Ketenbepaling geldt niet voor medewerkers jonger dan 18 jaar

Per 1 juli 2015 is in de Wet werk en zekerheid (Wwz) bepaald, dat de ketenbepaling is verkort. Een medewerker heeft nu al na twee jaar (of na drie tijdelijke contracten) recht op een vast dienstverband. Deze ketenbepaling geldt echter niet voor medewerkers die jonger zijn dan 18 jaar en gemiddeld maximaal 12 uur per week voor een organisatie werken. Het gaat dan om een gemiddelde over de looptijd van het dienstverband. Heeft u binnen uw organisatie jongeren in dienst die u ondersteunen in weekenden en vakantieperiodes, dan geldt de ketenbepaling onder de voorwaarden niet voor hen. De ketenbepaling Wwz start voor deze medewerkers op de dag, dat ze 18 jaar worden.

 

Geldt de ketenbepaling ook voor bbl-leerlingen?

De ketenbepaling is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten, die zijn aangegaan in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Als er na 1 juli 2015 een vierde bbl-contract wordt aangegaan, dan geldt dit contract niet direct als vast dienstverband. Is de bbl-leerling afgestudeerd en wilt u hem na 1 juli 2015 een arbeidsovereenkomst als reguliere medewerker aanbieden? Houd er dan rekening mee dat de bbl-arbeidsovereenkomsten van vóór 1 juli 2015 wel meetellen in de ketenbepaling.

 

Transitievergoeding

In de Wwz is er geen uitzondering gemaakt voor de transitievergoeding voor bbl-leerlingen. Als u dus een bbl-leerling ontslaat die minimaal twee jaar in dienst is, of waarvan het contract na twee jaar afloopt en dat niet wordt voortgezet, moet u een transitievergoeding betalen.

(Bron: ABAB)

Fiscale aspecten van rentemiddeling aan hypotheekklanten

De minister van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de fiscale aspecten van rentemiddeling voor hypotheekbezitters. Dit als reactie op de recente oproep van de Vereniging Eigen Huis aan geldverstrekkers om rentemiddeling aan te bieden aan alle hypotheekklanten met een lopend rentecontract.

Bij rentemiddeling wordt de lopende rentevastperiode afgebroken en gaat een nieuwe rentevastperiode gelden. De verschuldigde boeterente wordt in feite over de nieuwe rentevastperiode verdeeld en in termijnen betaald. Doorgaans wordt op het actuele marktconforme rentepercentage een opslag bepaald, die de banken op verschillende manieren berekenen. Deze opslag bestaat uit twee elementen:

1. Het ‘uitsmeren’ van de boeterente over de nieuwe rentevaste periode.
2. Andere opslagen, zoals een vergoeding voor het risico van vroegtijdig volledig aflossen bij verkoop.

Dergelijke opslagen leiden niet tot splitsing van het rentepercentage wanneer de opslagen verwaarloosbaar zijn. Hiervan is sprake wanneer het totaal van alle opslagen een maximum van 0,2 procentpunt niet overschrijdt. Het percentage zal volgens de minister echter veelal boven dit maximum uitkomen. De opslagen dienen daarom gesplitst te worden van de eigenlijke rentevergoeding. Reële boeterente is aftrekbaar als kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld. Het uitsmeren van deze reële boeterente over een nieuwe rentevaste periode via een opslag maakt dit niet anders. De opslag onder (1) is dan ook aftrekbaar als kosten van geldleningen. De opslag onder (2) betreft als het ware een vergoeding voor het risico van vroegtijdig volledig aflossen bij verkoop. Een dergelijke opslag is niet te kwalificeren als rente of kosten van geldleningen en is dus niet aftrekbaar.

(Bron: Taxence)

Kan verdeling pensioenrechten na een scheiding verjaren of niet?

Rechters zijn het (vooralsnog) niet eens of de verdeling van pensioenrechten wel of niet aan verjaring onderhevig zijn. De ene rechtbank zegt van wel, de andere van niet. De rechtbank in Middelburg vindt dat na 20 jaar nog steeds verdeling van pensioenrechten mogelijk is door de ex-echtgenote. De rechtbank in Leeuwarden vindt in een soorgelijke situatie dat de vordering op de verdeling verjaard is. Rechtbank Middelburg, 28 maart 2012, nr. 80131/ HA ZA 2011-364 X en Y zijn in 1965 in gemeenschap van goederen gehuwd. In 1990 scheiden ze en wordt de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld. X heeft gedurende het huwelijk pensioen opgebouwd. In 2008 bereikt X de pensioengerechtigde leeftijd. Y vordert op dat moment de verdeling van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van X. Gezien het jaar van echtscheiding valt de verdeling van pensioenrechten onder de regels van het Boon/Van Loon-arrest. Het voor en tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen valt in de huwelijksgemeenschap en moet bij echtscheiding verdeeld worden. X kan niet bewijzen dat het pensioen al verdeeld is. Het pensioen wordt daarom als ‘overgeslagen goed’ aangemerkt en dient verdeeld te worden. Het beroep van X op verjaring wordt door de rechter verworpen, omdat de vordering van Y te kwalificeren is als een vordering tot verdeling van een gemeenschapsgoed. Deze vordering kan niet verjaren. De rechter veroordeelt X tot betaling van de helft van het bedrag van de contante waarde van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen. Daarnaast zal X de ontstane achterstand (vanaf pensioengerechtigde leeftijd) aan Y moeten vergoeden. Rechtbank Leeuwarden, 24 oktober 2012, nr. 118087 / HA ZA 12-51 X en Y zijn in 1964 in gemeenschap van goederen gehuwd. In 1984 wordt het huwelijk ontbonden. Bij de ontbinding is afgesproken om de pensioenaanspraken van X onverdeeld te laten. Vanaf 2006 geniet X een pensioenuitkering. In 2011 vordert Y de helft van de tot aan de echtscheiding opgebouwde pensioenrechten van X. Hierop geeft X aan dat de vordering tot verdeling van de pensioenrechten is verjaard. Y is het hier niet mee eens, omdat de pensioenrechten onverdeeld zijn gebleven en zij te allen tijde vrij is om verdeling te vorderen. De rechter oordeelt dat een vordering om het onverdeelde goed alsnog te verdelen mogelijk is, maar dat een dergelijk recht aan verjaring onderhevig is. De vordering van Y wordt wegens verjaring afgewezen. Belang voor de praktijk Het is opmerkelijk te noemen dat in twee soortgelijke uitspraken de rechters toch tot een andere uitspraak komen. In beide situaties is het Boon/Van Loon-arrest van toepassing. De echtgenoten waren in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben in beide gevallen nagelaten om de pensioenrechten te verdelen bij echtscheiding. Beide ex-echtgenoten vorderen op een later tijdstip de helft van de door de echtgenoot opgebouwde pensioenrechten. In beginsel kan verdeling van een ‘overgeslagen goed’ op elk moment worden gevorderd. De vraag is of een dergelijke vordering onderhevig is aan verjaring. De algemene verjaringstermijn is 20 jaar. In de uitspraak van Rechtbank Leeuwarden wordt voorbijgegaan aan het feit dat een ‘overgeslagen goed’ niet aan verjaring onderhevig is. De uitspraak van Rechtbank Middelburg is gebaseerd op het feit dat verdeling van een ‘overgeslagen goed’ te allen tijde gevorderd kan worden. Hieruit kan worden opgemaakt dat je niet aan verjaring toekomt. Voor echtscheidingssituaties die onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen (Wet VPS, geldig vanaf 1 mei 1995), is verjaring niet aan de orde. In die gevallen heeft de ex-partner altijd een vereveningsaanspraak jegens de andere partner. [Bron: Fiscaal-Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden]

Kabinetsplannen autobelastingen 2017-2020 in Autobrief II

De staatssecretaris van Financiën heeft de al veel eerder aangekondigde Autobrief II naar de Tweede Kamer gestuurd. De brief bevat de plannen voor de aanpassing van de belastingen op de aanschaf, het bezit en gebruik van auto’s voor de komende jaren. Aanleiding voor herziening van de autobelastingen is de constatering dat de gewenste belastingopbrengsten en de milieudoelstelling niet worden gehaald.

 

De Autobrief II heeft betrekking op de periode van 2017 tot 2020 en bevat als doelstellingen vereenvoudiging van de regelgeving en stabilisering van de belastinginkomsten, gekoppeld aan een grotere milieuwinst.

 

De hoofdlijnen van de Autobrief II zijn:

  • Verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor de meeste auto’s met gemiddeld 2%. Voor oudere dieselauto’s (zonder fabrieksroetfilter) gaat de motorrijtuigenbelasting omhoog.
  • Het aantal bijtellingspercentages voor privégebruik gaat van vier naar twee. Voor nulemissievoertuigen met een catalogusprijs van maximaal € 50.000 blijft de bijtelling 4%. Voor andere voertuigen gaat op termijn de bijtelling naar 22%.
  • De belasting op de aanschaf (BPM) gaat met gemiddeld 12% omlaag. De BPM wordt minder CO2-afhankelijk.
  • De plug-in hybrides worden zowel qua bijtelling als in de motorrijtuigenbelasting (MRB) en de BPM meer en meer als reguliere auto’s behandeld.

 

De in de Autobrief II opgenomen plannen worden na discussie met de Tweede Kamer opgenomen in een wetsvoorstel. Dat wetsvoorstel zal dit najaar aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

(Bron: ABAB)

 

Aangepaste regels voor verzekeringsplicht dga per 1-1-2016

Als directeur-grootaandeelhouder (dga) kunt u wel of niet verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Voor het bepalen van deze verzekeringsplicht moet u per 1 januari rekening houden met de nieuwe Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder.

Als dga bent u ook werknemer van uw bv. Het is echter vaak onduidelijk of u dan ook verplicht verzekerd bent voor de werknemersverzekeringen en de bijbehorende premies moet afdragen. Het antwoord op deze vraag vindt u in de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder. De al bestaande regeling was sinds de invoering van de flex-bv echter verouderd en is daarom aangepast. De nieuwe regeling geldt per 1 januari 2016. De bestaande regeling wordt dan ingetrokken zonder overgangsrecht.

Indirect zeggenschap mee laten wegen

De kern van de regeling is dat als een dga voldoende zeggenschap heeft over zijn bv en daardoor zijn eigen ontslag kan voorkomen, hij niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. De reden hiervoor is dat hij anders zichzelf kan ontslaan en vervolgens kan gaan genieten van een WW-uitkering. De belangrijkste wijziging is dat de regeling per 1 januari 2016 ook indirect zeggenschap mee laat wegen, dus bijvoorbeeld via een holding-bv.

(Bron: Rendement.nl)

Top 5 aandachtspunten bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

Per 1 januari 2015 is de Wet werk en zekerheid (Wwz) gefaseerd ingevoerd. De Wwz brengt verschillende gevolgen met zich mee voor het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Om ervoor te zorgen dat uw arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd voldoen aan de nieuwe wetgeving, hebben wij een top 5 van belangrijke aandachtspunten onder elkaar gezet.

 

1. Proeftijd arbeidsovereenkomst
Vanaf 1 januari 2015 mag u als werkgever in een eerste contract van zes maanden of korter geen proeftijd meer opnemen. Bij een opvolgende arbeidsovereenkomst is het opnieuw opnemen van een proeftijd mogelijk, maar alleen als er andere vaardigheden of verantwoordelijkheden, in vergelijking tot de vorige arbeidsovereenkomst, van de medewerker worden vereist.

 

2. Concurrentiebeding tijdelijk contract

Het is in principe niet meer toegestaan om een concurrentiebeding in een tijdelijk contract op te nemen. Het mag alleen nog als er sprake is van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Is dit het geval, dan moet dit expliciet in het contract worden gemotiveerd. Concurrentiebedingen in tijdelijke contracten die zijn aangegaan voor 1 januari 2015 blijven gelden.

 

3. Aanzegplicht

U bent verplicht om uw medewerkers uiterlijk één maand voordat het contract voor bepaalde tijd van rechtswege afloopt, schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de overeenkomst. Wordt een arbeidsovereenkomst voortgezet, dan moet u de medewerker informeren over de voorwaarden waaronder dit gebeurt. Als u uw medewerker niet of niet tijdig informeert, dan bent u een vergoeding van maximaal één bruto maandsalaris verschuldigd. De aanzegplicht geldt alleen voor contracten van zes maanden of langer en is verplicht als deze na 1 januari 2015 eindigen.

 

4. Ketenreeks

Vanaf 1 juli 2015 mag u een medewerker met wie u meerdere tijdelijke contracten wilt aangaan maximaal 24 maanden een tijdelijk contract aanbieden. In de oude wetgeving was dit nog 36 maanden. Het maximaal aantal tijdelijke contracten blijft drie. Let op dat bijvoorbeeld inleen van arbeid en korte tussenliggende periodes meetellen in deze reeks. Het moment waarop een vast contract aangeboden moet worden, vindt dus eerder plaats.

 

5. Onderbrekingsperiode van de ketenreeks

Onder de nieuwe wetgeving is pas sprake van een doorbreking van de ketenreeks bij meer dan 6 maanden tussen twee contracten. Waar u voorheen nog iemand ‘uit dienst kon laten treden’ om na 3 maanden weer opnieuw de keten in te gaan, wordt de keten van arbeidsovereenkomsten nu pas na 6 maanden doorbroken. De mogelijkheid om bij cao van deze onderbrekingsperiode af te wijken, is afgeschaft. Tot uiterlijk 1 juli 2016 is op grond van overgangsrecht afwijking bij cao onder omstandigheden nog mogelijk.

 

Wij adviseren u om uw arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op alle onderdelen Wwz-proof te maken. U kunt dit doen door de gevolgen voor uw onderneming in kaart te (laten) brengen en er zo mogelijk op te anticiperen.

(Bron: Abab)

Eindelijk duidelijkheid over btw-aftrekrecht van holding BV’s

Op 16 juli 2015 oordeelde het Europese Hof van Justitie dat ‘moeiende’ holdings in de basis een volledig btw-aftrekrecht hebben. Een pre pro rata is niet van toepassing. Madeleine Merkx, knowledge manager indirect tax bij Deloitte en universitair docent aan de universiteit Leiden, is blij met deze conclusie. Niet alleen omdat hieruit blijkt dat de Nederlandse wetgever de juiste visie volgt, maar ook omdat er nu meer duidelijkheid is voor de ‘moeiende’ holding die ook deelnemingen houdt waarin niet tegen vergoeding wordt gemoeid.

Voer voor discussie

Al jarenlang is er – ook in het buitenland – discussie over het btw-aftrekrecht van met name ‘moeiende’ holdings. In de Nederlandse holdingresolutie neemt de Staatssecretaris van Financiën het standpunt in dat de actieve holding die naast het houden van aandelen ook belaste ondernemersactiviteiten (management-en advieswerkzaamheden) verricht voor haar deelnemingen een volledig recht op btw-aftrek heeft – ook indien daarnaast nog aandelen worden gehouden in een deelneming waarin niet actief wordt gemoeid. Desondanks hanteert de Belastingdienst in toenemende mate een afwijkend standpunt. Eerder dit jaar lichtte Pascal Schrijver – een collega van Merkx – de verwarring toe in een artikel voor TaxLive.

Volledig btw-aftrekrecht

Aan die discussie is nu wellicht een einde gekomen, met dank aan de Duitse zaken Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt. Op 26 maart 2015 concludeerde Advocaat-Generaal Mengozzi dat wanneer een ‘moeiende’ holding naast het houden van aandelen ook tegen betaling btw-belaste diensten verricht aan deze dochterondernemingen, er geen beperking is van het recht op btw-aftrek. Er hoeft geen tweedeling te worden gemaakt tussen niet-economische activiteiten (houden van aandelen) en economische activiteiten (moeien in het beheer van de deelnemingen). Deze conclusie is destijds uitgebreid becommentarieerd door Merkx op TaxLive.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal en komt kort gezegd tot het eindoordeel dat er geen aftrekbeperking is voor de ‘moeiende’ holding voor zover deze tegen vergoeding diensten verricht aan de deelneming. Een dergelijke holding oefent een economische activiteit uit. Hierdoor maken bijvoorbeeld aankoopkosten om een deelneming te verwerven deel uit van de algemene kosten waarover btw volledig kan worden afgetrokken, tenzij de holding vrijgestelde prestaties verricht.

Duidelijkheid

Merkx geeft aan dat het HvJ EU hiermee de visie van de Nederlandse Belastingdienst  bevestigt. “Dat is positief nieuws, want zou er wel een splitsing moeten worden gemaakt (pre pro rata) tussen niet-economische en economische activiteiten – zoals de Duitse rechter wenste te vernemen – dan zouden héél wat holdingmaatschappijen alsnog te maken  krijgen met een beperking van de btw-aftrek. Nu is definitief duidelijk dat een ‘moeiende’ holding de btw op aankoopkosten van de deelneming, op kapitaalverwervingskosten en op kosten gemaakt gedurende de periode dat de aandelen worden gehouden in aftrek kan brengen.”

Toegift

Overigens is er wel een btw-aftrekbeperking wanneer de ‘moeiende’ holding ook deelnemingen houdt waarin niet tegen vergoeding wordt gemoeid. Daarin schept het HvJ EU nu ook duidelijkheid. Merkx is blij met deze ‘toegift’. “Het Hof geeft aan dat wanneer een ‘moeiende’ holding zowel  deelnemingen houdt waarvoor tegen vergoeding btw belaste diensten worden verricht als deelnemingen houdt  waarbij dat niet plaatsvindt (enkel aandelenbezit zonder bemoeienis), de aftrek van btw op kosten dan wel beperkt is. Aan de hand van verdeelcriteria moeten lidstaten voorzien in een berekeningsmethode om de btw op kosten toe te rekenen aan de economische activiteit van het houden van een actieve deelneming waaraan belastbare diensten worden verricht en de niet-economische activiteit van het louter houden van aandelen. Het Hof spreekt van een verdeelsleutel volgens het soort investering, hetzij een verdeelsleutel volgens het soort handeling, hetzij een andere passende verdeelsleutel. Ook hier zit de Nederlandse wetgever op één lijn met het Hof. In een aftrekbesluit van 25 november 2011 (BLKB 2011/641M) zijn in ieder geval enkele globale aanwijzingen voor een verdeelsleutel opgenomen.”

Aanpassing holdingresolutie

Nu er door de Duitse zaken Larentia + Minerva en Marenave Schiffahrt meer duidelijkheid is gekomen over het btw-aftrekrecht voor de ‘moeiende’ holding, verwacht Merkx dat Financiën op korte termijn de holdingresolutie zal aanpassen om het standpunt rondom btw-aftrekrecht te verduidelijken en mogelijk ook om aanwijzingen te geven voor de berekening van de te hanteren verdeelsleutel voor de holding die gedeeltelijk ook deelnemingen houdt zonder daarvoor belastbare prestaties te verrichten.  “Met een aanpassing van de holdingresolutie weet iedere holding weer waar die aan toe is. Dit zal wel een impact hebben op de gedeeltelijk ‘passieve’ holding die nu door tegenstrijdig beleid en jurisprudentie de volledige btw in aftrek brengt. De vraag die dan nog openstaat, is wanneer een dergelijke holding zich niet meer kan beroepen op de bestaande resolutie. Wellicht biedt ook hier een nieuw besluit uitkomst.”

(Bron: Taxlive)

Nieuwe regels verzekeringsplicht dga

De regels voor de bepaling van de verzekeringsplicht van statutair bestuurders van bv’s en nv’s worden vanaf 1 januari 2016 vernieuwd. Vanaf die datum moet u rekening houden met de nieuwe Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder. 

Door wijzigingen van het bv-recht per 1 oktober 2012 sloten de criteria niet meer aan bij de nieuwe statutaire regelingen voor benoeming en ontslag van statutair bestuurders. Ook is de regeling vernieuwd vanwege ontwikkelingen in de jurisprudentie en geldt net als de huidige regeling alleen voor bestuurders die zijn ingeschreven in het handelsregister.

Het uitgangspunt is dat een directeur-grootaandeelhouder (dga) verzekerd is voor de werknemersverzekeringen, als hij onder de feitelijke macht van de algemene vergadering valt. Beslissend daarvoor is of de dga op grond van de statutaire regeling kan besluiten over zijn ontslag.

Ook dga’s die met hun echtgenoot een beslissende stem hebben over hun ontslag, zijn niet verzekerd. In de nieuwe regeling is ook geregeld dat dga’s die met familieleden zo’n beslissende stem hebben, niet verzekerd zijn. Daarom zullen vanaf 1 januari 2016 méér dga’s niet meer verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekering dan onder de huidige regeling.

De regeling van nevengeschikte dga’s blijft van kracht. Dat zijn statutair bestuurders die formeel hun eigen ontslag niet tegen kunnen houden, maar een (nagenoeg) gelijk belang in de vennootschap hebben als de andere statutair bestuurders.

Check statuten

Kijk dit jaar de huidige statutaire regeling over de benoeming en ontslag van bestuurders na en of u in het handelsregister staat ingeschreven als statutair bestuurder. Waarschijnlijk hoeft het meerendeel van de statuten door deze nieuwe regels niet worden aangepast.

 

(Bron: Rsmniehelanceekooij)

A-G Szpunar: douaneschuld bij onttrekking als goederen niet zijn aangebracht en bescheiden niet worden overgelegd

Advocaat-generaal Szpunar concludeert dat een douaneschuld wegens onttrekking aan het douanetoezicht ontstaat wanneer de onder de regeling extern douanevervoer geplaatste goederen niet op het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht en de vereiste bescheiden niet worden overgelegd.

B&S Global Transit Center bv doet elektronisch aangifte tot plaatsing van goederen onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer. Als de noodzakelijke terugzendingsexemplaren dan wel de elektronische terugmeldingen van de kantoren van bestemming niet worden ontvangen, reikt de inspecteur uitnodigingen tot betaling van douanerechten en btw uit aan B&S bv. Volgens de inspecteur kan de regeling extern communautair douanevervoer namelijk niet als beëindigd worden beschouwd. X bv overlegt vervolgens bescheiden waaruit blijkt dat de goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht en dat de goederen het grondgebied van de Europese Unie hebben verlaten. Hof Amsterdam oordeelt dat de door X bv overgelegde bescheiden en verklaringen niet voldoen aan de dwingend voorgeschreven voorwaarden die de UCDW stellen aan het bewijs voor de beëindiging van het douanevervoer. Volgens het hof is er dan ook sprake van een onttrekking in de zin van art. 18 lid 1 onderdeel c Wet OB 1968. Het gelijk is aan de inspecteur. De Hoge Raad besluit tot het stellen van prejudiciële vragen in deze zaak.

Advocaat-generaal (A-G) Szpunar concludeert dat op grond van art. 203 CDW een douaneschuld wegens onttrekking aan het douanetoezicht ontstaat wanneer onder de regeling extern douanevervoer geplaatste goederen het douanegebied van de EU verlaten. Dit geldt echter alleen wanneer de goederen niet op het douanekantoor van bestemming zijn aangebracht en de vereiste bescheiden niet worden overgelegd.

(Bron: Taxlive)

Na 2008 betaalde alimentatie niet aftrekbaar in 2008 maar wel schuld in box III

X betaalde via een loonbeslag tussen januari en april 2008 € 3.794 alimentatie aan zijn ex-echtgenote Y. Op 1 mei 2008 ging X met pensioen en eindigde het loonbeslag. In 2009 vorderde Y met terugwerkende kracht alimentatie van X vanaf 1 mei 2008. Zij liet daarvoor beslag leggen op de pensioenuitkeringen van X. Op grond daarvan werd na 2008 alsnog € 8.575 alimentatie betaald over mei tot en met december 2008. In zijn aangifte IB 2008 trok X het totale bedrag van € 12.369 aan alimentatie af. De inspecteur weigerde echter de aftrek van € 8.575 omdat dit bedrag niet in 2008 was betaald. Hof Den Bosch was het hiermee eens. Op grond van artikel 6.40 Wet IB 2001 kwamen uitgaven voor persoonsgebonden aftrekposten in aanmerking voor aftrek op het tijdstip waarop zij betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend waren geworden. De alimentatie was niet in 2008 betaald, verrekend of ter beschikking gesteld. Een beslaglegging die gepaard ging met kosten, leidde volgens het Hof niet tot het rentedragend worden van uitgaven in de zin van artikel 6.40 Wet IB 2001. De alimentatieverplichting van X tegenover Y vormde volgens het Hof wel een schuld als bedoeld in artikel 5.3, lid 3, Wet IB 2001. Het Hof stelde het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in box III daarom vast op nihil en verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

(Bron: FUTD)