Afromen reserves samenwerkingsverbanden

Afromen bovenmatige reserves samenwerkingsverbanden

Eind november 2022 is de motie Westerveld door een grote meerderheid van de Tweede Kamer aangenomen. In deze motie staat dat 58% van het eigen vermogen van samenwerkingsverbanden bestaat uit bovenmatige reserves. In totaal € 122 mln. bovenmatig per 31 december 2021, zijnde 5,2% van de totale baten van de samenwerkingsverbanden over 2021. Westerveld roept de regering op om de bekostiging van samenwerkingsverbanden met te hoge reserves te verlagen. De minister heeft aangegeven de motie uit te voeren en te bezien op welke wijze dit het beste kan gebeuren. Mogelijk gebeurt dit in de vorm van een generieke korting op de bekostiging van alle samenwerkingsverbanden.

Aandachtspunten en ons advies

Wij merken dat er onder de samenwerkingsverbanden begrijpelijkerwijze veel onrust is ontstaan over de consequenties van deze motie. Sommige samenwerkingsverbanden overwegen om nog dit jaar maatregelen te nemen. Met name extra bijdragen aan de aangesloten instellingen te verstrekken om zo hun reservepositie te verlagen. Ons advies is, deze aandachtspunten te overwegen:

  1. Samenwerkingsverbanden verstrekken bijdragen aan de aangesloten scholen op grond van het ondersteuningsplan. Het verstrekken van extra middelen aan de scholen vloeit waarschijnlijk niet direct voort uit het ondersteuningsplan. Het is derhalve de vraag hoe doelmatig het verstrekken van deze extra bijdragen is.
  2. Zowel scholen als samenwerkingsverbanden moeten zich verantwoorden over de uitgaven die zij doen in het kader van passend onderwijs en over de realisatie van de doelen die in dat kader gesteld zijn. Passend onderwijs is door de minister aangewezen als specifiek maatschappelijk thema waarover in het primair en voortgezet onderwijs  verantwoording moet worden afgelegd. Namelijk in het bestuursverslag.
  3. Eén van de mogelijkheden is dat de minister een generieke korting toepast op de bekostiging van alle samenwerkingsverbanden. Het individueel verlagen van de reservepositie door een extra uitkering aan de aangesloten scholen, verandert in dat geval niets aan de korting die u opgelegd krijgt. Door nu de reserves grotendeels uit te keren, kan er in de toekomst een omgekeerde situatie ontstaan als er sprake is van een generieke korting op de bekostiging. Waardoor u wellicht in de komende jaren tegen tekorten aan loopt.
  4. Veel onderwijsinstellingen beschikken zelf ook over bovenmatige vermogens. Door het verstrekken van extra bijdragen vanuit het samenwerkingsverband wordt de problematiek van bovenmatige reserves niet opgelost, maar grotendeels verplaatst van het samenwerkingsverband naar de scholen. Het ministerie heeft wetgeving in voorbereiding; op grond waarvan ze onderwijsinstellingen in de toekomst sancties kan opleggen als ze over bovenmatige reserves beschikken en na een herstelperiode deze niet hebben afgebouwd.

(Bron: Van Ree)

Financiële bestuursverslagen: attentiepunten ministerie

Kamerbrief financiële positie van het onderwijs 2021

Recent heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over de financiële positie van het onderwijs aan het einde van 2021. Wij lichten voor u toe welke aandachtspunten leven bij het ministerie. Als controller en bestuurder kunt u hier de komende periode attentie voor hebben. Het ministerie heeft aangekondigd in het voorjaar van 2023 met een vervolgbrief te komen inzake de beleidsmatige consequenties van de financiële posities per eind 2021.

Financiële resultaat en positie

Besteding NPO-middelen

Het financieel resultaat van het onderwijsveld in 2021 bedroeg € 1,73 miljard positief tegenover een begroot resultaat van €0,6 miljard negatief. De belangrijkste verklaring daarvoor is het feit dat de NPO-middelen door de schoolbesturen niet tijdig konden worden uitgegeven. Dit heeft geleid tot het besluit de bestedingstermijn van de NPO-middelen te verlengen:

  • voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs kan dit tot en met schooljaar 2024-2025 en
  • voor het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs tot 2024.

Mogelijk bovenmatige reserves

De resultaatontwikkeling leidt ook tot een verbetering van de financiële kengetallen: zowel de solvabiliteit als de liquiditeit zijn gemiddeld genomen verbeterd. De (mogelijk) bovenmatige reserves zijn gestegen van € 1,14 miljard naar € 1,46 miljard. Een deel van deze middelen zijn opgenomen in bestemmingsreserves voor nog te besteden NPO middelen. Deze reserves zullen naar verwachting in de komende jaren worden uitgegeven.

Op grond van de jaarrekeningen van 2021 komt OCW met de volgende getallen inzake mogelijke bovenmatige vermogens:

SectorAantal besturenBovenmatig vermogenPercentage Boven Vermogen
PO89556063%
VO27014855%
SWV15112381%
MBO5859%
HBO3439%
WO1816%

De minister reflecteert ook kritisch op het eigen beleid: in de achterliggende jaren zijn veel incidentele subsidies verstrekt, die niet direct konden worden uitgegeven, en daardoor tot hoge resultaten en vermogens hebben geleid bij schoolbesturen. Men stelt hierover in de kamerbrief het volgende:

Op basis van een recente uitspraak van de Raad van de Jaarverslaggeving kunnen we onderwijsbesturen en instellingen in sommige specifiek gedefinieerde gevallen de mogelijkheid bieden om middelen die zij ontvangen in het ene jaar, maar waarvan zeker is dat deze pas in een volgend jaar kunnen worden uitgegeven, als overlopende post op de balans op te  nemen. Hierdoor komen deze middelen niet in het resultaat en het eigen  vermogen terecht. Wel is het van belang dat ook incidentele middelen doelmatig  en tijdig moeten worden besteed.

Deze ontwikkeling zou gunstig zijn voor schoolbesturen: dit maakt de financiële sturing eenvoudiger.

Vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs

Een andere belangrijke kanttekening bij de mogelijke bovenmatige vermogens, betreft de effecten van de vereenvoudiging van de bekostiging in het primair onderwijs. Het betaalritme dat bij de nieuwe bekostigingssystematiek hoort, heeft tot gevolg dat per jaareinde van 2022 geen sprake meer is van een vordering op OCW. De omvang van deze vordering per jaareinde van 2021 bedroeg in het primair onderwijs €393 miljoen. Als deze post wordt gecorrigeerd op de mogelijk bovenmatige vermogens, daalt het aantal primair-onderwijsbesturen met mogelijk bovenmatig vermogen van 560 naar 439, uitgaande van de cijfers van 2021.

Maatschappelijke thema’s

Evenals in 2019 en 2020 was in 2021 weer sprake van een aantal maatschappelijke thema’s per sector die door de Inspectie van het onderwijs waren aangewezen om te verantwoorden in het bestuursverslag. Het ministerie van OCW heeft beoordeeld in hoeverre deze thema’s in de bestuursverslagen aanwezig zijn. Opvallend is dat in alle sectoren sprake is van maatschappelijke thema’s die in relatief veel bestuursverslagen ontbraken. Dit met uitzondering van het middelbaar beroepsonderwijs .

  • Primair Onderwijs:
    allocatie van middelen, passend onderwijs, werkdrukmiddelen.
  • Voortgezet Onderwijs:
    allocatie van middelen, convenantsmiddelen
  • Hoger Onderwijs:
    onderwijsdifferentiatie, passende en goede onderwijsfaciliteiten, onderwijsintensiteit. Als verklaring hiervoor wordt gegeven dat bij veel instellingen nog geen plan van aanpak was opgesteld voor deze zaken.

Voor 2022 zijn opnieuw een aantal maatschappelijke thema’s benoemd per sector. Hier moet u bij het opstellen van het bestuursverslag expliciet aandacht aan besteden.

Compact bestuursverslag

Het project voor een bestuursverslag is gestart met als doel te komen tot een vermindering van administratieve lasten voor onderwijsinstellingen. Dit in de vorm van een compact bestuursverslag. Voor de sectoren primair en voortgezet onderwijs wordt onderzocht op welke wijze de inrichting van niet-financiële verantwoordingsinformatie in het bestuursverslag kan worden beperkt. Daarbij zal onderscheid worden gemaakt tussen kleine en grote rechtspersonen. In 2023 volgt hierover nadere berichtgeving. Met als doel dat kleine onderwijsbesturen vanaf 2024 een compact bestuursverslag kunnen opstellen. Het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs zullen naar verwachting later volgen.

(Bron: Van Ree)

Verplichte opgave uitbetaalde bedragen aan derden (renseigneringsplicht)

Is uw organisatie inhoudingsplichtig voor de loonheffingen? Dan bent u verplicht de Belastingdienst te informeren over betalingen gedaan aan bepaalde natuurlijke personen (renseigneringsverplichting). Let op: deze informatieplicht kan dus gelden voor commerciële ondernemingen maar evenzeer voor onderwijsinstellingen of andere non-profitorganisaties.

Per 1 januari 2022 geldt de bij wet ingevoerde renseigneringsplicht. Dit heeft belangrijke gevolgen voor uw organisatie. Uiterlijk op 31 januari 2023 moet u opgave hebben gedaan over het jaar 2022.

De wettelijke basis

In de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (art. 53) is per 1 januari 2022 opgenomen dat bij wet aangewezen instellingen verplicht zijn om opgave te doen van door hen aan natuurlijke personen gedane betalingen.

Voor welk soort instellingen geldt de renseigneringsplicht?

De renseigneringsplicht geldt voor de volgende instellingen:

  1. Inhoudingsplichtigen op grond van de wet op de loonbelasting 1964;
  2. Collectieve beheerorganisaties

Heeft uw organisatie personeel in dienst dan valt u onder categorie 1.

Welke uitbetalingen aan natuurlijke personen zijn uitgezonderd van de renseigneringsplicht?

De renseigneringsplicht geldt niet voor betalingen aan:

  1. Werknemers, artiesten of beroepssporters;
  2. Vrijwilligers voor zover de vergoeding niet hoger is dan het wettelijk maximum (€ 190 per maand en € 1.900 op jaarbasis);
  3. Natuurlijke personen die een factuur hebben uitgereikt met btw.

Let op: dit betekent dat uw organisatie opgave moet doen van uitbetalingen aan natuurlijke personen die geen btw op de factuur vermelden of een factuur uitreiken met vermelding van een btw-vrijstelling. Enkele voorbeelden zijn:

  • ZZP-ers die geen btw in rekening brengen op grond van de Kleine Ondernemersregeling;
  • ZZP-ers die btw-vrijgestelde diensten verrichten;
  • Vergoedingen aan leden van de Raad van Toezicht

Welke gegevens moet u aanleveren?

De volgende gegevens moeten verplicht worden aangeleverd:

  1. Het uitbetaalde bedrag;
  2. BSN;
  3. Naam;
  4. Geboortedatum;
  5. Adresgegevens

Hoe moeten de gegevens worden aangeleverd?

Aanlevering van gegevens is mogelijk vanaf 1 januari 2023. De gegevens dienen op een door de Belastingdienst voorgeschreven wijze te worden aangeleverd. Voor meer informatie verwijzen wij u graag naar de site van de Belastingdienst.

Wat gebeurt er als u niet aan deze verplichting voldoet?

Het niet voldoen aan de actieve informatieplicht betekent strikt formeel een strafbaar feit. Dit kan leiden tot een boete van
maximaal € 9.000.

(Bron: Van Ree)

Maatschappelijke thema’s bestuursverslag PO en VO

De afgelopen jaren heeft de minister steeds gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een aantal specifieke thema’s aan te merken als maatschappelijke thema’s. Deze thema’s moeten door onderwijsinstellingen expliciet verantwoord worden in het bestuursverslag.

Inmiddels zijn de maatschappelijke thema’s voor het bestuursverslag 2022 bepaald. Mogelijk heeft u de brief die hierover naar de onderwijsinstellingen is gestuurd al gezien.

Maatschappelijke thema’s PO
Voor instellingen in het PO is sprake van een wijziging van één van de thema’s ten opzichte van de verantwoording die over 2021 opgesteld moest worden. Het onderwerp werkdruk is niet meer voorgeschreven, in plaats daarvan is het onderwerp sociale veiligheid daarvoor terug gekomen. Voor het onderwerp werkdruk wordt de uitvraag van informatie via XBRL overigens wel doorgezet in 2022, het is dus niet zo dat hier helemaal geen informatie voor aangeleverd hoeft te worden. Dat hoeft alleen niet meer in het bestuursverslag.

Het thema sociale veiligheid is gekozen vanwege de extra aandacht die er maatschappelijk is voor racisme, pesten, veiligheid van LHBTI’ers en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Er is voor het bestuursverslag geen inhoudsvereiste opgesteld. Wel wordt in de brief verwezen naar enkele vragen die over dit onderwerp in de XBRL worden worden. Het lijkt ons verstandig de antwoorden op deze vragen ook in de verantwoording over dit thema in het bestuursverslag op te nemen. Welke vragen in de XBRL opgenomen zullen worden is nog niet bekend omdat de XBRL nog niet beschikbaar is.

De maatschappelijke thema’s voor het bestuursverslag 2022 PO zijn:

2021, 2022
Strategisch personeelsbeleid, Strategisch personeelsbeleid
Passend onderwijs, Passend onderwijs
Allocatie van middelen, Allocatie van middelen
Onderwijsachterstanden, Onderwijsachterstanden
Nationaal Programma Onderwijs, Nationaal Programma Onderwijs
Werkdruk, Sociale veiligheid

Maatschappelijke thema’s VO
Ook in het VO is sprake van een beperkte wijziging ten opzichte van de maatschappelijke thema’s uit 2021. De enige verandering is het vervallen van het thema Convenantsmiddelen. Deze middelen zijn namelijk eind 2021 beëindigd. Daarvoor in de plaats is het thema Werkdrukmiddelen gekomen. Wij zetten de thema’s nog een keer voor u op een rij:

2021, 2022
Strategisch personeelsbeleid, Strategisch personeelsbeleid
Passend onderwijs, Passend onderwijs
Allocatie van middelen, Allocatie van middelen
Toetsing en examinering, Toetsing en examinering
Nationaal Programma Onderwijs, Nationaal Programma Onderwijs
Convenantsmiddelen, Werkdrukmiddelen

In 2022 ontvangen alle instellingen in het VO collectieve en individuele middelen. Wij hebben u hierover recent geïnformeerd . In het bestuursverslag moeten instellingen naar aanleiding van de afspraken over deze middelen de volgende onderwerpen verantwoorden:

Het totale te besteden bedrag per schoolbestuur en verdeeld over de scholen die onderdeel zijn van het schoolbestuur;
Op welke wijze en met betrokkenheid van wie de besteding tot stand is gekomen;
Aan welke doelen de middelen zijn besteed;
De wijze waarop de evaluatie gaat plaatsvinden of heeft plaatsgevonden, inclusief de uitkomsten daarvan.

(Bron: Van Ree)

Nieuw sanctiebeleid ministerie van OCW

De ‘Beleidsregel financiële sancties voor bekostigde onderwijsinstellingen’ wijzigt. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2023. In de gewijzigde beleidsregel wordt een aanscherping opgenomen van het sanctiebeleid bij het niet voldoen aan wettelijke voorschriften. De nieuwe beleidsregel heeft ook consequenties voor het niet tijdig indienen van de jaarstukken bij DUO.

Oude beleidsregel
In de oude beleidsregel volgde er na een herinneringsbrief met daarin een hersteltermijn, de mogelijkheid tot opschorting (tijdelijke inhouding) van een deel van de bekostiging. En daarna als derde maatregel de definitieve inhouding van (een deel van) de bekostiging. In de praktijk was pas in september/oktober definitieve inhouding aan de orde.

Nieuwe beleidsregel
De tweede maatregel komt te vervallen. Dit betekent dat in de herinneringsbrief een hersteltermijn wordt genoemd. En dat als binnen de hersteltermijn de stukken niet ingeleverd zijn bij DUO, direct een definitieve inhouding van een deel van de bekostiging plaatsvindt. Deze inhouding bedraagt in eerste instantie 15% van de maandbekostiging. Vooralsnog geldt de aanscherping alleen voor het funderend onderwijs (po en vo).

De reden van deze aanscherping is dat vorig jaar aan circa 200 van de in totaal circa 1.400 besturen een herinneringsbrief gestuurd moest worden.

Ons pleidooi
De aanscherping van de beleidsregel legt een extra druk op de tijdige indiening van de jaarstukken. Gezien de krapte op de arbeidsmarkt waar zowel schoolbesturen, administratiekantoren als accountants mee te maken hebben, lijkt ons dit een onwenselijke situatie. Er kunnen omstandigheden zijn waarin tijdige indiening praktisch onmogelijk is. Wij hebben deze problematiek aangekaart bij de sectorraden die dit zullen bespreken met het ministerie. Ook zullen wij via de ‘werkgroep onderwijs’ van onze beroepsorganisatie (NBA) bij het ministerie pleiten voor een soepeler regeling c.q. een voldoende lange hersteltermijn.

(Bron: Van Ree)

Alleen nog nevenwerkzaamhedenbeding bij objectieve rechtvaardigingsgrond

Een nevenwerkzaamhedenbeding in een arbeidsovereenkomst is sinds 1 augustus 2022 alleen geldig als de werkgever het beding kan rechtvaardigen op grond van een objectieve reden. Wat wordt daaronder verstaan?

Een nevenwerkzaamhedenbeding is een beding waarbij de werkgever de werknemer verbiedt of beperkt om voor anderen dan de werkgever arbeid te verrichten. Onder arbeid verrichten valt ook het verrichten van arbeid als zelfstandige. Dit beding kan in een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst zijn opgenomen.

De Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden is op 1 augustus 2022 in werking getreden. Nevenwerkzaamheden mogen sindsdien slechts worden verboden als daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond is.

Objectieve reden

Objectieve redenen zijn onder meer:

  • gezondheid en veiligheid;
  • bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie;
  • integriteit van overheidsdiensten; of
  • vermijden van belangenconflicten.

Deze opsomming is niet-limitatief. Een objectieve reden kan ook zijn gelegen in andere belangen, zoals strijdigheid met de Arbeidstijdenwet.

Rechtvaardiging niet in beding

Moet de rechtvaardiging bij het nevenwerkzaamhedenbeding worden opgenomen?

Nee. Het is niet noodzakelijk dat het nevenwerkzaamhedenbeding zelf de objectieve rechtvaardiging bevat. Als de rechtvaardiging niet in het beding is opgenomen en de werkgever wil het beding inroepen, moet de werkgever op dat moment alsnog de rechtvaardiging geven.

Toestemming werkgever

Kan het nevenwerkzaamhedenbeding nog afhankelijk zijn van toestemming van de werkgever?

Ja. Een nevenwerkzaamhedenbeding kan bestaan uit een door de werkgever verplicht te verlenen toestemming voor nevenwerkzaamheden. Dit blijft mogelijk, maar het onthouden van toestemming door een werkgever zal in die gevallen gerechtvaardigd moeten worden met een beroep op een objectieve grond.

Toetsen objectieve rechtvaardiging

Hoe moet de objectieve rechtvaardiging worden getoetst?

Beoordeeld moet worden of het belang van de werkgever dusdanig is dat het belang van de werknemer om elders te kunnen werken daarvoor moet wijken. Om dat te beoordelen moet worden gekeken of het verbieden van de nevenwerkzaamheden doelmatig (passend en geschikt) en noodzakelijk (proportioneel) is om het zwaarwegend belang van de werkgever te beschermen. Ook de belangen van de werknemer moeten daarbij worden meegewogen.

Geen objectieve reden

Wat is het gevolg als er geen objectieve reden is?

Een verbod op nevenwerkzaamheden zonder dat sprake is van een gerechtvaardigde objectieve reden, is nietig. Dit betekent dat het beding niet geldig is en daar geen beroep op kan worden gedaan.

(Bron: AWVN.nl)

Nieuwe CAO VO en de gevolgen voor de jaarrekening

Zowel in de sector PO als in de sector VO is een nieuwe cao afgesloten. In het PO is voor de periode januari tot en met mei 2022 een akkoord gesloten waarin de loonkloof tussen PO en VO wordt gedicht. Met ingang van 1 juni 2022 is de nieuwe CAO PO van kracht geworden. Deze heeft dezelfde looptijd als de nieuwe CAO VO. Doelstelling is een steeds verdere harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden in het funderend onderwijs.

Werkdruk Voortgezet Onderwijs

In de CAO VO is, met het oog op de jaarrekening, één van de opvallendste wijzigingen, de aanpassing van de regelingen rond werkdrukverlichting. Deze regeling valt uiteen in twee delen: een collectief deel en een individueel deel.

Collectieve werkdrukmiddelen

In totaal is voor werkdrukvermindering € 300 miljoen beschikbaar. De helft van de dit bedrag, € 150 miljoen, wordt collectief ingezet. De werknemers zijn hierbij gezamenlijk aan zet en gaan met elkaar in overleg over het nemen van maatregelen om de werkdruk te verminderen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan extra ondersteuning in de klas, ten behoeve van leerlingenbegeleiding of om de lasten van bepaalde taken te verminderen (zoals mentoraat of surveillance). Scholen kunnen samen met de werknemers bepalen wat goede maatregelen zijn om de werkdruk te verminderen.

Voor de schoolbesturen geldt dat de besteding van de middelen plaats moet vinden op de scholen, waarbij de werknemers het initiatief hebben bij het maken van de bestedingsplannen. Besturen moeten daarom vooraf overleg voeren met de PMR over de wijze waarop het geld wordt verdeeld, maar ook over de wijze waarop het geld wordt ingezet. De bestedingsplannen van alle onderdelen van de schoolbesturen moeten worden samengevoegd in een werkdrukplan dat bekrachtigd wordt door de PMR. Het werkdrukplan bevat ook afspraken over wanneer en op welke manier wordt geëvalueerd en verantwoord.

Extern verantwoording

Schoolbesturen moeten niet alleen intern verantwoording afleggen over de besteding van de werkdrukgelden, maar ook extern. Net als in de sector PO moeten schoolbesturen in het VO daarom in het jaarverslag 2022 verantwoording afleggen over de volgende onderwerpen:

  • Het totale te besteden bedrag per schoolbestuur en verdeeld over de scholen die onderdeel zijn van het bestuur.
  • Op welke wijze en met betrokkenheid van wie de besteding tot stand is gekomen.
  • Aan welke doelen de middelen zijn besteed en met welk effect.
  • De wijze waarop de evaluatie gaat plaatsvinden of heeft plaatsgevonden, inclusief de uitkomst daarvan.

Het is daarom belangrijk dat schoolbesturen tijdig starten met het verzamelen van de relevante informatie en deze informatie verwerken in het bestuursverslag dat in het voorjaar 2023 wordt opgesteld.

Individuele werkdrukmiddelen, PB-uren

Op individueel niveau van de medewerker wordt de hoeveelheid uren voor persoonlijk budget (PB-uren) verhoogd van 50 naar 90 per (school)jaar. Leraren hebben het recht om deze uren naar eigen inzicht te gebruiken voor aanpassing van de werkzaamheden door bijvoorbeeld vermindering van de lestaak of juist aanpassing van de overige werkzaamheden. Er kunnen in overleg echter ook andere bestedingsmogelijkheden worden afgesproken. Ook OOP-ers en schoolleiders kunnen hun uren inzetten voor werkdrukverlichting. OOP-ers hebben daarbij nog de keuze om hun uren deels in te zetten voor professionalisering. Werknemers tot en met schaal 8 mogen hun basisbudget eventueel uit laten betalen.

Een wijziging die een groot gevolg kan hebben op de omvang van de voorziening voor PB-uren die veel VO-instellingen op de balans hebben staan, is de afspraak dat het inzetten van het keuzebudget voor verlof of verlofsparen in principe niet meer mogelijk is. Seniorenverlof daargelaten. Het sparen van de PB-uren blijft alleen nog mogelijk indien hierover tussen werkgever en werknemer specifieke afspraken zijn gemaakt.

Ons advies

Bij het opstellen van de jaarrekening, en de bepaling van de omvang van de voorziening PB-uren per 31 december 2022 is het voor scholen dus van belang om tijdig te inventariseren welke afspraken er al gemaakt zijn met medewerkers over het al dan niet mogen opsparen van PB-uren. Deze regeling is van toepassing vanaf schooljaar 2022-2023 en dus nog niet op oude uren die al opgespaard waren. Ook voor uren uit oude jaren is het belangrijk om goed en tijdig vast te leggen welke afspraken gemaakt zijn over inzet en welke uren elke medewerker nog beschikbaar heeft.

(Bron: Van Ree)

Btw bij in- en uitlenen van onderwijspersoneel 

Recent is het btw-besluit ter beschikking stellen van personeel geactualiseerd. Daarnaast heeft rechtbank Zeeland-West-Brabant onlangs uitspraak gedaan over de btw-behandeling van het inzetten van docenten op basisscholen. Zowel het besluit als de uitspraak zijn erg relevant voor onder andere het inzetten van personeel in de onderwijspraktijk. In dit artikel lichten we dit nader toe.

Het inzetten van personeel – hoe zit dat ook alweer?

Bij het inzetten van personeel is het voor de btw allereerst relevant om vast te stellen of sprake is van het ter beschikking stellen van personeel of dat sprake is van een andersoortige prestatie (zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van een opdracht).

Van het ter beschikking stellen van personeel is sprake indien uitlener het personeel ter beschikking stelt aan de inlener, waarbij dat personeel onder leiding of toezicht van de inlener arbeid verricht. Het ter beschikking stellen van personeel is in beginsel btw-belast, tenzij een beroep kan worden gedaan op een van de goedkeuringen van het besluit ter beschikking stellen van personeel.

Als geen sprake is van het ter beschikking stellen van personeel, dan is het niet mogelijk om een beroep te doen op een van de goedkeuringen van het voornoemde besluit. Er is dan sprake van een andersoortige prestatie, zoals een overeenkomst van opdracht. De aan te leggen toets voor de btw is dan wezenlijk anders. Kort gezegd is de prestatie dan uitgangspunt btw-belast, tenzij een btw-vrijstelling (zoals de btw-onderwijsvrijstelling) kan worden toegepast.

Ter volledigheid merken wij op dat het inzetten van personeel (bijvoorbeeld als onderdeel van een aangegaan samenwerkingsverband) ook om andere redenen dan hiervoor benoemd zonder btw kan plaatsvinden, bijvoorbeeld indien is voldaan aan de voorwaarden van leerstuk kosten voor gemene rekening. Wij gaan hier in dit artikel niet verder op in.

De uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant

Er bestaat in praktijk nogal eens discussie over de vraag of sprake is van een het ter beschikking stellen van personeel of van een overeenkomst tot opdracht. Zo ook in de recente uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant.

In de casus was sprake van een stichting die docenten inzet op basisscholen. De stichting brengt hierbij geen btw in rekening, omdat zij van mening is dat de docenten hun werkzaamheden zelfstandig verrichten en dat hierop een btw-vrijstelling van toepassing is. De inspecteur is echter van mening dat de stichting 21% btw had moeten voldoen over de inzet van het personeel en legt daarom een naheffingsaanslag op.

De rechtbank volgt het standpunt van de inspecteur. De rechtbank stelt dat de docenten hun werkzaamheden niet zelfstandig verrichten, maar door tussenkomst van de stichting. Daarom moeten de werkzaamheden van de stichting worden beoordeeld en niet de werkzaamheden van de docenten. De rechtbank oordeelt vervolgens dat uit de afgesloten overeenkomst tussen stichting en haar afnemers niet volgt dat sprake is van het (btw-vrijgesteld) verzorgen van onderwijs, maar van het (btw-belast) ter beschikking stellen van personeel. De docent valt namelijk onder verantwoordelijkheid van de school en niet de inlener.

Deze uitspraak bewijst maar weer eens dat een verkeerde kwalificatie van de inzet van personeel grote btw-gevolgen kan hebben.

Het geactualiseerde besluit ter beschikking stellen van personeel

Niet beoordeeld door de rechtbank – maar wel relevant voor de praktijk – is of de btw-heffing wel achterwege kan blijven op grond van het besluit ter beschikking stellen van personeel. Het in rekening brengen van btw werkt immers kostprijsverhogend, omdat scholen de in rekening gebrachte btw veelal niet in aftrek kunnen brengen.

Zoals hiervoor reeds toegelicht kent het besluit een aantal goedkeuringen waarbij btw-heffing bij het ter beschikking stellen van personeel alsnog achterwege kan blijven. De staatssecretaris heeft op 15 juli 2022 in het besluit een aantal verduidelijkingen aangebracht.

Zo zijn een aantal voorwaarden verduidelijkt die relevant zijn voor de onderwijspraktijk. De belangrijkste verduidelijking is dat de redelijke kostenvergoeding voor het uitlenen van personeel beperkt moet blijven tot maximaal 5% van de brutoloonkosten van het betrokken personeelslid. Voorheen werd geen percentage benoemd. Onze praktijkervaring is dat het percentage (max. 5%) vaak aan de lage kant is.

Een andere wijziging is dat het besluit verduidelijkt wat onder een overeenkomst van opdracht dient te worden verstaan. Ook is een bijlage met vragen en antwoorden toegevoegd. In deze bijlage wordt verder ingezoomd op enkele onderwerpen uit het besluit.

Hoe nu verder?

Het vaststellen van de btw-gevolgen van het inzetten van personeel in (onder andere) de onderwijspraktijk blijft een complexe aangelegenheid. Een onjuiste kwalificatie van de inzet (overeenkomst van opdracht in plaats van ter beschikking stellen van personeel en vice versa) dan wel een onterecht beroep op het besluit ter beschikking stellen van personeel kan ingrijpende btw-gevolgen hebben.

In geval uw organisatie personeel ter beschikking gesteld krijgt of stelt (c.q. in- of uitleent), is het raadzaam om te (her)beoordelen of (nog steeds) terecht wel/geen btw in rekening wordt gebracht. Mogelijk is het op basis van deze beoordeling nodig om wijzigingen aan te brengen bij bestaande overeenkomsten en/of eventueel door u gehanteerde standaardovereenkomsten. Indien wenselijk ondersteunen wij u uiteraard graag bij deze beoordeling en/of de nadien evt. te nemen vervolgstappen.

(Bron: Van Oers)

Aanpassing bekostigingsbedragen 2023 na prijsbijstelling van 11,7%

De bekostiging van het primair onderwijs kent een tweetal indexaties. Een indexatie van de loongevoelige bekostiging en een indexatie van de prijsgevoelige bekostiging. De indexatie van de prijsgevoelige bekostiging, op basis van de wettelijk verplichte jaarlijkse prijsbijstelling, is voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op 11,7%. Hierin is ook de (verwachte) ontwikkeling van energielasten meegenomen.

De indexatie van de loongevoelige bekostiging (op basis van de referentiesystematiek) werd tot en met 2022 toegepast op de personele bekostiging. De indexatie van de prijsgevoelige bekostiging werd tot en met 2022 gehanteerd voor het indexeren van de materiële bekostiging. Met de vereenvoudiging van de bekostiging worden de bedragen voor personele bekostiging en materiële bekostiging samengevoegd. Maar voor het bijstellen van de bekostiging wordt nog steeds uitgegaan van deze twee verschillende indexeringen. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende verdeling, die gebaseerd is op de uitgekeerde OCW bekostiging in 2022:

  • Loongevoelig (L): 89,15%
  • Prijsgevoelig (P): 10,85%

Dit betekent dat de bekostigingsbedragen van de 1e regeling bekostiging 2023 die begin september door de PO-Raad zijn gepubliceerd, worden opgehoogd met 1,27% (11,7% * 10,85%). Deze verhoogde bekostigingsbedragen vind je in de tool vereenvoudigde bekostiging. Op korte termijn worden ook de begrotingsmodellen aangepast met de nieuwe bedragen. OCW verwerkt de nieuwe bedragen in de eerste regeling bekostiging 2023, die in december wordt gepubliceerd. De tweede en definitieve regeling bekostiging 2023 wordt na de zomer 2023 gepubliceerd. Dan worden de bekostigingsbedragen ook aangepast aan de hand van de indexatie van het loongevoelige deel van de bekostiging, op basis van de referentiesystematiek 2023.

Berekening hoogte baten begroting 2023

Met deze nieuwe bedragen hebben schoolorganisaties alle bekostigingsinformatie voorhanden voor hun begroting 2023. Maar let op: de huidige cao loopt tot en met 30 april 2023, en anticipeert op de indexatie van de bekostiging in 2023 die pas in de loop van volgend jaar wordt gepubliceerd en uitgekeerd. Om een reëel beeld van de begroting te krijgen, zullen schoolorganisaties in hun begroting aan de lastenkant veelal uitgaan van deze meest recente cao. Omdat voor deze cao ook een deel van de ruimte voor 2023 is gebruikt, zal ook aan de batenkant van de begroting rekening moeten worden gehouden met deze cao.

Voor deze cao wordt gerekend met een indexatie van 1,6% voor 2023. Daarom wordt geadviseerd om ook de batenkant te verhogen. De bekostiging kent echter per 1 januari 2023 geen onderscheid meer tussen personeel en materieel. Vandaar dat ook hier wordt uitgegaan van de verdeling loongevoelig en prijsgevoelig van 89,15% staat tot 10,85%. Dit zou betekenen dat in de begroting uitgegaan kan worden van het opplussen van de bekostigingsbedragen 2023 met ca. 1,4% (1,6% * 89,15%)

(Bron: PO-Raad)

Vereenvoudiging bekostiging Primair Onderwijs en vordering OCW

Op 27 oktober 2021 is de kennisgroep Financiën van de PO Raad gehouden. In deze digitale bijeenkomst werd uitleg gegeven over de vereenvoudiging van de bekostiging in het primair onderwijs per 1 januari 2023. Er waren vanuit de aanwezige schoolbesturen veel vragen over de vordering OCW en de bekostiging voor het jaar 2022.

Wat gebeurt in 2022 in aanloop naar de vereenvoudiging van de bekostiging in 2023?

Voor het schooljaar 2021-2022 wordt voor de laatste maal schooljaarbekostiging verstrekt. Deze bekostiging is net als in andere jaren toegekend, wat betekent dat in de jaarrekening 2021 5/12e van deze beschikking als baten worden verwerkt en in de jaarrekening 2022 7/12e. Het betaalritme loopt voor een aantal onderdelen van de bekostiging niet gelijk aan deze toerekening aan periodes, in de eerste 5 maanden wordt namelijk minder betaald door het Ministerie (ca. 34,55%) dan de genoemde 5/12e van de beschikking (41,67%). Dit geldt voor de reguliere personele bekostiging, voor de bekostiging onderwijsachterstanden en voor de bekostiging zware ondersteuning personeel. Maar het geldt bijvoorbeeld niet voor de bekostiging personeels- en arbeidsmarktbeleid, de uitbetaling hiervan vindt wel in 12 gelijke maandelijkse termijnen plaats.

Door het betaalritmeverschil op de personele bekostiging hebben schoolbesturen op balansdatum (31 december) een vordering op het Ministerie van OCW. Deze vordering (en dus het betaalritmeverschil) bedraagt ca. 7% van de schooljaarbekostiging. In de periode januari tot en met juli 2022 wordt dit verschil ingelopen. Dan is de maandelijkse uitbetaling namelijk hoger dan 7/12e van de beschikking. Hierdoor loopt de vordering OCW in de maanden januari tot en met juli 2022 langzaam terug naar nul. Per 1 augustus 2022 is de vordering OCW hierdoor nul. Tot zover niks nieuws, dit is dezelfde systematiek die sinds de invoering van de lumpsum wordt gehanteerd.

In de laatste 5 maanden van 2022 ontstaat een nieuw situatie, omdat vanaf 1 januari 2023 de kalenderjaarbekostiging in gaat. Het Ministerie van OCW maakt voor de periode augustus tot en met december 2022 een aparte beschikking. Deze beschikking is qua systematiek gelijk aan de uitbetaling die in deze periode normaal gesproken plaatsvindt. Deze is dus gebaseerd op de uitgaande geldstroom bij het Ministerie van OCW, die in de laatste 5 maanden zo’n 7% procent lager is dan wat werd beschikt. Omdat de beschikking voor die laatste 5 maanden dus ook lager wordt vastgesteld, is er geen verschil meer tussen beschikking en betaling door OCW. Hierdoor wordt in de laatste 5 maanden van 2022 geen vordering OCW meer opgebouwd. Het betekent ook dat de reguliere personele bekostiging in 2022 zo’n 7% lager is in vergelijking met voorgaande jaren (zonder rekening te houden met bijstellingen en wijzigingen in leerlingaantallen). Dit heeft dus direct effect op de Rijksbijdragen die in 2022 in de jaarrekening terecht komen, deze is dus eenmalig lager dan voorgaande jaren.

Is er sprake van een stelselwijziging met betrekking tot de vordering OCW?

Nee, er is geen sprake van een stelselwijziging. Dit komt omdat de wijze van het vaststellen van de Rijksbijdragen op basis van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving niet wijzigt. De Rijksbijdragen worden in de jaarrekening opgenomen op basis van de toegekende beschikkingen. Dit gebeurt ook in 2022. Het enige verschil in 2022 is dat er per saldo minder gelden worden beschikt, waardoor de baten dus lager zijn.

Is er sprake van een afboeking van de vordering OCW en hoe zou deze dan verwerkt moeten worden?

Er is geen sprake van een afboeking van de vordering OCW. De vordering OCW die op 31 december 2021 in de jaarrekening staat wordt daadwerkelijk ontvangen in de eerste zeven maanden van 2022. Daarmee loopt de vordering dus op een reguliere manier af, door gelden die ontvangen worden vanuit het Ministerie van OCW. Omdat er geen sprake is van een afboeking van de vordering is ook geen sprake van verwerking via het eigen vermogen of een buitengewone last.  

Hoe ziet de jaarrekening 2022 er dan uit?

In de jaarrekening 2022 is per 31 december geen sprake meer van een vordering OCW, simpelweg omdat alle beschikte middelen over 2022 ook in dat jaar worden ontvangen. De Rijksbijdragen OCW in de baten zijn in 2022 lager dan het schoolbestuur gewend is. Het bedrag waarmee deze baten lager zijn, is in hoogte ongeveer gelijk aan de op 31 december 2021 opgenomen vordering OCW. Dit zal dus leiden tot een fors lager resultaat in 2022 in vergelijking met 2021. Door de resultaatbestemming leidt dit lagere resultaat ook tot een lager eigen vermogen per 31 december 2022. 

Voorbeeld voor een middelgroot schoolbestuur:

 20212022 (uitgaande van dezelfde cijfers als in 2021)
Rijksbijdragen excl. Bijdragen SWV€ 24.000.000€ 22.850.000
Vordering OCW per 31 december€ 1.150.000€ 0
Verhouding vordering OCW t.o.v. totale Rijksbijdragen4,8% 
Effect op het jaarresultaat€ 0€ – 1.150.000

Wat is het effect op het eigen vermogen?

Door de lagere baten in 2022 zal het resultaat ook lager uitvallen, dit leidt dus ook tot een lager eigen vermogen in vergelijking met de situatie dat er geen wijziging zou plaatsvinden in de bekostiging. Hierdoor wordt een eventueel bovenmatig eigen vermogen verlaagd. Mocht een schoolbestuur door dit effect onder signaleringswaarden voor continuïteitstoezicht komen dan is de inspectie in de jaren 2022 tot en met 2026 coulant in haar toezicht.

(Bron: Wijs Accountants)