Per 1 april 2023 nieuwe uitvoeringsregels voor ontslag

Vanaf 1 april gelden vernieuwde uitvoeringsregels voor ontslag om bedrijfseconomische redenen, ontslag vanwege langdurige ziekte en de ontslagprocedure van UWV. Deze regels geven werkgevers meer duidelijkheid over de beoordeling van ontslagaanvragen.

In de uitvoeringsregels van UWV kunnen werkgevers lezen welke wet- en regelgeving relevant is als zij de arbeidsovereenkomst van een werknemer willen opzeggen vanwege langdurige ziekte of bedrijfseconomische redenen. Ook lezen werkgevers in de documenten waar UWV op let bij een aanvraag voor ontslag, welke gegevens zij moeten verstrekken om de ontslagvergunning te kunnen krijgen (en waarom) en hoe UWV procedurele regels toepast. In de Staatscourant zijn drie besluiten tot wijziging van de uitvoeringsregels gepubliceerd. De nieuwe versies van de uitvoeringsregels vervangen vanaf april 2023 de versies van september 2020. Werkgevers doen er goed aan om deze nieuwe versies in gebruik te nemen.

Opzegverbod van zes weken bij ziekte van AOW’er

In de nieuwe versies zijn een aantal verbeteringen, aanvullingen en actualisaties opgenomen. In de uitvoeringsregels voor ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is bijvoorbeeld aandacht voor het vervallen van het overgangsrecht voor de termijn van loondoorbetaling, re-integratie en het opzegverbod tijdens ziekte van AOW’ers. Naar verwachting wordt die termijn per 1 juli 2023 teruggebracht naar zes weken.
In het document zijn ook een aantal situaties beschreven met een toelichting van de gevolgen voor het opzegverbod, zoals de situatie dat de werknemer een WIA-uitkering met vertraging aanvraagt of dat er vertraging bij de behandeling van de aanvraag ontstaat. Daarnaast heeft UWV toegevoegd dat de behandeling van een ontslagaanvraag wordt opgeschort als een werknemer in bezwaar is gegaan tegen de beslissing om een loonsanctie op te heffen.

Meer informatie over Wet melding collectief ontslag

De informatie over de kortere duur van het opzegverbod tijdens ziekte van een AOW’er is ook in de uitvoeringsregels voor bedrijfseconomisch ontslag opgenomen. Verder is in deze uitvoeringsregels onder meer verduidelijkt dat een werkgever bij het aanvoeren van meerdere bedrijfseconomische redenen voor ontslag elke reden moet onderbouwen en toelichten en is het hoofdstuk over collectief ontslag geactualiseerd en uitgebreid, mede op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
In de uitvoeringsregels voor de ontslagprocedure zijn wijzigingen aangebracht in de informatie over ‘voorlopige’ ontslagaanvragen, onvolledige ontslagaanvragen en het verweer van werknemers.

(Bron: Rendement)

Definitieve percentages box 3 bekendgemaakt

Staatssecretaris Van Rij heeft op 15 maart de definitieve percentages voor 2022 voor bank- en spaartegoeden en schulden van de Wet rechtsherstel box 3 in het Staatsblad gepubliceerd. De percentages gaan per 16 maart 2023 in en gelden met terugwerkende kracht.

De rente op bank- en spaartegoeden is vastgesteld op 0,00%. (Was 0,01%). Voor schulden bedraagt het percentage 2,28%. Dit was 2,46%. Voor beleggingen/andere bezittingen is het nu 5,53%. Deze regeling treedt in werking met ingang van 16 maart 2023 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2023 (voor bank- en spaartegoeden) en tot 1 januari 2022 voor schulden.

Wet bankenbelasting

Op grond van artikel 12 van de Wet bankenbelasting wordt het bedrag van de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet bankenbelasting opgenomen doelmatigheidsvrijstelling iedere vijf kalenderjaren startend per 1 januari 2018 geïndexeerd. Het bedrag van de doelmatigheidsvrijstelling is abusievelijk nog niet geïndexeerd per 1 januari 2023. De onderhavige regeling bewerkstelligt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 de vereiste indexatie van het bedrag van de in artikel 9, eerste en tweede lid, van de Wet bankenbelasting opgenomen doelmatigheidsvrijstelling. Daarbij wordt als correctiefactor het product van de tabelcorrectiefactoren, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de laatste vijf kalenderjaren genomen. Bij de berekening wordt het bedrag van de doelmatigheidsvrijstelling naar boven afgerond op een veelvoud van € 100 miljoen. De tabelcorrectiefactoren van de laatste vijf kalenderjaren zijn als volgt:

JaarTabelcorrectiefactor
20191,012
20201,016
20211,016
20221,013
20231,063

De Wet rechtsherstel box 3 stelt regels voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen (het box 3-inkomen) over de kalenderjaren 2017 tot en met 2022, om de heffing in box 3 in overeenstemming te brengen met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.1 In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het op dat moment, sinds 1 januari 2017, geldende box 3-stelsel in bepaalde gevallen in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor die situaties vindt op grond van de Wet rechtsherstel box 3 rechtsherstel plaats.

Wet rechtsherstel box 3

Bij de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen op grond van de Wet rechtsherstel box 3 wordt het vermogen in box 3 onderverdeeld in drie categorieën: banktegoeden, schulden en overige bezittingen. Na de verdeling van het vermogen over de drie verschillende vermogenscategorieën wordt het rendement over het vermogen forfaitair bepaald. Voor elke vermogenscategorie geldt een eigen forfaitair rendementspercentage. Op grond van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet rechtsherstel box 3 worden de forfaitaire rendementspercentages voor de categorieën banktegoeden en schulden voor het kalenderjaar 2022 na afloop van het kalenderjaar 2022 vastgesteld. Dit wordt door middel van deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 bewerkstelligd.

Bron: Ministerie van Financiën