Pensioenbescherming dga bij faillissement

De Hoge Raad oordeelt dat een curator in het faillissement van een man diens pensioenverzekering niet mag afkopen, omdat de opgebouwde oudedagsvoorziening binnen de fiscale kaders blijft.

Het gaat om de volgende zaak (6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2564, RvdW 2017/1059). Een man sluit in 1978 een pensioenverzekering. Hij gaat in 2012 failliet. De curator in het faillissement wil de pensioenverzekering afkopen. De rechter-commissaris geeft daar toestemming voor. De man is het hier niet mee eens. De Rechtbank Gelderland beperkt de toestemming. Vanaf zijn AOW-leeftijd moet de man een pensioenuitkering van € 800 per maand overhouden. Alleen voor het meerdere staat de rechtbank de afkoop toe. De man en de curator gaan tegen deze uitspraak in cassatieberoep bij de Hoge Raad.
De man beroept zich op artikel 7:986 lid 4 BW. Hierin staat dat een contractueel afkoopverbod ook geldt voor de curator. Dat geldt voor zover de premies in aanmerking konden worden genomen in box 1. Lijfrentepremies voldoen aan deze eis, maar pensioenpremies in beginsel niet. De werkgever betaalt immers de pensioenpremies, niet de man zelf. Maar volgens de man gaat het er niet om of hij de premies zelf heeft afgetrokken, maar of hij ze kón aftrekken.
Volgens de Hoge Raad gaat het erom dat de opbouw van een oudedagsvoorziening binnen de fiscale kaders blijft. Als daar sprake van is, mag de curator de pensioenverzekering niet afkopen.

Belang voor de praktijk

Voor ‘gewone’ werknemers heeft deze uitspraak weinig belang. Hun pensioenaanspraken vallen onder de werkingssfeer van de Pensioenwet. De Pensioenwet kent een absoluut afkoopverbod. Een curator kan in die gevallen het pensioen helemaal niet afkopen. Anders ligt dat voor aanspraken van een directeur-grootaandeelhouder (dga). De pensioenaanspraak van de dga valt niet onder de Pensioenwet. Voor dga-pensioen is deze uitspraak daarmee van groot belang.
Artikel 22a Faillissementswet biedt ook bescherming, maar geen keiharde. Op grond van die bepaling valt het recht op het afkopen van een levensverzekering buiten de boedel voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer door afkoop onredelijk benadeeld wordt. Bij de vraag of sprake is van een onredelijke benadeling moet zowel rekening worden gehouden met de belangen van de schuldeisers als met de belangen van de verzekeringnemer/begunstigde(n).

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Partnerpensioen voor niet-aangemelde partner

Een vrouw heeft recht op partnerpensioen na overlijden van de man met wie zij ongehuwd samenwoonde, ondanks dat zij niet is aangemeld als partner bij het pensioenfonds. Dat oordeelt Rechtbank Gelderland.

De zaak (6 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5566, PJ 2017/168) verloopt als volgt. Een man en een vrouw wonen ongehuwd samen met een notarieel samenlevingscontract. De man neemt deel aan de pensioenregeling van zijn werkgever. De regeling wordt uitgevoerd door een pensioenfonds. Nadat de man is overleden, meldt de vrouw zich bij het pensioenfonds voor partnerpensioen. Het pensioenfonds weigert partnerpensioen uit te keren, omdat zij door de man of zijn werkgever niet is aangemeld bij het pensioenfonds.
 
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de vrouw tóch recht heeft op partnerpensioen. Het pensioenreglement bepaalt namelijk niet uitdrukkelijk dat een partner moet worden aangemeld.

Belang voor de praktijk

Volgens het pensioenfonds had de man uit het jaarlijkse pensioenoverzicht moeten begrijpen dat hij zijn partner moet aanmelden. De rechtbank verwerpt dit verweer. Alléén een officiële toelichting op het reglement kan een rol spelen bij de uitleg ervan. Brieven en pensioenoverzichten behoren daar niet toe. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2013.
 
Bij een huwelijk hoeft een aanmelding van de partner niet altijd plaats te vinden. Het is verstandig goed te controleren of er al dan niet een aanmelding moet plaatsvinden.
 
De aanmelding van een partner voor de pensioenregeling gebeurt normaal gesproken via de werkgever. In dit geval wist de werkgever niet dat de werknemer een partner had. De rechtbank oordeelt dat de werkgever ook niet verplicht is om op actieve wijze informatie in te winnen bij zijn werknemers. De werkgever valt hier dus niets te verwijten.
 
Uit een uitspraak van Hof Amsterdam van 18 juli 2017 (PJ 2017/141) blijkt dat het ook anders kan lopen. Bij ontbreken van een notarieel vastgelegd samenlevingscontract én een aanmelding kan, gelet op de daartoe gestelde voorwaarden, een feitelijk samenwonende niet worden aangemerkt als partner in de zin van het pensioenreglement.
 

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

De bijzondere rechtspositie van een statutair bestuurder

Een vennootschap wil na drie maanden al van een bestuurder af. De vennootschap moet van de rechter maar liefst een ton betalen aan de bestuurder. Hoe kan dat?

De rechtspositie van een statutair bestuurder van een vennootschap met een (al dan niet schriftelijke) arbeidsovereenkomst, wordt gekenmerkt door het feit dat de bestuurder zowel een vennootschapsrechtelijke als een arbeidsrechtelijke relatie heeft met die vennootschap. In het geval vennootschap en bestuurder niet meer met elkaar verder willen, zullen beide banden moeten worden beëindigd. Met name aan de arbeidsrechtelijke beëindiging kunnen nogal wat haken en ogen zitten.

In het vennootschapsrechtelijke regime wordt de bestuurder benoemd door het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is tot benoeming, in beginsel de algemene vergadering van aandeelhouders (ava). Afspraken over onder meer beloning worden doorgaans vastgelegd in een arbeidsovereenkomst.

Op basis van de vennootschapsrechtelijke relatie met de vennootschap kan een bestuurder, met inachtneming van de vennootschapsrechtelijke formaliteiten, te allen tijde worden ontslagen door het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is tot benoeming (in beginsel dus de ava). Volgens vaste rechtspraak eindigt met een rechtsgeldig vennootschapsrechtelijk ontslag ook de arbeidsovereenkomst van de statutair bestuurder, tenzij er een wettelijk verbod bestaat om de arbeidsovereenkomst op te zeggen (bijvoorbeeld in geval van ziekte) of als partijen anders zijn overeengekomen.

Nuance

Het voorgaande dient enigszins te worden genuanceerd. Het is namelijk ook vaste rechtspraak dat op de beëindiging van het dienstverband van een statutair bestuurder het arbeidsrecht van toepassing is. Terwijl de vennootschapsrechtelijke relatie met de vennootschap in principe op ieder moment kan worden beëindigd, vereist het arbeidsrecht voor ontslag van een werknemer een ‘redelijke grond’. Het arbeidsrecht voorziet in een uitputtende lijst (‘a’ tot en met ‘h’) van deze redelijke gronden:

a. verval arbeidsplaatsen – bedrijfseconomisch;

b. langdurig arbeidsongeschikt (>24 maanden);

c. frequent verzuim met onaanvaardbare gevolgen;

d. disfunctioneren;

e. verwijtbaar handelen of nalaten werknemer;

f. weigeren werk wegens gewetensbezwaar en aanpassing niet mogelijk;

g. verstoorde arbeidsverhouding;

h. andere omstandigheden dan a tot en met g, die zodanig zijn dat voortzetting niet kan worden gevergd.

De zogenaamde ‘h’-grond, bijvoorbeeld een onoverkomelijk verschil van inzicht tussen de vennootschap en de werknemer, wordt vaak gebruikt als basis voor het arbeidsrechtelijk ontslag van een statutair bestuurder. De h-grond fungeert als ‘restgrond’ en is bedoeld voor omstandigheden, die van een zodanige aard zijn dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren.

Als een statutair bestuurder rechtsgeldig vennootschapsrechtelijk wordt ontslagen zonder dat een redelijke grond aanwezig is, dan eindigt weliswaar het dienstverband, maar kan hij of zij mogelijk een ‘billijke vergoeding’ eisen van de vennootschap. De hoogte van de billijke vergoeding is vrij onvoorspelbaar. Tot zeer recent werd aangenomen dat het bedrag van de billijke vergoeding niet erg hoog kon zijn, omdat de billijke vergoeding in feite niet bedoeld is als schadevergoeding. De gevolgen van de beëindiging van een dienstverband zouden bovendien al moeten worden gedekt door de wettelijke transitievergoeding.

Geen redelijke grond

Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad volgt echter dat rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de verwachte duur van het dienstverband, als geen opzegging zou hebben plaatsgevonden. De persoonlijke situatie van een werknemer komt hierdoor, anders dan voorheen, nadrukkelijker in beeld.

In een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant werd een werkgever veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van maar liefst 100.000 euro aan een statutair bestuurder met een bruto jaarsalaris van 150.000 euro die slechts drie maanden in dienst was en werd ontslagen zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat (slechts) een onoverbrugbaar verschil van inzicht in dit geval geen grond was voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, omdat met de statutair bestuurder niet was gesproken over het verschil van inzicht en de werkgever zich niet had ingespannen om het verschil van inzicht op te lossen.

Bepaalde tijd

Een oplossing kan zijn om aan een statutair bestuurder in eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te bieden. Als de statutair bestuurder hiermee niet akkoord gaat, is de oplossing mogelijk gelegen in het opnemen van een proeftijd in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op die manier kan een statutair bestuurder gemakkelijker worden ontslagen in de eerste twee maanden (afhankelijk van de omstandigheden van het geval) van het dienstverband, zonder dat de werkgever een billijke vergoeding zal moeten betalen. Het blijft de vraag of de statutair bestuurder bereid is om een proeftijd te aanvaarden. Zo niet, dan zouden specifieke exit-regelingen met al dan niet gestaffelde vergoedingen nog een uitkomst kunnen bieden.

 (Bron: Accountant.nl)

Gebruikelijk loon en loon uit vroegere dienstbetrekking

Een dga geniet zowel loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als uit vroegere dienstbetrekking bij zijn bv en meent dat bij de vaststelling van het gebruikelijk loon met het loon uit vroegere dienstbetrekking rekening moet worden gehouden. Volgens Hof Den Bosch is dit onterecht: uit de wettekst volgt dat het fictief loon moet worden bepaald zonder rekening te houden met loon uit vroegere dienstbetrekking.

 Een dga is in dienstbetrekking bij zijn bv en verricht advieswerkzaamheden in deeltijd. Op 22 april 2011 bereikt hij de pensioengerechtigde leeftijd. Hij verlaagt zijn gebruikelijk loon van € 60.000 naar € 30.000 per jaar. Daarnaast ontvangt hij een pensioenuitkering van de bv. Na een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat het gebruikelijk loon van de dga € 60.000 per jaar moet zijn. Hij vordert over 2011 tot en met 2013 over € 30.000 per jaar na. Na bezwaar vermindert de inspecteur het gebruikelijk loon naar € 42.000, rekening houdend met de doelmatigheidsmarge (30%).

 

In geschil is of bij de bepaling van de hoogte van het gebruikelijk loon de pensioenuitkering van belang is. Partijen zijn het er over eens dat het gebruikelijk loon voor soortgelijke werkzaamheden met dezelfde deeltijdfactor € 60.000 bedraagt. Hoewel dat in artikel 12a Wet LB 1964 alleen het algemeen begrip ‘loon’ wordt gebruikt, waaronder ook het loon uit vroegere dienstbetrekking kan vallen, blijkt uit de letterlijke tekst van het artikel dat het ziet op de werknemer die arbeid verricht. Hieruit concludeert het hof dat het fictief loon moet worden bepaald zonder rekening te houden met loon uit vroegere dienstbetrekking (uit het zelfde lichaam). Deze uitleg komt overeen met doel en strekking van het artikel. Dat bepaalt een zakelijk loon (uit tegenwoordige dienstbetrekking) voor de dga vast te stellen en ongewenste salarisconstructies tegen te gaan. Bijvoorbeeld door een lager loon voor de dga vast te stellen, waardoor hij minder loon- en inkomstenbelasting hoeft te betalen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er een verband gelegd wordt tussen de omvang van de werkzaamheden en het loon uit die dienstbetrekking. Slechts de zakelijkheid wordt getoetst, niet zozeer het totaal ontvangen loon. Een zakelijk handelend werknemer neemt geen genoegen met € 30.000 als voor soortgelijke werkzaamheden met dezelfde deeltijdfactor € 60.000 wordt betaald.
Het hof oordeelt verder dat de afname van het aantal declarabele uren van de dga niet zodanig groot is dat dit tot vermindering van het gebruikelijk loon van € 60.000 moet leiden. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

(Bron: PKF)

Vanaf 1 januari 2018 vakantietoeslag verschuldigd over overwerk

Uitspraak

In verband met het verschuldigd worden van minimumloon over meerwerk vervalt per 1 januari 2018 ook de bepaling volgens welke overwerk geen deel uitmaakt van het loon waarover het minimumloon en de vakantietoeslag moeten worden berekend. Daardoor is per 1 januari 2018 ook vakantietoeslag verschuldigd over overwerk. De bepaling kent directe werking en er is geen overgangsrecht getroffen waardoor ter zake van overwerkloon dat vóór 1 januari 2018 is verricht na 1 januari 2018 geen vakantietoeslag verschuldigd zou zijn. Dat betekent dat na 1 januari 2018 ook vakantietoeslag moet worden betaald over overwerk dat vóór 1 januari 2018 is verricht.

 

Commentaar

Werkgevers die willen voorkomen dat vakantietoeslag over vóór 1 januari 2018 verricht overwerk moet worden betaald, dienen er voor te zorgen dat het overwerk vóór 1 januari 2018 wordt uitbetaald of wordt opgenomen door minder te werken. Opname na 1 januari 2018 voorkomt ook uitbetaling die inclusief vakantietoeslag zou moeten plaatsvinden, maar als de opname dan achterwege blijft zou toch weer uitbetaling inclusief vakantietoeslag moeten plaatsvinden.

(Bron: Van Zijl Advocaten)

Saldoverrekening is geen kredietarrangement

Een afzonderlijke concernvennootschap mag het bedrag waarvoor zij hoofdelijk is aangesproken uit hoofde van een overeenkomst tot saldoverrekening tussen alle concernvennootschappen en de bank onder voorwaarden in aftrek brengen van de winst. Dat heeft Hof Den Bosch bepaald.

Een holdingvennootschap die 50% van de aandelen in meerdere concernvennootschappen had werd voor een bedrag van € 104.822 door de bank hoofdelijk aangesproken voor de aanzuivering van negatieve banksaldi van andere groepsvennootschappen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat het bedrag waarvoor zij op grond van deze overeenkomst aansprakelijk is gesteld aftrekbaar is. In het verleden hadden de afzonderlijke vennootschappen een overeenkomst afgesloten met de bank op basis waarvan bedragen over en weer konden worden verrekend en over en weer hoofdelijke aansprakelijkheid bestond.

Buitengewone lasten

De holding bracht de € 104.822 in aftrek van haar winst als ‘overige buitengewone lasten’. De inspecteur weigerde de aftrek, omdat betaling van dat bedrag op grond van aandeelhoudersmotieven zou zijn gedaan. Hiertoe werd door de inspecteur verwezen naar een arrest van de Hoge Raad uit 2013 waarin sprake was van een kredietarrangement, waardoor op groepsniveau is geleend en een dergelijke aftrek werd geweigerd. Ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant meende dat hier sprake was van een kredietarrangement.

Verrekening

Hof Den Bosch oordeelde in hoger beroep dat in deze kwestie geen sprake was van een kredietarrangement, maar van een overeenkomst tot verrekening van alle saldi van de concernvennootschappen bij de bank. Daarmee werd voorkomen dat het concern debetrente verschuldigd werd door een debetstand van een afzonderlijke concernvennootschap, terwijl deze gecompenseerd werd door een creditstand van een andere concernvennootschap. Over creditstanden werd ook rente vergoed. Anders dan bij een kredietarrangement waarbij door een concernvennootschap risico wordt gelopen, terwijl er voor haar geen direct voordeel aan is verbonden. Gelet hierop kon deze overeenkomst niet op één lijn worden gesteld met een kredietarrangement. Het hof oordeelde dat de fiscus de aftrek moest accepteren en verklaarde het hoger beroep van de BV gegrond.

(Bron: Accountancyvanmorgen)

Inspecteur stelt inkomen dga die geen aangifte doet, niet te hoog vast

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur het inkomen van X, die dga is van drie bv’s, niet te hoog heeft vastgesteld. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

Belanghebbende, X, is directeur-grootaandeelhouder van drie bv’s. Hij doet ondanks een uitnodiging, herinnering en aanmaning geen aangifte IB/PVV 2013. De inspecteur legt hem ambtshalve een aanslag op naar een inkomen uit werk en woning alsmede een bijdrage-inkomen van € 25.000. In de aanslag wordt geen rekening gehouden met enig bedrag aan te verrekenen loonheffing. X dient alsnog een aangifte in, die door de inspecteur als bezwaar tegen de ambtshalve opgelegde aanslagen wordt aangemerkt.

Hof Arnhem-Leeuwarden (MK I, 11 april 2017, 16/00939 en 16/00940, V-N 2017/32.1.1) oordeelt dat de inspecteur het inkomen van X, die dga is van drie bv’s, niet te hoog heeft vastgesteld. Omdat X niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt de bewijslast omgekeerd. X heeft met zijn niet-onderbouwde stelling dat hij (slechts) € 8200 uit twee dienstbetrekkingen heeft ontvangen niet aan zijn verzwaarde bewijslast voldaan. Gelet op hetgeen de inspecteur naar voren heeft gebracht, acht het hof zijn schatting van het inkomen redelijk. Het hoger beroep van X is ongegrond.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 Wet RO).

(Bron: Taxlive)

Lijfrente-expiratie in december 2017: belast in 2017 of 2018?

In de volgende casus expireert een oud-regime-lijfrente van een man op 21 december 2017. Hij wil geen lijfrente aankopen maar de uitkering in één keer opnemen. In welk jaar moet hij belasting betalen?

De man heeft een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule waarop het oude fiscale regime van toepassing is. Eén van de mogelijkheden die het oude fiscale regime biedt, is dat de man de uitkering ook in een keer kan ontvangen. Hij betaalt wel progressief inkomstenbelasting over de uitkering.
Voor het antwoord op de vraag in welk jaar hij belasting moet betalen is het moment van expiratie van belang. Dit is het moment waarop de uitkering – in fiscale termen – “vorderbaar en inbaar” is. Er is pas sprake van “vorderbaar en inbaar” als er aan drie voorwaarden is voldaan:
  1. De expiratiedatum is bereikt;
  2. Het verzoek tot opname ineens is gedaan; en
  3. Alle relevante stukken om tot uitkering over te kunnen gaan zijn door de verzekeraar ontvangen.
Een uitkering is dan in 2017 belast omdat deze vorderbaar en inbaar is. Dat geldt ook als de uitbetaling pas in 2018 plaatsvindt.

Uitzondering

Als de man pas in januari 2018 aangeeft dat hij de uitkering in een keer wenst te ontvangen en/of hij ook dan alle relevante stukken aanlevert, dan is de uitkering belast in 2018. Hijvoldoet namelijk pas in 2018 aan de drie voorwaarden.

Belang voor de praktijk

In december komen van oudsher veel kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule tot uitkering. Het betreft zogenaamde oud fiscaal-regime-lijfrentepolissen tegen betaling van een koopsom van vóór 1 januari 1992 of premiebetalende lijfrentepolissen van vóór 16 oktober 1990. Onder het oude fiscale regime besloten namelijk veel belastingplichtigen pas in december, als de inkomsten van het betreffende jaar bekend waren, of zij nog wat (extra) oudedagsvoorziening en fiscale aftrek wilden realiseren.
Als deze oud-regime-lijfrentepolissen tot uitkering komen, wordt wel overwogen om geen lijfrente aan te kopen maar om de uitkering ineens te genieten. Er is uiteraard wel progressief inkomstenbelasting verschuldigd maar toch kunnen er goede redenen zijn om geen lijfrente aan te kopen. Om fiscale redenen kan het interessant zijn om de afkoopsom nog in 2017 te ontvangen. De praktijk leert echter dat verzekeraars rond de feestdagen niet altijd in staat zijn om de afkoopsom eind december uit te keren, maar pas in januari van het daaropvolgende kalenderjaar.
De hoofdregel is duidelijk: er is sprake van belastbaarheid in het jaar waarin de afkoopsom “vorderbaar en inbaar” is. Het tijdstip van indienen van het afkoopverzoek en alle relevante stukken bepaalt in welk belastingjaar de afkoopsom wordt genoten.
Afhankelijk van de hoogte van het inkomen, kan er ook een bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd zijn over (een deel van) de uitkering. Ook kunnen er effecten zijn voor eventuele toeslagen. Voor de toeslagen geldt namelijk dat deze lager zijn of zelf helemaal vervallen als het inkomen hoger is.

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

BV: Omslagpunt bij aftrekbaarheid verkoopkosten deelneming?

Als een verkoop van een deelneming mislukt, zijn de verkoopkosten aftrekbaar. Als de verkoop is gelukt, moet men de (niet)aftrekbaarheid van de verkoopkosten beoordelen naar het moment waarop zij werden gemaakt, aldus A-G Wattel. Met een reactie van prof. Arco Bobeldijk.

In 2006 werd besloten tot afstoting van een deelneming van een B.V., in april 2009 werd de deelneming verkocht. In verband met de (voorgenomen) verkoop maakte de deelneming diverse kosten, die zij onder meer doorberekende aan de B.V. Er ontstond discussie over de vraag of een deel van de kosten aftrekbaar was of alle kosten niet-aftrekbare kosten van een deelneming zijn. Volgens Rechtbank Noord-Nederland waren in dit geval alleen de kosten vanaf het moment dat potentieel geïnteresseerde partijen concreet waren benaderd voor de overname van de deelneming (1 juli 2008) niet aftrekbare verkoopkosten. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde daarentegen dat alle kosten waren gemaakt om tot de verkoop van de deelneming te komen, zodat geen van de kosten aftrekbaar zou zijn. A-G Wattel concludeert dat het bij het aftrekverbod voor verkoopkosten om een rechtstreeks verband gaat met een vrijgesteld vervreemdingsresultaat. Als een verkoop mislukt, zijn de kosten die zijn gemaakt met het oog op de verkoop aftrekbaar omdat men deze niet kan toerekenen aan de vervreemding van een deelneming. Als de verkoop is gelukt, moet men de (niet)aftrekbaarheid van de verkoopkosten beoordelen naar het moment waarop zij werden gemaakt.

Was vrijgesteld vervreemdingsresultaat te verwachten?

Voor de niet-aftrekbaarheid geldt ten tijde van het maken van de kosten een redelijke mate van zekerheid c.q. de objectieve verwachting moet bestaan dat het tot een vrijgesteld deelnemingsresultaat zal komen waaraan de kosten toegerekend kunnen worden, aldus de A-G. In deze zaak zijn in elk geval niet aftrekbaar de kosten van ná 19 december 2008, de deadline voor firm offers en aandeelhoudersbesluit om exclusief te onderhandelen met de uiteindelijke kopers.

Voor de kosten die daarvóór zijn gemaakt geldt een dubbel beoordelingscriterium om de kosten aan dat latere vrijgestelde verkoopresultaat te kunnen toerekenen. Op het moment waarop men de kosten maakt moet een vrijgesteld vervreemdingsresultaat zowel subjectief beoogd (1) als objectief (2) te verwachten zijn. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond te verklaren en te verwijzen naar een ander hof voor nader onderzoek of men al in het begin van 2008 objectief kon verwachten dat de B.V. erin zou slagen haar deelneming binnen afzienbare termijn te vervreemden.

Reactie prof. Arco Bobeldijk

Taxence vroeg prof. Arco Bobeldijk, hoogleraar aan de Nyenrode Business Universiteit, om een reactie op deze conclusie. ‘Dit is een interessante conclusie over een voor de praktijk erg belangrijk onderwerp. In de praktijk zijn er veel discussies over de vraag tot welk moment verkoopkosten in verband met een deelneming aftrekbaar zijn. Datzelfde geldt voor de vraag tot welk moment aankoopkosten aftrekbaar zijn. Belastingplichtigen beroepen zich in de praktijk vaak op het boorput-arrest, terwijl de fiscus met een beroep op het filmscript-arrest tot een beperktere aftrek komt. Als ik het goed lees, ziet de A-G niet echt een verschil tussen de criteria in genoemde arresten. Ik hoop dat de Hoge Raad het arrest gebruikt om niet alleen voor de verkoopkosten, maar ook voor de aankoopkosten de voor de praktijk gewenste duidelijkheid te scheppen.’

(Bron: Taxence)

Alimentatie omhoog per 1 januari 2018

Betaalt u alimentatie? Dan moet u wellicht rekening houden met een verhoging. Jaarlijks worden de alimentatiebedragen namelijk aangepast. Per 1 januari 2018 gaan bestaande, vastgestelde of gewijzigde alimentaties met 1,5% omhoog.

Jaarlijkse aanpassingen

Omdat elk jaar de lonen veranderen, worden ook elk jaar de alimentatiebedragen aangepast. Dit heet indexering. Voor 2018 geldt een verhoging van 1,5%.

Stel dat de alimentatie die u betaalt in 2014 is vastgesteld op € 300 per maand. Dit alimentatiebedrag gaat vervolgens ieder jaar omhoog. Per 1 januari 2015 was dit met 0,8%, voor 2016 met 1,3% en voor 2017 met 2,1%. In 2018 komt daar 1,5% bij. In schema ziet dit er als volgt uit:

Jaar Percentage  Alimentatiebedrag per maand
 2014  € 300,00
 2015  0,8%  € 302,40
 2016  1,3%  € 306,33
 2017  2,1%  € 312,76
 2018  1,5%  € 317,45

Uitsluiting

De jaarlijkse verhoging van de alimentatiebedragen geldt automatisch. Dat kan bezwaarlijk zijn als u bijvoorbeeld moet leven van een vast inkomen dat niet meegaat met de loonstijgingen. Daarom kunt u samen met uw ex-partner afwijken van de automatische stijging van de alimentatie. Zo kunt u met uw ex-partner afspreken dat de jaarlijkse verhoging niet geldt, dat de verhoging enkel voor een bepaalde periode niet geldt of dat u gezamenlijk kiest voor een andere vorm van automatische aanpassing. In alle gevallen moet dan wel schriftelijk (bij overeenkomst) worden vastgelegd dat de wettelijke indexering wordt uitgesloten. Komt u er gezamenlijk niet uit dan kunt u dit ook aan de rechter vragen.

Let op!Op de automatische jaarlijkse verhoging van de alimentatiebedragen bestaat nog een uitzondering. De wettelijke indexering geldt niet als de alimentatie vóór 1 januari 1973 is vastgesteld en er toen afspraken zijn gemaakt over de verhoging van de alimentatie. In dat geval geldt wat de rechter toen heeft vastgesteld, of wat u samen met elkaar destijds in een overeenkomst heeft afgesproken.

(Bron: HLB)