Bereid u voor op de Privacywet 2018

er 25 mei 2018 is de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van kracht. Vanaf die datum geldt in de hele EU dezelfde privacywetgeving. Nu hebben de lidstaten nog hun eigen nationale wetgeving, gebaseerd op de Europese privacyrichtlijnen uit 1995. De huidige Nederlandse Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) komt daarmee vanaf die datum te vervallen. Wees voorbereid en neem nu alvast maatregelen voor uw organisatie.

Bewustwording

Zorg ervoor dat uw beleidsmakers ruim voor 25 mei 2018 op de hoogte zijn van de nieuwe privacywet. Zij moeten nagaan welke impact de AVG zal hebben op uw huidige processen, diensten en goederen en welke aanpassingen noodzakelijk zijn om aan de AVG te voldoen. Zorg dat u voor 25 mei 2018 alles op orde heeft om eventuele boetes van de Autoriteit persoonsgegevens te voorkomen.

Rechten van betrokkenen

Personen waarvan u persoonsgegevens verwerkt, krijgen meer en verbeterde privacyrechten. Hierbij kunt u denken aan recht op inzage, recht op correctie en verwijdering en recht op dataportabiliteit. Bij dit laatste moet u ervoor zorgen dat de betrokkenen in staat worden gesteld hun gegevens makkelijk op te vragen. Ook is het van belang te weten dat betrokkenen het recht hebben om bezwaar te maken tegen de verwerking van hun gegevens voor direct-marketingdoeleinden.

Overzicht verwerkingen

U heeft als verwerker een documentatieplicht. Dit betekent dat u moet kunnen aantonen dat uw organisatie in overeenstemming met de AVG handelt. Breng duidelijk in kaart welke persoonsgegevens u verwerkt, met welk doel, waar deze gegevens vandaan komen en met wie u deze gegevens deelt. Hierbij is het ook belangrijk dat u per gegevenscategorie vermeldt op basis van welke wettelijke grondslag u deze gegevens verwerkt.

Privacy impact assessment (PIA)

U kunt verplicht zijn om vooraf de privacyrisico’s van gegevensverwerking in kaart te brengen en vervolgens maatregelen te nemen om mogelijke risico’s te verkleinen (privacy impact assesment (PIA)). Maak nu alvast een inschatting of u straks dergelijke PIA’s moet uitvoeren en hoe u dit gaat aanpakken.

Privacy by design & privacy by default

Er komen verplichte uitgangspunten van ‘privacy by design’ en ‘privacy by default’. Privacy by design betekent dat u tijdens de ontwikkeling van producten en diensten al rekening houdt met een goede privacybescherming door het toepassen van privacytechnieken. Privacy by default houdt in dat u technische en organisatorische maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat u, als standaard, alleen persoonsgegevens verwerkt die noodzakelijk zijn voor uw specifieke doel.

Functionaris voor de gegevensbescherming

Mogelijk is uw organisatie straks verplicht om een functionaris voor de gegevensverwerking (FG) aan te stellen. Ga nu alvast na of dit op uw organisatie van toepassing is. Zo kunt u tijdig zo’n functionaris werven.

Meldplicht datalekken

De meldplicht datalekken is binnen uw organisatie niet onbekend. Deze meldplicht blijft grotendeels gelijk. De AVG stelt wel strengere eisen aan uw eigen registratie van datalekken die zich binnen uw organisatie hebben voorgedaan. Het is bovendien belangrijk dat u alle datalekken correct documenteert, zodat de Autoriteit Persoonsgegevens kan controleren of u aan de meldplicht heeft voldaan.

Bewerkersovereenkomsten

Onder de Wbp kennen we de verplichting tot het sluiten van een bewerkersovereenkomst. Ondanks de verplichting is dit nog niet in alle organisaties doorgevoerd. Vanaf 25 mei 2018 wordt de bewerkersovereenkomst hernoemd naar verwerkersovereenkomst. De verwerkersovereenkomst zal gelden voor de verhouding tussen de verantwoordelijke voor de persoonsgegevens en de partij die de persoonsgegevens voor hem verwerkt. Het is belangrijk dat u controleert of de bestaande overeenkomst(en) toereikend zijn en voldoen aan de vereisten van de AVG.

Betrek uw gehele organisatie

Het aanpassen van uw organisatie voor de AVG kost tijd en mankracht. Het doorvoeren van de maatregelen is niet eenvoudig, zeker als u hier nog niet mee begonnen bent. Het is belangrijk dat de gehele organisatie op de hoogte is van de aanstaande veranderingen op privacygebied. Zorg ervoor dat u op de hoogte bent van de regels van de AVG en informeer alle relevante afdelingen. Hiermee creëert u rust binnen uw organisatie en voorkomt u mogelijke sancties in de toekomst.

(Bron: ABAB)

Kan de hoogte van partneralimentatie tussentijds aangepast worden?

De hoogte van partneralimentatie kan veranderd worden als er sprake is van een ‘wijziging van omstandigheden’. Wanneer spreken we over een ‘wijziging van omstandigheden’ die ons voldoende gronden geeft om een herziening van de hoogte van de partneralimentatie aan te vragen?

Een ‘wijziging van omstandigheden’ kan betrekking hebben op vermindering van financiële draagkracht door de betalende partij, met als gevolg een verlaging van de partneralimentatie.
Een vermindering van financiële draagkracht kan veroorzaakt worden door:

  • ontslag, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid;
  • nieuwe baan met lager salaris;
  • samenwonen of hertrouwen;
  • hogere woonkosten door (noodzakelijke) verhuizing.

Naast een mogelijke wijziging van omstandigheden blijven zich in de jurisprudentie strengere toetsingskaders voor de alimentatie-ontvanger ontwikkelen voor partneralimentatie. Hieronder lichten wij een tweetal kaders kort toe.

Behoefte

De behoefte aan partneralimentatie wordt mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van deze behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. De behoefte dient voldoende te worden onderbouwd door de ontvanger, anders wordt de behoefte vastgesteld op bijstandsniveau. Inzichtelijk moet worden gemaakt wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest alsmede het uitgavenpatroon van de ontvanger.

Verdiencapaciteit

Daarnaast worden er ook steeds strengere eisen gesteld aan de rustende inspanningsverplichting die van de ontvanger verwacht mag worden. Dit houdt in dat de ontvanger  zich steeds actiever moet opstellen om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Zeker naarmate de echtscheiding meer in het verleden ligt. In deze situatie mag er verwacht worden dat het uitgavenpatroon van de ontvanger aangepast zal zijn aan zijn/haar huidige inkomsten. De verbondenheid met het huwelijk is door de verstreken tijd na einde huwelijk verbleekt, waardoor de behoefte van de man/vrouw naar het oordeel van de rechtbank niet langer gerelateerd dient te worden aan de welstand tijdens het huwelijk. Maar aan de mate van welstand waarin de ontvanger de laatste jaren gewend is.

Conclusie:

Indien het inkomen of kosten van uw levensonderhoud van u als alimentatiebetaler ingrijpend is gewijzigd, en zeker indien het einde van het huwelijk langere tijd geleden is, kan het interessant zijn om na te gaan of op grond van de veranderde verdiencapaciteit dan wel de behoefte van uw ex-partner aanpassing van de hoogte en/of de duur van de partneralimentatie mogelijk is. Wij kunnen dit voor u nagaan. Uiteindelijk zal hiertoe door een advocaat een verzoek moeten worden ingediend bij de rechtbank. Door de veranderende jurisprudentie zijn de kansen op aanpassing wel vergroot.

(Bron: AcconAVM)

Alimentatie omhoog per 1 januari 2018

Betaalt u alimentatie? Dan moet u wellicht rekening houden met een verhoging. Jaarlijks worden de alimentatiebedragen namelijk aangepast. Per 1 januari 2018 gaan bestaande, vastgestelde of gewijzigde alimentaties met 1,5% omhoog.

Jaarlijkse aanpassingen

Omdat elk jaar de lonen veranderen, worden ook elk jaar de alimentatiebedragen aangepast. Dit heet indexering. Voor 2018 geldt een verhoging van 1,5%.

Stel dat de alimentatie die u betaalt in 2014 is vastgesteld op € 300 per maand. Dit alimentatiebedrag gaat vervolgens ieder jaar omhoog. Per 1 januari 2015 was dit met 0,8%, voor 2016 met 1,3% en voor 2017 met 2,1%. In 2018 komt daar 1,5% bij. In schema ziet dit er als volgt uit:

Jaar Percentage  Alimentatiebedrag per maand
 2014  € 300,00
 2015  0,8%  € 302,40
 2016  1,3%  € 306,33
 2017  2,1%  € 312,76
 2018  1,5%  € 317,45

Uitsluiting

De jaarlijkse verhoging van de alimentatiebedragen geldt automatisch. Dat kan bezwaarlijk zijn als u bijvoorbeeld moet leven van een vast inkomen dat niet meegaat met de loonstijgingen. Daarom kunt u samen met uw ex-partner afwijken van de automatische stijging van de alimentatie. Zo kunt u met uw ex-partner afspreken dat de jaarlijkse verhoging niet geldt, dat de verhoging enkel voor een bepaalde periode niet geldt of dat u gezamenlijk kiest voor een andere vorm van automatische aanpassing. In alle gevallen moet dan wel schriftelijk (bij overeenkomst) worden vastgelegd dat de wettelijke indexering wordt uitgesloten. Komt u er gezamenlijk niet uit dan kunt u dit ook aan de rechter vragen.

Let op!Op de automatische jaarlijkse verhoging van de alimentatiebedragen bestaat nog een uitzondering. De wettelijke indexering geldt niet als de alimentatie vóór 1 januari 1973 is vastgesteld en er toen afspraken zijn gemaakt over de verhoging van de alimentatie. In dat geval geldt wat de rechter toen heeft vastgesteld, of wat u samen met elkaar destijds in een overeenkomst heeft afgesproken.

(Bron: HLB)

Huizenkopers kunnen straks toch meer lenen

Huizenkopers kunnen volgend jaar toch meer lenen voor een hypotheek, ondanks de strengere regels voor hypotheekrenteaftrek en de waarde van de woning. De verwachte loonstijging en de aanhoudend lage rente maken de aanscherping van de regels meer dan goed.

Dat stelt het Nibud, het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, in het adviesrapport Financieringslastnormen 2018. Op basis van de adviezen van het Nibud worden jaarlijks de wettelijke hypotheeknormen vastgesteld die bepalen hoeveel huishoudens kunnen lenen voor een huis.

Ettelijke duizenden euro’s

Met de verwachte loonstijging van gemiddeld 2,2 procent kunnen de inkomens tot 45.000 euro bruto ongeveer hetzelfde bedrag lenen als voorheen voor de aanschaf van een woning. De extra leencapaciteit voor hogere inkomens van zowel een- als tweeverdieners loopt op tot ettelijke duizenden euro’s.

In het advies heeft het Nibud rekening gehouden met het feit dat in 2018 een hypotheek tot maximaal 100 procent van de waarde van de koopwoning mag worden afgesloten in plaats van de huidige 101 procent. Ook de verlaging van de hypotheekrenteaftrek van een half procent in de hoogste belastingschijf is meegerekend.

Maximale hypotheek voor eenverdieners bij rentevaste periode korter dan 10 jaar (toetsrente 5 %)

Bruto jaarinkomen 2017 35.000 50.000 70.000
Bruto jaarinkomen 2018 (incl. loonstijging) 35.770 51.100 71.540
Maximale hypotheek 2017 143.980 205.686 325.993
Maximale hypotheek 2018 144.371 210.211 338.717
Verschil + 391 + 4.525 + 12.724

Maximale hypotheek voor tweeverdieners bij rentevaste periode korter dan 10 jaar (toetsrente 5 %)

Bruto jaarinkomen 2017 25.000 & 12.500 35.000 & 17.500 50.000 & 25.000
Bruto jaarinkomen 2018 (incl. loonstijging) 25.500 & 12.775 35.770 & 17.885 51.100 & 25.550
Maximale hypotheek 2017 154.264 215.970 337.635
Maximale hypotheek 2018 154.684 220.722 356.962
Verschil + 440 + 4.752 + 19.327

Het Nibud adviseert om het tweede inkomen bij tweeverdieners iets zwaarder te laten meetellen, zodat er meer geleend kan worden. Nu gebeurt dat voor 60 procent, het Nibud pleit voor 70 procent. Ook voor een energiezuinige woning kan een hogere hypotheek verkregen worden.

Hoeveel een huizenkoper kan lenen hangt ook af van de rentevaste periode die wordt afgesproken. Voor korter dan 10 jaar wordt een wettelijke toetsrente gehanteerd van 5 procent. Daardoor ligt vanaf een inkomen van 45.000 euro de maximale hypotheek 25.000 tot 35.000 euro lager dan voor een hypotheek met een rentevaste periode langer dan 10 jaar.

Het Nibud bepaalt de financiële ruimte voor woonuitgaven voor een huishouden door het bruto inkomen te verminderen met belastingen en premies en met de kosten van het levensonderhoud.

(Bron: NOS)

Gebruiksvergoeding bij beëindiging samenwoning

Man en vrouw wonen samen in een gezamenlijke woning. De relatie eindigt en de vrouw verlaat de woning. De rechtbank oordeelt dat zij recht heeft op een gebruiksvergoeding.

De zaak (Rechtbank Amsterdam 7 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4006) verloopt als volgt. Op 2 september 2014 eindigt de relatie tussen man en vrouw. De vrouw verlaat op die dag de woning die zij in 2011 samen kochten en daarna samen bewoonden. In de samenlevingsovereenkomst is afgesproken dat ieder 50% van de kosten van de woning zal dragen. Naast de betaling van hypotheekrente gaat het om de gemeentelijke en andere heffingen en de kosten van verzekering.
Hoewel de vrouw niet meer in de woning woont, betaalt zij haar aandeel (50%) in de kosten door tot en met april 2015. De man stelt dat hij daarna alle kosten voldaan heeft. Hij vordert voor de rechter dat de vrouw hem compenseert. De vrouw stelt dat zij recht heeft op een gebruiksvergoeding. Daar is de rechtbank het mee eens. De gebruiksvergoeding heeft tot doel haar het profijt te vergoeden dat zij misloopt doordat zij de gebruiksrechten aan de man heeft gegund. Het gaat er dus om het woongenot te vergoeden dat zij misloopt.
De rechter kent de eis van een gebruiksvergoeding toe. De hoogte van de gebruiksvergoeding moet worden vastgesteld aan de hand van de redelijkheid en billijkheid. De vergoeding heeft betrekking op de periode mei 2015 tot het moment van verkoop van de woning. De rechtbank stelt de vergoeding vast op de helft van alle lasten verbonden aan de woning over deze periode. De man zal derhalve al deze kosten voor zijn rekening moeten nemen.

Belang voor de praktijk

Bij gezamenlijke eigendom van een woning is in beginsel elke mede-eigenaar op grond van artikel 3:169 BW bevoegd tot het gebruik van de woning. Wanneer slechts één mede-eigenaar met uitsluiting van de ander de woning gebruikt, dan kan dat aanleiding zijn voor het toekennen van een vergoeding voor gederfd gebruiksgenot.
Door de uitspraak van de rechtbank moet de man alle hypotheekrente betalen vanaf mei 2015 tot het moment van verkoop van de woning. Maar mag hij ook alle hypotheekrente aftrekken? Dat is niet het geval. Gaan partners uit elkaar en is er een gezamenlijke eigen woning, dan heeft iedere partner vanaf het moment van uit elkaar gaan slechts recht op aftrek van de helft van de hypotheekrente. Voor de partner die de woning verlaat, geldt dit recht bovendien gedurende maximaal twee jaar. De partner die renteaftrek claimt, zal die rente zelf moeten betalen. Willen de partners het zo regelen dat de woonlasten slechts op één van hen drukt, dan kan dat via de route van alimentatiebetalingen.

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]

Bedrijf overnemen in 2017? Nu wel premiekorting maar straks geen LKV bij overname

Als uw organisatie een andere organisatie overneemt inclusief personeel, verhuist de premiekorting voor die werknemers mee. Dit geldt echter niet voor de loonkostenvoordelen die de premiekortingen in 2018 opvolgen.

In de eerste uitgave van de Nieuwsbrief Loonheffingen 2018 staat dat het recht op loonkostenvoordeel (LKV) – dat met ingang van 1 januari 2018 het stokje overneemt van de premiekortingen – bij een overname komt te vervallen. De werkgever kan ook geen nieuw recht op loonkostenvoordeel krijgen voor de overgenomen werknemers. Voor een LKV komt de werkgever namelijk alleen in aanmerking bij indienstneming of herplaatsing van een werknemer, terwijl er bij een overname sprake is van een voortzetting van de dienstbetrekking.

Resterende duur van de premiekortingen

Gedurende de rest van 2017 zijn de premiekortingen nog van kracht. Hierbij geldt dat de overnemende organisatie de resterende duur van de premiekortingen mag toepassen als hij de betreffende werknemers in dienst houdt.

Geen overname bij doorstart na faillissement

Er is sprake van een overname van een organisatie bij een fusie of splitsing, en ook bij het inbrengen van een eenmanszaak of vennootschap onder firma (VOF) in een bv. Een doorstart na een faillissement kwalificeert niet als overname van een onderneming.

(Bron: Rendement)

Beperking wettelijke gemeenschap van goederen vanaf 1 januari 2018

De regering wil het initiatiefwetsvoorstel beperking omvang wettelijke gemeenschap van goederen op 1 januari 2018 in werking laten treden. In een brief aan de Eerste en Tweede Kamer gaat de Staatssecretaris van Financiën in op de fiscale gevolgen van de nieuwe regeling.

Het gaat onder andere om de toepassing van de eigenwoningregeling. De eigenwoningreserve blijkt bij gezamenlijke financiering niet te leiden tot de gewenste uitkomst. De staatssecretaris beziet in hoeverre deze uitwerking meer in lijn kan worden gebracht met het doel van de bijleenregeling.

De andere onderwerpen betreffen de fiscale gevolgen van het vergoedingsrecht van art. 1:87 BW en het verschil in fiscale gevolgen tussen een ondernemer in de IB en een ondernemer in de VPB, die staande het huwelijk overgaat van een beperkte naar de algehele gemeenschap van goederen. Voor de IB-ondernemer zijn er geen fiscale gevolgen. Voor de VPB-ondernemer gaat de helft van de aandelen zonder ab-heffing over naar de andere echtgenoot. Hierbij geldt meestal de doorschuiffaciliteit.

Het initiatiefwetsvoorstel introduceert als standaardstelsel in het huwelijksvermogensrecht de beperkte gemeenschap van goederen. Het geldt voor huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018. Van het nieuwe stelsel kan worden afgeweken door het sluiten van huwelijkse voorwaarden.

(Bron: Taxlive)

RJ-Uiting 2017-4 ‘Ontwerp-richtlijn 220 Voorraden en ontwerp-richtlijn B4 Voorraden’

De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft RJ-Uiting 2017-4 ‘Ontwerp-richtlijn 220 Voorraden en ontwerp-richtlijn B4 Voorraden’ gepubliceerd. Deze RJ-Uiting behandelt de actualisatie van het hoofdstuk RJ 220 Voorraden en hoofdstuk B4 Voorraden.

De RJ heeft besloten om de hoofdstukken 220 ‘Voorraden’ (RJ-bundel) en B4 ‘Voorraden’ (RJk-bundel) te actualiseren. Deze RJ-Uiting bevat de voorgestelde en hieronder kort genoemde verduidelijkingen en redactionele wijzigingen. Als gevolg van de diverse (redactionele) wijzigingen heeft ook een hernummering van de alinea’s plaatsgevonden. Omwille van de leesbaarheid bevat deze RJ-Uiting daarom de ‘schone’ versie van ontwerp-hoofdstuk 220 en B4. De belangrijkste wijzigingen in de hoofdstukken 220 en B4 betreffen:

  • Een stellige uitspraak dat, indien sprake is van agrarische voorraden gewaardeerd op actuele waarde waarbij ongerealiseerde waardemutaties rechtstreeks in het eigen vermogen worden verwerkt, bij vervreemding van deze agrarische voorraden het gerealiseerde deel van de herwaarderingsreserve verwerkt dient te worden in de winst-en-verliesrekening. Het gerealiseerde deel wordt als een afzonderlijke post in de winst-en-verliesrekening gepresenteerd (alinea 220.404). De achtergrond hiervan is dat wanneer een gerealiseerde waardemutatie direct ten gunste van de Overige reserves zou worden verwerkt dit bedrag nooit in de winst-en-verliesrekening zou worden verantwoord.
  • Het herstructureren van de alinea’s met betrekking tot agrarische voorraden (paragraaf 3 en 4) met als doel de verwerkingswijze van agrarische voorraden gewaardeerd tegen actuele waarde te verduidelijken. Deze verwerkingswijze is gebaseerd op artikel 8 van het Besluit Actuele waarde (en de Nota van Toelichting).
  • In paragraaf 4 zijn alinea’s 401 en 403 inzake de verwerking in de winst-en-verliesrekening geschrapt, aangezien dit reeds in andere alinea’s in het hoofdstuk of in hoofdstuk 270 ‘De winst-en-verliesrekening’ wordt behandeld.
  • De voormalige Paragraaf 5 ‘Presentatie en toelichting’ is gesplitst in een aparte Paragraaf 5 ‘Presentatie’ en een Paragraaf 6 ‘Toelichting’.

De RJ is voornemens de gewijzigde hoofdstukken in te laten gaan voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2018.

(Bron: Accountantweek)

Nieuwe wet huwelijkse gemeenschap sluit beter aan op de werkelijkheid

Vandaag is het wetsvoorstel ‘beperking wettelijke gemeenschap van goederen’ door de Eerste Kamer aangenomen. De nieuwe wet brengt verandering in de traditie van de gemeenschap van goederen in Nederland. Al heel lang wordt bij een echtscheiding (bijna) alles fifty-fifty-gedeeld, als paren niet op huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd. Kort samengevat is het uitgangspunt van de nieuwe huwelijksregels dat bij een scheiding niet meer alles fifty-fifty wordt gedeeld.

Aansluiting bij de werkelijkheid

Netwerk Notarissen is vanaf het initiatief van D’66, VVD en PvdA voorstander van de modernisering van de huwelijksregels. “De maatschappelijke werkelijkheid is de afgelopen jaren drastisch veranderd onder meer doordat mensen al jaren samenwonen vóór het huwelijk en vaak meerdere keren in hun leven trouwen. De wet moet aansluiten bij die werkelijkheid én bij wat de meeste mensen in Nederland een goed systeem vinden”, zegt Lucienne van der Geld, directeur van Netwerk Notarissen.

Gevolgen voor echtscheidingen en erfenissen

Er is in de Tweede en Eerste Kamer flink gediscussieerd over de nieuwe wet. Ook buiten de Kamers waren er tegenstanders en uiteindelijk werd vandaag met 1 stem verschil de wet aangenomen. “Tegenstanders hanteerden onder meer het argument dat het ingewikkeld wordt als niet alle bezittingen en schulden in de gemeenschap vallen. Maar dat zijn we nu van erfenissen waarover in het testament is vastgelegd dat ze niet in de gemeenschap vallen, al gewend.”

Paren die met elkaar discussies willen voorkomen over wat er wel en niet gedeeld moet worden bij een scheiding kunnen voorzorgsmaatregelen nemen. Netwerk Notarissen gaat zodra de nieuwe huwelijksregels zijn ingevoerd de mogelijkheid bieden het vermogen van beide partners bij de notaris op papier te laten zetten voordat zij trouwen. De notaris kan dan meteen praktische tips geven over hoe ze hun financiën het beste tijdens het huwelijk kunnen regelen.

Huwelijkse voorwaarden

De nieuwe huwelijksregels zijn een stap in de goede richting vindt Netwerk Notarissen. “We hebben de initiatiefnemers laten weten dat we liever een nog grotere stap naar modernisering gezet hadden gezien. Nu blijft het bijvoorbeeld voor partners met een bedrijf nodig om huwelijkse voorwaarden te maken om de partner te beschermen tegen ondernemersrisico.” Dit heeft te maken met wat er in de nieuwe huwelijksregels over de schulden is geregeld.

(Bron: Netwerk Notarissen)

Goudenhanddrukstamrecht en echtscheiding

Man en vrouw zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden. In het kader van de echtscheiding twisten zij over de vraag of het goudenhanddrukstamrecht van de man, onder het te verrekenen vermogen valt. Zij vragen de rechter om duidelijkheid.

De zaak (Rechtbank Den Haag, 20 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15738) verloopt als volgt. Man en vrouw zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Er is sprake van uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding. In 2007 ontvangt de man een ontslagvergoeding van € 175.000 in de vorm van een goudenhanddrukstamrecht. Hij bedingt een uitgesteld stamrecht bij de eigen BV. Op 6 juli 2015 dienen zij het echtscheidingsverzoek in bij de rechtbank. Deze datum is ook de peildatum voor het te verrekenen vermogen.
Man en vrouw twisten over de vraag of het stamrecht in de verrekening moet worden betrokken. De rechtbank oordeelt dat het stamrecht tot het privévermogen van de man behoort en geen deel uitmaakt van het te verrekenen vermogen. Er zijn nog geen stamrechtuitkeringen gedaan. De rechtbank is van oordeel dat deze aanspraken gezien de in de huwelijkse voorwaarden opgenomen bepaling over het begrip inkomen, namelijk besteedbaar inkomen, buiten de verrekening vallen.

Belang voor de praktijk

Een periodiek verrekenbeding is een beding waarmee de beide partners afspreken dat ze jaarlijks het niet geconsumeerde inkomen verdelen. Onder het niet geconsumeerde inkomen moet meestal worden verstaan het inkomen dat overblijft nadat de kosten van huishouding (woonlasten, boodschappen, etc.) zijn betaald. Wat en hoe er moet worden verrekend kan verschillen. Het ene periodiek verrekenbeding is het andere niet. Dat heeft vooral te maken met de omschrijving van het begrip ‘inkomen’ in de huwelijkse voorwaarden. Feit is overigens dat er van de overeengekomen jaarlijkse verrekening vaak niet veel terecht komt. En wat dan?
Als een verrekenbeding is opgenomen in de huwelijkse voorwaarden maar niet is uitgevoerd, dan bepaalt de wet dat er bij het einde van het huwelijk alsnog moet worden verrekend tussen de beide echtgenoten. Dat kan dus bij overlijden zijn, maar ook bij echtscheiding. Vaak kan een juiste verrekening niet meer plaatsvinden, simpelweg omdat de daarvoor benodigde gegevens ontbreken. Het komt er dan op neer dat het totale vermogen van de beide huwelijkspartners moet worden verdeeld alsof er een huwelijkse goederengemeenschap is.

[ Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden ]