Pro rata-methode geldt ook bij verlegging

Rechtbank Den Haag bevestigt dat bij de berekening van de aftrekbare voorbelasting men de pro rata-methode niet alleen moet toepassen op gefactureerde btw, maar ook op verlegde btw.

In deze zaak had een lichaam facturen ontvangen van twee beheermaatschappijen voor het verrichten van managementdiensten. De btw over de managementfees was verlegd. Het lichaam meende dat de managementfees moesten worden aangemerkt als kosten zonder omzetbelasting. De verlegde btw zou daardoor volledig aftrekbaar zijn. Maar de rechtbank wees dit standpunt af. Ook voor verlegde btw geldt de pro rata-methode. Het lichaam moest deze methode toepassen omdat het zowel belaste als vrijgestelde prestaties verrichtte en de beheerswerkzaamheden op al deze prestaties zag.

(Bron: Taxence)

Beëindiging tbs leidde niet tot overgang pand naar box III

X kocht in april 2005 een kantoorpand dat was verhuurd aan BV A, waarin hij indirect een a.b. had. Vanaf de aanschaf van het pand verrichtte X al het klein en groot onderhoud zelf in eigen beheer. Uitsluitend hoog specialistisch werk besteedde hij uit. Vanaf september 2008 verhuurde X een deel van het pand aan BV B, waarin hij ook een a.b. had. Die huur werd in de loop van 2010 beëindigd, als gevolg van het faillissement van BV B. Ook de huurovereenkomst met BV A werd in 2010 beëindigd, waarna X het pand verbouwde om er goed verhuurbare bedrijfsunits van te maken. Vervolgens verhuurde hij met ingang van 1 oktober 2010 een deel van het pand aan D en met ingang van 1 december 2010 een ander deel aan E. In zijn aangifte IB 2010 bracht X een negatief terbeschikkingstellingsresultaat van € 37.205 in aftrek. De inspecteur corrigeerde de aangifte en stelde dat in verband met het faillissement van BV B per augustus 2010 sprake was van beëindiging van de tbs van het pand. Hij nam een boekwinst op het pand in aanmerking en liet een deel van de kosten die verband hielden met de tbs niet in aftrek toe. Hof Den Haag besliste dat de werkzaamheden die X vanaf de aanschaf van het pand had verricht, kwantitatief en kwalitatief van dien aard waren dat sprake was van werkzaamheden die normaal, actief vermogensbeheer overstegen. Er was sprake van een werkzaamheid in de zin van artikel 3.91, lid 1, onderdeel c, Wet IB 2001. Vanaf de aanschaf van het pand was het regime van het belastbaar inkomen uit werk en woning (box I) van toepassing. In dit geval prevaleerde volgens het Hof artikel 3.91, lid 1, onderdeel c, boven artikel 3.92, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001 omdat de laatstgenoemde bepaling een uitbreiding beoogde van de categorie resultaat uit overige werkzaamheden en slechts van toepassing was als was voldaan aan formele criteria, terwijl de toepasselijkheid van eerstgenoemde bepaling afhing van de aard en omvang van de door X feitelijk verrichte werkzaamheden. Ook na 1 augustus 2010 was X met de werkzaamheden doorgegaan. Een stakingsmoment van de werkzaamheden in de zin van artikel 3.91, lid 1, onderdeel c, Wet IB had niet plaatsgevonden. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

(Bron: FUTD)

Doorschuifverklaring geldig, geen BPM

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde vorig jaar dat een ondernemer wiens bestelauto, ruim na de verkoop van zijn onderneming, op naam van koper werd gesteld, de naheffingsaanslag BPM gewoon moest betalen. Hof Den Bosch oordeelde onlangs anders.

Als ondernemer met een bestelauto met grijs kenteken moet men vijf jaar aan de voorwaarden van de grijskentekenregeling voldoen om niet geconfronteerd te worden met een naheffingsaanslag BPM. Verkoopt de ondernemer de auto voor dat de vijfjaarstermijn is verstreken aan een andere ondernemer die gebruik kan maken van de grijskentekenregeling, dan ontloopt de ondernemer de naheffingsaanslag BPM. Men moet de auto dan middels van een doorschuifverklaring overdragen. Zit er echter een te lange tijd tussen de bedrijfsoverdracht per 1 juli 2012 (de auto hoort tot de bedrijfsboedel) en de auto op naam van de koper zetten, dan vindt de inspecteur dat er toch BPM moet worden betaald en Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het daar mee eens.
De auto van de ondernemer, eigendom van een leasemaatschappij, wordt uiteindelijk op 23 maart 2013 op naam van de nieuwe eigenaar gezet. Deze heeft, sinds 1 juli 2012, in het kader van zijn onderneming gebruik gemaakt van de bestelauto. Volgens de verkoper is de vertraging van de formele overdracht van de auto te wijten aan de leasemaatschappij. Het hof vindt dat de verkoper voldoende heeft aangetoond dat hij er alles aan heeft gedaan om de auto zo snel mogelijk te laten overschrijven. Aan alle overige vereisten is voldaan. De naheffingsaanslag wordt vernietigd.

(Bron: SDU)

Vereniging van effectenbezitters kreeg geen BTW-aftrek voor juridische acties

Vereniging X behartigde de belangen van effectenbezitters en bevorderde effectenbezit. Zij voerde in dat kader ook collectieve juridische acties tegen bedrijven die volgens haar schade hadden toegebracht aan de belangen van beleggers. Wanneer een juridische actie uitmondde in een schikking met het desbetreffende bedrijf, ontvingen de beleggers (door tussenkomst van X) een compensatie van dat bedrijf. De juridische acties werden door X op eigen initiatief gestart. Zij ontving hiervoor geen aparte vergoeding van haar leden of van derden. X bracht de voorbelasting die aan haar in rekening was gebracht voor het voeren van de juridische acties in aftrek. Het betrof nagenoeg uitsluitend BTW op de kosten van extern ingewonnen juridisch advies en kosten van advocaten voor het voeren van procedures. De inspecteur weigerde de aftrek. Rechtbank Den Haag was het daarmee eens. X ontving voor de juridische acties geen aparte vergoeding van haar leden. De contributie die de leden betaalden, stond niet in rechtstreeks verband met de juridische acties. Het uitvoeren van de juridische acties was volgens de Rechtbank uitsluitend een vorm van collectieve belangenbehartiging zonder dat daartegenover een vergoeding stond. X verrichtte met de juridische acties geen handelingen die waren onderworpen aan BTW en de kosten werden niet gemaakt voor belaste handelingen. De kosten van de juridische acties konden volgens de Rechtbank ook niet worden aangemerkt als algemene kosten die waren gemaakt met het oog op de versterking van de algemene economische activiteit van X, omdat geen rechtstreeks en noodzakelijk verband bestond tussen de kosten van de juridische acties en de gehele economische activiteit. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

(Bron: FUTD)

De toerekening van fiscale missers aan de rechtspersoon

Het strafrecht heeft een toenemende invloed op de reikwijdte van het fiscale boeterecht. Die ontwikkeling gaat niet zo ver dat de strafrechtelijke regels en beginselen onverkort van toepassing zijn op een fiscale (vergrijp)boete. Wel zoekt de Belastingkamer van de Hoge Raad aansluiting bij het strafrecht voor de uitleg van het punitieve bestuursrecht. Het streven naar rechtseenheid is recentelijk benadrukt in een uitspraak van de Hoge Raad over de fiscaal boeterechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon. Daaruit volgt dat fiscale fouten van een medewerker in beginsel aan de belastingplichtige rechtspersoon worden toegerekend, maar dat dit niet zonder meer opgaat voor het bij die medewerker aanwezige opzet of grove schuld. De zorgplicht van de rechtspersoon speelt in dat kader een belangrijke rol.

Bij fiscale vergrijpboetes gold voorheen als uitgangspunt dat de opzet of grove schuld van een adviseur aan de belastingplichtige werd toegerekend, tenzij de belastingplichtige aantoonde dat hij in redelijkheid niet behoefde te twijfelen aan de adviezen of mededelingen van de adviseur. Een vergelijkbare rechtsregel was van toepassing op fiscale onjuistheden van een werknemer. Door de toerekening van opzet of grove schuld lag het bewijsrisico in voorkomend geval bij de belastingplichtige: als er opzet of grove schuld aannemelijk was gemaakt bij een derde, dan diende de belastingplichtige aan te tonen dat hij erop mocht vertrouwen dat die derde zijn fiscale belangen op correcte wijze behartigde.

 

In 2006 is de Hoge Raad op deze rechtsregel teruggekomen: in overeenstemming met het strafrecht heeft hij in het fiscale boeterecht een einde gemaakt aan de toerekening van opzet of grove schuld van een adviseur of werknemer aan de belastingplichtige. Nadrukkelijk heeft de Hoge Raad daarbij aangetekend dat de zorgplicht van de belastingplichtige een belangrijke rol speelt bij de beantwoording van de vraag of de belastingplichtige zelfstandig een verwijt kan worden gemaakt.

 

Toerekening verboden gedraging versus verwijtbaarheid

De onmogelijkheid van toerekening aan de belastingplichtige van opzet of grove schuld van een ander ligt genuanceerder als de belastingplichtige een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan immers naar zijn aard enkel door middel van natuurlijke personen optreden, zodat het in beginsel redelijk is om gedragingen van een medewerker voor rekening en risico van de rechtspersoon te laten komen. In het strafrecht kan een rechtspersoon daarom worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit als de desbetreffende gedraging of nalatigheid redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend.

 

Wanneer in redelijkheid een gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Van belang daarbij is onder meer of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden en/of de rechtspersoon de vereiste zorg heeft betracht ter voorkoming van de verboden gedraging. Los van deze beoordeling komt bij een misdrijf de vraag aan de orde of de rechtspersoon opzet of grove schuld valt te verwijten. Anders gezegd: de omstandigheid dat een verboden gedraging van een medewerker in redelijkheid aan de rechtspersoon wordt toegerekend, betekent op zichzelf niet dat het bij die medewerker aanwezige opzet ook aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

 

De zorgplicht van de rechtspersoon

De Belastingkamer van de Hoge Raad heeft in een uitspraak van 29 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1360) geoordeeld dat bovengenoemd onderscheid ook in het fiscale boeterecht van toepassing is. Het antwoord op de vraag of een belastingplichtige rechtspersoon opzet of grove schuld valt te verwijten, hangt aldus af van verschillende factoren, waaronder de interne organisatie en de taak en verantwoordelijkheid die aan de medewerker zijn toebedeeld. Algemeen gesteld zal van verwijtbaarheid eerder sprake zijn bij een bestuurder dan wanneer het opzettelijk of grof schuldig handelen door een ‘ondergeschikte medewerker’ heeft plaatsgevonden.

 

In de zaak waar de Hoge Raad zich over boog, had een administratief medewerker van de belastingplichtige rechtspersoon grof schuldig onjuiste aangifte loonheffingen namens de rechtspersoon gedaan. Hoewel de verboden gedraging van de medewerker – het feit dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven – werd aangemerkt als gedraging van de rechtspersoon, kon de grove schuld van die medewerker volgens de Hoge Raad niet aan de rechtspersoon worden toegerekend. In dat verband achtte hij van belang de zorg die de rechtspersoon had betracht bij het opdragen van de werkzaamheden aan de medewerker, het ontbreken van redelijke gronden voor twijfel aan een behoorlijke taakvervulling door die medewerker en de periodieke controle van de loonadministratie van de rechtspersoon door een externe accountant. De aan de belastingplichtige rechtspersoon opgelegde fiscale vergrijpboete werd daarom vernietigd.

 

Uitleg Hoge Raad

De zorgplicht lijkt in de uitleg van de Belastingkamer van de Hoge Raad derhalve een belangrijke rol te spelen bij de invulling van de opzet of grove schuld van de rechtspersoon en niet zozeer bij de toerekening van de verboden gedraging of nalatigheid. In de context van de boeterechtelijke aansprakelijkheid van een rechtspersoon, waarbij gebruik wordt gemaakt van een toerekeningsconstructie, had het echter meer voor de hand gelegen om toerekening van de verboden gedraging aan de belastingplichtige rechtspersoon uit te sluiten, als de rechtspersoon de zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem kon worden gevergd ter voorkoming van die gedraging. Eisen wat in redelijkheid niet gevergd kan worden komt immers per definitie neer op een onredelijke toerekening.

(Bron: Taxence)

Met aankondiging van correctie was voldaan aan kenbaarheidseis 30%-fictie

X was eigenares van een bedrijfspand dat zij verhuurde aan de BV waarvan haar echtgenoot alle aandelen in handen had. In haar aangiften IB 2008 en 2009 nam zij dit pand op in box III, maar naar aanleiding van een boekenonderzoek bij de BV stelde de inspecteur dat het bedrijfspand in box I viel en dat hij haar aangiften zou corrigeren. De aanslagen werden echter geautomatiseerd en conform de aangiften opgelegd. De behandelende ambtenaren hadden nagelaten de aangiften over 2008 en 2009 te blokkeren in het traject van geautomatiseerde afdoening en verwerking van de aangiften. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat ofschoon de te weinig geheven belasting meer bedroeg dan 30% van de verschuldigde belasting, de inspecteur niet kon navorderen. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak en wees de zaak terug om de vraag te beantwoorden of sprake was van een fout die voor X redelijkerwijs kenbaar was. Het Hof besliste dat X bij de ontvangst van de aanslag voor 2008, waarbij de aangifte met betrekking tot de allocatie van het pand was gevolgd, moest hebben begrepen dat een fout was gemaakt en dat de aanslag op dit punt afweek van wat de inspecteur had willen regelen. Dit gold volgens het Hof ook voor de aanslag voor 2009. Voor die aanslag kwam daar nog bij dat de inspecteur uitdrukkelijk had laten weten dat hij van plan was van de aangifte af te wijken en de opbrengst verminderd met de kosten in de heffing te betrekken als inkomsten door het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen. Na ontvangst van die brief kon X bij de ontvangst van de aanslag voor 2009 niet anders dan zien dat bij de aanslagregeling een fout was gemaakt. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

(Bron: FUTD)

Drempelbedrag afstandsverkopen niet overschreden: plaats waar verzending aanvangt is plaats van levering

De Hoge Raad oordeelt dat, totdat het drempelbedrag wordt overschreden, de plaats van levering bij afstandsverkopen wordt bepaald door de hoofdregel van art. 5 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968. Nu het drempelbedrag niet is overschreden is art. 5a lid 1 Wet OB 1968 niet van toepassing op de afstandsverkopen.

X bv handelt vanuit Nederland in kleding en bijbehorende accessoires. X bv verkoopt deze artikelen onder meer via een webwinkel. Tot de clientèle behoren ook particulieren in Duitsland. Naar aanleiding van een controle legt de inspecteur een btw-naheffingsaanslag op aan X bv. X bv stelt dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met een door haar voldaan bedrag aan btw, omdat dat bedrag betrekking zou hebben op door haar, via haar webwinkel aan particuliere afnemers in Duitsland, verkochte en afgeleverde artikelen. Hof Amsterdam oordeelt dat X bv het bedrag niet in mindering kan brengen. Het hof wijst er hierbij op dat in het eerste kwartaal van 2010 het drempelbedrag van € 100.000 nog niet was overschreden. Volgens het hof kan art. 5a Wet OB 1968 dan niet worden toegepast voor die verkopen, omdat de plaats van levering pas na het bereiken van het drempelbedrag wordt verlegd van Nederland naar het land van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen. X bv stelt in cassatie dat gedurende het jaar 2010 het drempelbedrag van € 100.000 is overschreden, zodat ook in het eerste kwartaal geen btw is verschuldigd.

De Hoge Raad oordeelt dat, totdat het drempelbedrag wordt overschreden, de plaats van levering bij afstandsverkopen wordt bepaald door de hoofdregel van art. 5 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968. De plaats van levering wordt dan bepaald door de plaats waar de verzending of het vervoer aanvangt. Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat het drempelbedrag in het eerste kwartaal van 2010 niet is overschreden, zodat art. 5a lid 1 Wet OB 1968 niet van toepassing is op de afstandsverkopen uit het eerste kwartaal van 2010. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof.

(Bron: Taxlive)

Betalingen van inlener aan Belastingdienst verminderen aansprakelijkstelling niet

Hof Den Haag oordeelt in hoger beroep dat de betalingen die aan de Belastingdienst zijn verricht onder de vermelding van “bet.reg” (betalingsregeling) en het fiscale nummer van de inlener terecht zijn afgeboekt op de oudste openstaande aanslagen.

Belanghebbende, X bv, exploiteert een onderhoudsbedrijf en maakt gebruik van personeel van een schildersbedrijf. Dit bedrijf heeft over mei 2010 tot en met januari 2011 wel LB-aangiften ingediend, maar niks afgedragen. Voor juli en augustus 2010 zijn wel btw-aangiften ingediend, maar er is niks afgedragen. De vervolgens opgelegde naheffingsaanslagen zijn ook niet betaald. In 2011 gaat het schildersbedrijf failliet. In geschil is of X bv terecht aansprakelijk is gesteld voor de naheffingen. X bv stelt dat de aansprakelijkstelling moet worden verminderd vanwege de betalingen die zij namens het schildersbedrijf aan de Belastingdienst heeft gedaan. Volgens Rechtbank Den Haag zien de betalingen echter op andere tijdvakken dan waarvoor X bv aansprakelijk is gesteld, zodat deze terecht niet afgeboekt op de aansprakelijkstelling. X bv gaat in hoger beroep. Hof Den Haag oordeelt dat de betalingen die zijn verricht onder de vermelding van “bet.reg” (betalingsregeling) en het fiscale nummer van het schildersbedrijf terecht zijn afgeboekt op de oudste openstaande aanslagen. Dit is conform art. 7 Inv. 1990 en de Leidraad Invordering 2008. Het standpunt van X bv dat de ontvanger de betalingen had moeten afboeken op de naheffingsaanslagen voor de niet-betaling waarvoor X bv aansprakelijk is gesteld, vindt geen steun in het recht. Het beroep van X bv is ook voor het overige ongegrond.

(Bron: Taxlive)

BV bij verhuur van buurpand van pa slechts doorgeefluik: geen tbs-regeling

Vader Z was eigenaar van en woonde in een twee-onder-een-kap-woning. Z bezat via zijn holding-BV C de helft van de aandelen in beleggings-BV B. Zoon X en zijn broer hadden ieder één preferent aandeel in BV C. De rest van de aandelen was in handen van Z. In 2001 kocht BV C de buurwoning onder dezelfde kap voor € 397.057 en verkocht die voor dezelfde prijs door aan X. X financierde de aankoop met een hypotheek van de bank en loste de lening af met schenkingen van Z. Vanaf 1 juni 2002 verhuurde X het pand aan BV C. De twee woningen werden vervolgens verbouwd. BV C bracht de huur ten laste van de winst. X gaf het pand aan in box III. Naar aanleiding van een controle bij BV C stelde de inspecteur dat de tbs-regeling aan de orde was. Hij belastte de huurinkomsten van € 43.560 als resultaat uit overige werkzaamheden. X ging in beroep. Hij stelde dat het pand niet ter beschikking was gesteld aan BV C maar aan zijn vader in privé. Z gebruikte het pand als eigen woning en de werkkamer in de woning werd ook gebruikt voor werkzaamheden voor BV B. Volgens X werden in het pand voor BV C geen of nauwelijks werkzaamheden verricht. Hof Den Haag stelde X in het gelijk. Volgens het Hof had X het pand in feite ter beschikking heeft gesteld aan zijn vader in privé, waarbij BV C als “doorgeefluik” fungeerde. Hieraan deed niet af dat X met betrekking tot het pand een huurovereenkomst met BV C had gesloten, omdat uit de wetgeschiedenis volgde dat voor het begrip “ter beschikking stellen” een economische benadering moest worden gevolgd. Het Hof vernietigde de navorderingsaanslag.

(Bron: FUTD)

Branchevoorwaarden en ‘eigen’ algemene voorwaarden

Branchevoorwaarden en ‘eigen’ algemene voorwaarden

Maakt u gebruik van branchevoorwaarden en heeft u tevens een ‘eigen’ set van algemene voorwaarden? Let dan goed op bij het van toepassing verklaren van deze algemene voorwaarden. Als dit niet op de juiste wijze gebeurt, kan dit zeer vervelende consequenties hebben.
Veel brancheorganisaties hebben, als service voor hun leden, algemene voorwaarden opgesteld. Binnen veel branches is het gebruikelijk deze te hanteren. Dit heeft als voordeel dat, zowel binnen als buiten de betreffende branche, bekend is onder welke voorwaarden in het algemeen wordt gecontracteerd.
Het komt echter met regelmaat voor dat een ondernemer naast de branchevoorwaarden ook eigen algemene voorwaarden wil hanteren, omdat daarin voorwaarden staan die meer specifiek zien op zijn onderneming. Helaas wijst de praktijk uit dat het gebruik van twee sets algemene voorwaarden regelmatig tot problemen leidt.

Branchevoorwaarden of eigen algemene voorwaarden

Als de gebruiker van algemene voorwaarden op de offerte of opdrachtbevestiging vermeldt dat branchevoorwaarden of eigen algemene voorwaarden van toepassing zijn, gaat het direct verkeerd. De Hoge Raad heeft in dat geval beslist dat geen van beide voorwaarden van toepassing zijn. Dit kan ook niet achteraf worden hersteld door alsnog een van beide van toepassing te verklaren.
Als geen van beide voorwaarden van toepassing is, kan dit vergaande gevolgen hebben. In algemene voorwaarden is doorgaans een artikel opgenomen dat de aansprakelijkheid beperkt. Als de voorwaarden echter niet van toepassing zijn en een leverancier een product levert dat niet aan de gestelde eisen blijkt te voldoen, is de leverancier onbeperkt aansprakelijk voor de schade die de afnemer lijdt. Dus in beginsel ook voor gevolgschade, doordat bijvoorbeeld de productie van de afnemer een periode stil ligt.

Branchevoorwaarden en eigen algemene voorwaarden

Als de gebruiker op de offerte of opdrachtbevestiging vermeldt dat de branchevoorwaarden en de eigen algemene voorwaarden van toepassing zijn, kan dit ook tot problemen leiden. De voorwaarden zullen immers niet identiek zijn.
Welke voorwaarden zijn van toepassing indien deze onderling afwijkende en/of tegenstrijdige bepalingen bevatten? Een voorbeeld hiervan is de situatie dat bij een geschil tussen partijen de branchevoorwaarden een vorm van arbitrage voorschrijven en de eigen algemene voorwaarden een gang naar de gewone rechter.
Welke voorwaarden in dat geval van toepassing zijn, is niet eenvoudig aan te geven. De rechter zal tot een oordeel moeten komen over wat partijen over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden en wat zij van elkaar mochten verwachten.
Onlangs heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter bij de beantwoording van die vraag, gewicht kan toekennen aan de wijze waarop de voorwaarden van toepassing zijn verklaard. In de betreffende zaak stond de verwijzing naar de eigen algemene voorwaarden standaard op het briefpapier voorgedrukt. In het gedeelte dat per transactie moest worden ingevuld, stond de verwijzing naar deze laatste voorwaarden. Dit leidde tot het oordeel dat de branchevoorwaarden van toepassing waren.

Twee sets van voorwaarden wenselijk

Uit voorstaande blijkt dat het gebruik van twee sets van algemene voorwaarden tot onduidelijkheden en zelfs tot vergaande problemen kan leiden. Een ondernemer die gebruik maakt van twee sets, doet er dan ook goed aan om te bekijken of het überhaupt wenselijk en/of noodzakelijk is om beide voorwaarden naast elkaar te blijven gebruiken. In veel gevallen is het door het formuleren van een paar uitzonderingen op de branchevoorwaarden mogelijk om niet ook nog eens met een set eigen algemene voorwaarden te werken. Uiteraard moeten deze uitzonderingen zorgvuldig worden geformuleerd en van toepassing worden verklaard.

(Bron: Pellicaan)