Ondersteuning subsidies voor midden- en kleinbedrijf (mkb)

De Rijksoverheid stimuleert (innovatieve) mkb’ers. Bijvoorbeeld via een belastingvoordeel, innovatiekrediet of subsidie.

Fiscale regelingen voor investeringen in onderzoek

Dankzij de WBSO en RDA kunnen ondernemers hun loonkosten voor speur- en ontwikkelingswerk verlagen.

Innovatiebox: lagere tariefbox voor winst

Bedrijven kunnen winst maken uit octrooien of activiteiten die onder de WBSO-regeling vallen. Deze winst mogen ze onderbrengen in een lagere tariefbox binnen de vennootschapsbelasting: de innovatiebox.

Innovatiestimulering mkb’ers over regiogrenzen heen

Rijksoverheid en regio’s stellen € 50 miljoen beschikbaar voor Mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT). Doel van MIT is innovatie bij het midden- en kleinbedrijf over regiogrenzen heen te stimuleren.

Innovatiefonds MKB+

Innovatiefonds MKB+ helpt mkb’ers hun ideeën om te zetten in rendabele nieuwe producten, diensten en processen.Onder het Innovatiefonds MKB+ vallen de Seed Capital-regeling, Fund-of-Funds en het Innovatiekrediet.

Garantie Rijksoverheid voor deel lening mkb’er

De Borgstellingregeling Midden- en Kleinbedrijf (bkmb) is voor middelgrote en kleine bedrijven. Zij komen voor bmkb in aanmerking als ze bij een kredietaanvraag de bank te weinig zekerheid (onderpand) bieden. Het gaat om onderpand in de vorm van gebouwen of machines. Is dat het geval? Dan kan de Rijksoverheid via de bmkb een garantie afgeven voor een deel van de lening.

Garantie voor bedrijven die geld willen lenen

De Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) is voor (middel)grote ondernemingen die geld willen lenen.

Garantieregeling voor banken en investeerders

De Groeifaciliteit is een garantieregeling voor banken en investeerders. Met de regeling kunnen zij risicodragend kapitaal verlenen aan ondernemers.

Microkrediet

Microkrediet is voor startende ondernemers en andere kleine bedrijven. Zij kunnen in aanmerking komen voor een lening tot maximaal € 50.000.

Microkrediet door middel van extra garantie

De Rijksoverheid maakt het voor financiers aantrekkelijk om in het mkb te investeren. Zo staat het Rijk voor € 100 miljoen extra garant voor kredietinstelling Qredits. 1.200 mkb’ers kunnen dankzij de lening een krediet krijgen tot € 250.000. En 5.300 ondernemers een microkrediet tot € 50.000. Naast financiering kunnen ondernemers ook coaching en online hulpmiddelen krijgen van Qredits. Bijvoorbeeld om een ondernemingsplan te schrijven.

In januari 2016 kondigde het ministerie van Economische Zaken 6.500 extra kredieten aan voor het mbk.

Aanbesteding door overheid van nieuwe producten

Met het programma Small Business Innovation Research Programma (SBIR) kunnen ondernemers in korte tijd nieuwe producten ontwikkelen. En met SBIR kunnen zij deze producten ook op de markt te brengen. Alleen de ondernemers met de beste offertes krijgen een opdracht van de overheid voor een haalbaarheidsonderzoek. Vervolgens krijgen de bedrijven met de meest kansrijke haalbaarheidsonderzoeken de opdracht hun product verder te ontwikkelen. De overheid kan dan de producten inkopen.

Ondernemen in het buitenland

Voor mkb’ers die ondernemen in het buitenland heeft de Rijksoverheid de volgende regelingen:

  • Finance for International Business (FIB).
  • Subsidieregeling voor demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en kennisverwerving (DHK). De regeling staat open voor de 66 landen van het Dutch Good Growth Fund.

Aanvullend Actieplan MKB-financiering

Om de financiering van het mkb nog meer te bevorderen neemt het kabinet maatregelen. Deze staan in het Aanvullend Actieplan MKB-financiering. Deze kunnen leiden tot ongeveer € 2,5 miljard aan nieuwe MKB-financiering. De uitwerking hiervan loopt door in 2016. Vanaf 2017 komt € 50 miljoen extra beschikbaar voor de stimulering van start ups en het MKB. Dit staat in de begroting 2016 van het ministerie van Economische Zaken.

(Bron: Overheid)

Stappenplan onzakelijke lening en tbs

Begin 2014 gaf de Staatssecretaris onder andere het beleid weer voor leningen en borgstellingen die worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Hij gaf een stappenplan voor de beoordeling voor de (on)zakelijkheid van een lening binnen de terbeschikkingstellingsregeling (tbs-regeling). Tijd voor een kleine update van dit stappenplan.

Het aangaan of hebben van een schuldvordering (lening) op een ‘eigen’ bv, op een verbonden persoon of op bepaalde samenwerkingsverbanden wordt onder de tbs-regeling belast als resultaat uit een werkzaamheid. De Staatssecretaris formuleerde het besluit met het stappenplan naar aanleiding van een aantal doorslaggevende arresten van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld ‘Lening is geheel zakelijk of onzakelijk’ en ‘Verlies op onzakelijke lening verhoogt verkrijgingsprijs deelneming bij liquidatie’). Het besluit gaat zowel in op de definiëring van de onzakelijke lening als de afwikkeling ervan. Het belang ervan is dat een zakelijke lening wel ten laste van het resultaat mag worden afgewaardeerd en een onzakelijke lening niet. Taxence voegt aan zijn stappenplan een stap toe (stap 4).

 

Stap 1. Civiele recht is uitgangspunt

Voor de fiscale duiding (eigen of vreemd vermogen) van de financieringsovereenkomst is het civiele recht het uitgangspunt. Een belangrijk element is de terugbetalingsverplichting. Als een terugbetalingsverplichting onderdeel uitmaakt van de financiering, zal vaak sprake zijn van een leningsovereenkomst.

 

Stap 2. Kwalificatie lening

Er zijn echter leningen die niet de gebruikelijke fiscale gevolgen hebben die verbonden zijn aan een leningsovereenkomst. Deze worden fiscaal afgewikkeld in de kapitaalsfeer en raken niet de tbs-regeling; dit betekent onder meer dat een afwaardering ten laste van het resultaat niet mogelijk is. Het gaat dan om de:

  • schijnlening (een lening die alleen in schijn bestaat, omdat partijen in werkelijkheid geen overeenkomst van geldlening tot stand hebben willen brengen);
  • deelnemerschapslening (een lening die aan drie cumulatieve voorwaarden voldoet: winstafhankelijkheid van de vergoeding, achterstelling bij alle concurrente crediteuren en het ontbreken van een vaste looptijd); en
  • bodemlozeputlening (een lening waarvan op het moment van de geldverstrekking al duidelijk is dat de opgenomen gelden niet kunnen worden terugbetaald of verrekend).

 

Tekortkoming stappenplan Staatssecretaris

Als geen sprake is van schijnlening, deelnemerschapslening of een bodemlozeputlening, is duidelijk dat in ieder geval sprake is van een lening. Het stappenplan ging er vanuit dat dan dus uitsluitend nog gekeken moet worden naar de rentevergoeding om te beoordelen of sprake is van een zakelijke of een onzakelijke lening. Het bleek dat die aanname onjuist is. Niet in alle gevallen waarin gesteld werd dat sprake was van een onzakelijke lening, bleek namelijk sprake te zijn van verbondenheid terwijl dat uiteraard wel verondersteld was. Het moment van beoordeling is daarvoor relevant. Die beoordeling gaat om die reden naar voren in deze aanvulling op het stappenplan.

 

Stap 3. Beoordelingstijdstip

Of sprake is van een onzakelijke lening moet worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening. Let er daarbij wel op dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd door onzakelijk handelen van de crediteur alsnog onzakelijk kan worden.

 

Stap 4. Verbondenheid

Of sprake is van verbondenheid moet beoordeeld worden naar het moment van aangaan van de lening . Als iemand bijvoorbeeld al aandeelhouder is op dat tijdstip zal in het algemeen sprake zijn van verbondenheid. Als een belastingplichtige echter nog geen aandeelhouder was voorafgaand aan het verstrekken van de lening, zal in beginsel geen sprake kunnen zijn van een onzakelijke lening, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad gaf daarbij echter aan dat er uitzonderingssituaties mogelijk zullen zijn op die hoofdregel, zodat toch geoordeeld moet worden dat er sprake is van verbondenheid (zie: Afwaardering lening door aandeelhouder mogelijk). Dat roept nieuwe vragen op (zie bijvoorbeeld: Lening niet in verhouding: geen onzakelijke lening en Financiering project schept geen gelieerdheid ).

 

Stap 5. Corrigeren rentevergoeding: zakelijke lening

Vervolgens wordt de rentevergoeding beoordeeld, in combinatie met de overige elementen van de overeenkomst, zoals de looptijd en eventuele zekerheden. Is de rentevergoeding niet in overeenstemming met het ‘at arm’s length’ beginsel? Dan wordt bezien of dit ter bepaling van het resultaat kan worden gecorrigeerd zodanig dat wel wordt voldaan aan dit criterium, waarbij de overige elementen onveranderd blijven. Het mag geen winstdelende lening worden. Na correctie is dan sprake van een zakelijke lening. Een eventuele afwaardering kan plaatsvinden ten laste van het resultaat.

 

Stap 6. Corrigeren rentevergoeding niet mogelijk: onzakelijke lening

Als het niet mogelijk is een zakelijk (niet-winstdelend) rentepercentage vast te stellen, waarbij een onafhankelijke derde nog bereid zou zijn om een lening onder overigens dezelfde voorwaarden te verstrekken, dan is sprake van een onzakelijke lening. Een afwaardering kan, vanwege dit op onzakelijke gronden aanvaarde debiteurenrisico, niet ten laste van het resultaat uit een werkzaamheid worden gebracht.

 

Stap 7. Kwijtschelden onzakelijke lening

Het kwijtschelden van een onzakelijke lening zal leiden tot een informele kapitaalstorting, ook indien en voor zover de vordering oninbaar is. Immers, het verlies dat de ab-houder bij de kwijtschelding lijdt, vloeit dan voort uit het debiteurenrisico dat hij heeft aanvaard in zijn hoedanigheid van aandeelhouder. Ook voor de debiteur zal in zo’n geval de kwijtschelding als een informele kapitaalstorting moeten worden aangemerkt.

 

Borgstellingen

In het besluit gaf de staatssecretaris ook de verschillende situaties aan die spelen rondom een borgstelling. Een borg kan onder de tbs-regeling vallen voor een borgstelling uit hoofde van een borgstellingsovereenkomst die hij is aangegaan voor een schuld van de bv waarin hij of een verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft.

(Bron: Taxence)

Belastingdienst verstuurt ten onrechte brieven geen aangifte inkomstenbelasting 2015

De Belastingdienst meldt dat zij wellicht ten onrechte brieven aan mensen heeft gestuurd waarin staat dat zij over 2015 geen aangifte inkomstenbelasting hoeven te doen.

De fiscus weet nog niet precies waar en bij wie het is misgegaan met deze brieven, maar zegt dit te onderzoeken. Op dit moment hoeft er geen actie te worden ondernomen door de ontvangers van de zo’n brief. De Belastingdienst laat weten als zij meer informatie heeft.

(Bron: Belastingdienst)

Een nieuwe pensioenuitvoerder voor uw BV kiezen, enkele overwegingen.

Ook na de wijziging van de WOR, waarvoor het voorstel tot Wetswijziging is ingediend, gaat de OR niet over de pensioenuitvoerder.

Aan de OR moet wel instemming worden gevraagd voor een wijziging van de pensioenovereenkomst.

Maar wat zijn nou overwegingen om naar de ene of naar een andere (soort) uitvoerder te gaan en wordt de OR met het maken van een keuze ingeschakeld?

 

Keuze uitvoerder

Er zijn verschillende soorten uitvoerders, waarbij toezicht, solvabiliteitseisen, continuïteit van de instelling, uitvoeringskosten, rendementen, soort life cycles, transparantie over de kosten, pensioencommunicatie, gegarandeerde pensioenen, eigen werkzaamheden die nog door de werkgever moeten worden uitgevoerd verschillen opleveren.

Zo is het toezicht op een PPI wat milder dan dat op een pensioenfonds of een verzekeraar. Aan de andere kant: er zijn nu veel teveel PPI’s, hoe zit het met de continuïteit? Naar verwachting zal er maar ruimte op de Nederlandse markt zijn voor een handvol PPI’s en zijn er nu een dubbel aantal actief.  Een aantal hiervan met meer dan 1.000 regelingen en anderen zijn veel kleiner (een tiental cliënten).

Een aantal zijn ingesteld op het MKB anderen voornamelijk op het grootbedrijf.

Zo lijkt ook het toezicht op een Belgisch pensioenfonds milder dan een Nederlands pensioenfonds en zijn er zeker minder regels. Dit heeft zeker voordelen, maar zeker ook nadelen.

De administratiekosten en behaalde rendementen in het verleden verschillen nogal tussen de ene en de andere uitvoerder. De portals die werknemers kunnen gebruiken om hun pensioensituatie in te zien en te beïnvloeden worden ook steeds uitgebreider. Maar als je als werkgever hierna nog veel werk hebt om de pensioenregeling in goede (administratieve) banen te leiden kost dit nog veel.

Pensioenuitvoerders gaan ook steeds meer met standaardoplossingen werken. Deze sluiten vaak niet naadloos aan op de huidige pensioenregeling.

 

Niet 1 beste uitvoerder

Het kiezen van de juiste uitvoerder voor jullie werknemers is een momentopname, die ook beïnvloed zal worden door waar de oude pensioenregeling is ondergebracht. Pas na verloop van tijd weet je of je de juiste keuze hebt gemaakt. En of je met zoveel mogelijk omstandigheden rekening hebt gehouden.

 

Schakel de OR in

Het is in onze ogen beter om de OR in te schakelen en samen op te trekken bij deze lastige keuze. De afgelopen jaren heeft de toenmalige keuze immers voor veel gepensioneerden een tegenvallend pensioen opgeleverd.

Steeds meer werkgevers gaan inzien dat een goed geïnformeerde OR helpt om draagvlak bij de medewerkers en minder gezeur achteraf te creëren.

Zo is pensioenadviseur (!) Aon eind vorig jaar naar de rechtbank gestapt en heeft de OR van KLM aangekondigd dit te gaan doen.

In beide gevallen komt de werkgever de aangegane verplichting om extra stortingen te doen in het pensioenfonds, omdat er onvoldoende geld in de pot zit om aan de verplichtingen te voldoen, niet na.

En op een rechtszaak met je eigen werknemers zit je als werkgever niet op te wachten.

(Bron: Pensioenweblog)

AG: belastingheffing over vermogen in strijd met EVRM

De belasting  die wordt geheven over vermogen (box 3 van de inkomstenbelasting) is in strijd met het recht van eigendom (art. 1 van het Eerste Protocol EVRM). Dat schrijft  advocaat-generaal Niessen  in een advies aan de Hoge Raad. Mensen die zeer verschillende resultaten behalen op hun vermogen, betalen hetzelfde percentage belasting. Dat leidt tot willekeur, aldus de advocaat-generaal. Wanneer dit vaste percentage belasting niet kan worden betaald uit de opbrengst van het vermogen is er sprake van een oneigenlijke ontneming.

Inkomsten uit sparen en beleggen (bv. rente en dividend) én de waardestijging van vermogen (bv. stijging van vastgoedprijzen of aandelenkoersen)  worden in de inkomstenbelasting belast naar een fictief rendement. De wetgever gaat ervan uit dat iedereen gemiddeld over een aantal jaren een rendement van 4% kan behalen (dus dat dat vermogen groeit met 4 %). Een deel van dit fictieve rendement, namelijk 1,2 procent, moet worden afgedragen aan de Belastingdienst. Deze regeling is aan het einde van de jaren negentig gemaakt na een lange periode van grote economische voorspoed. Maar volgens de advocaat-generaal kan met de kennis van nu niet meer worden uitgegaan van een dergelijk rendement. Maatschappelijk, zo stelt hij vast, is over deze belasting na 2011 steeds meer onrust en onvrede ontstaan.

De advocaat-generaal wijst er op dat de moderne belastingwetgeving is gebaseerd op individuele draagkracht. Een heffing die uitgaat van een fictief gemiddelde is daarmee in tegenspraak. Ook zijn belastingplichtigen volgens hem vrij om hun financiën zelf in te richten en zouden zij daarom niet moeten worden belast op basis van een opbrengt die zij volgens de wetgever hadden kunnen halen.

De rechter kan de regeling niet wijzigen of vervangen omdat daarbij rechtspolitieke keuzes moeten worden gemaakt. De advocaat-generaal adviseert de wetgever een termijn te geven voor aanpassing of vervanging van de regeling. Zolang dat niet is gebeurd, kan de rechter beslissen dat de regeling buiten toepassing moet blijven in gevallen waarin een belastingplichtige verlies lijdt op zijn vermogen.

Een conclusie is een rechtsgeleerd advies aan de Hoge Raad. De advocaat-generaal is lid van het parket bij de Hoge Raad. Het parket bij de Hoge Raad is een zelfstandig, onafhankelijk onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het behoort niet tot het Openbaar Ministerie.

(Bron: Rechtsspraak.nl)

Fictieve dienstbetrekking commissaris vervalt per 1 mei 2016, wel opting-in mogelijk

De arbeidsverhouding van een commissaris wordt op grond van artikel 3, lid 1, onderdeel g, Wet LB aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking. Het desbetreffende lichaam moet daarom loonheffing inhouden en afdragen, tenzij de commissaris een Verklaring arbeidsrelatie (VAR) voor bijvoorbeeld winst uit onderneming heeft. Met het verdwijnen van de VAR per 1 mei 2016 komt deze uitzonderingsmogelijkheid te vervallen. Staatssecretaris Wiebes heeft in de Eerste Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties op 26 januari 2016 echter toegezegd dat hij gaat regelen dat de fictieve dienstbetrekking voor commissarissen komt te vervallen. Een woordvoerder van het ministerie van Financiën heeft Fiscaal up to Date desgevraagd laten weten dat vooruitlopend op een wijziging van de Wet LB per 1 januari 2017, een beleidsbesluit in werking treedt waarin is geregeld dat per 1 mei 2016 de fictieve dienstbetrekking van commissarissen vervalt. Na de afschaffing van de fictieve dienstbetrekking kunnen commissarissen desgewenst gebruikmaken van de bestaande opting-in-bepaling om alsnog onder de LB te vallen.

(Bron: FUTD)

Imputatieregeling nettopensioen in jaarruimte overkill

De BV en de wetswijzigingen

De wijzigingen van boek 2 van het burgerlijk wetboek met betrekking tot de jaarrekening en de micro-BV op een A3

Op 1 november 2015 is het burgerlijk wetboek aangepast in verband met de invoering van de nieuwe EU-richtlijn jaarrekening. Deze richtlijn vervangt de 4e en 7e vennootschapsrichtlijnen. Het belangrijkste doel van deze richtlijn is administratieve lastenverlichting voor kleinere BV’s. Behalve voor de BV’s zijn ook voor andere rechtspersonen diverse wetten gewijzigd. Ik beperk mij in dit artikel tot de belangrijkste wijzigingen voor met name kleinere BV’s en zal af en toe ook enkele wijzigingen voor middelgrote en grote BV’s behandelen. Dit artikel is een vrij uitgebreid artikel van ongeveer 4 pagina’s. Ik deel dit artikel in naar de volgende onderwerpen:

 

  1. Wijzigingen in de grootte-criteria van BV’s,
  2. de nieuw geïntroduceerde micro-BV,
  3. wijzigingen in het bestuursverslag (was voorheen jaarverslag),
  4. wijzigingen in de waarderingsgrondslagen,
  5. wijzigingen in grondslagen voor de resultaatbepaling,
  6. wijzigingen in de termijnen voor opmaak en vaststelling van de jaarrekening;
  7. overige wijzigingen;
  8. vanaf wanneer gaan de wijzigingen in.

 

  1. Wijzigingen in de grootte-criteria voor BV’s

 

Tot op heden kon een BV gekwalificeerd worden als klein, middelgroot en groot. De wijzigingen in BW 2 titel 9 brengen daar verandering in. BV’s kunnen nu gekwalificeerd worden als micro, klein, middelgroot en groot. Met name voor micro-BV’s zijn de eisen sterk vereenvoudigd. Hier kom ik in de volgende paragraaf op terug. Met de invoering van de micro-BV zijn ook de andere bedragen geïndexeerd.

 

Criterium/Grootte Micro nieuw Klein Middelgroot Groot
Balanstotaal nieuw

Balanstotaal oud

< € 350.000 < € 6.000.000

< € 4.400.000

< € 20.000.000

< € 17.500.000

> € 20.000.000

> € 17.500.000

Netto-omzet nieuw

Netto-omzet

< € 700.000 < € 12.000.000

< € 8.800.000

< € 40.000.000

< € 35.000.000

> € 40.000.000

> € 35.000.000

Gemiddeld aantal werknemers < 10 < 50 < 250 > 250

 

De waardes dienen berekend te worden op basis van verkrijgingsprijs. Simpel gezegd is dit wat een onderneming voor bijvoorbeeld een auto of voorraad betaald heeft.

 

  1. De nieuw geïntroduceerde micro-BV.

 

Met als doel administratieve lastenverlichting zijn er in de EU-richtlijn maximumbepalingen ingevoerd voor wat van een micro-BV aan informatie in de jaarrekening gevraagd wordt.

 

Alvorens te kunnen vaststellen of een BV daadwerkelijk een micro-BV is dient, indien de BV tot een groep behoort, op elk niveau geconsolideerd bekeken te worden of een BV een micro BV is. Dit betekent dus dat een holding net wel als klein kan classificeren, maar dat een werkmaatschappij classificeert als micro bij een structuur van alleen een holding en een werkmaatschappij. Dit is dus eigenlijk weer een administratieve lastenverzwaring, want je moet eerst consolideren om vast te kunnen stellen welk regime van toepassing is.

 

Belangrijk om te weten is dat in artikel 395a lid 4 de balans van een micro-BV sterk vereenvoudigd wordt. Er is alleen een indeling vereist in vaste en vlottende activa, met specificatie van de volgende posten: kosten die verband houden met de oprichting en met de uitgifte van aandelen en de post opgevraagde stortingen van geplaatst kapitaal. Aan de passiva-zijde dienen alleen nog de volgende posten gespecificeerd te worden: eigen vermogen, voorzieningen en schulden. Schematisch ziet de meest uitgebreide balans van de micro-BV er als volgt uit:

 

Activa Passiva
Vaste activa Eigen vermogen
-Kosten die verband houden met oprichting en uitgifte van aandelen
Voorzieningen
Vlottende activa
– Opgevraagde stortingen van geplaatst kapitaal Schulden

 

Ook de winst- en verliesrekening van de micro-BV is sterk vereenvoudigd. Op grond van artikel 395a lid 5 zijn slechts de volgende posten vereist: netto-omzet, overige bedrijfsopbrengsten, kosten van grond- en hulpstoffen, personeelskosten, waardecorrecties, overige bedrijfskosten en belastingen. Schematisch ziet de meest uitgebreide winst- en verliesrekening van de micro-BV er dan als volgt uit:

 

Lasten Baten
Kosten van grond- en hulpstoffen Netto-omzet
Personeelskosten Overige bedrijfsopbrengsten
Waardecorrecties
Overige bedrijfskosten
Belastingen

 

Micro-BV’s hoeven dus alleen de balans en de winst- en verliesrekening op te stellen zoals hierboven. Als gebruik wordt gemaakt van fiscale grondslagen dient dit vermeld te worden. De in artikel 394 genoemde deponeringsplicht geldt uitsluitende voor de balans van de micro-BV. Het grote voordeel is dat er geen uitgebreid boekwerk van twintig tot derig pagina’s meer hoeft te worden opgesteld. Een groot nadeel van deze hele kleine balans is dat er geen waarderingsgrondslagen en grondslagen van resultaatbepaling worden vermeld. De gebruiker van deze jaarrekening kan niet zien of iets bijvoorbeeld op werkelijke waarde of kostprijs is gewaardeerd. Vermeldenswaardig is overigens dat als een micro-onderneming het eerste jaar voldoet aan de criteria dat hij deze gelijk mag toepassen. Normaal moet een BV twee jaar voldoen aan de lichtere criteria alvorens hij dit regime mag toepassen. Dit zal ongetwijfeld ook gedaan zijn voor de administratieve lastenverlichting. Dit is dus ook een goed punt om met uw accountant te bespreken. Is het nog nodig een heel uitgebreid jaarrapport op te stellen voor BV’s, waar nagenoeg geen activiteit in zit. Het is overigens wel goed om erover na te denken wie, naast u als eigenaar of directeur, nog meer gebruik gaat maken van uw jaarrekening of publicatierapport. U kunt dan bewust kiezen of u extra gegevens verstrekt dan de wettelijk minimum benodigde gegevens.

 

  1. Het bestuursverslag

 

In de nieuwe wet wordt de term jaarverslag vervangen door bestuursverslag. In de volksmond werd de term bestuursverslag eigenlijk altijd al gebruikt. Een belangrijk wijziging voor ondernemingen die onderworpen zijn aan accountantscontrole is dat de accountant het bestuursverslag nu ook op materiële onjuistheden moet onderzoeken. De wet geeft hier niet expliciet aan hoe een materiële onjuistheid gekwalificeerd moet worden. Belangrijk is wel dat een materiële onjuistheid nu ook van invloed kan zijn op de strekking van de controleverklaring van de accountant met betrekking tot het bestuursverslag. Door een materiële onjuistheid in het bestuursverslag kan er nu bijvoorbeeld een controleverklaring met beperking afgegeven worden met betrekking tot het bestuursverslag.

 

  1. Wijzigingen in de waarderingsgrondslagen van de balans

 

In het verleden was het gebruikelijk dat kosten van onderzoek en ontwikkeling op de balans werden opgenomen. Met de invoering van deze wet is alleen nog toegestaan dat kosten van ontwikkeling van een nieuw product opgenomen worden op de balans. Ineens afboeken van goodwill ten laste van het eigen vermogen of het resultaat mag niet meer. Van andere immateriële vaste activaposten dient terugname van afboekingen te worden toegelicht. In uitzonderlijke gevallen mogen kosten van ontwikkeling en goodwill in maximaal 10 jaar worden afgeschreven. Dit is het geval als de looptijd hiervan niet betrouwbaar kan worden ingeschat. Een te voorziene buitengewone waardevermindering van vlottende activa is ook afgeschaft met de invoering van de nieuwe wet. Een andere bijzonderheid is dat de methodiek van vervangingswaarde geschrapt is bij het bepalen van de actuele waarde, als posten worden gewaardeerd op actuele waarde.

 

  1. Wijzigingen in de grondslagen voor resultaatbepaling van de winst- en verliesrekening

 

De wetgever heeft sturing in het resultaat door middel van buitengewone posten willen voorkomen. Daarom mag met ingang van de nieuwe wetgeving geen buitengewoon resultaat of belastingen over buitengewoon resultaat verwerkt worden. Alles moet via de normale posten in de winst- en verliesrekening lopen. Op grond van het nieuwe artikel 377 lid 7 dienen baten en lasten die aan een ander jaar toegerekend worden toegelicht te worden in de winst- en verliesrekening. Nieuw is ook dat posten van uitzonderlijke omvang of posten die in uitzonderlijke mate voorkomen vermeld moeten worden naar bedrag en aard.

 

 

  1. Opmaken, vaststellen en deponeren van de jaarrekening

 

Waar goed rekening mee gehouden dient te worden is dat de deponeringstermijn voor B.V.’s, maar ook voor andere rechtspersonen verkort is naar 12 maanden. Dus nog voor 31 december van het huidige jaar moeten de jaarcijfers van het voorgaande jaar gedeponeerd zijn bij de Kamer van Koophandel. Regel is nu dat B.V.’s binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar hun jaarrekening opmaken. Voor het opmaken van de jaarrekening kan de algemene vergadering van aandeelhouders nu 5 in plaats van 6 maanden uitstel geven. Dus uiterlijk 31 oktober dient er een opgemaakte inrichtingsjaarrekening te zijn. Vervolgens heeft de Algemene vergadering van Aandeelhouders twee maanden tijd om de jaarrekening vast te stellen en publicatiestukken te deponeren. Let er wel op dat publicatiestukken binnen 8 dagen na vaststelling gedeponeerd moeten zijn bij de Kamer van Koophandel en uiterlijk 31 december gedeponeerd dienen te zijn.

 

Schematisch weergeven:

 

Tot en met 31 mei opmaken van de jaarrekening Tot en met 31 oktober uitstel opmaken van de jaarrekening Tot 31 december vaststellen van de jaarrekening en deponeren.

 

  1. Overige zaken

 

  • Indien de jaarrekening een toelichting bevat dient de voorgeschreven indeling van het besluit modellen jaarrekening aangehouden te worden.
  • Schulden langer dan 5 jaar mogen in één bedrag toegelicht worden.
  • Gebeurtenissen na balansdatum en bestemming van het resultaat worden verplaatst van de overige gegevens naar de toelichting.
  • De BV dient naam, zetel en nummer Kamer van Koophandel te vermelden in de jaarrekening.
  • Afgewaardeerde bedragen of bedragen waarvan af is gezien op leningen aan bestuurder of commissarissen moeten toegelicht worden in de jaarrekening.
  • Er zijn nog enkele regels ingevoerd voor maatschappelijk verantwoord ondernemen verslagen en verslagen van betalingen aan overheden in specifieke sectoren, maar dit zal doorgaans in het MKB niet aan de orde zijn.
  • Bij kleinere rechtspersonen hoeft het hoofd van de groep niet meer vermeld te worden.
  • Het gemiddeld aantal werknemers dient berekend te worden op basis van de in het boekjaar bij de rechtspersoon werkzame werknemers.
  • De toelichting op het aandelenkapitaal mag ook een stuk sumierder bij kleine BV;s. Aantallen en waarde hoeven niet langer verplicht toegelicht te worden.
  • Dit geldt eveneens voor winstbewijzen.
  • Er zijn diverse andere aanpassingen die met name voor specifieke categorieën zoals beursgenoteerde bedrijven van belang zijn, deze vermeld ik hier daarom niet.
  • De enige nog noemenswaardige wijziging is het niet meer hoeven vermelden van de accountantshonoraria voor middelgrootte rechtspersonen.

 

  1. Toepassing vanaf welk boekjaar?

 

Deze wet is verplicht vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016. Expliciet wordt aangegeven dat de wet ook al in het boekjaar 2015 mag worden toegepast. Dit is gedaan voor kleine en micro-rechtspersonen, zodat deze gelijk al kunnen profiteren van deze administratieve lasten verlichting. Het loont daarom denk ik zeker de moeite om met uw accountant te overleggen welke jaarstukken u opstelt en welke niet. In aanvulling hierop loont het ook zeker te moeite om na te gaan welke informatie u wel of niet opneemt in uw jaarcijfers.

(Ambitions Accountants & Adviseurs / Richard Overweg)

Ongewenst neveneffect van Wet DBA voor BTW

Bij gebruik van de nieuwe DBA-modelovereenkomsten van de Belastingdienst kunnen btw-vrijstellingen in gevaar komen, aldus Carola van Vilsteren in Tax Talks.

Bij het uitlenen van personeel is btw een belangrijk punt, omdat de btw een kostenverhogend effect heeft. Het uitlenen van personeel is volgens een besluit in beginsel een belaste prestatie ter zake waarvan btw in rekening dient te worden gebracht, al kan de heffing in een aantal situaties toch achterwege blijven.

Opdrachtverstrekking en btw

Vanuit btw-perspectief lijken de nieuwe DBA-modelovereenkomsten van de Belastingdienst ook tot nieuwe problemen te kunnen leiden. Om een dienstbetrekking te voorkomen, streeft men naar een opdrachtverstrekking. Een opdrachtverstrekking is normaal gesproken belast met btw, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Kijkend naar de modellen voor bijvoorbeeld medici, dan is er geen btw-probleem als het om een BIG-er gaat die een medische dienst verricht omdat hij onder een vrijstelling valt. Als het gaat om een gastdocent die wordt ingezet voor het verzorgen van wettelijk geregeld onderwijs, wordt het een ander verhaal. Er kunnen in dat geval wel goedkeuringen gelden, maar juist de school moet dan de lead hebben. Dat wringt met de arbeidsrelatie en dat gaat voor de btw niet goed, aldus Carola van Vilsteren in de aflevering van Tax Talks van 19 januari 2016.

Werken met personeel zonder btw-heffing?

Een oplossing voor gezamenlijk werken met personeel zonder btw is bijvoorbeeld via een overeenkomst ‘kosten voor gemene rekening’. Het nadeel hierbij is echter dat ieder een deel van de kosten volgens een vooraf vastgestelde verdeelsleutel voor zijn rekening moet nemen, en deze verdeelsleutel kan niet meer gewijzigd worden. Partijen kunnen bijvoorbeeld ook een zogenaamde ‘pot-overeenkomst’ aangaan. Het gezamenlijke personeelslid wordt dan van een gemeenschappelijke bankrekening betaald en er zit geen vaste verdeelsleutel in.

(Bron: Taxence)

Ruziesplitsing als alternatief voor afstorting bij een verzekeraar na echtscheiding

In het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap worden de aandelen van de DGA toebedeeld aan de man en de vrouw, waarna de mogelijkheid bestaat om over te gaan tot ruziesplitsing in het kader van boek 2 BW.

In eerste aanleg is tussen partijen een overeenkomst bereikt op grond waarvan de aandelen in BV X aan de man worden toebedeeld, onder de verplichting de helft van de waarde daarvan aan de vrouw te vergoeden. De man komt hiertegen echter in hoger beroep en verzoekt het Hof de verdeling van de aandelen vast te stellen. Het Hof is van mening dat de man niet gehouden kan worden aan de overeenkomst die partijen in eerste aanleg hebben gesloten omtrent de toedeling van de aandelen aan de man. De aandelen in de pensioen/stamrecht B.V. vormen immers onderdeel van de te verdelen huwelijksgemeenschap en hieromtrent spelen complexe vraagstukken zoals de mogelijkheid tot afstorten van de pensioen/stamrecht B.V en het geschil omtrent de waarde van de aandelen. Volgens het Hof is er pas sprake van een volledige verdeling indien partijen ook overeenstemming  hebben bereikt over de financiële gevolgen met betrekking tot dat goed. Nu partijen geen volledige overeenstemming hebben bereikt omtrent alle financiële gevolgen met betrekking tot de aandelen, heeft er geen verdeling plaatsgevonden. Het Hof gaat dan ook tot verdeling van de aandelen over.

Partijen hebben in privé een aanzienlijke vordering op de B.V. uit hoofde van de door de BV aan partijen gedane pensioen/stamrechttoezeggingen. Vanuit de vennootschap bezien is het van belang dat zij over voldoende financiële middelen kan beschikken om haar pensioen/ stamrechtverplichting te kunnen voldoen. Gezien de aard van de vennootschap (pensioen/stamrecht B.V.) acht het hof het redelijk en billijk om de aandelen tussen partijen gelijkelijk te verdelen. Zij zijn dan  beiden voor 50% aandeelhouder. Nadeel daarvan is dat geen van beiden een doorslaggevende zeggenschap over de BV heeft. In het kader van een ruziesplitsing kunnen partijen nadien nog overgaan tot splitsing van de vennootschap, zodat ieder der partijen zijn eigen beleid kan formuleren met betrekking tot de onderneming.

De vrouw is van mening dat de rechtbank de man had moeten veroordelen tot afstorting van het aan haar toekomende deel aan stamrecht- en pensioenaanspraken bij een door de vrouw aan te wijzen externe pensioenverzekeraar. De vrouw stelt daartoe dat zij geld tekort komt en dat zij een aanzienlijk risico loopt indien haar deel van de aanspraken in de vennootschap blijft, waarover de man zeggenschap heeft. Het Hof is van oordeel dat de pensioen- en stamrechten van de vrouw op dit moment niet afgestort kunnen worden aangezien binnen de vennootschap onvoldoende liquiditeiten aanwezig zijn om pensioen- en stamrechten voor beide partijen uit te kunnen keren. Ook beschikt de man over onvoldoende vermogensbestanddelen om aan het verzoek van de vrouw te kunnen voldoen. Voorts stelt het Hof dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar vordering, nu de helft van de aandelen aan haar worden toegedeeld. Indien de vrouw het wenselijk vindt, kan zij overgaan tot een ruziesplitsing van de BV, zodat zij haar eigen pensioen/stamrecht kan gaan beheren. Voorts is het Hof van oordeel dat de postrelationele solidariteit meebrengt dat, indien tot afstorting wordt overgegaan, ook de man zijn aanspraken op pensioen- en stamrechten in gelijke mate geldend moet kunnen maken. De vordering van de vrouw wordt dan ook afgewezen.

(Bron: Pensioenweblog)