Definitieve jaarrekening moet conceptversie overtreffen

Volgens Hof Amsterdam is het overleggen van een definitieve jaarrekening onvoldoende bewijs als deze definitieve versie volledig gelijk is aan een eerder ingediende conceptversie die evenmin voldoende bewijs vormde.

Een bedrijf had nagelaten zijn aangifte vennootschapsbelasting over 2011 in te dienen. De inspecteur legde het bedrijf daarom een positieve ambtshalve aanslag op. Het bedrijf vond dat onterecht, omdat volgens een herziene conceptjaarrekening een fiscaal verlies was geleden. Dit concept was ook overlegd tijdens de beroepsprocedure voor Rechtbank Noord-Holland. De rechtbank vond dat het bedrijf daarmee niet had voldaan aan zijn zware bewijslast. De conceptjaarrekening was immers slechts een (voorlopige) weergave van de feiten die de accountant als zodanig had aangeduid. Ook bevatte het concept geen accountantsverklaring. De rechtbank verklaarde het beroep van het bedrijf ongegrond.

 

Definitieve versie gelijk aan concept

Het bedrijf ging vervolgens in hoger beroep en legde daarbij de definitieve jaarrekening over. Het hof constateerde dat de definitieve jaarrekening post voor post gelijk was aan de herziene conceptversie. Volgens het hof had de rechtbank terecht geoordeeld dat het bedrijf met het overleggen van de conceptversie niet had voldaan aan zijn bewijslast. Het hof vond daarom dat de definitieve jaarrekening evenmin voldoende bewijs opleverde. Dit was te meer het geval nu de accountant had verklaard dat de aard van zijn werkzaamheden van een zodanige aard was dat hij geen zekerheid over de getrouwheid van de jaarrekening kon verstrekken. Ten slotte had de Belastingdienst naar aanleiding van de conceptjaarrekening diverse vragen gesteld die het bedrijf niet had beantwoord. Het hof oordeelde dat het bedrijf in het hoger beroep evenmin had voldaan aan zijn bewijslast en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

(Bron: Taxlive)

Aanpassing schijven box 3 per 2018

Omdat het heffingvrije vermogen per 2018 wordt verhoogd naar € 30.000, worden de belastingschijven daarop aangepast.

De verhoging is geregeld in de Derde Nota van wijziging behorende bij het Belastingplan 2018. De vermogensrendementsheffing heeft in 2017 drie vermogensschijven.
  • schijf 1: tot een vermogen van € 100.000;
  • schijf 2: van € 100.000 tot € 1.000.000;
  • schijf 3: vermogen vanaf € 1.000.000.
In de tabel in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn de bijbehorende bedragen voor de grondslag sparen en beleggen opgenomen, zijnde de rendementsgrondslag verminderd met het heffingsvrije vermogen. Door de verhoging van het heffingvrije vermogen van € 25.000 naar € 30.000, zouden de grenzen van de vermogensschijven onbedoeld worden verhoogd. De voorgestelde wijziging in deze derde nota van wijziging herstelt dit. Na inflatiecorrectie 2018 (0,8%) kan de belasting in box 3 berekend aan de hand van de volgende tabel:
Vermogensrendementsheffing 2018
Van het deel grondslag meer dan Maar niet meer dan Wordt toegerekend aan rendements-grondslag I (0,36%)
En wordt toegerekend aan rendements-grondslag II
(5,38%)
Het forfaitaire rendement bedraagt De vermogens-rendementsheffing over de grondslag bedraagt
€ 0 € 70.800 67% 33% 2,02% 0,605%
€ 70.800 € 978.000 21% 79% 4,33% 1,298%
€ 978.000 – 0% 100% 5,38% 1,614%

Belang voor de praktijk

Voor belastingplichtigen is het natuurlijk jammer dat deze fout op tijd is onderkend. Zonder deze reparatie zou de eerste belastingschijf € 4.200 langer zijn. Dat scheelt bij een rendementsgrondslag van € 75.000 een bedrag van € 29. Maar er zijn ook positieve ontwikkelingen te melden. Allereerst is er de verhoging van het heffingvrije vermogen van € 25.000 naar € 30.000. Daarnaast is er voor 2018 al uitgegaan van een fors lager verondersteld rendement op sparen (0,36%). En in het regeerakkoord is opgenomen dat in deze kabinetsperiode een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement wordt uitgewerkt.

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Advocatenkantoor draagt te weinig btw af. Naheffing is terecht

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting niet te hoog is omdat X niet heeft weersproken dat deze is gebaseerd op het verschil tussen de door X op zijn aangiften btw vermelde omzet en de omzet zoals die volgde uit zijn aangifte IB 2008.

Belanghebbende, X, exploiteert in 2008, onder meer, een advocatenkantoor. De inspecteur legt aan X, in afwachting van de uitkomsten van een boekenonderzoek, een naheffingsaanslag omzetbelasting op over het tijdvak 2008. De naheffingsaanslag is gebaseerd op het verschil tussen de door X op zijn aangiften omzetbelasting vermelde omzet (ca. € 389.800) en de omzet zoals die volgt uit de aangifte IB/PVV 2008 (ca. € 809.000). In geschil is de hoogte van de naheffingsaanslag, in het bijzonder de hoogte van de door X behaalde omzet.

De Inspecteur heeft zich nader op het standpunt gesteld dat in de omzet ten onrechte een bedrag aan doorlopende kosten, bestaande uit griffierechten en leges, is begrepen van ca. € 29.000. In zoverre is het beroep gegrond.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur is geslaagd in het bewijs dat de naheffingsaanslag niet op een te hoog bedrag is opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat X terecht het factuurstelsel toepast. Dat betekent dat X de omzetbelasting verschuldigd is ongeacht de vraag of de door hem uitgereikte facturen daadwerkelijk zijn betaald. De stelling van X dat de omzet moet worden verlaagd met het bedrag van de debiteuren is dan ook onjuist. Voor een eventuele teruggaaf wegens oninbare debiteuren dient X wettelijk een verzoek te doen.

(Bron: Taxence)

Een woonbestemming maakt nog geen woning

Voor het lage overdrachtsbelastingtarief van 2% voor woningen moet er op het moment van eigendomsoverdracht sprake zijn van een gebouw dat naar zijn aard bestemd is voor bewoning. Een naar woondoeleinden gewijzigde bestemming verandert daar niets aan. Dit bleek uit een zaak die voor Hof Arnhem-Leeuwarden.

 

Een bv had in 2015 een kantoorgebouw gekocht van een stichting voor € 1.285.097. Twee maanden later verkocht de bv dit pand aan een vrouw voor € 1.350.000. Daarbij werd een aannemingsovereenkomst gesloten om het pand – exclusief benedenverdieping – te laten verbouwen tot 29 woonappartementen. De stichting droeg de juridische eigendom van het pand over aan de vrouw. Daarbij was op dat moment sprake van een wijziging naar woonbestemming en een omgevingsvergunning met woonbestemming voor de te realiseren 29 appartementen. De vrouw voldeed op aangifte 6% overdrachtsbelasting over € 1.350.000 en maakte vervolgens bezwaar tegen haar aangifte, omdat zij vond dat slechts 2% overdrachtsbelasting verschuldigd was over het aan de woonappartementen toe te rekenen gedeelte van de koopsom (de 29 nog te realiseren woonappartementen). Zij stelde dat het pand deels als woning was aan te merken, omdat bij verkrijging al vaststond dat 29 woonappartementen zouden worden gerealiseerd en dat voor de toepassing van het tarief gekeken moest worden naar de feitelijke situatie bij oplevering van de appartementen.

 

Het hof volgde de vrouw niet hierin. Het hof overwoog dat nu het pand ten tijde van levering naar zijn aard een kantoorgebouw was, waaraan ook nog geen aanpassingen waren verricht, geen sprake was van een woning. Een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning komt niet in aanmerking voor het lage tarief van 2%.

(PKF Wallast)

Hoge Whk-premie met terugwerkende kracht van tafel

Werkgevers die in 2014 een hoge gedifferentieerde premie voor de Werkhervattingskas (Whk-premie) moesten betalen vanwege de instroom van werknemers in de Ziektewet vanuit hun organisatie, kunnen mogelijk duizenden euro’s aan betaalde premie terugkrijgen. Dat volgt uit een uitspraak van Gerechtshof Amsterdam.

De gedifferentieerde Whk-premie geldt sinds 1 januari 2014. De premie over een bepaald jaar wordt altijd gebaseerd op de instroom in de Ziektewet (ZW) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) van twee kalenderjaren eerder. Een werkgever stapte naar de rechter toen hij een hoge Whk-premie over 2014 moest betalen, omdat hij in 2012 nog niet wist dat dat het gevolg zou zijn van het ziek uit dienst laten gaan van een werknemer met een tijdelijk contract. Volgens de werkgever was deze terugwerkende kracht in strijd met artikel 1 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). De rechtbank ging hier niet in mee, waarna de werkgever in hoger beroep ging.

Lasten zijn buitensporig hoog

Het hof gaf de werkgever wel gelijk en nam in zijn overweging mee dat werkgevers er in 2012 op mochten vertrouwen dat het ziek uit dienst laten gaan van een werknemer met een tijdelijk contract geen grootse gevolgen zou hebben. Dat was in het geval van deze werkgever echter wel aan de orde. Zijn lasten stegen in totaal met ongeveer € 200.000 door deze ene werknemer: hij blijft immers nog tien jaar meetellen voor de Whk-premie. Volgens het hof is dat een buitensporig hoge last die de werkgever niet had kunnen voorzien. Juist die onvoorzienbaarheid is in strijd met het EVRM. Het premiepercentage dat de werkgever over 2014 moest betalen, werd daarom verlaagd naar enkel de sectorpremie.

Voor meer werkgevers claim-mogelijkheden

Deze succesvolle claim zet de deur open voor andere werkgevers om claims in te dienen over het jaar 2014. Zij wisten immers allemaal in 2012 nog niet dat er negatieve financiële gevolgen zouden zijn van het ziek uit dienst laten gaan van werknemers met een tijdelijk contract. Voor werkgevers die in 2014 een hoge ZW-premie hebben betaald door werknemers die jaren eerder ziek uit dienst gegaan waren, kan het voordelig zijn om hun Whk-beschikkingen over de laatste jaren nog eens heel kritisch te bekijken (tool).
De mogelijkheden om te claimen worden nog groter als deze uitspraak van het hof ook opgaat voor de WGA. Dat is echter nog niet zeker, omdat in deze zaak enkel de ZW-flex-premie ter discussie stond.

(Bron: Rendement)

DGA BV mag ingegane oudedagsvoorziening toch afstorten in lijfrente

In het nieuwe verzamelbesluit pensioenen worden enkele goedkeuringen opgenomen ten aanzien van de wet uitfasering pensioen eigen beheer. Daarmee is het nu ook mogelijk om een ingegane oudedagsverplichting (ODV) af te storten in een lijfrente, ziet accountantsbedrijf Vallura.

Goedkeuring

Met de invoering van de wet uitfasering pensioen in eigen beheer is het mogelijk om het door de DGA opgebouwde pensioen in de eigen BV om te zetten naar de ODV. Deze voorziening gedraagt zich in de BV als een soort bancaire lijfrente: uitkeren in 20 jaar. Die kan bovendien afgestort worden in een derde pijler lijfrente. In een vraag & antwoord (Vraag & Antwoord 17-008 d.d. 010417) van de belastingdienst is eerder nog expliciet verduidelijkt dat het afstorten in een lijfrente alléén is toegestaan vóórdat de uitkeringen uit de ODV zijn ingegaan. Dankzij een goedkeuring in het verzamelbesluit van 24 november 2017 (publicatie 8 december 2017) is het nu echter ook mogelijk deze uitkerende ODV af te storten in een lijfrente.

Toepassing

In feite kan dankzij de wet uitfasering pensioen in eigen beheer een tweede pijler pensioen worden getransformeerd in een derde pijler lijfrente. Iets waar in de praktijk al langer behoefte aan was. Er komt een tijd dat de DGA van haar BV af wil: teveel rompslomp, onnodige accountantskosten of onwetende nabestaanden buiten deze materie houden zijn hiervoor terugkomende argumenten. En als er pensioen in eigen beheer in zit, dan kon ontbinding alleen als dat pensioen extern werd afgestort bij een pensioenverzekering. Er zijn meerdere redenen aan te dragen waarom dit in de praktijk tot veel weerstand leidde, ziet Vallura. In ieder geval het onbehaaglijke gevoel van de gemiddelde DGA dat bij ‘jong’ overlijden kapitaal vervalt aan de verzekeraar. Dit nog bovenop de relatief torenhoge commerciële waarde die moest worden afgestort. Vóór 2008 was dit probleem er ook voor lijfrenten die in de BV zaten. Met de invoering van de bancaire lijfrente zijn er steeds meer BV’s ontbonden onder het afstorten van de lijfrente in een bancaire lijfrente. Hierbij is het zo dat bij overlijden het resterende kapitaal gewoon in de nalatenschap valt. Voor pensioenen bleven de oude argumenten bij afstorting in een verzekering overeind en werd nauwelijks tot afstorting in combinatie met ontbinding van de BV overgegaan.

Hinderlijk

Dat in de nieuwe wetgeving het afstorten vóór de ingangsdatum van de ODV moest gebeuren was volgens Vallura om twee redenen hinderlijk. Ten eerste is de termijn van twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd een erg korte termijn waarbinnen de DGA kan onderkennen dat hij de ODV nog kan afstorten. Vermoedelijk zouden in de praktijk hier veel gevalletjes ‘te laat’ zijn ontstaan. De tweede reden is dat de meeste DGA’s in de praktijk pas op latere leeftijd de behoefte krijgen om de BV te ontbinden. En als die ODV dan gewoon is gaan uitkeren, dan zou je als DGA klem zitten en die 20 jaar moeten afwachten.

Ruimte tot verbetering

Kan daarmee de afstorting in de ODV oneindig lang worden uitgesteld? Daar lijkt het volgens Allura niet op: omdat een ODV niet 1 op 1 is gelijkgesteld met een lijfrente, zal de afstorting moeten gebeuren uiterlijk in het kalenderjaar dat de DGA precies 5 jaar AOW heeft ontvangen. Dat is namelijk het uiterlijke moment dat een lijfrente bedongen kan worden. “Een tip voor de staatssecretaris: keur goed dat de feitelijke ingangsdatum van de ODV gezien mag worden als de datum dat de lijfrente is ingegaan en voorkom dat door deze leeftijdsbarrière de DGA ook die laatste 15 jaar onnodig een BV moet aanhouden.”
Het opgebouwde pensioen in eigen beheer omzetten naar een ODV kan nog tot en met 2019.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Partnervrijstelling in succesiewet voor één persoon met één fiscale partner

De Hoge Raad heeft onlangs uitgesproken dat voor toepassing van de partnervrijstelling in de Successiewet geldt dat één persoon maar één fiscale partner kan hebben. Dat is volgens de Raad niet strijdig met het discriminatieverbod.

De zaak waarin de uitspraak werd gedaan draaide om een vrouw die met haar echtgenoot, kinderen en vader een gezamenlijke huishouding vormde. De vrouw was ook mantelzorger van haar vader. Bij het overlijden van de vader in 2011 was zijn dochter op basis van het testament zijn enig erfgenaam. Vervolgens ontstond discussie over de vraag of de vrouw voor de erfbelasting recht had op toepassing van de partnervrijstelling van 603.600 euro. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde eerder van wel. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stelde zich op het standpunt dat de wetgever als uitgangspunt heeft genomen dat de partnervrijstelling niet van toepassing is op meerrelaties en dat geen sprake is van ongeoorloofde discriminatie.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is bij de uitbreiding van het partnerbegrip voor de Successiewet met bepaalde mantelzorgers niet afgeweken van het uitgangspunt dat een persoon op enig moment maar één partner kan hebben. Het handhaven van dit uitgangspunt heeft in dit geval tot gevolg dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de partnervrijstelling bij haar vaders nalatenschap, omdat ze al een andere partner had (haar echtgenoot). Dit is niet strijdig met het discriminatieverbod, spreekt de Hoge Raad uit. De Raad verklaart het cassatieberoep van de mantelzorgster daarom ongegrond.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Sterfhuisconstructies, (turbo-)liquidaties en bestuurders- aansprakelijkheid

Bij verlieslijdende ondernemingen moet soms toch de pijnlijke keuze gemaakt worden om de onderneming te staken. Soms bevat de betreffende onderneming nog wel bepaalde waardevolle activa en rendabele activiteiten. Deze onderdelen wil de ondernemer niet kwijtraken. Een sterfhuisconstructie, mits goed georganiseerd, zou een oplossing kunnen zijn. Wat zijn de mogelijkheden?

Wat is een sterfhuisconstructie?

Bij een sterfhuisconstructie worden de ‘gezonde’ delen van de onderneming overgedragen, waardoor de verlieslijdende onderdelen in de onderneming achterblijven. Zo kunnen de rendabele onderdelen benut blijven worden en gaan ze niet teniet in een liquidatie of faillissement. De ‘gezonde’ delen worden overgedragen door bijvoorbeeld een activatransactie. Ook kan er voor worden gekozen om de B.V. te splitsen, waarbij de ene B.V. de verlieslijdende onderdelen op zich neemt en de andere B.V. de rendabele onderdelen.

Alhoewel deze constructie is toegestaan, kleven er wel risico’s aan, gelet op de fraudegevoeligheid. Men gaat rustig door met ondernemen in de nieuwe vennootschap, maar de schuldeisers kunnen zich nergens meer op verhalen. De bestuurder van de vennootschap zou mogelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden door een schuldeiser, of door de curator in een faillissement.

Recent, op 13 september 2017, heeft de Rechtbank Den Haag geoordeeld dat een bestuurder van een uitzendbureau onrechtmatig heeft gehandeld door de activa te verkopen en de bedrijfsactiviteiten over te dragen, waardoor schuldeisers geen verhaalsmogelijkheden meer hadden.

In een zaak uit 2014 heeft de Hoge Raad als maatstaf gegeven dat de bestuurder aansprakelijk is indien hij wist of behoorde te begrijpen dat zijn handelen er toe zou leiden dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor de schuldeisers. In deze zaak hadden de curatoren van een inmiddels gefailleerde schuldeiser de bestuurder van de debiteur aansprakelijk gesteld. Deze schuldeiser was 10 jaar daarvoor een procedure begonnen tegen de nu failliete debiteur. Nadat de procedure was begonnen, werden geleidelijk de activa en de bedrijfsactiviteiten overgedragen aan de zustermaatschappijen binnen het concern. De schuldeiser kon na het winnen van de procedure geen verhaal meer halen bij de vennootschap. Sterfhuisconstructies zijn toegestaan, zolang het maar niet ten koste gaat van de schuldeisers, aldus de Hoge Raad.

Wat te doen?

Van belang bij een dergelijke sterfhuisconstructie zijn een goede administratie en boekhouding. Zo moeten transacties die plaatsvinden met de moeder- en zustervennootschappen verplicht schriftelijk en duidelijk vastgelegd worden. Doet de bestuurder dit niet, dan kan de transactie vernietigd (en dus teruggedraaid) worden of kan de bestuurder aansprakelijk gesteld worden. Zo werd in 2016 een bestuurder van een failliete vennootschap in Almelo met succes aansprakelijk gesteld omdat hij een sterfhuisconstructie had opgezet, zonder de intercompany transacties vast te leggen, waardoor de curator van de failliete onderneming met een lege vennootschap en zonder informatie zat.

Indien activa wordt overgedragen, dient daar op zijn minst een redelijke prijs voor worden betaald. Zo behoudt de vennootschap (liquide) middelen waarmee de schuldeisers toch betaald kunnen worden. Worden de activa voor een te laag bedrag overgedragen, dan kan dat een grond voor aansprakelijkheid zijn. Zo werd bijvoorbeeld in 2013 een bestuurder aansprakelijk gehouden omdat een sterfhuisconstructie was opgezet waarbij de activa werd overgedragen aan een zustermaatschappij, terwijl daar geen enkele vergoeding tegenover stond.

De bestuurder is daarnaast verplicht om bij (potentiële) claims in de jaarrekening een voorziening op te nemen. De voorziening wordt als last op de winst- en verliesrekening opgenomen en als vreemd vermogen op de balans. Als de claim nog niet vast staat (omdat er nog een procedure loopt) kan van een bestuurder gevergd worden dat hij een voorziening opneemt. Dit is in overeenstemming met eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad.

(Turbo-)liquidatie of faillissement?

Na de transactie rijst de vraag wat er gedaan moet worden met de vennootschap. Liquideren of het faillissement aanvragen? Zoals eerder gezegd, kan een sterfhuisconstructie aansprakelijkheidsrisico’s met zich mee brengen. Het is dus de vraag of een faillissement interessant is, omdat er een nieuwe speler intreedt: de curator. Wellicht acht de curator het handelen van de bestuurder onrechtmatig en stelt hij hem aansprakelijk.

Is liquidatie dan een optie? Dat is geheel afhankelijk van de omstandigheden. Een liquidatie – of ontbinding – vindt plaats bij wijze van aandeelhoudersbesluit. Er dient dan een vereffenaar te worden aangewezen, meestal de bestuurder(s). De vereffenaar dient met de aanwezige baten de schuldeisers te betalen. Zolang de schuldeiser bij liquidatie betaald kunnen worden, is er uiteraard geen probleem. Maar wat als er meer schulden dan baten zijn? Dan moet de vereffenaar alsnog het faillissement aanvragen.

Maar wat als er helemaal geen baten zijn en alleen maar schulden? Turbo-liquidatie is dan een optie. Wordt bij een aandeelhoudersbesluit besloten tot ontbinding en zijn er geen baten, dan houdt de vennootschap meteen op te bestaan. De turbo-liquidatie wordt dan nog gemeld bij de Kamer van Koophandel. Maar ook deze constructie staat bekend als fraudegevoelig. Blijken er toch baten te zijn, dan kan de vereffenaar aansprakelijk zijn, aldus de Rechtbank Amsterdam in 2014.

Complex

De aansprakelijkheidsvraag bij een sterfhuisconstructie blijft moeilijk en is van veel factoren afhankelijk. Zo moet de schuldeiser of curator niet alleen kunnen aantonen dat de bestuurder onjuist heeft gehandeld, maar er moet ook aangetoond worden dat dóór dat handelen de schuldeisers in een nadeliger positie terecht zijn gekomen. Het ging immers al slecht met de onderneming, dus misschien konden de schuldeisers hoe dan ook niet betaald worden. Dit is iets dat onderzocht moet worden en veel tijd kan vergen. Zo moet in een nog lopende procedure de benadeelde schuldeiser bewijzen dat door de activatransactie het faillissement van de debiteur is ontstaan. Dit is lastig, omdat het bedrijf al afstevende op een faillissement.

In 2015 kon een verhuurder bijvoorbeeld niet bewijzen dat door de splitsing van een vennootschap (waardoor de verplichting tot huurbetaling in een lege vennootschap zat en de activa in een andere vennootschap) de verhuurder als schuldeiser benadeeld was. De verhuurder kon namelijk niet aantonen dat vóór de splitsing al wel aan de verplichting tot huurbetaling kon worden voldaan, want het ging al heel slecht met de huurder.

Conclusie

Al met al kan gezegd worden dat de sterfhuisconstructie een reële optie kan bieden voor verlieslijdende ondernemingen met rendabele onderdelen. Maar het goed opzetten van een dergelijke constructie vereist wel finesse, want een aansprakelijkstelling kan op de loer liggen.
Het is daarom verstandig om vooraf advies in te winnen over de vraag of een sterfhuisconstructie mogelijk is. Laat u daarnaast in het proces begeleiden door een professional.

(Bron: Damsté)

Ook zieke werknemer heeft recht op volledige betaling vakantie-uren

Niet-genoten vakantie-uren moeten bij ontslag worden vergoed naar 100% van het loon, ook al is de werknemer ziek en ontving hij daarom slechts 70% van dat loon. Ook een WAO-uitkering mag niet op de vergoeding van vakantie-uren bij ontslag in mindering worden gebracht.

Dat is het oordeel van de Centrale Raad van Beroep in een uitspraak van 22 november 2017 geoordeeld. De Centrale Raad van Beroep is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht.

Uwv keerde maar 70% van het loon uit
De zaak werd aangespannen door een werknemer met een gedeeltelijke WAO-uitkering. Na ziekmelding bij de werkgever hoefde de werkgever vanaf het tweede ziektejaar nog maar 70% van het loon te betalen. De WAO-uitkering mocht op het loon in mindering worden gebracht.

In het tweede ziektejaar is de werkgever failliet verklaard en verloor de werknemer dus zijn baan. Het Uwv heeft nog openstaande betalingsverplichtingen van de werkgever overgenomen. Het Uwv heeft ook de niet-opgenomen vakantie-uren vergoed naar 70% van het loon en heeft de WAO-uitkering ook op deze uren in mindering gebracht. De werknemer vond dit niet juist.

Vakantiedagen 100% uitbetalen is verplicht
De Centrale Raad van Beroep is dat met de werknemer eens. De Raad concludeert dat de werkgever bij het einde van het dienstverband op grond van Europese regels gehouden zou zijn geweest om 100% van het loon te betalen over de niet opgenomen vakantie-uren, ook al was de werknemer ziek. Daarom was het Uwv daar na een faillissement ook toe verplicht. Ook de WAO-uitkering mocht niet worden gekort op de door het Uwv te vergoeden vakantie-uren.

Het oordeel van de Centrale Raad van Beroep is zaak een eindoordeel. Partijen kunnen tegen deze uitspraak dan ook geen hoger beroep instellen.

(Bron: Personeelsnet)

Bij voeging BV geen verliesverrekening voor bestaande stille reserve

Voeging van een vennootschap met een positieve stille reserve in de fiscale eenheid leidt niet tot extra ruimte om oude fiscale eenheidsverliezen te verrekenen. Deze stille reserve moet men toerekenen aan de gevoegde B.V. Dat heeft de Hoge Raad bepaald in een zaak waarin in het geding was of de  belastbare winst juist was berekend en, als dat zo was, of de door de Inspecteur geweigerde verliesverrekening terecht is.

Wanneer een dochtermaatschappij in de loop van het boekjaar wordt opgenomen in een fiscale eenheid, sluit de dochtermaatschappij haar boekjaar af direct voorafgaand aan haar voeging. Belanghebbende, een moedermaatschappij, vond dat de belastbare winst door de Belastingdienst te hoog was vastgesteld. De holding wilde de winst in de aangifte VPB over 2010 te verrekenen met verliezen uit 2007 van de fiscale eenheid. Bij de winst had zij echter ook de positieve fiscale stille reserve van het pand van de op 21 juli 2008 gevoegde B.V. (€ 1.391.128) in aanmerking genomen. Dit pand was op diezelfde dag (na voeging) door de B.V. aan de moeder verkocht, die het pand vervolgens in later dat jaar weer doorverkocht aan een gelieerde vennootschap die niet tot de FE behoorde. De herinvesteringsreserve die werd gevormd door de gerealiseerde boekwinst werd afgeboekt op de boekwaarde van een ander pand dat in 2008 door een andere dochter binnen de FE was aangekocht. De dochter verkocht dit pand in maart 2010 aan een gelieerde vennootschap (buiten de FE) en behaalde een boekwinst van ten minste € 1.391.128.

Verliesverrekening

De inspecteur weigerde de verliesverrekening in de aangifte VPB voor het bedrag van de stille reserve. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was het met de inspecteur eens en oordeelde dat op grond van artikel 15ah (lid 1 en 2) Wet VPB 1969 het bedrag van de stille reserve was toe te rekenen aan de in juli 2008 gevoegde B.V. Als deze B.V. namelijk op 21 juli 2008 geen deel uitmaakte van de FE, zou zij op die datum de al bij voeging aanwezige stille reserves met betrekking tot het pand hebben gerealiseerd door de verkoop van het pand aan de moeder. Deze stille reserve is uiterlijk in 2010 in de winst van de fiscale eenheid tot uitdrukking gekomen. Deze uitleg sluit aan bij de bedoeling van de wet om zoveel mogelijk te bewerkstelligen dat men winsten en verliezen binnen de FE alleen kan verrekenen voor zover deze binnen de FE zijn ontstaan. Toepassing van artikel 15ah lid 4 Wet VPB 1969 kon niet tot een ander resultaat leiden volgens het hof. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de moeder ongegrond zonder verdere toelichting (artikel 81 RO).

(Bron: Accountancyvanmorgen)