Op 14 oktober jl heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over verrekening van uitkeringskosten in het primair onderwijs. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verrekenen van uitkeringskosten met de bekostiging, zonder nader onderzoek naar de juistheid van de opgave over de uitkeringskosten door het Participatiefonds, in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht.
Wat is er gebeurd?
DUO heeft bij een schoolbestuur in meerdere schooljaren uitkeringen in mindering gebracht op de bekostiging. Dit betreft de uitkeringen in het kader van de Werkloosheidswet (WW) en de bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen (BW) van één of meerdere ex-werknemers. In normale gevallen betaalt het Participatiefonds de uitkeringskosten aan ontslagen werknemers. Als echter door het Participatiefonds is besloten dat de ontslagprocedure niet voldoet aan het reglement, of wanneer stukken te laat worden ingeleverd, brengt DUO de betreffende uitkeringskosten in rekening bij het schoolbestuur.
Schoolbesturen hebben niet direct inzicht in de opbouw van het bedrag dat wordt ingehouden. Daarnaast komt het wel eens voor dat er onterecht uitkeringskosten worden toegerekend aan een schoolbestuur. In dit geval heeft het schoolbestuur bezwaar ingediend tegen de inhouding van de bekostiging. Dit bezwaar heeft uiteindelijk geleid tot een rechtszaak. Daarin kwam naar voren dat DUO zonder meer uitgaat van de juistheid van de door het Participatiefonds geleverde gegevens. DUO controleert dus niet welke beslissingen het UWV heeft genomen over het recht op uitkering en of deze juist zijn. Daarnaast wordt niet gecontroleerd of de bedragen correct zijn.
Wat betekent deze uitspraak?
De rechtbank heeft nu aangegeven dat DUO onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn onderzoeksplicht. Hierdoor worden de door DUO afgegeven beschikkingen vernietigd. DUO wordt door de rechtbank wel in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen, of andere besluiten te nemen. Hiervoor heeft DUO 8 weken de tijd, tenzij verlenging wordt aangevraagd.
Moet ieder schoolbestuur nu actie ondernemen?
Wij adviseren om, in het geval dat uitkeringen in mindering worden gebracht op de bekostiging, op basis van het Overzicht Financiële Beschikkingen (OFB) en de onderliggende gegevens, die met behulp van de inlog in DUO zakelijk kunnen worden achterhaald, te controleren op welke ex-werknemer(s) de inhoudingen betrekking hebben. Daarnaast kunt u informatie opvragen bij het UWV en WWplus voor de reden van het niet vergoeden van de uitkering door het participatiefonds. Bent u het niet eens met de inhouding, dien dan tijdig bezwaar in op de beschikking. Let hierbij op de bezwaartermijn van zes weken.
Er is een tekort aan schoolleiders in het primair onderwijs (po). Een goede schoolleider is belangrijk voor een goed schoolklimaat, voor ontwikkeling van de school, en voor goede docenten en leerlingen die kunnen leren en zichzelf kunnen ontwikkelen. Daarom kan een tekort aan schoolleiders negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van het onderwijs.
Zowel in het coalitieakkoord als in het onderwijsakkoord Samen voor het beste onderwijs staat de ambitie om het tekort aan schoolleiders van 12,9% in het po te verminderen. De subsidieregeling Instroom schoolleiders po van buiten het onderwijs is bedoeld om besturen in het po te stimuleren om schoolleiders van buiten het onderwijs te werven.
Voor wie
Een schoolbestuur kan een tegemoetkoming aanvragen voor de kosten van de opleiding, begeleiding en studieverlofkosten van een instromer buiten het onderwijs die schoolleider wil worden en daarvoor een van de schoolleidersopleidingen volgt die in de bijlage van de regeling zijn opgenomen.
De subsidieregeling definieert schoolleiders van buiten het onderwijs als personen die de afgelopen 3 jaar niet in het onderwijs hebben gewerkt als intern begeleider, onderwijsassistent, leraar, schoolleider of adjunct-schoolleider.
Ook schoolbesturen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen deze tegemoetkoming aanvragen.
Belangrijke voorwaarden
De instromer heeft een aanstelling bij het bestuur.
Bij de aanvraag stuurt het bestuur een begroting mee.
De instromer staat ingeschreven bij een van de opleidingen zoals genoemd in de bijlage van de subsidieregeling, en de startdatum van de opleiding mag niet ouder zijn dan 6 maanden.
Het bestuur en de instromer hebben afspraken gemaakt over onder meer de begeleiding van de instromer, het studieverlof en de verdeling van de kosten.
Een bevoegd gezag mag voor meerdere instromers een tegemoetkoming aanvragen, maar per instromer kent DUS-I maximaal 1 tegemoetkoming toe.
Alleen een directeur of bestuurder kan de tegemoetkoming aanvragen. Is dat niet mogelijk? Dan gebruikt u het machtigingsformulier.
Hoogte tegemoetkoming en budget
De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 20.000 per instromer. Het uitgangspunt is dat een opleiding maximaal 1 jaar duurt. Wij stellen de tegemoetkoming direct vast en maken het bedrag in één keer over.
Voor deze regeling is € 550.000 budget beschikbaar voor kalenderjaar 2022. Voor kalenderjaren 2023 en 2024 is per kalenderjaar € 2 miljoen budget beschikbaar.
Tegemoetkoming aanvragen
Het bevoegd gezag kan een tegemoetkoming aanvragen van 1 september tot en met 15 oktober 2022. Op 16 oktober 2022 start een nieuwe aanvraagronde. Wij kennen de tegemoetkoming toe op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Bij de aanvraag moet u de volgende documenten meesturen:
Een bewijs dat de instromer een aanstelling heeft bij het bevoegd gezag.
Een officieel inschrijfbewijs van de instromer bij de opleiding die niet ouder is dan 6 maanden.
Een verklaring waaruit blijkt dat het bevoegd gezag en de instromer waarvoor subsidie wordt aangevraagd een overeenkomst hebben gesloten. In artikel 6, lid 4 van de regeling staat wat er minimaal in deze overeenkomst moet staan. De verklaring moet door beide partijen zijn ondertekend.
Vraagt u een tegemoetkoming aan, maar is het subsidieplafond al bereikt in dat kalenderjaar? Dan nemen wij uw aanvraag (mits volledig) mee naar het volgende kalenderjaar. U hoeft dan dus niet opnieuw een tegemoetkoming aan te vragen.
Is uw aanvraag niet volledig? Dan nemen we contact met u op, zodat u uw gegevens kunt aanvullen. Is uw aanvraag daarna nog steeds niet volledig? Dan nemen wij uw aanvraag niet in behandeling en ontvangt u geen tegemoetkoming. Zorg er dus voor dat uw aanvraag compleet en juist is.
Hoelang duurt het?
Heeft u een tegemoetkoming aangevraagd? Wij doen ons best om zo snel mogelijk een besluit te nemen over uw aanvraag. U ontvangt uiterlijk 13 januari 2023 een besluit.
Verantwoorden
Als u een tegemoetkoming heeft ontvangen moet u laten zien dat u aan alle voorwaarden van deze regeling hebt voldaan. Dit noemen we verantwoorden. Voor de verantwoording is het volgende goed om te weten:
U verantwoordt de subsidie in de jaarverslaggeving volgens de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
Het bevoegd gezag is verplicht het aan ons te melden wanneer de instromer het diploma heeft behaald.
Het bevoegd gezag werkt mee aan monitoring en evaluatie.
Meldingsplicht bij wijzigingen
Stopt de instromer tussentijds met de opleiding of wisselt de instromer van bevoegd gezag? Of verandert er iets aan uw situatie? Dan moet u dit schriftelijk aan ons melden. Stuur een e-mail naar ispo@minvws.nl en beschrijf de situatie. Als het nodig is vragen wij u om relevante documenten naar ons op te sturen.
Let op: DUS-I kan de tegemoetkoming (gedeeltelijk) terugvorderen als u niet aan de meldingsplicht voldoet.
Gecertificeerde schoolleidersopleidingen
Aanbieder
Opleiding
Hogeschool Ipabo
Zij-instroomopleiding directeur basisonderwijs
Penta NovaPenta Nova heeft een samenwerkingsverband met:Marnix AcademieHogeschool LeidenHogeschool InhollandHogeschool ViaaHogeschool de KempelChristelijke Hogeschool EdeDriestar Hogeschool
Kinderen en jongeren ontwikkelen zich thuis, op school en in hun buurt. Het grootste deel van de ontwikkeling vindt buiten school(tijd) plaats. Bijvoorbeeld tijdens het voorlezen door gezinsleden, samen het huiswerk maken, de voetbaltraining of het bijbaantje. Kinderen en jongeren kunnen hun talenten het beste ontdekken en ontwikkelen in een omgeving die ze daarvoor de kans geeft. Op veel plaatsen in Nederland werken scholen en lokale partijen al nauw samen aan een buitenschools aanbod op en rondom school. Dit zijn activiteiten waarmee kinderen en jongeren er achter komen waar ze allemaal goed in zijn, leren op zichzelf te bouwen en de wereld te ontdekken. Op deze initiatieven willen we aansluiten én ervan leren. Daarom start in schooljaar 2022-2023 het programma School en Omgeving.
Over School en Omgeving
Binnen het driejarig programma School en Omgeving gaan lokale coalities samen met de Gelijke Kansen Alliantie kennis opbouwen, delen en onderzoek doen om te komen tot een duurzame, structurele opzet van de rijke schooldag voor alle leerlingen in Nederland voor wie dit van belang is. Uitkomst van het driejarig programma zijn een aantal werkzame varianten van een rijke schooldag.
In het eerste jaar is er ruimte voor 130 coalities. Deze vallen uiteen in drie groepen. Er wordt gestart met een groep ‘voorlopers’. Dit zijn coalities met een stevig bestaand programma die door de deelname aan het programma hun bestaande activiteiten kunnen intensiveren en/of uitbreiden. De voorlopers doen actief mee aan kennisopbouw en -deling, en werken mee aan een structurele opzet van de rijke schooldag. Daarnaast is er een groep ‘doorgroeiers’. Zij zijn goed op weg een programma neer te zetten, maar kunnen zich nog niet als voorloper classificeren. Tot slot is er nog een groep ‘starters’: dit zijn gebieden met de ambitie om een rijke schooldag met een lokale coalities te realiseren.
Er zijn ondertussen 45 voorlopers geselecteerd. Vanaf 22 augustus kunnen de voorlopers, doorgroeiers en starters subsidie aanvragen. De subsidieregeling School en Omgeving is terug te lezen op de website van de Staatscourant.
Op 15 april 2021 is de ‘Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten’ gepubliceerd. Deze beleidsregel treedt in werking per 1 januari 2021. De impact van deze beleidsregel is fors voor onderwijsinstellingen in het wetenschappelijk en hoger onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. De beleidsregel geeft nieuwe eisen ten aanzien van de wijze van verantwoorden in het bestuursverslag. Voor verslagjaar 2021 mag overigens nog gerapporteerd worden op basis van de vereisten zoals weergegeven in Thema 2 van de Notitie Helderheid BVE en de Notitie Helderheid HO. Ook op het gebied van de toerekening van resultaten aan publiek of privaat vermogen wijzigt er veel.
De belangrijkste veranderingen zijn:
Verantwoording van positieve en negatieve resultaten publiek-private activiteiten verloopt via publiek vermogen. De bestemming van zowel negatieve als positieve resultaten verlopen per 2021 via publiek eigen vermogen;
Geen opbouw meer van privaat vermogen met publiek-private Voorheen zijn nadat het geïnvesteerde publieke vermogen was terugverdiend, nieuwe resultaten toegevoegd aan het privaat vermogen. Maar dit is dus niet langer toegestaan;
Geen veranderingen voor bestaande positieve en negatieve private eigen vermogens. Dus geen toepassing van ‘foutherstel’ vanwege de beleidsregel op de resultaatbestemming in de jaren vóór boekjaar 2021;
Negatieve resultaten uit publiek-private activiteiten zijn aanleiding voor nader onderzoek door de Inspectie van het Onderwijs – veelal in eerste instantie gericht op de kostendekkendheid van tarieven.
Naast het feit dat deze uitgangspunten ingaande 2021 een forse impact kunnen hebben op de resultaatbestemming, is de kernvraag: hoe bepaal je dan het resultaat? De beleidsregel vereist – met het oog op het Europees Verdrag ten aanzien van concurrentie – dat de investering niet leiden tot oneerlijke concurrentie. Daarom is in de beleidsregel opgenomen op welke wijze de kostprijsbepaling tot stand moet komen. Deze bepaling sluit aan bij de bepalingen in het EU verdrag dat toeziet op oneerlijke concurrentie: de integrale kostprijssystematiek. Deze integrale kostprijssystematiek kent een complex karakter omdat een risico opslag moet worden bepaald met als uitgangspunt: de vergoeding voor het publieke vermogen ter compensatie van de risico’s die een private onderneming loopt.
Wij adviseren u het volgende:
Inventariseer uw activiteiten en beoordeel per activiteit of sprake is van een publieke, een publiek/privaat gemengde of een volledig private activiteit. Wij merken daarbij op dat bijvoorbeeld het aanbieden van een volledige private activiteit veelal ook inzet van publieke middelen bevat door bijvoorbeeld gebruikmaking van het gebouw dat gefinancierd is met publieke middelen.
Inventariseer of uw huidige informatievoorziening, administratieve processen en hulpmiddelen voor bijvoorbeeld het vastleggen van urenbestedingen toereikend zijn om de integrale kostprijssystematiek toe te passen.
De verwerking van groot onderhoud in de jaarrekening is al jarenlang een discussiepunt in het onderwijs. In 2020 leek de discussie naar een eindpunt te komen met het verschijnen van de rapportage van de werkgroep die de gevolgen van de gewijzigde berekeningsmethode in kaart had gebracht. Veel instellingen zijn van start gegaan met de voorbereiding op het toepassen de nieuwe systematiek. In december 2021 heeft de Raad voor de Jaarverslaggeving echter een nieuwe concept Uiting gepubliceerd waarin nader uitgewerkt wordt wat de definitie van groot onderhoud is en wanneer sprake is van een actief dat moet worden afgeschreven. Omdat de RJ-uiting generiek is opgesteld, wordt geen rekening gehouden met specifieke vraagstukken die een grote rol spelen bij onderwijsinstellingen.
Vragen
Er zijn daarom vragen te stellen die een antwoord nodig hebben voordat deze uiting toegepast kan worden:
Belangrijke bestanddelen zouden bijvoorbeeld niet via de voorziening groot onderhoud verwerkt mogen worden, maar moeten worden geactiveerd en afgeschreven worden. Wat zijn precies deze belangrijke bestanddelen? Zijn dat alle installaties? Of alleen installaties? Vervanging van daken, kozijnen en dergelijke?
De RJ-uiting houdt geen rekening met de specifieke situatie in het funderend onderwijs waarin het economisch claimrecht van de panden bij de gemeenten ligt in plaats van bij de schoolbesturen. Hoe wordt dit vertaald worden naar de praktijk?
Werkgroep
Om een antwoord te formuleren op dit soort vragen is een nieuwe werkgroep in het leven geroepen, waar wij deel van uitmaken. Waarschijnlijk zal dit ook leiden tot een verlenging van de overgangstermijn voor de invoering van de aangepaste berekeningsmethodiek voor de voorziening groot onderhoud. Hoewel wij steeds hebben geadviseerd om in ieder geval te beginnen met de voorbereidingen op de nieuwe berekeningen, is ons advies op dit moment om de invoering daarvan nog uit te stellen naar de jaarrekening van 2022 of 2023, maar dit nog niet in 2021 al toe te gaan passen.
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft recent de Regeling jaarverslaggeving onderwijs in de Staatscourant gepubliceerd. Deze regeling maakt het nu wettelijk verplicht voor onderwijsinstellingen om hun jaarverslag openbaar te maken.
Onderwijsinstellingen hebben in de branchecode goed bestuur afspraken gemaakt dat alle instellingen hun jaarverslag en jaarrekening onverkort openbaar maken; hetgeen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de wet is geregeld. In de Staatscourant op 23 februari 2022 gepubliceerde Regeling jaarverslaggeving onderwijs is de wettelijke verplichting om het jaarverslag openbaar te maken een feit.
Wij wijzen u erop dat de regeling met terugwerkende kracht ingaat, waardoor u het jaarverslag 2021 al dient openbaar te maken. Openbaarmaking kan gebeuren door het plaatsen van uw jaarverslag op uw website. Het niet publiceren van het jaarverslag kan leiden tot boetes van de onderwijsinspectie aan de onderwijsinstelling als niet aan deze wettelijke plicht wordt voldaan
Stichtingen en verenigingen zijn belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (hierna: vpb) ‘indien en voor zover zij een onderneming drijven’. Om te voorkomen dat kleinschalige ondernemingsactiviteiten tot heffing van vpb leiden (met de bijbehorende administratieve lasten tot gevolg) is een vrijstelling in de wet opgenomen. Deze vrijstelling wordt ook wel de ‘bagatelvrijstelling’ genoemd. Recent heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest over deze vrijstelling gewezen.
Voorwaarden bagatelvrijstelling
De bagatelvrijstelling is van toepassing op stichtingen en verenigingen, waarvan:
De fiscale winst in een jaar niet hoger is dan € 15.000 (eerste winstgrens); of
De fiscale winst in een jaar én de daaraan voorafgaande vier jaren in tezamen niet hoger is dan € 75.000 (tweede winstgrens). Bij de beoordeling van deze winstgrens worden verliesjaren op nihil gesteld.
Geschil
Centraal in de procedure stond de vraag hoe de tweede winstgrens (van € 75.000) moet worden uitgelegd indien een stichting of vereniging nog geen vijf jaren bestaat. In de procedure zijn hierover verschillende interpretaties aan bod gekomen. Zo was het Gerechtshof met de Belastingdienst van mening dat de € 75.000-grens in dergelijke gevallen ‘pro rata’ moet worden toegepast. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad duidelijkheid gegeven.
Uitspraak Hoge Raad
De Hoge Raad komt tot het oordeel dat de tweede winstgrens onverkort van toepassing is indien een lichaam nog geen vijf ‘ondernemingsjaren’ bestaat. De Hoge Raad geeft hierbij aan dat deze uitleg met zich mee kan brengen dat gedurende de eerste vijf (boek)jaren sinds de oprichting van een lichaam in totaal meer winst kan worden vrijgesteld dan € 75.000. Ter illustratie het volgende voorbeeld:
Winst jaar 1: € 75.000 – vrijgesteld want de tweede winstgrens is niet overschreden
Winst jaar 2 t/m 5: € 15.000 per jaar – vrijgesteld want de eerste winstgrens is niet overschreden
Dankzij de letterlijke uitleg van de Hoge Raad met betrekking tot de tweede winstgrens van € 75.000 is in dit voorbeeld in de eerste vijf ondernemingsjaren in totaal € 135.000 winst vrijgesteld. Bestaat uw stichting of vereniging nog geen vijf jaar of bent u nog geen vijf jaar belastingplichtig voor de vpb? Breng dan uw vpb-positie in kaart om te beoordelen of u in aanmerking komt voor deze vrijstelling.
De benadering van de Hoge Raad geldt niet alleen voor nieuw opgerichte lichamen, maar ook voor lichamen waarbij enige tijd na de oprichting pas belastingplicht ontstaat.
Afzien van de vrijstelling
De bagatelvrijstelling is ‘van rechtswege’ van toepassing. Dit betekent dat de vrijstelling automatisch van toepassing is indien aan de voorwaarden is voldaan. In sommige gevallen kan het echter gunstig zijn om niet te worden vrijgesteld. Dit is bijvoorbeeld het geval indien verliezen worden gerealiseerd. Deze verliezen kunnen worden verrekend met toekomstige winsten, maar alleen als deze verliezen niet zijn vrijgesteld. In een dergelijke situatie kan een verzoek worden gedaan om af te zien van de bagatelvrijstelling. Hiervoor dient een expliciet verzoek te worden ingediend bij de Belastingdienst. Volledigheidshalve merken we op dat het afzien van de vrijstelling geldt voor een periode van minimaal vijf jaar.
Sinds 27 september 2020 zijn ondernemingen verplicht om hun eigenaren of de personen met zeggenschap in te schrijven in het UBO-register. UBO staat voor ‘ultimate beneficial owner’, oftewel de uiteindelijk belanghebbende. Let op dat u vóór 27 maart 2022 de UBO(’s) bij de Kamer van Koophandel in dient te schrijven. Wanneer de deadline wordt overschreden, bestaat er een kans op een stevige sanctie. Maar wie is UBO? Hoe gaat een UBO-inschrijving in z’n werk? En wat is daarvoor nodig?
Wie is de ‘ultimate beneficial owner’?
Dit betreffen de personen met de uiteindelijke zeggenschap over een onderneming, stichting of vereniging. Er is sprake van een UBO, wanneer op een natuurlijk persoon één van de volgende situaties van toepassing is:
Een aandelenbelang van meer dan 25%, of
Een belang van meer dan 25% in het stemrecht, of
Een economisch belang, groter dan 25%, of
De feitelijke zeggenschap over de organisatie.
Alleen natuurlijke personen kunnen UBO zijn. Wanneer uw organisatie een B.V. als aandeelhouder heeft, moet u dus bepalen wie daarvan de aandelen in bezit heeft om erachter te komen wie de UBO is van uw organisatie.
Tip!
Het uiteindelijke belang kan ook indirect zijn. Let dus goed op bij het bepalen van wie de UBO’s zijn.
Hoe kan een UBO worden ingeschreven en wat heeft u nodig?
Bestuurders van organisaties kunnen terecht bij de Kamer van Koophandel voor de inschrijving van hun UBO’s. Bestaande organisaties kunnen hun UBO’s online inschrijven via de website van de Kamer van Koophandel. Startende organisaties kunnen hun UBO’s bij de Kamer van Koophandel of notaris inschrijven tegelijk met de oprichting. Wanneer u meerdere organisaties heeft, moet u voor elk van die organisaties afzonderlijk de UBO’s registreren.
Daarvoor heeft u een aantal persoonlijke gegevens nodig van de UBO’s zoals BSN en een kopie van het identiteitsbewijs. Daarnaast heeft u ook documenten en/of gegevens nodig waaruit het uiteindelijke belang van deze persoon blijkt. Denk hierbij aan een akte van oprichting, statuten, een aandeelhoudersregister of bestuursverslag.
De wet waarin verplicht wordt om ook voor trusts, bijvoorbeeld een Open Fonds voor Gemene Rekening (OFGR), een UBO te registreren, zal naar verwachting per 1 oktober 2022 in werking treden. Na inwerkingtreding hebben trusts drie maanden de tijd om de UBO te registreren.
Sancties
Het is belangrijk dat alle UBO’s vóór 27 maart 2022 staan geregistreerd. Het niet op tijd, niet volledig of helemaal niet opgeven van UBO’s wordt gezien als een economisch delict waarvoor sancties kunnen worden opgelegd aan de organisatie. De mogelijke sancties die kunnen worden opgelegd zijn een geldboete met een maximum van € 22.500 of zelfs een taakstraf of hechtenis van 6 maanden.
Eind juni zijn voor het Primair Onderwijs en het Voortgezet Onderwijs de definitieve bedragen voor de NPO-middelen bekend gemaakt. Elke instelling kan deze voor zichzelf berekenen met behulp van de online tool die door het Ministerie van OCW beschikbaar is gesteld. Ook is een website beschikbaar die specifiek ingaat op het Nationaal Programma Onderwijs. Op deze website zijn de details van de regeling opgenomen. Naar aanleiding van deze informatie merken wij dat er veel onduidelijkheden zijn. Met name over de inzet, verantwoording en controle van deze gelden. In dit artikel informeren wij u graag over de algemene NPO-middelen. Het betreft dus niet:
specifieke aanvullende regelingen zoals de regelingen Inhaal- en ondersteuningsprogramma’s (IOP)
extra hulp voor de klas,
nog komende regelingen voor het inrichten van brede brugklassen
en voor de capaciteitentoets bij leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs.
Verantwoording NPO-middelen
Het algemene uitgangspunt is dat de aanvullende NPO-middelen worden toegekend als lumpsum-bedragen. Door schoolbesturen moet de verantwoording daarom ook gedaan worden op grond van de reguliere verantwoordingregels die hiervoor gelden. Ook de accountantscontrole op de besteding van deze middelen gaat niet verder dan de reguliere accountantscontrole. Voor deze geldstroom geldt namelijk geen verlaagde goedkeuringstolerantie en daardoor ook geen specifieke controleplicht. Wel is de verantwoording van de besteding van de NPO-middelen aangemerkt als ‘maatschappelijk thema’. Dit betekent dat de minister gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een thema aan te wijzen dat van dermate belang is dat hier in het bestuursverslag specifiek verantwoording over moet worden afgelegd. De verantwoording wordt hiermee op dezelfde manier vorm gegeven als de werkdrukmiddelen. Net als bij de werkdrukmiddelen moet de verantwoording wel aan een aantal voorwaarden voldoen. De accountant zal toetsen of de gevraagde verantwoording in het bestuursverslag is opgenomen en of alle elementen zijn opgenomen.
Het jaarverslag van uw school
Uit het jaarverslag moet blijken
Of uw school of scholen een schoolscan hebben gemaakt;
Welke soorten interventies uw scholen hebben gekozen voor hun schoolprogramma;
Hoe ouders en leraren, en in het Voortgezet Onderwijs ook de leerlingen, betrokken zijn bij de plannen;
Of uw scholen de vereiste instemming van de MR hebben gekregen;
Hoeveel procent van de middelen u hebt ingezet voor inhuur van personeel niet in loondienst (PNIL);
Welke eerste resultaten u in de uitvoering van de plannen kunt melden.
Wanneer de NPO-middelen bovenschools zijn ingezet moet duidelijk zijn aangegeven:
Of de GMR hiermee heeft ingestemd;
Welke soorten interventies u hebt gekozen.
Als accountant zullen wij toetsen of u heeft voldaan aan de verantwoording in het bestuursverslag, zonder gedetailleerd de cijfermatige verantwoording te toetsen. Naast deze verantwoording moet via XBRL per school aangegeven worden voor welke categorieën interventies uit de menukaart de middelen zijn ingezet. XBRL is het portaal waarmee jaarlijks de jaarcijfers aan DUO worden doorgegeven. Er komt een uitbreiding van dit portaal ten behoeve van de NPO-verantwoording.
Besteding van de NPO-gelden
Het feit dat de aanvullende NPO-gelden als lumpsum verantwoord moeten worden, betekent dat geen sprake is van specifieke (accountants)controle op het toerekenen van de kosten aan de subsidiestroom. De vraag die zich voordoet is dan waarom op de website regels zijn opgenomen over het toerekenen van kosten, zoals afschrijvingskosten, aan de besteding van de NPO-gelden. Op het laatste overleg dat wij met de Onderwijsinspectie hadden over het nieuwe Onderwijsaccountantsprotocol 2021, hebben wij voor deze onderwerpen specifieke aandacht gevraagd. De Onderwijsinspectie heeft toen aangegeven dat de toerekening van de kosten inderdaad geen onderwerp is van een specifieke controle. Maar de regels zijn opgesteld als handreiking voor de scholen om de verantwoording in het XBRL-portaal op te kunnen stellen.
Verslaggevingsvoorschriften
Ook voor het vormen van voorzieningen en bestemmingsreserves gelden geen nieuwe of specifieke regels. De gebruikelijke verslaggevingsvoorschriften zijn van toepassing. Voor het vormen van voorzieningen geldt dus, dat een in rechte afdwingbare verplichting aanwezig moet zijn. Een voorziening die wij ons in het kader van de besteding van de NPO-gelden voor zouden kunnen stellen, is een voorziening voor het in de toekomst eventueel moeten betalen van transitievergoedingen. Dit is aan de orde indien de besteding van NPO-gelden wordt ingevuld door middel van personeel met een tijdelijke arbeidsovereenkomst die u niet gaat verlengen en omzetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Bestemmingsreserve
Het vormen van een bestemmingsreserve blijft een beslissing van het bestuur, maar is geen verplichting. Ook niet als niet het volledige bedrag dat toegekend is voor een boekjaar binnen hetzelfde boekjaar is besteed. Het kan wel behulpzaam zijn voor uw interne beheersing van de NPO-gelden. Want op deze manier blijft inzichtelijk welk deel van de gelden u nog kunt besteden. Het feit dat sprake is van een bestemmingsreserve binnen het eigen vermogen geeft ook aan dat geen sprake is van een terugbetalingsverplichting indien de gelden, ook na afloop van de volledige NPO-periode niet volledig zijn besteed. Indien sprake zou zijn van een terugbetalingsverplichting zou sprake moeten zijn geweest van oormerking van de middelen. Bij oormerking is het niet toegestaan het niet bestede deel in de baten te nemen. Er zou in deze situatie dus geen mogelijkheid bestaan om een bestemmingsreserve te vormen omdat het niet bestede deel nog geen onderdeel is van het eigen vermogen. De Onderwijsinspectie heeft ons desgevraagd expliciet bevestigd dat geen sprake is van een terugbetalingsverplichting. Het heeft uiteraard wel de voorkeur van de Inspectie en van OCW dat u de gelden binnen de NPO-gelden volledig besteedt aan de gekozen maatregelen uit de menukaart.
Wie in het onderwijs werkt (in het primair, voortgezet, speciaal en middelbaar beroepsonderwijs), moet voor indiensttreding een recente Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) aanleveren. Schoolbesturen moeten die opnemen in het personeelsdossier, dat is wettelijk verplicht en naar onze mening ook wenselijk. De controlerend accountant toetst of dit is gebeurd en rapporteert hierover in een Verslag van Bevindingen. Met de ingang van boekjaar 2020 zijn de eisen die het ministerie stelt voor de registratie van een VOG in het personeelsdossier aangescherpt. Dit blijkt uit het Onderwijsaccountantsprotocol OCW 2020. De inspectie wil weten of de VOG tijdig is opgenomen in het personeelsdossier. Tijdig wil zeggen: vóór de datum van indiensttreding. Hierbij eist men registratie van de datum van de opname van de VOG in het personeelsdossier. Tot op heden werd uitgegaan van de datum van afgifte van de VOG.
Knelpunten
Dit vraagt van scholen het inrichten van procedures om te komen tot controleerbare registraties van de datum van opname van de VOG in het personeelsdossier. In de praktijk zien wij dat deze datum (nog) niet wordt geregistreerd. Deze eisen vragen dus om:
extra personele inzet en/of aanpassingen van informatiesystemen.
adequate registratie van (digitale) post.
Bovendien is het systeem van registratie van opname van de VOG’s in het personeelsdossier lastig controleerbaar voor accountants, omdat systemen niet zijn ingericht om tot een betrouwbare registratie van data te komen.
Verslagen van Bevindingen
Hieruit volgt dat de accountant zal moeten rapporteren dat de datum van opname in het personeelsdossier ontbreekt, en als gevolg hiervan zal moeten rapporteren over de procedures van registratie en (interne) controle hierop door schoolbesturen. Op basis van onze kennis en ervaring van de onderwijssector verwachten wij dat vrijwel alle schoolbesturen geconfronteerd zullen worden met een verslag van bevindingen.
Doel en middelen?
Het doel heiligt de middelen – vaak. Op deze extra vereiste zaten we niet te wachten en wij kunnen ons goed voorstellen: schoolbesturen evenmin. Wij zijn van mening dat een controle op basis van de datum zoals geregistreerd op de originele VOG en een rapportage in geval van verlate aanlevering voldoen. Wij zullen ons als belangrijke speler in het onderwijs blijven inzetten voor een redelijke, zinvolle en controleerbare vraagstelling vanuit het Onderwijsaccountantsprotocol.