Aangifte inkomstenbelasting definitief naar 1 mei

De aangifte-deadline van 1 april voor de belasting moet definitief naar 1 mei verschuiven. Dat zegt Hans Leijtens, sinds november directeur-generaal van de Belastingdienst.

Volgens Leijtens is de oude termijn niet langer haalbaar, nu vrijwel alle Nederlanders pas in maart aangifte doen. Dan heeft de fiscus vrijwel al hun inkomens- en andere financiële gegevens ingevuld. “Pas eind januari zijn alle gegevens van belastingplichtigen bij ons binnen.”

Die moeten dan worden verwerkt in de software. “De vooraf ingevulde aangifte is vanaf 1 maart beschikbaar. Een maand voor 9 miljoen aangiftes is simpelweg te kort,” zegt Leijtens in een interview met het AD.

De aangiftetermijn werd vorig jaar door staatssecretaris Wiebes (Financiën) een maand verlengd, nadat de computers en servers van de Belastingdienst in 2014 waren vastgelopen: door het warme weer deden 2 miljoen Nederlanders op 31 maart, de laatste dag, aangifte. Dit jaar werd de termijn weer verlengd, maar niet definitief.

Nettosalaris iets omlaag

Vanaf 1 april verandert de berekening van de loonheffing. Uw werknemers houden dan € 3 tot € 10 netto per maand minder over dan nu.

Ieder jaar wijzigen aan het begin van het jaar de belastingtarieven. Omdat de juiste tarieven voor 2016 pas in december zijn vastgesteld, konden deze niet meer op tijd worden verwerkt in de salarissystemen. Dat betekent dat in januari, februari en maart op de salarissen van uw werknemers niet het juiste bedrag aan loonheffing is ingehouden. Als het goed is, werken alle salarispakketten vanaf 1 april wel met de juiste tarieven. Ook het bedrag dat in de eerste maanden te weinig is ingehouden, wordt dan verrekend.

Tip: Wijs uw werknemers erop dat zij vanaf april er netto een paar euro per maand op achteruitgaan als gevolg van de gewijzigde loonheffing. Dan komt de verlaging van het nettosalaris niet als een onaangename verrassing.

(Bron: HLB)

‘Een op vijf hypotheken kan goedkoper door rentemiddeling’

Een op de vijf huizenbezitters kan zijn maandlasten verlagen als alle hypotheekaanbieders aan rentemiddeling zouden doen. Dat zegt De Hypotheker na een analyse van ruim 300.000 hypotheken.

De hypotheekrente is nu historisch laag. Voor een hypotheek met NHG en een rentevaste periode van 10 jaar staat ‘ie nu op zo’n 2,1 procent.

Boete uitsmeren

Bij rentemiddeling kunnen huiseigenaren met een hoge hypotheekrente profiteren van die lage rente. Ze sluiten hun hypotheek dan over bij hun huidige bank en de boete die ze daarvoor moeten betalen wordt verwerkt in hun nieuwe hypotheekrente. Daardoor komt die rente ergens uit tussen hun oude hoge rente en de huidige lage rente.

Maar van de 27 hypotheekaanbieders in Nederland bieden nu slechts 6 rentemiddeling aan. Onder meer SNS bank en ING doen er al aan, maar ABN Amro en Rabobank niet. Rabobank begint 1 juli met rentemiddeling, ABN Amro waarschijnlijk rond de zomer.

Rentemiddeling is niet voor iedereen voordelig. De hypotheek moet wel aan een aantal criteria voldoen, wil het lonen:

-de rente is hoger dan 4,5 procent of 4 procent voor hypotheken met NHG.

-de rente staat nog minstens twee jaar.

-de lening is hoger dan 50.000 euro

-het betreft geen (bank)spaarhypotheek.

Bij (bank)spaarhypotheken is rentemiddeling vaak nadelig, omdat de hypotheekrente gekoppeld is aan de spaarrente. Die spaarrente gaat bij middeling dus ook omlaag, waardoor je maandelijks meer moet sparen om op hetzelfde eindbedrag uit te komen.

En als je een rentevaste periode korter dan twee jaar hebt, kun je beter wachten tot die periode is afgelopen of je hypotheek oversluiten, omdat de boete dan meestal niet meer zo hoog is.

De Hypotheker vindt dat alle hypotheekverstrekkers rentemiddeling moeten aanbieden. “Nu de rente historisch laag is, willen veel huizenbezitters hiervan profiteren en hun maandlasten verlagen”, zegt directeur Wytzejan de Jong.

(Bron: NOS.nl)

“Fiscale missers bij fusie, reorganisatie of een bedrijfsopvolging”

De notaris speelt een belangrijke adviserende rol bij reorganisaties en herstructureringen. Het is bij de uitvoering van een reorganisatie of herstructurering dan ook van groot belang te kunnen signaleren welke fiscale mogelijkheden en valkuilen zich kunnen voordoen. De verschillende reorganisatievormen gaan gepaard met specifieke aandachtspunten, o.a. op het gebied van de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, overdrachtsbelasting en erf- en schenkbelasting. Een onzorgvuldig uitgevoerde transactie kan verregaande fiscale consequenties hebben.
Hieronder bespreek ik enkele markante voorbeelden uit de fiscale rechtspraak en de praktijk.

Creëren drietrapsholdingstructuur

Een schoolvoorbeeld van een zaak waarbij het mis ging voor de belanghebbende is te lezen in een arrest van de Hoge Raad van 30 november 2012 (nr. 11/00167, ECLI:NL:HR:2012:BV7390). In deze zaak wilde men een zogenoemde drietrapsholdingstructuur creëren, met een houdstermaatschappij, een tussenhoudster die als vastgoedvennootschap zou gaan fungeren en daaronder een werkmaatschappij waarin de onderneming zou worden gedreven. Hiertoe bracht de houdstermaatschappij de onderneming tezamen met het bedrijfsvastgoed eerst in in de tussenhoudster tegen uitreiking van aandelen. Vervolgens werd de onderneming doorgezakt naar de werkmaatschappij ook weer tegen uitreiking van aandelen. In beginsel moet de houdstermaatschappij bij de eerste uitzak afrekenen over de stille reserves en goodwill in de onderneming en over de stille reserves in het pand. Hierover is men 25% vennootschapsbelasting verschuldigd. Om dit te voorkomen zijn er verschillende fiscale faciliteiten waaruit men kan kiezen. In deze zaak wilde men de uitzak laten plaatsvinden binnen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Hiervoor is wel van belang dat er tijdig een fiscale eenheid wordt aangevraagd. Dit bleek men echter te zijn vergeten. Vanwege de vorm van de uitzakoperatie (overdracht onderneming tegen uitreiking van aandelen) was men derhalve aangewezen op de bedrijfsfusiefaciliteit in de vennootschapsbelasting. Helaas voor de houdstermaatschappij had de uitvoering van deze uitzakoperatie op zodanige wijze plaatsgevonden dat de inspecteur weigerde om de bedrijfsfusiefaciliteit toe te kennen. De Hoge Raad gaf de inspecteur gelijk en oordeelde dat in dit geval de bedrijfsfusiefaciliteit niet kon worden toegepast, zodat belanghebbende moest afrekenen over de stille reserves en goodwill van de onderneming en over de stille reserves in het bedrijfspand.

Doorverkoop kort na reorganisatie

Als een reorganisatie wordt uitgevoerd met het oog op een mogelijke doorverkoop van aandelen is het eveneens oppassen geblazen. Dit geldt temeer als in het kader van de reorganisatie vastgoed wordt overgedragen. Een praktijkvoorbeeld betreft een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van juni 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:1720). In deze zaak had een vennootschap haar vastgoedportefeuille met gebruikmaking van de bedrijfsfusiefaciliteit laten uitzakken naar een dochtermaatschappij om vervolgens deze aandelen aan een derde te verkopen. Dit kan fiscaal een aantrekkelijke route zijn omdat een directe verkoop van het vastgoed zou leiden tot heffing van vennootschapsbelasting over de stille reserves, terwijl een verkoop van aandelen is vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling. Om te voorkomen dat men misbruik van de bedrijfsfusiefaciliteit maakt door in het zicht van een voorgenomen verkoop nog snel een bedrijfsfusie uit te voeren, wordt een driejaarstermijn gehanteerd. In bedrijfsfusiefaciliteit in de vennootschapsbelasting betreft het een ‘zachte’ termijn: bij een verkoop binnen drie jaar wordt de bedrijfsfusie niet als zakelijk gezien, tenzij de belastingplichtige erin slaagt tegenbewijs te leveren. In de betreffende zaak was de belastingplichtige daar overigens niet in geslaagd. Zou de belastingplichtige daar wel in zijn geslaagd, dan was men alsnog geconfronteerd met een naheffing van overdrachtsbelasting. De dochter die de vastgoedportefeuille verkreeg in het kader van de uitzak was immers overdrachtsbelasting verschuldigd. Weliswaar kennen we ook in de overdrachtsbelasting een vrijstelling ingeval van een bedrijfsfusie, maar voor die vrijstelling geldt een harde driejaarstermijn: iedere vervreemding van aandelen in de verkrijger binnen drie jaar leidt tot het terugnemen van de overdrachtsbelastingvrijstelling. Het feit dat de voorwaarden van de reorganisatiefaciliteiten in de vennootschapsbelasting en overdrachtsbelasting niet altijd op elkaar zijn afgestemd is een belangrijk aspect bij het uitvoeren van een reorganisatie, maar wordt helaas regelmatig over het hoofd gezien!

Bedrijfsopvolgingsperikelen

Niet zelden wordt in het kader van een bedrijfsopvolging een juridische splitsing ingezet als reorganisatie-instrument. Bijvoorbeeld in situaties waarin sprake is van een persoonlijke houdstermaatschappij met een pensioenverplichting en het bedrijfsvastgoed, welke houdstermaatschappij alle aandelen houdt in een werkmaatschappij. In dat geval zal de voorkeur uitgaan naar een schenking van alleen de werkmaatschappij. De persoonlijke houdstermaatschappij blijft dan achter bij de DGA. Omdat een schenking van de werkmaatschappij fiscaal niet de voorkeur heeft, worden de aandelen van de werkmaatschappij veelal afgesplitst naar een nieuwe houdstermaatschappij. Men kan dan de aandelen in de nieuwe houdstermaatschappij fiscaal vriendelijk schenken, terwijl de persoonlijke houdstermaatschappij met de pensioenverplichting en het bedrijfsvastgoed zoals gewenst achterblijft bij de DGA.
Wat men zich niet altijd beseft is dat hiermee ongewild een belastingclaim van 40% ontstaat op het bedrijfspand ingeval van een overlijden van de DGA. Als gevolg van de herstructurering is het pand in fiscale zin van kleur verschoten: het kwalificeert voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten niet langer als ondernemingsvermogen, maar als beleggingsvermogen.

Bovenstaande voorbeelden laten zien dat het van groot belang is op de hoogte te zijn van de fiscale mogelijkheden en valkuilen bij de uitvoering van een reorganisatie of herstructurering. Omdat de verschillende reorganisatievormen ieder hun eigen voorwaarden kennen die niet altijd goed op elkaar zijn afgestemd, is een fout snel gemaakt.

(Bron: FBN Juristen)

Bestuurder mag voorrang geven aan concurrente schuldeisers

Het enkele feit dat een bestuurder de schulden aan de concurrente crediteuren eerder voldoet dan de belastingschulden van de Belastingdienst, wil nog niet zeggen dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

In 2014 is de bestuurder van een bv aansprakelijk gesteld voor de nog openstaande belastingschulden van een in 2013 failliet verklaarde bv. De bestuurder erkende dat de schulden aan de concurrente crediteuren eerder waren voldaan dan de schulden van de Belastingdienst. Maar dat is op zichzelf genomen onvoldoende reden om van kennelijk onbehoorlijk bestuur te kunnen spreken. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur moet worden onderzocht of de bestuurder wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belastingschulden onbetaald zouden blijven. Volgens de rechtbank kon de bestuurder gelet op de positieve resultaten behaald in de maanden september en oktober 2012 menen dat de belastingschulden die in die maanden waren ontstaan, zouden kunnen worden betaald. In zoverre was er geen sprake geweest van onbehoorlijk bestuur. Echter vanaf november 2012 was de omzet drastisch gedaald en het negatieve cumulatieve resultaat in die maand liep op. November 2012 vormde volgens de rechtbank daarom het moment dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belastingschulden onbetaald zouden blijven. De bestuurder moest dus pas vanaf november 2012 aansprakelijk worden gesteld voor de belastingschulden. De rechter verminderde het bedrag van de aansprakelijkstelling met bijna € 17.000.

(Bron: Taxence)

‘Schaf terugwerkende kracht faillissement af’

De terugwerkende kracht van faillietverklaring moet worden afgeschaft. Dit schrijft de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) aan het ministerie van Veiligheid en Justitie. Met haar brief (pdf) reageert de KNB op het conceptwetsvoorstel modernisering faillissementsprocedure dat het ministerie ter advisering aan de KNB heeft voorgelegd. Het conceptwetsvoorstel wil onder meer een real time actueel Centraal Insolventieregister (CIR) realiseren. Dit maakt de terugwerkende kracht van faillietverklaring onnodig.

De KNB heeft vorig jaar bij het ministerie gepleit voor een real time actueel CIR. In haar brief merkt de beroepsorganisatie op dat met de voorgestelde aanpassing van artikel 14 Faillissementswet (Fw) nog geen sprake is van real time. Het is bijvoorbeeld mogelijk om een faillietverklaring die om 9.00 uur wordt uitgesproken (pas) om 17.00 uur in te schrijven in het CIR. Dit lijkt de KNB niet de bedoeling van real time. Dit blijkt ook uit de toelichting op de voorgestelde aanpassing van artikel 14 Fw. De toelichting stelt: ‘Het uiteindelijke doel is om de meest essentiële informatie, namelijk “is het bedrijf failliet” al enkele minuten na de uitspraak raadpleegbaar te hebben.’ Gelet op het uiteindelijke doel en de behoefte van het handelsverkeer en het notariaat, een real time actueel CIR, pleit de KNB ervoor dat een faillietverklaring meteen (‘terstond’) na de uitspraak wordt ingeschreven in het CIR.

Logisch moment voor afschaffing
In aanvulling op het pleidooi voor de instelling van een real time actueel CIR heeft de KNB bij het ministerie gepleit voor afschaffing van de terugwerkende kracht van faillietverklaring. Dit omdat het notariaat hiervan diverse ongewenste gevolgen ondervindt. Artikel 23 Fw bepaalt dat een faillietverklaring terugwerkt tot het begin van de dag waarop deze wordt uitgesproken. Op de dag van de faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege en met terugwerkende kracht tot 00.00 uur zijn goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke bevoegdheden ten aanzien van zijn tot het faillissement behorend vermogen (beschikking en beheer). In haar brief pleit de KNB voor koppeling van het moment van intreden van de rechtsgevolgen van een faillietverklaring aan het moment van publicatie hiervan in het CIR en voor afschaffing van de terugwerkende kracht van faillietverklaring. De instelling van een real time actueel CIR maakt deze terugwerkende kracht onnodig en is een logisch moment om deze af te schaffen.

Bijval
De KNB krijgt bijval van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht van de Radboud Universiteit. Ook zij pleiten in hun reacties op het conceptwetsvoorstel voor afschaffing van de terugwerkende kracht van faillietverklaring. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de NOvA en de KNB is eveneens van mening dat het logisch is om met de invoering van een real time actueel CIR de terugwerkende kracht af te schaffen.

(Bron: KNB)

Gevolgen Wet Werk en Zekerheid (WWZ) voor doorstart vanuit faillissement

Bij de berekening van transitievergoedingen bij ontslag van werknemers die bij een doorstart vanuit faillissement in dienst zijn getreden, tellen vanaf 1 juli ook de jaren mee waarin de werknemer in dienst was van de failliete onderneming. En werknemers zullen door wijziging van de ketenregeling eerder voor onbepaalde tijd in dienst zijn. Een ander belangrijk onderdeel van de inwerkingtreding van de WWZ per 1 juli 2015 is de wijziging van het proeftijdbeding.

opvolgend werkgever: bij dezelfde of soortgelijke werkzaamheden
Door wijziging van art. 7:668a BW is er vanaf 1 juli 2015 sprake van opvolgend werkgeverschap indien er sprake is van het verrichten van dezelfde of soortgelijke werkzaamheden. De thans geldende eis dat er inzicht moet bestaan in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer komt te vervallen. Indien in het kader van een doorstart de ondernemingsactiviteiten (gedeeltelijk) worden voortgezet en werknemers in dienst worden genomen voor het verrichten van dezelfde of soortgelijke werkzaamheden, zal de doorstartende onderneming daardoor worden aangemerkt als opvolgend werkgever.

transitievergoeding
Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst is de werkgever vanaf 1 juli 2015 aan werknemers die ten minste 24 maanden in dienst zijn een transitievergoeding verschuldigd. De ontslagvergoeding volgens de kantonrechtersformule zal vervallen. Voor werknemers ouder dan 50 jaar geldt tot 2020 een overgangsregeling en voor MKB-bedrijven (gemiddeld < 25 werknemers) gelden lichtere regels.
De door werkgevers vanaf 1 juli 2015 bij ontslag te betalen transitievergoeding is aanzienlijk lager dan de onder het huidige recht te betalen ontslagvergoeding o.g.v. de kantonrechtersformule.

ontslag na doorstart: oude dienstjaren tellen mee
Kantonrechters houden bij ontbindingsverzoeken bij de vaststelling van de ontslagvergoeding o.b.v. de kantonrechtersformule onder het huidige recht regelmatig al rekening met de dienstjaren van de werknemer in dienst van de gefailleerde onderneming. Maar vanaf 1 juli 2015 wordt dit de standaard gang van zaken.

Als de doorstartende onderneming na de doorstart arbeidsovereenkomsten met overgenomen werknemers (die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zijn gaan verrichten) wil beëindigen, is de doorstartende onderneming na 1 juli 2015 ook transitievergoedingen verschuldigd (tenzij er sprake is van ontslag bij faillissement of surseance). Weliswaar is alleen een transitievergoeding verschuldigd aan werknemers die ten minste 24 maanden in dienst zijn, maar omdat de doorstartende onderneming na de inwerkingtreding van de WWZ zal worden aangemerkt als opvolgend werkgever in het kader van de transitievergoeding (en de ketenbepaling), tellen bij de berekening van de transitievergoeding ook de dienstjaren mee van de werknemer in dienst van de gefailleerde onderneming.

De door de doorstarter bij ontslag te betalen (transitie)vergoedingen bij ontslag worden hierdoor veel hoger dan onder het huidige recht.

ketenregeling
Vanaf 1 juli 2015 kunnen door de werkgever aan de werknemer maximaal 3 arbeidscontracten voor bepaalde tijd worden aangeboden in een periode van 2 jaar (was 3 jaar), tenzij er tussen de contracten een tussenperiode ligt van meer dan 6 maanden (was 3 maanden). Bij meer dan 3 contracten of overschrijding van de periode van 2 jaar, geldt dat de werknemer voor onbepaalde tijd in dienst is. Onder de WWZ zal er dus eerder sprake zijn van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

contract voor bepaalde tijd: Hof Den Haag 3 maart 2009
Het Hof Den Haag oordeelde op 3 maart 2009 dat indien door een doorstarter na faillissement aan een werknemer die voor onbepaalde tijd in dienst is, een contract voor bepaalde tijd wordt aangeboden, indien er sprake is van opvolgend werkgeverschap, de overeenkomst voor onbepaalde tijd meetelt in de keten. De arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer converteerde daardoor in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Omdat de periode in de ketenregeling vanaf 1 juli 2015 wordt ingekort tot 24 maanden, zal deze situatie zich na 1 juli 2015 nog vaker voordoen. Ook hierdoor zullen werknemers bij een doorstart na faillissement eerder voor onbepaalde tijd in dienst zijn bij de doorstarter. Of de lijn van het Hof Den Haag onder de WWZ wordt voortgezet, is gelet op de toelichting van Minister Asscher in de Tweede Kamer echter niet geheel duidelijk.

aanzegplicht
Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd eindigen onder de WWZ ook nog steeds van rechtswege. Maar indien een overeenkomst voor 6 maanden of langer is gesloten, moet de werkgever uiterlijk een maand voor het einde van rechtswege de werknemer schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten en de voorwaarden waaronder. Indien de werkgever niet of niet tijdig aanzegt, dient hij de werknemer schadevergoeding te betalen van een maandsalaris (of een pro rata deel).

proeftijd
In het kader van de WWZ is art. 7:652 BW gewijzigd: alleen in arbeidsovereenkomsten met een duur van meer dan 6 maanden mag vanaf 1 juli 2015 een proeftijdbeding worden opgenomen. Als de doorstarter een proeftijd in de arbeidsovereenkomst wil opnemen om de kennis, vaardigheden en geschiktheid van de werknemer te kunnen beoordelen, dient er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van ten minste 6 maanden gesloten te worden.

Gevolgen WWZ vanaf 1 juli 2015
Door wijziging van de ketenregeling zijn werknemers bij een doorstart na faillissement eerder voor onbepaalde tijd in dienst. Bij beëindiging van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd dient de doorstarter aan de vanuit faillissement in dienst genomen werknemers (die meer dan 24 maanden in dienst zijn) een transitievergoeding te betalen. Bij de berekening van de transitievergoeding tellen ook de dienstjaren mee van de werknemer in dienst van de gefailleerde onderneming. De door een doorstarter te betalen ontslagvergoedingen worden daardoor veel hoger. De mogelijkheid om een proeftijd in de arbeidsovereenkomst op te nemen worden door de WWZ beperkt.

Ik verwacht dat doorstarters als gevolg van de wijzigingen door de WWZ per 1 juli 2015 voorzichtiger zullen zijn bij het in dienst nemen van werknemers uit een failliete onderneming en aan minder werknemers een arbeidsovereenkomst zullen aanbieden.

(Bron: BTU-advocaten)

Koopoptie huurder beïnvloedt waarde pand voor erfbelasting

Rechtbank Den Haag oordeelt dat voor het bepalen van de waarde van de verkrijging rekening moet worden gehouden met de op de onroerende zaak rustende koopoptie ten tijde van overlijden.

Erflaatster komt op 6 april 2012 te overlijden. Tot de nalatenschap behoort een onroerende zaak met een WOZ-waarde van € 492.000. Het pand is ten tijde van het overlijden verhuurd. De huurder heeft het recht om het pand bij overlijden van erflaatster te kopen voor € 70.000. De erfgenamen, onder wie belanghebbende, X hebben met de huurder geprocedeerd over de vraag of de huurder tijdig heeft gemeld gebruik te willen maken van de koopoptie. In deze procedure zijn partijen overeengekomen dat huurder de onroerende zaak koopt voor een bedrag van € 300.000. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de overlijdensdatum.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat voor het bepalen van de waarde van de verkrijging rekening moet worden gehouden met de op de onroerende zaak rustende koopoptie ten tijde van overlijden. De rechtbank stelt voorop dat de onroerende zaak een bedrijfspand is, zodat de waarde moet worden bepaald op de waarde in het economische verkeer van de zaak. Gelet op de zeer lage prijs van € 70.000 konden de erfgenamen er volgens de rechtbank met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vanuit gaan dat de huurder van de koopoptie gebruik zou maken en dat de onroerende zaak dus niet op de normale wijze te koop kon worden aangeboden. Dit betekent dat bij de waardebepaling de prijs van € 70.000 leidend moet zijn. Dat uiteindelijk een veel hogere prijs (€ 300.000) is betaald, was op de datum van overlijden niet voorzienbaar en voorspelbaar, aldus de rechtbank. Die prijs moet dan ook buiten beschouwing blijven. Het beroep van X is gegrond.

(Bron: Taxlive)

Valse e-mail in omloop over betalingsachterstand belastingaangifte 2015

Er is een valse e-mail in de omloop van de Belastingdienst met als onderwerp ‘Betalingsachterstand belastingaangifte 2015’. Open de e-mail niet, maar verwijder hem meteen.

Ontvangers van de phising-mail worden gevraagd op een link te klikken om een betalingsachterstand te voldoen via iDeal. In de valse mail staat ook dat bij het betalen een hotmailadres moet worden opgegeven met daarin een belastingnummer. Verder staan in de mail dreigementen als hoge incassokosten, het blokkeren van de rekening, beslag op spullen en zelfs gijzeling als er niet op tijd wordt betaald.

Open de e-mail niet, maar verwijder hem meteen.

(Bron: Belastingdienst)

Van deze aftrekposten kunt u profiteren bij uw inkomstenbelastingaangifte over 2015

Vanaf dinsdag 1 maart kunnen particulieren weer de aangifte inkomstenbelasting indienen. Daarvoor hebben ze tot 1 mei 2016 de tijd.

Aftrekposten, zoals zorgkosten, giften en kosten voor de eigen woning, kunnen geld opleveren. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen, waardoor de inkomstenbelasting lager uitvalt.

Het grootste deel van de aftrekposten is niet vooraf ingevuld. Voor veel mensen is het dan ook de moeite waard om zich hierin te verdiepen. NU.nl zet de belangrijkste aandachtspunten en struikelblokken op een rij.

Hypotheekrenteaftrek en aftrek zorgkosten zijn vaak van toepassing

“Aftrekposten waar veel mensen gebruik van kunnen maken, zijn de hypotheekrenteaftrek en de eenmalig aftrekbare kosten voor de eigen woning. Ook van de persoonsgebonden aftrek van specifieke zorgkosten kan vaak gebruikgemaakt worden”, zegt onderzoeker Jasja Bos van het Nibud. “Minder veelvoorkomend zijn posten als reiskosten, alimentatie en studiekosten.”

Ten opzichte van het voorgaande jaar is er bij de belastingaangifte 2015 niet veel veranderd, constateert Bos. “Afgelopen jaren is er veel gewijzigd in de aftrek van zorgkosten, dit jaar valt dat erg mee. Er zijn wel kleine, al aangekondigde, wijzigingen, zoals het stapsgewijs afbouwen van het maximale percentage van de hypotheekrenteaftrek.”

Volgens Bos zijn reiskosten in verband met zorg voor mensen vaak lastig in te schatten, in tegenstelling tot reiskosten die voor het werk gemaakt worden. Ook vinden veel particulieren het ingewikkeld het sparen in een lijfrenteverzekering voor hun pensioen goed in te vullen. Dit mag alleen afgetrokken worden als er via de werkgever niet genoeg pensioen opgebouwd wordt.

Stop alle bonnetjes en bewijzen meteen in een mapje

Hoewel de belastingaangifte maar één keer per jaar gedaan wordt, raadt Bos mensen aan er het hele jaar mee bezig te zijn.

“Dankzij de vooraf ingevulde aangifte wordt het steeds makkelijker, maar de moeilijkheid is het vinden van alle informatie, helemaal bij aftrekposten”, zegt Bos. “Daarvoor heb je bonnetjes en bewijzen nodig. Zorg er daarom voor deze spullen gedurende het jaar steeds in een mapje te stoppen, anders kost het alsnog heel veel tijd.”

Ook voor mensen met een laag inkomen is het de moeite waard om belastingaangifte te doen. Zij kunnen juist profiteren van het aftrekken van zorgkosten, doordat zij hun specifieke zorgkosten mogen verhogen.

Zorgkosten moeten boven een drempelbedrag uitkomen

In het algemeen geldt dat ziektekosten die niet door de verzekering worden vergoed, vaak aftrekbaar zijn bij de aangifte. Daarvoor moeten ze wel boven een bepaald inkomensafhankelijk drempelbedrag uitkomen. Als dit niet zo is, heeft het invoeren van alle bedragen geen zin.

“Het gaat hierbij niet alleen om zorgkosten die je voor jezelf maakt, maar ook om kosten die je maakt voor mensen die, ook tijdelijk, bij je inwonen”, verklaart Bos.

Aftrekbare zorgkosten zijn bijvoorbeeld kosten voor verpleging in een ziekenhuis, extra kleding en beddengoed, dieetkosten, acupunctuur, homeopathie, revalidatie en bepaalde hulpmiddelen, zoals steunzolen of een blindengeleidehond.

Vanaf 2015 zijn uitgaven voor geestelijke gezondheidszorg of dyslexiezorg voor personen onder de achttien jaar niet langer aftrekbaar. Dit geldt ook voor uitgaven voor een combinatietest in het kader van een prenatale screening als er geen sprake is van een medische indicatie.

Maximale hypotheekrenteaftrek afgebouwd naar 51 procent

Woningbezitters kunnen bepaalde kosten voor hun huis aftrekken, zoals de hypotheekrente en periodieke betalingen voor erfpacht. Mensen die in 2015 een woning gekocht hebben, kunnen bovendien bepaalde eenmalige kosten aftrekken, zoals notariskosten en de kosten voor de aanvraag van een Nationale Hypotheek Garantie (NHG).

De maximale hypotheekrenteaftrek wordt langzaam afgebouwd. In 2014 was het maximale belastingtarief waartegen hypotheekrente kon worden afgetrokken nog 51,5 procent, in 2015 was dat 51 procent. Dit tarief geldt alleen voor de hoogste belastingschrijf: het belastbare inkomen uit werk en woning vanaf 57.586 euro.

Woningeigenaren kunnen overigens kiezen of zij hun hypotheekrenteaftrek achteraf ineens terugvragen bij de aangifte inkomstenbelasting, of maandelijks via de voorlopige aanslag. Bij de laatste optie moeten huiseigenaren er wel goed op letten dat zij inkomenswijzigingen tijdig doorgeven, waarschuwt Bos. “Anders moeten mensen misschien terugbetalen.”

“Ook is het handig wijzigingen in de uitgaven door te geven, bijvoorbeeld na extra aflossingen of een wijziging van de hypotheekrente”, voegt Bos toe.

Stop schenkingen zoveel mogelijk in één jaar

Schenkingen zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Hierbij is er verschil tussen periodieke en gewone giften.

Een gewone gift is aftrekbaar als die bestemd is voor een algemeen nut beogende instelling (ANBI) of een steunstichting sociaal belang behartigende instelling (SBBI). Een periodieke gift is aftrekbaar als die bestemd is voor een ANBI of voor een vereniging die geen ANBI is, maar wel aan bepaalde voorwaarden voldoet.

Voor een gewone gift geldt een drempelbedrag van 1 procent van het inkomen. En de eerste 60 euro is niet aftrekbaar. Ook is er een maximum. Voor een periodieke gift geldt geen drempelbedrag en is er ook geen maximering.

“Vanwege dat drempelbedrag kan het handig zijn om giften te concentreren in één jaar, in plaats van ze uit te smeren over meerdere jaren, om boven die 1 procent en die 60 euro uit te komen”, adviseert Bos.

Alleen alimentatie voor ex-partner is aftrekbaar

Mensen die gescheiden zijn en alimentatie aan hun voormalige partner betalen, kunnen dat bedrag aftrekken.

Kinderalimentatie geldt niet meer als aftrekpost. In voorgaande jaren kon dit onder uitgaven voor het levensonderhoud van kinderen vallen, maar vanaf 2015 zijn deze kosten niet meer aftrekbaar.

“Wel kan de waarde van kinderalimentatie als schuld worden opgegeven en op die manier als een soort van aftrekpost dienen”, aldus Bos. Dit moet dan gedaan worden in box 3 (inkomen uit sparen en beleggen). Door dit als schuld op te geven, valt het vermogen lager uit.

Studiekosten kunnen in aanmerking komen voor aftrek

Volwassenen die in 2015 een opleiding of studie hebben gevolgd voor hun (toekomstige) beroep, kunnen hiervoor bepaalde verplichte en noodzakelijke kosten aftrekken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om cursusgeld en leermiddelen zoals boeken, een kappersschaar of schildersbenodigdheden.

“Het moet gaan om kosten die verband houden met carrièreverbetering”, zegt Bos. “Er geldt een drempelbedrag van 250 euro.”

Om het bedrag uit te rekenen, moeten de studiekosten en andere scholingsuitgaven bij elkaar worden opgeteld. Een eventuele vergoeding moet hier weer van afgetrokken worden, evenals de drempel van 250 euro.

Reiskosten openbaar vervoer voor het werk zijn mogelijk aftrekbaar

Voor mensen die in loondienst zijn en van en naar het werk reizen met het openbaar vervoer, geldt onder voorwaarden reisaftrek. Dit is in de vorm van een forfaitair bedrag. De hoogte van het bedrag hangt af van het aantal afgelegde kilometers per enkele reis en het aantal reisdagen per week.

Een eventuele reiskostenvergoeding van de werkgever moet van dit vaste bedrag afgetrokken worden.

De reisaftrek geldt voor mensen die minimaal 10 kilometer van hun werk wonen en hier minimaal één dag per week naartoe gaan. In 2015 is het maximumbedrag 2.055 euro.