Meeste zonnepaneelhouders ontsnappen aan herziening BTW

De invoering van de nieuwe kleineondernemersregeling (KOR) kan ook gevolgen hebben voor particulieren die BTW op hun zonnepanelen proberen terug te krijgen. Zij zouden mogelijk de BTW die ze eerder hebben teruggekregen moeten herzien, ofwel terugbetalen. Maar volgens het kabinet ontsnappen ‘vrijwel alle’ zonnepaneelhouders daaraan.

Nu is de KOR nog gekoppeld aan het bedrag aan BTW dat een ondernemer in een jaar afdraagt. Maar vanaf 2020 verandert dat. Voor de KOR ‘nieuwe stijl’ geldt een grens van € 20.000 aan in Nederland belaste omzet. Ondernemers die onder dat grensbedrag blijven kunnen ervoor kiezen om de regeling te gebruiken.

Vrijstelling van BTW-administratie

De KOR scheelt ondernemers nogal in het papierwerk voor de BTW. Onder voorwaarden hoeven zij namelijk geen BTW-administratie bij te houden en hoeven ze ook geen BTW-aangifte meer te doen. De regeling is dus een uitkomst voor particulieren die zonnepanelen aanschaffen en de BTW daarop willen terugvragen. Zij melden zich wel aan als ondernemer, maar zitten in de regel niet te wachten op alle administratieve verplichtingen die horen bij het BTW-ondernemerschap.

Van BTW-belast naar BTW-vrijgesteld

Onder de huidige KOR zijn deze ondernemers nog ‘BTW-belast’, maar als zij de nieuwe regeling gaan gebruiken zijn zij ‘BTW-vrijgesteld’. Dat wil zeggen dat zij BTW op aangeschafte spullen niet in aftrek mogen brengen. Dit zou betekenen dat ondernemers die vóór 2020 de BTW op hun zonnepanelen hebben teruggevraagd nu tegen een ‘herziening’ aanlopen.
Om dat te voorkomen is er een herzieningsdrempel van € 500 per jaar, benadrukt staatssecretaris Snel van Financiën. In de memorie van antwoord bij het Belastingplan 2020 die hij naar de Eerste Kamer heeft gestuurd rekent hij voor dat hierdoor investeringen tot € 11.904 exclusief BTW per jaar buiten de herziening vallen. Volgens de staatssecretaris komt het erop neer dat ‘vrijwel alle’ particuliere zonnepaneelhouders onder die grens blijven. Wel moeten zij er rekening mee houden dat de keuze voor de nieuwe KOR geldt voor drie jaar. De BTW op eventuele nieuwe investeringen in zonnepanelen kunnen zij in die periode dus niet in aftrek brengen.

Straks ook nog BTW terugvragen op zonnepanelen

Los van de herziening blijven de mogelijkheden onder de nieuwe KOR hetzelfde voor zonnepaneelhouders, schrijft Snel. Als zij kiezen voor deelname aan de KOR in het jaar ná de aanschaf van de zonnepanelen, hoeven zij maar één keer BTW-aangifte te doen. In die aangifte kunnen zij de BTW op de aanschafkosten terugvragen. Daar gaat de BTW op de opgewekte stroom (volgens een forfait) vanaf. De Belastingdienst heeft hiervoor een speciaal aanmeldformulier en ook meer uitleg op zijn website staan.

(Bron: Rendement)

Btw niet aftrekbaar omdat aan facturen geen prestaties ten grondslag liggen

Rechtbank Den Haag is het met de inspecteur eens dat X bv geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting. De leveranciers hebben allen afzonderlijk namelijk verklaard dat zij nooit leveringen aan X bv hebben verricht.

Belanghebbende, X bv, is een fiscale eenheid voor de btw, bestaande uit A bv en B bv. De aandelen zijn in handen van Q. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek wordt A bv veroordeeld voor witwassen en B bv voor het valselijk opmaken van facturen dan wel voorhanden hebben van valse of vervalste facturen. Q wordt veroordeeld voor het leiding geven aan witwassen en valsheid in geschrifte. De inspecteur legt OB-naheffingsaanslagen op aan X bv. Volgens de inspecteur heeft X bv namelijk geen recht op aftrek van de op de facturen vermelde btw omdat de facturen valselijk zijn opgemaakt en er geen prestaties aan deze facturen ten grondslag liggen.

Rechtbank Den Haag is het met de inspecteur eens dat X bv geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting. De rechtbank overweegt daarbij dat de leveranciers allen afzonderlijk hebben verklaard dat zij nooit leveringen aan X bv hebben verricht. Verder hebben zij ook verklaard dat zij de gefactureerde btw niet op aangifte hebben voldaan en blijkt dat de facturen zijn uitgereikt op instigatie van X bv. Nu X bv verder niets aanvoert om aan te tonen dat de leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat de facturen juist zijn, kan zij de btw niet in aftrek brengen. Dat zij de facturen heeft betaald, is daarvoor onvoldoende.

(Bron: Taxlive)

Verlaagde BTW tarief voor exploitant speelhal

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de exploitatie van de speelhal. X verricht haar diensten vanuit een primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening.

X exploiteert een ‘speelhal’ met 35 tot 40 speelautomaten. Met de speelautomaten kan de speler actie- en behendigheidsspellen spelen. De klanten kopen een speeltegoed op een playcard en hoeven geen entree te betalen. Zij komen over het algemeen in groepen en spelen tegen elkaar. Daarbij zijn prijzen te winnen, maar geen geldprijzen. In geschil is het toepasselijke btw-tarief.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de exploitatie van de speelhal. X verricht haar diensten vanuit een primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening. De rechtbank overweegt daarbij dat het gebouw waarin de speelhal zich bevindt en de inrichting van de speelhal uitstralen dat het doel van het bezoek van de speelhal is om klanten een leuke tijd te bezorgen. Verder stelt de rechtbank vast dat de activiteiten van X ook niet zijn aan te merken als de verhuur van een roerende lichamelijke zaak. De rechtbank wijst er op dat de klant op het tijdstip waarop X de vergoeding voor haar dienstverlening van haar klanten ontvangt, bij het opwaarderen van de playcard, de mogelijkheid krijgt om gezamenlijk gebruik te maken van de voor de voorziening van X kenmerkende vermakelijkheidsactiviteit: het spelen van de verschillende spellen. X heeft recht op teruggaaf van btw.

(Bron: Taxlive)

Fiscale eenheid voor btw doeleinden? Beoordeel periodiek of aan de vereisten wordt voldaan

Ondernemers die in organisatorisch (bestuurlijk), economisch én financieel opzicht nauw met elkaar verweven zijn, vormen voor btw-doeleinden een fiscale eenheid. Zij handelen dan alsof sprake is van één btw-ondernemer. Partijen mogen elkaar geen btw factureren en zij kunnen desgewenst gezamenlijke aangiften omzetbelasting indienen. Dat kan heel gunstig zijn, bijvoorbeeld wanneer de afnemer geen (volledig) recht op aftrek van btw heeft. Om als een fiscale eenheid te kwalificeren, moeten de partijen voldoende met elkaar verweven zijn en aan een aantal vereisten voldoen. Het is voor de betrokken ondernemers van belang om geregeld te controleren of zij aan de vereisten voldoen en nog steeds in voldoende mate met elkaar verweven zijn.

Risico op naheffing btw

Als niet meer aan de vereisten wordt voldaan omdat de ondernemers in onvoldoende mate met elkaar verweven zijn, kan de Belastingdienst stellen dat de fiscale eenheid voor btw-doeleinden heeft opgehouden te bestaan. Dit kan leiden tot een naheffing van btw. Ook wanneer de Belastingdienst eerder de fiscale eenheid in een beschikking schriftelijk heeft bevestigd, kan alsnog een correctie worden opgelegd.

Beschikking fiscale eenheid

In de praktijk vragen met elkaar verweven ondernemers aan de Belastingdienst vaak om hen bij beschikking aan te merken als een fiscale eenheid voor btw-doeleinden. Deze mogelijkheid vloeit voort uit de (Nederlandse) Wet op de omzetbelasting 1968. Wanneer de beschikking is verstrekt, zijn de in de fiscale eenheid gevoegde ondernemers op grond van de Invorderingswet 1990 hoofdelijk aansprakelijk voor elkaars btw-schulden.

Recente ontwikkelingen

Het hebben van een beschikking biedt echter geen garantie dat de Belastingdienst de fiscale eenheid voor btw-doeleinden ook erkent wanneer op een later tijdstip blijkt dat feitelijk geen sprake meer is van de vereiste verwevenheid. Als de fiscale eenheid naar het oordeel van de Belastingdienst in het verleden heeft opgehouden te bestaan, kan de Belastingdienst dan ook, ondanks de beschikking, over de latere periode (tot circa vijf jaar terug) btw naheffen, en ook rente en boetes in rekening brengen.

Wanneer de Belastingdienst achteraf van mening is dat de beschikking fiscale eenheid voor btw-doeleinden destijds ten onrechte is verstrekt, kan hij het standpunt innemen dat de fiscale eenheid van meet af aan niet heeft bestaan. Vanaf datum beschikking is dan ten onrechte geen btw berekend en aangegeven. Deze btw is alsnog verschuldigd.

Op 24 mei 2019 besliste het Gerechtshof Den Bosch, mede onder verwijzing naar de Europese Btw-richtlijn, dat deze opvatting van de Belastingdienst juist is. Belanghebbende deed in de procedure tevergeefs een beroep op het vertrouwen dat hij aan de beschikking meende te kunnen ontlenen dat wel sprake was van een fiscale eenheid voor btw-doeleinden. Volgens het Gerechtshof diende de beschikking enkel voor zekerheid van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor btw-schulden. Tegen de uitspraak heeft belanghebbende inmiddels cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

Zorg voor continue monitoring

Wanneer op enig moment de mate van verwevenheid wijzigt, biedt een beschikking fiscale eenheid voor btw-doeleinden de ondernemers geen bescherming wanneer zij dan ten onrechte als fiscale eenheid blijven handelen. Het is voor deze ondernemers dan ook van belang om periodiek te (laten) onderzoeken of zij nog steeds in voldoende mate met elkaar verweven zijn. Zij kunnen zo het risico beperken dat de Belastingdienst onverwacht btw naheft.

(Bron: Mazars)

Verzoek vóór 1 oktober 2019 om teruggaaf buitenlandse btw!

Hebt u in 2018 btw betaald in een ander EU-land? Vraag het uiterlijk 30 september 2019 terug bij de Belastingdienst. Wij leggen uit hoe dat werkt en aan welke voorwaarden u moet voldoen.

Als uw onderneming in 2018 facturen uit een ander EU-land betaald heeft inclusief btw, kunt u deze btw in veel gevallen terugvragen bij de Nederlandse Belastingdienst. Daarvoor moet u aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo mag uw onderneming niet gevestigd zijn in het betreffende land. Maar het belangrijkste is dat u uiterlijk 30 september 2019 actie onderneemt. Voor het terugvragen van btw uit het Verenigd Koninkrijk is extra haast geboden vanwege de naderende Brexit.

Voorwaarden

Hieronder leggen we uit hoe u buitenlandse btw kunt terugvragen. Maar voor u daarmee aan de slag gaat, is het verstandig om na te gaan of u aan de voorwaarden voldoet. Daarom zetten we de belangrijkste voor u op een rij:

  • Het verzoek voor btw-teruggave uit andere EU-landen moet uiterlijk 30 september 2019 binnen zijn. De meeste landen houden strikt vast aan deze termijn. Bent u te laat, dan is de kans groot dat u niks terugkrijgt. Laat het dus niet op het laatste moment aankomen.
  • Uw onderneming mag niet gevestigd zijn in het land waar u de goederen of diensten gekocht hebt. Ook mag uw onderneming daar geen btw verschuldigd zijn. Is dat wel het geval, dan moet u btw-aangifte doen in het betreffende land. Daarbij kunt u de btw als voorbelasting aftrekken.
  • De inkoopfacturen moeten juist zijn en voldoen aan de btw-factuurvereisten van het betreffende land. Let op: deze vereisten kunnen afwijken van de Nederlandse situatie.
  • De betaalde btw moet in het betreffende land aftrekbaar zijn. Ook op dit punt kan de regelgeving afwijken van de Nederlandse situatie.
  • U moet de in het buitenland gekochte goederen of diensten gebruiken voor btw-belaste activiteiten van uw bedrijf.
  • De terug te vragen btw bedraagt minimaal € 50 voor het gehele jaar 2018. Bij een kortere periode van minimaal drie maanden moet het terug te vragen btw-bedrag minimaal € 400 zijn. U kunt proberen om een lager bedrag terug te vragen, maar het betreffende EU-land kan dan besluiten om het verzoek niet in behandeling te nemen.

Zo vraagt u buitenlandse btw terug

U kunt buitenlandse btw alleen terugvragen via de speciale website ‘Teruggaaf van btw uit andere EU-landen’ van de Belanstingdienst. Hiervoor heeft u wel inloggegevens nodig. Heef u deze nog niet, vraag dan inloggegevens aan via de site van de Belastingdienst. Doe dit zo snel mogelijk, want deze gegevens laten soms enkele weken op zich wachten. Natuurlijk kunnen wij het teruggaafverzoek ook voor u indienen. Ook dan hebben we wel inloggegevens van u nodig.

De Belastingdienst stuurt uw verzoek na ontvangst door naar de belastingdienst(en) van het land waar u de btw wilt terugvragen. Die buitenlandse belastingdienst verzorgt de verdere afhandeling.

Brexit vraagt om extra haast

De Brexit staat inmiddels gepland op 31 oktober 2019 en de huidige Britse regering is er alles aan gelegen om die datum ook te halen. Het is nog onzeker hoe de teruggaafprocedure in het Verenigid Koninkrijk er na de Brexit uit zal zien. Daarom raden we aan om Britse btw zo snel mogelijk terug te vragen. Dat geldt niet alleen voor de Britse btw uit 2018, maar ook voor de Britse btw die u in 2019 al heeft betaald.

(Bron: Flynth)

Dga kan zolderverdieping privéwoning btw belast verhuren

Btw belaste verhuur van een zolderverdieping in een nieuw te bouwen woning aan een eigen B.V. is mogelijk. Het is zelfs mogelijk dat de verhuur niet meteen na oplevering van woning ingaat, maar op een later moment. De intentie van de belaste verhuur moet dan wel aan de hand van objectieve feiten aannemelijk worden gemaakt.

Een echtpaar ging eind 2014 met elkaar een stille maatschap aan voor het btw belast verhuren van de zolderverdieping van hun nieuwe woning. Het betrof verhuur aan de B.V. waarvan de vrouw de aandelen had. De woning werd in 2015 gebouwd en de verwachting was dat het echtpaar de woning in 2016 in gebruik kon nemen. Bij de bouw van de woning is omzetbelasting in rekening gebracht. In geschil bij Hof Arnhem-Leeuwarden is de teruggave van in rekening gebrachte omzetbelasting bij de bouw van de woning. De inspecteur is van mening dat de maatschap van het echtpaar geen recht heeft op aftrek van voorbelasting, omdat de zolderverdieping niet meteen aan de B.V. is verhuurd. Pas enige tijd na oplevering van de woning vond belaste verhuur plaats. Aanvankelijk bestond ook verschil van mening over het percentage zakelijk gebruik van de nieuwe woning. Tijdens de zitting bij het hof zijn het echtpaar en inspecteur tot overeenstemming gekomen dat het echtpaar 34% van de bij de bouw van de nieuwe woning in rekening gebrachte omzetbelasting kan terugvragen.

Intentie belaste verhuur zolderverdieping

De inspecteur is van mening dat de woning na oplevering geheel voor privédoeleinden in gebruik is genomen. De woning is pas later aangewend voor een economische activiteit en op dat latere moment kan niet alsnog aanspraak worden gemaakt op aftrek van voorbelasting. Het hof is het niet met dit standpunt eens. Als op basis van objectieve factoren duidelijk is dat er een voornemen is een economische activiteit uit te gaan oefenen, bestaat recht op teruggave. Het hof concludeert op basis van de maatschapsovereenkomst, de intentieovereenkomst voor verhuur, de factuur aan de B.V. voor de vloerbedekking op zolder en de huurovereenkomst tussen de maatschap en de B.V. dat verhuur van de zolderverdieping aan de B.V. van begin af aan de bedoeling was. De maatschap heeft recht op teruggave van 34% van de in rekening gebrachte omzetbelasting bij de bouw van de woning.

(Bron: Taxence)

Hoge Raad licht economische verwevenheid toe

Twee btw-ondernemers moeten op zijn minst economisch met elkaar zijn verweven, willen zij een fiscale eenheid voor de btw vormen. De economische verwevenheid hoeft niet alleen te zien op de economische activiteiten van de beoogde fiscale eenheid. Evenmin is verboden dat een ondernemer ook aan derden levert.

In twee arresten heeft de Hoge Raad een nadere toelichting gegeven op het begrip economische verwevenheid. De eerste zaak betreft een beroep in cassatie door de staatssecretaris van Financiën. Hij stelt dat geen economische verwevenheid kan bestaan tussen een ondernemer die  vrijwel uitsluitend  niet-economische handelingen verricht en een ondernemer die voor minstens 90% presteert voor de niet-economische activiteiten van de eerstgenoemde ondernemer. Volgens de staatssecretaris zou de vorming een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (FE OB) in zo’n geval leiden tot een entiteit die zeer beperkt omzetbelastingplichtig is. Nauwe economische betrekkingen tussen de te voegen ondernemers zijn alleen mogelijk voor zover het bij deze betrekkingen gaat om economische activiteiten van de beoogde FE OB. De Hoge Raad verwerpt dit standpunt. Bij de toets voor de aanwezigheid van economische verwevenheid gaat het om onderlinge verwevenheid van de desbetreffende ondernemers. De prestaties die de ene ondernemer verricht voor de niet-economische activiteiten van een andere ondernemer tellen daarbij ook mee. Men moet in ieder geval uitgaan van het bestaan van economische verwevenheid als de ene ondernemer zijn activiteiten voor minimaal 70% uitoefent ten behoeve van de andere ondernemer.

Andere afnemers hebben is toegestaan

De andere zaak is aangespannen door een stichting die primair onderwijs verzorgt. Deze stichting wil een FE OB vormen met een B.V. die zij heeft opgericht. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat in deze situatie een FE OB onmogelijk is. Een belangrijke reden is dat de activiteiten van de stichting en de B.V. niet voor minstens 70% bedoeld zijn om een gemeenschappelijke klantenkring te bedienen. Zie: ‘Geen FE OB mogelijk tussen onderwijsstichting en B.V.’ Maar de Hoge Raad oordeelt dat economische verwevenheid zich ook kan voordoen als tussen de twee ondernemers onderlinge niet-verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan. Het in meer of minder mate leveren van goederen aan derden sluit zulke betrekkingen niet uit. De Hoge Raad constateert dat tussen de stichting en de B.V. voldoende economische verwevenheid bestaat. Zij kunnen daarom een FE OB vormen.

(Bron: Taxlive)

Bij liquidatie ingediend verzoek om btw-teruggaaf is niet te laat

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat belanghebbende met het indienen van het verzoek om btw-teruggaaf mocht wachten tot de liquidatie van B bv. Op dat moment was namelijk duidelijk dat betaling in rechte niet meer kon worden gevorderd.

A bv houdt de aandelen in L bv, T bv en B bv. Per 1 januari 2010 neemt T bv de activa, passiva en de activiteiten van L bv volledig over. A bv houdt per 31 december 2015 op te bestaan, waardoor de fiscale eenheid tussen A bv en T bv op die datum wordt ontbonden. Vanaf 1 januari 2016 verkrijgt H bv een 100% belang in T bv en B bv. H bv en T bv vormen vanaf die datum een f.e. voor de btw (belanghebbende). T bv en L bv verkrijgen in de jaren 2002 – 2010 vorderingen op B bv. Rond 2010 wordt duidelijk dat B bv deze voorderingen niet kan voldoen. In verband met de liquidatie van B bv op 1 april 2016, verzoekt belanghebbende om teruggaaf van de reeds afgedragen btw ex art. 29 Wet OB 1968. De inspecteur is echter van mening dat het verzoek van belanghebbende te laat is ingediend.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat belanghebbende haar verzoek om teruggaaf van de btw tijdig heeft ingediend. Zij mocht hiermee wachten tot de liquidatie van B bv, omdat op dat moment duidelijk was dat betaling in rechte niet meer kon worden gevorderd. Dat in 2009/2010 ook al wel duidelijk was dat B bv niets zou betalen, is niet van belang. Verder is de rechtbank ook van mening dat er geen sprake is van fraude, zodat X bv recht heeft op een btw-teruggaaf van € 60.769.

(Bron: Taxlive)

Bij sale-and-lease-back-transactie van complex met woningen is geen btw verschuldigd

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verhuur van het complex door Q aan X een autonome economische activiteit vormt en dat ook aan het voortzettingsvereiste wordt voldaan. Volgens de rechtbank is art. 37d Wet OB in casu dan ook van toepassing.

In opdracht van belanghebbende, X, een woningcorporatie, is in 2010 begonnen met de bouw van een complex met woningen. In 2011 sluit X een sale-and-lease-back-overeenkomst met A bv. Het complex wordt vervolgens op 14 september 2011 geleverd aan Q. In de akte van levering wordt, onder verwijzing naar art. 37d Wet OB1968, vermeld dat voor de levering geen btw is verschuldigd. De inspecteur is echter van mening dat er geen sprake is van een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen als bedoeld in art. 37d Wet OB1968, en legt een btw-naheffingsaanslag op aan X.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verhuur van het complex door Q aan X een autonome economische activiteit vormt en dat ook aan het voortzettingsvereiste wordt voldaan. Volgens de rechtbank is art. 37d Wet OB in casu dan ook van toepassing. De rechtbank verwerpt daarbij de stelling van de inspecteur dat slechts aan het voortzettingsvereiste wordt voldaan als de verkrijger na de overdracht dezelfde economische activiteit uitoefent als de overdrager voorafgaande aan de overdracht. Volgens de rechtbank is in casu slechts van belang of het complex blijvend voorwerp is van een als autonoom gedeelte van een onderneming aan te merken exploitatie. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag.

(Bron: Taxlive)

Btw terug over bouwkosten woning door zonnepanelen?

Als particulier heeft u recht op teruggaaf van de btw op de aankoop- en installatiekosten van uw zonnepanelen, wanneer u de opgewekte elektriciteit (deels) terug levert aan het energienet. De Rechtbank heeft nu geoordeeld dat de betaalde btw op de (bouw)kosten van een nieuwe woning met zonnepanelen, ook deels voor teruggaaf in aanmerking komt. Kopers van een nieuwbouwwoning met zonnepanelen kunnen mogelijk meer btw terugvragen dan eerder werd gedacht.

Hoe zat het ook alweer?

Het Hof van Justitie oordeelde op 20 juni 2013 dat het terug leveren van elektriciteit aan het elektriciteitsnet een ondernemersactiviteit is. Eigenaren van zonnepanelen kunnen daarom binnen vijf jaar na het kalenderjaar van de aankoop een verzoek om btw-teruggaaf indienen. Particuliere eigenaren van zonnepanelen hoeven in de meeste gevallen door toepassing van de kleineondernemersregeling geen btw betalen, nadat de investering in de zonnepanelen is gedaan. Als particulier word u daarom automatisch ontheven van uw administratieve verplichtingen voor de btw.

Btw op bouwkosten woning

Bij nieuwbouwprojecten komen er tegenwoordig bijna standaard zonnepanelen op het dak te liggen. Tot voor kort was het uitgangspunt dat kopers van een nieuwbouwwoning met zonnepanelen alleen de betaalde btw op de zonnepanelen terug mochten vragen. Twee verschillende rechtbanken hebben nu een uitspraak gedaan over de teruggaaf van btw op de bouwkosten van een woning met zonnepanelen. In beide zaken kreeg de particulier een deel van de betaalde btw op de bouwkosten van de woning terug. In de ene zaak ging het om niet-geïntegreerde zonnepanelen en in de andere zaak om geïntegreerde zonnepanelen. Dit onderscheid bepaalt hoeveel btw u (mogelijk) terug kan vragen.

Niet-geïntegreerde zonnepanelen (Rechtbank Gelderland, 18 maart 2019)

Dit zijn zonnepanelen die niet tegelijkertijd als dakbedekking dienen en dus op het dak liggen. De zonnepanelen zijn geen onderdeel van uw woning. Als u elektriciteit terug levert aan het energienet, dan mag u alle btw op de aankoop- en installatiekosten van deze zonnepanelen terugvragen. De btw die u verschuldigd bent, bepaalt u aan de hand van een forfait. Hiervoor hoeft u alleen het opwekvermogen van uw zonnepanelen te weten. De terug te vragen btw wordt verminderd met de verschuldigde btw. Het resultaat is uw definitieve teruggaaf.

De Rechtbank oordeelde in de procedure over deze zonnepanelen, dat een onlangs gebouwde woning door de installatie van de zonnepanelen deels een zakelijke functie had gekregen. Om de omvang van het zakelijk gebruik van de woning te bepalen, deelde de Rechtbank de oppervlakte van de zonnepanelen door de oppervlakte van de ‘nuttige ruimtes’ in de woning. Met de ‘nuttige ruimtes’ werd de totale vloeroppervlakte van de woning bedoeld, met daarbij opgeteld de oppervlakte van de zonnepanelen. Het zakelijk gebruik van de woning kwam daarmee uit op 21,5%. De betaalde btw voor de bouw van de woning moet daarom voor 21,5% aan de particulier worden terugbetaald. Deze teruggaaf komt bovenop de terug te geven btw, die betaald is voor de aankoop en installatie van de zonnepanelen.

Geïntegreerde zonnepanelen (Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 maart 2019)

Dit zijn zonnepanelen die niet alleen energie opwekken, maar ook als dakbedekking dienen. Omdat deze zonnepanelen ook deel van uw dak en woning zijn, hebben de zonnepanelen niet alleen maar een economische (zakelijke) functie. U mag daarom slechts een deel van de betaalde btw over deze zonnepanelen terugvragen. De overheid heeft bepaald dat dit een derde deel van de btw is. Net als bij de niet-geïntegreerde zonnepanelen bepaalt u de verschuldigde btw door een forfait.

De Rechtbank ging er in deze procedure mee akkoord dat de oppervlakte van de geïntegreerde zonnepanelen werd gedeeld door de totale vloer- en dakoppervlakte van de woning. Het resultaat van deze breuk moet worden vermenigvuldigd met een derde deel. Door die berekening kwam het zakelijk gebruik van de woning op 3,8% uit. Dit percentage van de btw op de bouwkosten van de woning moet aan de particulier worden terugbetaald.

Procedure

De Belastingdienst kan tegen de uitspraken van de Rechtbank nog in hoger beroep gaan. Wij volgen de ontwikkelingen en zullen u hiervan op de hoogte houden.

(Bron: GT)