de Hoge Raad in twee proefprocedures van exploitanten van kansspelautomaten dat vanaf 1 juli 2008 kansspelbelasting (KSB) mocht worden geheven. Verwijzingshof Den Haag moest echter nog wel beslissen over de vraag of sprake was van een individuele en buitensporige last voor BV X en BV Y die over juli 2008 respectievelijk € 72.723 en € 511.474 aan KSB waren verschuldigd door de wijzing van het regime (KSB in plaats van BTW). Hof Den Haag besliste ten aanzien van BV X dat de wijziging van de Wet KSB in haar geval een buitensporige last van een zodanige omvang had teweeggebracht dat zonder compensatie geen sprake was van een “fair balance” tussen het algemeen belang en de bescherming van de individuele rechten. Het Hof honoreerde daarom het verzoek van BV X om schadeloosstelling. Het aan een bepaald jaar toe te rekenen gedeelte van de in totaal geleden schade (het “jaarbedrag”) kwam volgens het Hof slechts voor vergoeding in aanmerking indien en voor zover de daarin begrepen posten ertoe hadden geleid dat BV X in het desbetreffende jaar een negatief bedrijfsresultaat had behaald. Het enkel niet lijden van verliezen vond het Hof echter onvoldoende om het voortbestaan van een onderneming te verzekeren en daarom ging het Hof uit van een “decent profit” van (in dit geval) € 100.000 per jaar. Van BV X mocht redelijkerwijs wel worden verwacht dat zij na de regimewijziging maatregelen zou treffen en daarom vond het Hof een geleidelijke afbouw van de schadeloosstelling redelijk en billijk. Het Hof stelde de schadeloosstelling vast op respectievelijk 100%, 75%, 50% en 25% van het jaarbedrag voor 2008, 2009, 2010 en 2011. Het Hof veroordeelde de inspecteur uiteindelijk tot een schadeloosstelling van in totaal € 1.364.740. Ten aanzien van BV Y besliste het Hof dat zij met de overgelegde overzichten van bedrijfsresultaten niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een buitensporige last, hoewel niet moest worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de invoering van de KSB ook bij BV Y een forse last had veroorzaakt.

(Bron: FUTD)

Let op gevolgen compensabele verliezen bij toetreding in fiscale eenheid

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het toetreden van een dochtermaatschappij tot een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (fiscale eenheid vpb) gedurende het boekjaar leidt tot het verplicht afsluiten van het boekjaar door de toetredende dochtermaatschappij. Onder omstandigheden kan het echter fiscaal voordeliger zijn om vooralsnog niet toe of uit te treden.

Verliesverrekening binnen fiscale eenheid

Het verplicht afsluiten van het boekjaar kan nadelig uitpakken wanneer er verliezen kunnen worden verrekend. Verliezen van een bv kunnen maximaal één jaar terug en negen jaar vooruit worden gecompenseerd met belastbare winsten.

 

De Hoge Raad heeft in zijn arrest geoordeeld dat voor de term ‘jaar’ moet worden uitgegaan van ‘boekjaar. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als gedurende het boekjaar een dochtermaatschappij toe- of uittreedt. Het gedeelte van het boekjaar dat de dochtermaatschappij geen deel uitmaakt van de fiscale eenheid vpb moet volgens de Hoge Raad als afzonderlijk boekjaar worden aangemerkt.

 

Bij toe- of uittreding in een fiscale eenheid vpb ontstaat dus een extra boekjaar bij de dochtermaatschappij. Dit principe werkt volgens de Hoge Raad ook door bij de achterwaartse en voorwaartse verliesverrekening. Door de toe- of uittreding fiscale eenheid kunnen verliezen, gelet op de beperkte verliesverrekeningstermijn, dus eerder verloren gaan. Ook kan het inkorten van de termijnen nadelig uitpakken voor bijvoorbeeld de termijnen van de investeringsreserve.

 

Tip

Bij de toe- of uittreding van dochtermaatschappijen moet goed worden gekeken naar de gevolgen van inkorting van de termijnen voor diverse fiscale regelingen, zoals de verliesverrekening en de herinvesteringsreserve.

 

Bijtelling: Kilometers tijdens wachtdienst zijn onder voorwaarden zakelijk

Een wachtdienst is een bepaalde periode waarin een medewerker oproepbaar is. De staatssecretaris van Financiën heeft goedgekeurd dat de kilometers tijdens een wachtdienst geheel zakelijk zijn. Voor deze goedkeuring gelden wel een aantal voorwaarden.

 

Voor de auto van de zaak, waarmee aantoonbaar niet meer dan 500 privékilometers per jaar wordt gereden, geldt geen bijtelling. Een medewerker die geen bijtelling wenst, heeft er dus belang bij dat de gereden kilometers tijdens een wachtdienst als zakelijk worden aangemerkt.

 

Heeft een medewerker tijdens een wachtdienst de auto van de zaak gebruikt voor bijvoorbeeld een familiebezoek, dan betreft dit in principe privékilometers. Wordt die medewerker tijdens het familiebezoek echter opgeroepen door zijn werkgever, dan zijn vanaf dat moment de gereden kilometers zakelijk. Deze interpretatie van wat privé en wat zakelijk is, is voer voor discussies met de Belastingdienst. Daarom heeft de staatssecretaris een praktische regeling getroffen voor wachtdiensten.

 

Wachtdienstregeling

Gebruikt een medewerker voor een wachtdienst een auto van de zaak, dan worden alle  gereden kilometers tijdens deze wachtdienst als zakelijk aangemerkt.

 

Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

  • de medewerker heeft geen invloed op de keuze van de aangeschafte auto;
  • de medewerker beschikt in privé over een auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de zaak;
  • de medewerker is verplicht tijdens de wachtdienst binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven;
  • het aantal kilometers dat tijdens de wachtdienst wordt gereden, het aantal oproepen en de plaats van de werkzaamheden waarvoor de medewerker is opgeroepen worden bijgehouden.

(Bron: ABAB)

Mogelijk lagere transitievergoeding voor kleine werkgever

Het is u vast niet ontgaan: vanaf 1 juli 2015 vervangt de transitievergoeding de huidige ontslagvergoeding. Op die datum treedt het nieuwe ontslagrecht uit de Wet werk en zekerheid in werking. Bent u een kleine werkgever, is uw financiële situatie niet rooskleurig en moet u daarom
noodgedwongen uw werknemer ontslaan, dan bent u mogelijk een lagere en wellicht zelfs geen transitievergoeding verschuldigd. U moet dan welaan een aantal voorwaarden voldoen.
Dankzij een overgangsregeling die geldt tot 1 januari 2020 is het mogelijk dat u als kleine werkgever (minder dan 25 werknemers) niet de geheletransitievergoeding verschuldigd bent aan uw werknemer. Onder voorwaarden telt namelijk de arbeidsperiode van uw werknemer vóór 1 mei2013 niet mee voor de hoogte van de transitievergoeding. Uw slechte financiële situatie moet dan wel de bedrijfseconomische reden zijn om uwwerknemer te ontslaan.
Toetsingscriteria
Voor deze overgangsregeling gelden drie zware toetsingscriteria:
1. het nettoresultaat van uw onderneming is in de drie boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of door u nietwordt voortgezet, negatief geweest;
2. er is sprake van een negatief eigen vermogen;
3. de waarde van de vlottende activa is aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het jaar van beëindiging of niet voortzetting van dearbeidsovereenkomst, kleiner dan de kortlopende schulden. Dit zijn schulden met een resterende looptijd van maximaal één jaar.
Let op!
Wilt u gebruikmaken van de mogelijkheid om een lagere transitievergoeding te betalen, dan moet u aantonen dat u aan bovenstaande drietoetsingscriteria voldoet. Zowel u als uw werknemer kunnen het UWV vragen te beoordelen of hieraan is voldaan.
(Bron: RSM)

Fiscus gebonden aan toezegging die 10 dagen later was herroepen

Bij de aanslagregeling IB 2011 liet de inspecteur aan X weten dat hij zou afwijken van de aangifte omdat X geen recht had op de gecombineerde heffingskorting van € 3.484. X maakte vervolgens bezwaar, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. X ging in beroep en stelde dat hij in het kader van het bezwaar op 31 oktober 2014 was gehoord en dat de inspecteur hem toen had toegezegd dat hij recht had op een gecombineerde heffingskorting van € 3.484. Rechtbank Den Haag was het met X eens dat uit het verslag van de hoorzitting bleek dat de inspecteur ondubbelzinnig had verklaard dat het bezwaar zou worden toegewezen. Uit de uitlating van de inspecteur in dat verslag bleek volgens de Rechtbank dat sprake was van een toezegging. Aan die toezegging mocht X het vertrouwen ontlenen dat de inspecteur zich daaraan zou houden. De inspecteur kon ook niet meer daarop terugkomen, omdat hij de toezegging, die kennelijk op een vergissing berustte, niet onmiddellijk had herroepen. De toezegging was gedaan op 31 oktober 2014 en bij brief van 10 november 2014 herroepen. Gelet op dit tijdsverloop en de stelligheid waarmee de toezegging was gedaan, was volgens de Rechtbank geen sprake van een “onverwijlde” herroeping. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

(Bron: FUTD)OK

Btw en vastgoed in beweging

Recente rechtspraak biedt kansen om btw-voordeel te behalen en overdrachtsbelasting te besparen. Overweegt u investeringen in onroerende zaken? Wij raden u aan om tijdig met uw belasting- adviseur te schakelen. In dit artikel stippen wij een aantal onderwerpen aan.

 

Een nieuw pand bouwen: aankoop bouwlocatie

Koopt u een perceel aan voor de bouw van een nieuwe onroerende zaak? En gaat u btw-belaste prestaties verrichten vanuit de onroerende zaak? Dan is het voordelig(er) om het perceel in de btw aan te kopen als bouwterrein en gebruik te maken van de vrijstelling van overdrachtsbelasting. Immers, de btw krijgt u weer terug van de Belastingdienst, als u btw-belaste prestaties verricht.

 

Kortom, voordelen zijn te behalen als de bouwlocatie kwalificeert als bouwterrein. De definitie van het begrip bouwterrein is in de Europese btw-richtlijn ruimer dan op grond van de Nederlandse wetgeving. Met een beroep op de Europese btw-richtlijn is dus sneller sprake van een bouwterrein. Is onbebouwde grond bestemd voor bebouwing, dan is sprake van een bouwterrein. Zelfs als er nog bebouwing op de grond is, kan sprake zijn van een bouwterrein. Vereist is dan wel dat de bebouwing gesloopt zal worden. Heeft u recht op aftrek van btw, maak dan gebruik van de mogelijkheden. Zo bespaart u de heffing van overdrachtsbelasting.

 

Btw: verhuur onroerende zaak en werkkamer woning

De verhuur van (een gedeelte van) een gebouw is van rechtswege vrijgesteld van btw. De verhuurder heeft dan geen recht op aftrek van btw. Verricht de huurder voor meer dan 90% btw-belaste prestaties? Dan kunnen huurder en verhuurder kiezen voor btw-heffing. Zo krijgt de verhuurder ook recht op aftrek en vormt de btw geen kostenpost.

 

Is btw-belaste verhuur niet mogelijk? Het verrichten van aanvullende diensten kan ertoe leiden dat de (vrijgestelde) verhuur van de onroerende zaak verandert in een btw-belaste dienst. We noemen dit ‘verhuur plus’.

 

Bent u directeur van uw eigen besloten vennootschap (bv) en bouwt of koopt u een woning? Dan kunt u overwegen om uw werkkamer – via een samenwerkingsverband met uw partner – te verhuren aan uw bv. Ontvangt uw bv voldoende aftrekrecht, dan kan de verhuur btw-belast plaatsvinden. Dit geeft u deels recht op aftrek van btw op de bouw- en/of aankoopkosten.

 

Btw: verkoop of koop onroerend goed

De verkoop van (een gedeelte van) een gebouw is in principe van btw vrijgesteld. Is de onroerende zaak nog niet tien jaar in gebruik en heeft de verkoper btw teruggevraagd op de bouw? Dan moet hij btw terugbetalen. Echter, vergelijkbaar met btw-belaste verhuur, kunnen de verkoper en koper kiezen voor een btw-belaste levering.

 

Let op!

De levering is alsnog vrijgesteld van btw, als de koper de onroerende zaak niet binnen twee jaar gebruikt voor btw-belaste prestaties. De verkoper moet dan alsnog btw terugbetalen. Dek het risico van deze btw-schade vooraf dus goed af.

 

Kortom, maak gebruik van de mogelijkheden op het gebied van de btw en overdrachtsbelasting.
(Bron: ABAB)