“Geheimhouding (NDA)” bij een bedrijfsovername

Een potentiële overnamekandidaat krijgt toegang tot jouw administratie en gaat er met je bedrijfsgevoelige informatie vandoor. Hoe kan je dat voorkomen?

Het komt in praktijk vaak voor. Een serieuze partij heeft interesse in je bedrijf en is bereid daarvoor een flinke koopsom te betalen. De potentiële overnamekandidaat wil wel eerst een boekenonderzoek doen om te voorkomen dat zij een kat in de zak koopt. En waarom ook niet? Je hebt immers niets te verbergen… Of misschien toch wel? Want wat als de overname geen doorgang vindt? Misschien was er wel helemaal geen sprake van serieuze overnamekandidaat, maar van een concurrent die onder valse voorwendselen in je boeken wilde kijken.

Hoe voorkom je dat een derde (concurrerende) partij die in het kader van een “bedrijfsovername” in jouw administratie heeft mogen kijken, er met je bedrijfsgevoelige informatie vandoor gaat?

Non-disclosure agreement

De geheimhoudingsovereenkomst, of non-disclosure agreement (NDA), kan  een oplossing bieden. In een NDA wordt omschreven:

  • welke informatie geheim moet blijven;
  • hoelang de informatie vertrouwelijk moet blijven;
  • onder welke omstandigheden de informatie gedeeld mag worden met derden.

Een NDA kan ook tweezijdig zijn, zodat die ook de koper beschermt. Denk daarbij aan een situatie dat de koper ook informatie verstrekt aan de verkoper of dat het belangrijk is dat de markt niet op de hoogte raakt van de uitbreidingsplannen van de koper.

Overtreding van een NDA

Wordt er, in strijd met de NDA, door de koper toch informatie naar buiten gebracht, dan lijdt de informatieverstrekkende partij hierdoor schade. Het is echter niet eenvoudig om die schade vast te stellen. Ook een vordering tot nakoming van de NDA zal weinig uithalen. Het duveltje is immers al uit het spreekwoordelijke doosje.

Om die reden wordt er in de NDA vaak een boetebeding opgenomen, waarbij over het algemeen gekozen wordt voor een hoge boete. Dat heeft immers een afschrikwekkende werking. Let wel, als de boete niet in verhouding staat tot de werkelijk geleden schade, kan een rechter die boete matigen.

Richtlijn bescherming bedrijfsgeheimen

Op 5 juli 2016 is door de Europese Unie de Richtlijn Bedrijfsgeheimen vastgesteld met als doel bedrijfsgeheimen beter te beschermen. De richtlijn verplicht de lidstaten er binnen twee jaar voor te zorgen dat bedrijven actief kunnen optreden tegen inbreuk. Naast een vordering tot schadevergoeding, moet het dan ook mogelijk zijn om voorlopige maatregelen te vorderen, zoals:

  • het beëindigen van de inbreuk;
  • een voorlopig verbod tot het maken van inbreuk en;
  • beslaglegging.

Het is nog niet bekend wanneer de richtlijn wordt geïmplementeerd.

Bezint eer ge begint

Voordat je een overnamekandidaat inzage geeft in jouw vertrouwelijke informatie en administratie, is het verstandig om stil te staan bij de gedachte dat de deal geen doorgang vindt. Je wil voorkomen dat jouw vertrouwelijke bedrijfsinformatie bij een (concurrent) of derde partij terecht komt. Een NDA bied je bescherming. Let wel, het biedt echter geen garanties. Ligt je bedrijfsinformatie eenmaal op straat, dan kun je dat niet eenvoudig ongedaan maken.

(Bron: DVAN)

Geconsolideerd publiceren als BV: 403-aansprakelijkheid, lastig om vanaf te komen

De 403-verklaring is een gevaarlijk goedje. De moedermaatschappij bereikt hiermee weliswaar dat haar dochter geen jaarrekening hoeft te publiceren, maar de kostprijs is hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle contractsverplichtingen van die dochter (art. 2:403 lid 1, sub f BW). Begrijpelijk dat moeder, als het wat minder gaat, gauw van die gevaarlijke hoofdelijkheid af wil. Dat kan door deponering van een intrekkingsverklaring bij het handelsregister. Dat maakt echter alleen dat er geen nieuwe aansprakelijkheid ontstaat, moeders hoofdelijkheid uit de publikatieperiode blijft gewoon in stand. De wet spreekt van “overblijvende aansprakelijkheid” (art. 2:404 lid 2 BW).

Van die overblijvende aansprakelijkheid kan moeder ook af als een aantal voorwaarden is vervuld. Logisch, partijen zijn juist met de dochter in zee gegaan in het vertrouwen dat moeder instaat voor haar verplichtingen. Een van de voorwaarden is dat moeder een beëindigingsverklaring deponeert en publiceert in een landelijk dagblad. Een schuldeiser “voor wiens vordering nog aansprakelijkheid loopt” kan tegen het beëindigingsvoornemen in verzet gaan bij de rechtbank en vervangende zekerheid verlangen (art. 2:404 leden 4 en 5 BW).

Op zichzelf is de tekst van de wet duidelijk: alleen de crediteur met een erkende vordering op de dochter kan in verzet. Dat geldt dus niet voor schuldeisers met een betwiste of voorwaardelijke claim. Daarvoor loopt immers geen aansprakelijkheid onder de inmiddels ingetrokken 403-verklaring. Toch wel, aldus de Hoge Raad in het arrest SNS/CRI c.s. (ECLI:NL:HR:2017:546), die het onwenselijk vindt dat zij geen verzetrecht hebben. De Hoge Raad trekt hiertoe een parallel met het verzetrecht bij kapitaalvermindering (art. 2:100 BW) dat, blijkens de MvT, ook toekomt aan schuldeisers met een betwiste vordering.

Om nu te bereiken dat ook schuldeisers met betwiste of voorwaardelijke vorderingen in verzet kunnen gaan tegen het 403-beëidigingsvoornemen van moeder ‘leest’ de Hoge Raad het bovengeciteerde criterium als “voor wiens vordering nog mogelijke aansprakelijkheid loopt.” Het gaat in art. 2:404 lid 2 BW dus ook om “mogelijke overblijvende aansprakelijkheid.” Alleen als de feitenrechter meent dat de gepretendeerde vordering “onmiskenbaar ongegrond” is, dient hij het verzet af te wijzen. De schuldeiser moet wel een hele slechte advocaat hebben, wil zijn verzet nu nog stranden.

(Bron: Mr.-Online)