Meerdere BV’s; risico’s bij de concernfinanciering linkedin share

Onder MKB’ers is het een veel gebruikte structuur: een holding met “daaronder” meerdere werkmaatschappijen. Het concern wordt vervolgens gefinancierd met een lening of rekening-courant faciliteit van een bank. Dit wordt ook wel een ‘concernfinanciering’ genoemd.

 

Er zijn ruwweg twee soorten concernfinanciering:

  • de holding gaat een financiering aan met de bank voor het hele concern en de werkmaatschappijen verbinden zich hoofdelijk voor de totale schuld aan de bank; of
  • alle vennootschappen van het concern gaan gezamenlijk de financiering aan.

 

De bank

In dat laatste scenario zijn de vennootschappen niet hoofdelijk verbonden, maar simpelweg een partij bij de overeenkomst met de bank. De manier waarop de afspraken met de bank zijn gemaakt, heeft gevolgen wanneer het concern in de financiële problemen raakt. Bij een hoofdelijke aansprakelijkheid kan de bank elke vennootschap aanspreken voor het totale bedrag dat moet worden terugbetaald. Dit wordt de externe aansprakelijkheid genoemd. De bank zal dan de meest kapitaalkrachtige vennootschappen binnen het concern als eerste aanspreken, omdat de verwachting is dat die in staat zijn de bank terug te betalen.

 

Wat zijn vervolgens binnen het concern de gevolgen?

Voor de interne draagplicht bepaalt de wet dat de betalende vennootschap regres (= verhaal) kan nemen op de andere tot het concern behorende vennootschappen tot het gedeelte
van de schuld dat die vennootschap aangaat (artikel 6:10 BW). De betalende vennootschap kan zich dus (deels) verhalen op de andere concernvennootschappen.

De gevolgen zijn anders als de vennootschappen gezamenlijk de overeenkomst met de bank zijn aangegaan. Zij zijn dan allemaal partij geworden bij de overeenkomst met de bank. Het burgerlijk wetboek bepaalt voor die situatie dat de vennootschappen voor een gelijk deel zijn verbonden tegenover de bank. Binnen een concern van vier vennootschappen betekent dit dat zij elk voor 25% aansprakelijk zijn. Dit ziet op de externe draagplicht, maar hoe werkt dit door in de verhouding tussen de vennootschappen onderling? Zijn er tussen de vennootschappen geen afspraken gemaakt over de toedeling van de lening of het krediet, dan wordt hun onderlinge draagplicht bepaald door het antwoord op de vraag wie de schuld aangaat. Voor de vraag wie de schuld aangaat, moet onder andere worden gekeken wie de lening of het krediet gebruikt, tot wiens beschikking het is gekomen en eventuele overige relevante omstandigheden van het geval. Kortom, de schuld wordt naar rato toebedeeld aan de gebruiker(s) van de gelden.

 

Risico

Bij beide vormen van financiering ligt het risico op de loer dat vennootschappen onderling regres kunnen nemen als zij door de bank zijn aangesproken. Hiermee ontstaat het risico dat de zwakkere vennootschappen binnen het concern de beter draaiende vennootschappen meeslepen in hun val. Veelal zijn het de slecht draaiende vennootschappen die gebruik maken van de lening of het krediet, terwijl zij juist geen verhaal bieden. Hiervoor zal de bank dan aankloppen bij de goed draaiende vennootschappen. Die vennootschappen hebben vervolgens wel de mogelijkheid van regres, maar van een ‘kale kip kan je niet plukken’.

 

Anticiperen

Het is dan ook zaak te anticiperen op wat er gaat komen. Denk op voorhand na over de vraag hoe je uiteindelijk de lasten van een lening of het krediet (aflossing en rente) binnen je concern wil verdelen. Is het de bedoeling dat alle vennootschappen voor gelijke delen bijdragen of moet iedere vennootschap bijdragen voor het deel van de lening/het krediet dat haar ten goede is gekomen? Het is aan te raden om dit goed vast te leggen en vervolgens zorgvuldig te administreren wie welk deel van de faciliteit gebruikt.

 

Regresvordering

Om te voorkomen dat een slecht presterende werkmaatschappij gezonde concernvennootschappen verzwakt met een regresvordering kunnen onderling afspraken worden gemaakt die voorkomen dat die regresvorderingen ontstaan. Bijvoorbeeld door overeen te komen dat elke vennootschap slechts draagplichtig is voor het bedrag dat zij aan de bank betaalt indien zij daartoe wordt aangesproken of voor het bedrag gelijk aan de opbrengst na uitwinning van de aan de bank verstrekte zekerheden. Zo’n afspraak moet tijdig, bij voorkeur bij het aangaan van de concernfinanciering (en niet “5-voor-12” bij een dreigend faillissement), worden gemaakt om effectief te kunnen zijn.

(Bron: Jan)

Feesten op kosten van de zaak

Een ondernemer mag de kosten die hij voor zijn onderneming maakt in aftrek brengen van de winst. Dat geldt ook voor de kosten van recepties, feesten en vermaak. Maar waar ligt de grens?

 

Er is regelmatig discussie met de belastingdienst over de vraag in hoeverre bepaalde kosten die zowel een privé-element als een zakelijk element hebben, aftrekbaar zijn. Uitgaven die voor de zaak gedaan zijn en op zakelijke overwegingen berusten, kunnen ten laste van de winst worden gebracht. De inspecteur heeft niet de bevoegdheid te toetsen of de uitgaven ook zakelijk verantwoord waren. Hij heeft dus niet het recht om de doelmatigheid van de gemaakte kosten te beoordelen.

 

De wijze waarop een onderneming wordt gedreven, wordt in beginsel bepaald door de ondernemer en het is aan hem om te beoordelen op bepaalde uitgaven voor de onderneming nut hebben. Als randvoorwaarde geldt dat het niet mag gaan om uitgaven die in wezen bedoeld zijn om in een privébehoefte te voorzien.

 

Maar waar ligt de grens? De zakenreis kan ook persoonlijk aantrekkelijk zijn; van de representatie geniet de ondernemer zelf ook enorm. Is er een criterium aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke uitgaven wél en welke niét aftrekbaar zijn?

Criterium

Dat het in de praktijk vaak moeilijk is in dit grensgebied de zakelijke en privékosten te onderscheiden blijkt uit de vele rechterlijke beslissingen hierover. De Hoge Raad zoekt het criterium in de vraag of de uitgaven op basis van zakelijke dan wel persoonlijke overwegingen zijn gedaan. Om aftrekbaar te kunnen zijn, dient de ondernemer aannemelijk te maken dat de uitgaven op grond van zakelijke overwegingen zijn gedaan. Maar ook de zakelijke belangen van de onderneming kunnen worden beïnvloed door persoonlijke omstandigheden. Dat is het geval bij uitgaven voor feesten rondom de persoon van de ondernemer.

Feesten

Bij het vieren van persoonlijke gebeurtenissen kunnen zakelijke belangen meewegen. De kosten die daarmee zijn gemoeid, zijn aftrekbare ondernemingskosten. Zo zijn de extra kosten van een feestavond ter gelegenheid van het huwelijk of verjaardag van de ondernemer waarbij naast familie ook werknemers en zakelijke relaties aanwezig zijn, aftrekbaar. Kostenverdelingen op basis van de verdeling tussen ‘privégasten’ en ‘zakelijke gasten’ zijn in de uitvoeringspraktijk heel gebruikelijk.

Gastenlijst

Het is dus van belang dat de zakelijkheid van de kosten kan worden bewezen. Die bewijslast rust op de ondernemer. Daarvoor is voldoende dat de ondernemer aannemelijk maakt dat de kosten zakelijk zijn. Bijvoorbeeld omdat de ondernemer een relatie wil versterken, opbouwen of onderhouden of om meer naamsbekendheid te genereren. De zakelijkheid van een etentje kan worden aangetoond door de reden van het etentje op de bon te schrijven. En bij een feest kan de gastenlijst een belangrijke aanwijzing voor de zakelijkheid zijn.

Als de ondernemer goed bewijs heeft, kunnen de kosten van een feest in aftrek gebracht worden op de winst. Met een gastenlijst kan aangetoond worden dat de gasten zijn de uitgenodigd uit ‘zakelijke overwegingen’. Dat vergroot de feestvreugde met een aftrekpost!

(Bron: Accountant.nl)

Samenwerking: voorkomen is beter, dan genezen!

amenwerkingsverbanden tussen ondernemers ontstaan vaak spontaan en groeien verder uit. Vaak regelen partijen niets ‘op papier’, met alle gevolgen van dien als er problemen ontstaan in de samenwerking.

 

Ook al zie je op tegen het opstellen van een overeenkomst en de daarmee gemoeide kosten, een goed contract kan in de toekomst altijd zijn vruchten afwerpen.

 

Opstellen van een overeenkomst

Waar moet je zoal aan denken bij het opstellen van een overeenkomst? In de eerste plaats is de reden van de samenwerking van belang. Wat wil je door middel van samenwerken bereiken? Heb je dit helder voor ogen, dan wordt het eenvoudiger om de samenwerkingsovereenkomst vorm te geven.

Na het noemen van de namen van de partijen volgt in overeenkomsten een considerans. Hier worden de overwegingen omschreven. Doel van de considerans is duidelijk te maken wat de achtergronden van partijen zijn om de overeenkomst te sluiten.

In de overeenkomst kom je verder standaardbepalingen tegen zoals: definities, toepasselijk recht, overgang van rechten, procedures en een geschillenregeling.

 

Duidelijke formulering

Verder is van belang om de rechten en plichten die jij en je contractpartij over en weer hebben duidelijk te formuleren. Wie doet wat? Gaan jullie exclusief met elkaar in zee? Wanneer mogen gemaakte afspraken worden gewijzigd? Wie brengt wat in? Wie is waarvoor aansprakelijk? Hoe wordt de opbrengst verdeeld? En ‘last but not least’, hoe wordt de samenwerking beëindigd. Dit laatste is van groot belang. Regel goed hoe en onder welke voorwaarden jullie uit elkaar gaan. De ervaring leert dat de beëindiging van een samenwerking regelmatig aanleiding geeft tot conflicten.

(Bron: Jan)

Heibel tussen aandeelhouders!

Waar ondernemers vaak in goede harmonie de krachten bundelen en een samenwerking aangaan in de vorm van een nieuwe BV, komt het voor dat zij als aandeelhouders van deze BV met elkaar in conflict raken. Als je als aandeelhouders niet meer met elkaar door één deur kunt, dan kan het beter zijn om afscheid te nemen van elkaar. Maar hoe doe je dat?

 

De meest voor de hand liggende optie is om in onderling overleg tot koop/verkoop van de aandelen over te gaan. Dit is alleen mogelijk als de ene aandeelhouder wil verkopen, de andere aandeelhouder wil kopen én overeenstemming wordt bereikt over de prijs voor de aandelen. Alhoewel deze optie voor de hand ligt, vormt het conflict vaak een niet te nemen horde. De gunfactor is er niet meer.

 

Verkoop

Soms is in de statuten van de BV of de aandeelhoudersovereenkomst die partijen zijn aangegaan opgenomen dat een bestuurder – die ook aandeelhouder is – bij zijn aftreden als bestuurder zijn aandelen moet verkopen aan de andere aandeelhouder. In de situatie dat beide bestuurders ook aandeelhouder zijn en één van beide zijn functie als bestuurder neerlegt, kan dit resulteren in een aanbiedingsverplichting, waarna de aandeelhouders uit elkaar kunnen gaan.

 

Uitstoot vordering

Een andere mogelijkheid om afscheid van elkaar te nemen kan worden gevonden in artikel 2:336 BW (“uitstoot vordering”). De aandeelhouder die alleen of samen met andere aandeelhouder(s) ten minste één derde van het geplaatste kapitaal verschaft, kan een aandeelhouder (die door zijn gedragingen het belang van de BV zodanig schaadt dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld), in een procedure bij de rechtbank vorderen dat hij zijn aandelen overdraagt. Het moet dan wel gaan om gedragingen als aandeelhouder van de BV, zoals het verlammen of hinderen van de besluitvorming binnen de BV.

 

Ondernemingskamer

Tenslotte is de gang naar de Ondernemingskamer een mogelijkheid. De Ondernemingskamer probeert binnen de mogelijkheden die de wet biedt, mee te werken aan het zoeken naar praktische oplossingen voor problemen binnen een BV. Dit gebeurt via een enquêteprocedure die een snelle en adequate oplossing kan bieden voor geschillen tussen aandeelhouders. Hiermee kunnen patstellingen worden doorbroken. De Ondernemingskamer kan bijvoorbeeld besluiten van bestuurders schorsen of vernietigen, afwijken van de statuten of aandelen tijdelijk overdragen zonder dat hiervoor de medewerking van de aandeelhouder nodig is. De bevoegdheden van de Ondernemingskamer gaan dus ver en op voorhand kan niet worden ingeschat in wiens voordeel dit gaat uitpakken.

 

Er zijn dus diverse mogelijkheden om afscheid van elkaar te nemen. Welke opties daadwerkelijk mogelijk zijn, zal afhangen van de opstelling van de verschillende aandeelhouders en de afspraken in de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst.

(Bron: Jan)

Burgers onvoldoende beschermd tegen computerbesluiten overheid

De overheid gebruikt computers voor het nemen van besluiten. Vaak gaat het daarbij om geld, zoals het verlenen van kinderbijslag, de AOW, toeslagen, het opleggen van motorrijtuigenbelasting of de aanslag inkomstenbelasting. Maar hoe die besluiten precies genomen worden, is niet duidelijk. Bovendien leunen overheden ook op elkaars computerbesluiten. De burger is daardoor onvoldoende juridisch beschermd, blijkt uit promotie-onderzoek van Marlies van Eck.

Wat gebeurt er precies bij geautomatiseerde besluiten van de overheid en wat betekent deze praktijk voor de burger die te maken krijgt met zo’n besluit? Is het voldoende dat burgers in bezwaar kunnen gaan tegen een besluit als er iets fout gaat en daarna naar de rechter kunnen stappen? Dat onderzocht de promovenda Marlies van Eck. Zij promoveert op 9 februari aan Tilburg University.

Voordelen

Van Eck concludeert op basis van het onderzoek dat de inzet van technologie bij het nemen van besluiten wel degelijk voordelen heeft voor burgers. Het verzamelen van alle gegevens vindt zorgvuldig plaats. Ook krijgen mensen vaak van tevoren te zien welke gegevens de overheid heeft, wat de transparantie ten goede komt. Een ander voordeel is dat de computer alle gelijke gevallen ook echt gelijk behandelt.

Beslisregels onzichtbaar

Maar er zijn ook nadelen. De instructies aan de computer (de beslisregels en de algoritmen) zijn niet beschikbaar voor de personen die het besluit krijgen. Ook zijn er geen onafhankelijke instanties die deze instructies controleren op juistheid. In een rechtszaak over het besluit kan de rechter dus niet controleren of de overheid de wet goed interpreteert. Bovendien blijven aannames die de programmeur heeft gehad onzichtbaar. Als niet precies duidelijk is waarom de computer een besluit neemt, weet niemand of het besluit eigenlijk wel juist is.

Besluiten aan elkaar gelinkt

Een ander nadeel is dat de overheidsorganen zwaar op elkaar leunen bij het nemen van computerbesluiten. Een besluit van het ene overheidsorgaan werkt door in het besluit van een ander overheidsorgaan. Maar als er iets fout gaat, is het voor de burger erg lastig om de fouten die al verspreid zijn, te herstellen. Zeker als het met terugwerkende kracht verbeterd moet worden, is dit voor de systemen moeilijk. Dit betekent dat de burger niet altijd de juridische bescherming krijgt waar hij recht op heeft.

Aanbevelingen

Van Eck doet een aantal voorstellen om de bescherming van burgers te verbeteren. Zij stelt voor dat iedereen met problemen met computerbesluiten een ‘loods’ krijgt: een ambtenaar die gaat helpen het probleem op te lossen. Op deze manier ligt de last van de gespecialiseerde en ingewikkelde uitvoering weer bij de overheid in plaats van bij de burger. Daarnaast moeten de instructies aan de computer niet alleen openbaar en toegankelijk worden, maar ook te begrijpen zijn door mensen die geen verstand hebben van programmeren en zeker door rechters.

Promotie

Mr. Marlies van Eck promoveert op vrijdag 9 februari om 10:00 uur in de aula van Tilburg University. Titel proefschrift: Geautomatiseerde ketenbesluiten & rechtsbescherming. Een onderzoek naar de praktijk van geautomatiseerde ketenbesluiten over een financieel belang in relatie tot rechtsbescherming.

[ Bron: Tilburg University ]

Het verschil: maximumdagloon en maximumpremieloon

Elke werkgever moet bij het bepalen van de te betalen werkgeversheffing Zorgverzekeringswet en premies werknemersverzekeringen rekening houden met een maximumloon. Ook UWV hanteert een maximumloon voor de hoogte van uitkeringen. Deze bedragen zijn echter nét niet hetzelfde…

Voor werknemers die een UWV-uitkering krijgen, bijvoorbeeld bij werkloosheid (WW), ziekte (ZW), arbeidsongeschiktheid (WAO/WIA) of vanwege zwangerschaps- en bevallingsverlof (WAZO), hangt de hoogte van die uitkering af van het type uitkering en van het loon dat de werknemer verdiende vóór hij die uitkering kreeg. UWV hanteert hierbij wel een bovengrens. De uitkeringsinstantie betaalt namelijk nooit méér uit dan het zogeheten maximumdagloon, dat voor de eerste helft van 2018 € 209,26 bedraagt. Op jaarbasis is dat € 54.616,86.

Nooit meer afdragen dan over het maximumpremieloon

Dit bedrag lijkt – niet toevallig – op het maximumpremieloon dat de werkgever moet hanteren bij het bepalen van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen. De werkgever hoeft via de loonaangifte maar premies te betalen over het loon van de werknemer tot deze bovengrens. Het maximumpremieloon bedraagt in 2018 € 54.614. Exact dezelfde regels en maximumbedragen gelden voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW).

Verschillend aantal werkdagen als uitgangspunt

Ook al is het jaarbedrag voor het maximumbijdrage- en -premieloon een kleine € 3 lager dan het maximumdagloon dat UWV aanhoudt, toch is het op dagbasis net iets hoger. In 2018 bedraagt het maximumpremieloon namelijk € 210,05. Dit komt voort uit een verschillend aantal werkdagen waarmee gerekend wordt. Voor het maximumpremie- en -bijdrageloon wordt gerekend met 260 werkdagen per jaar en voor het maximumdagloon met 261 werkdagen.
Een tweede verschil is dat het maximumdagloon altijd per 1 januari en 1 juli wordt aangepast aan de stijging van het wettelijk minimumloon, terwijl het maximumpremieloon alleen met ingang van een nieuw kalenderjaar opnieuw wordt bepaald.

(Bron: Rendement)

Inkomensverklaring voor huurverhoging toegestaan

De verwerking van inkomensgegevens door de Belastingdienst en woningcorporaties ten behoeve van de inkomensafhankelijke huurverhoging is niet in strijd met het recht op privacy. De wet bevat namelijk (vanaf 1 maart 2016) een expliciete wettelijke verplichting voor de Belastingdienst voor het op verzoek van de verhuurder verstrekken van de inkomensverklaring.

 

Verhuurders van sociale huurwoningen hebben de mogelijkheid om de huurprijs jaarlijks extra te verhogen ten opzichte van het reguliere basishuurverhogingspercentage om zo ‘scheefwonen’ tegen te gaan. In de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 moest bij een voorstel voor een dergelijke huurverhoging een door de inspecteur op verzoek van de verhuurder afgegeven verklaring worden gevoegd. Op 3 februari 2016 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat de inspecteur niet verplicht is om inkomensgegevens van een huurder van een sociale huurwoning te verstrekken aan de verhuurder. Met ingang van 1 maart 2016 is daarom in de wet een expliciete wettelijke verplichting opgenomen voor het verstrekken van de inkomensverklaring op verzoek van de verhuurder.

 

In een procedure voor Rechtbank Den Haag stelt de Woonbond, een belangenorganisatie voor huurders, dat de verwerking van persoonsgegevens door de inspecteur en verhuurders onrechtmatig is en (ondermeer) in strijd met de geheimhoudingsplicht en het recht op privacy. De Woonbond vordert dat wordt vastgesteld dat de huurders het inkomensafhankelijke deel van de huursom onverschuldigd hebben betaald. Rechtbank Den Haag oordeelt dat nu de verplichting om dergelijke inkomensverklaringen verklaringen expliciet in de wet is opgenomen de woningcorporatie er vanuit mag gaan dat de inkomensverklaringen – die zij van de in de wet daartoe aangewezen inspecteur verkreeg – rechtmatig waren verstrekt en dat zij deze kon gebruiken voor het voorstellen en doorvoeren van een inkomensafhankelijke huurverhoging. Het gebruik van deze inkomensverklaringen door de woningcorporatie was daarom niet onrechtmatig.

(Bron: PKF Wallast)

Gebruikt u uw algemene voorwaarden nog op de juiste wijze?

Een gebruiker van algemene voorwaarden moet de wederpartij een redelijke mogelijkheid bieden om kennis te nemen van zijn algemene voorwaarden. De wet stelt als hoofdregel dat de gebruiker de inhoud
van de algemene voorwaarden vóór of tijdens het sluiten van de overeenkomst heeft verstrekt aan dewederpartij en dat deze instemt met de voorwaarden. De wet geeft aan dat de hiervoor bedoelde mogelijkheid om kennis van de algemene voorwaarden is geboden wanneer de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand zijn gesteld.

Sinds het digitale tijdperk speelt de vraag hoe de algemene voorwaarden ter hand kunnen worden gesteld bij het sluiten van een overeenkomst via internet of de e-mail. Met betrekking tot het voorgaande is de wet een aantal jaren geleden gewijzigd. De wet geeft aan dat de gebruiker de wederpartij de mogelijkheid van kennisneming heeft geboden indien de gebruiker de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij langs elektronische weg ter beschikking heeft
gesteld op een zodanige wijze dat deze door hem kunnen worden opgeslagen en voor hem toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming.

Uit jurisprudentie volgt dat het voldoende is indien bij het sluiten van een overeenkomst via internet of email wordt aangegeven dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst en deze voorwaarden daarbij achter een duidelijk herkenbare hyperlink zijn opgenomen. In de regel zal het echter niet voldoende zijn als in de overeenkomst in algemene zin wordt verwezen naar algemene voorwaarden welke de wederpartij op de website van de gebruiker kan inzien. Van belang te benadrukken is, is dat in de praktijk de bewijslast dat de algemene voorwaarden aan de wederpartij ter kennisgeving zijn aangeboden op de gebruiker zal rusten. Uit jurisprudentie volgt dat de enkele mededeling in een van de gebruiker afkomstig stuk dat de ander de voorwaarden heeft
ontvangen, onvoldoende bewijs oplevert voor de stelling dat aan deze de voorwaarden ter kennisgeving zijn aangeboden. Dit is anders, zo blijkt de jurisprudentie, wanneer de wederpartij heeft getekend voor de ontvangst hiervan. Ook bij het sluiten van een overeenkomst via internet of e-mail is het van belang aandacht te besteden aan het bewijs dat de wederpartij van de voorwaarden kennis heeft kunnen nemen. Het meest praktisch is dat de gebruiker, voordat de overeenkomst tot stand komt, de wederpartij om een bevestigingsemail vraagt waarin staat dat de algemene voorwaarden zijn ontvangen en dat met de inhoud daarvan wordt ingestemd.

(Bron: PKF Wallast)

Moedermaatschappij beëindigt aansprakelijkheid voor eventuele schulden van bepaalde groepsmaatschappij(en)

Soms geeft een moedermaatschappij een zogenoemde 403-verklaring af. Dit houdt kort gezegd in dat de moeder zich hoofdelijk aansprakelijk verklaart voor eventuele schulden van bepaalde groepsmaatschappij(en). Dat is natuurlijk een voordeel voor crediteuren van die groepsmaatschappijen: zij kunnen voortaan immers ook bij de moedermaatschappij verhaal halen.

Overigens geldt deze hoofdelijke aansprakelijkheid niet voor alle schulden, maar alleen voor schulden die ontstaan zijn uit rechtshandelingen. Schulden van een groepsmaatschappij uit onrechtmatige daad of in verband met belastingen vallen dus in de meeste gevallen niet onder deze zelfverkozen hoofdelijke aansprakelijkheid van de moeder.

Maar de moedermaatschappij kan deze verklaring ook weer beëindigen, zelfs (indien voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden) voor bestaande schulden (de ‘overblijvende aansprakelijkheid’). In dat laatste geval dient zij een wettelijke procedure te volgen om van die overblijvende aansprakelijkheid af te komen.

De moeder dient (onder meer) in een landelijk verspreid dagblad aan te kondigen dat zij voornemens is de 403-verklaring te beëindigen. Binnen twee maanden na deze aankondiging kunnen crediteuren daartegen in verzet gaan. Dit kan door middel van een verzoekschrift bij de rechtbank. De crediteur die in verzet gaat kan via de rechter een vervangende zekerheid verlangen. Een verzoek kan worden afgewezen indien de crediteur al voldoende zekerheid heeft, bijvoorbeeld gezien de vermogenstoestand van de groepsmaatschappij. In de meeste andere gevallen is het mogelijk vervangende zekerheid te verkrijgen in ruil voor de beëindiging van de 403-verklaring.

(Bron: DVAN)

Het verschil: loontijdvak en aangiftetijdvak

Elke organisatie met werknemers heeft ermee te maken: tijdvakken. Maar wat is nou eigenlijk het verschil tussen een loontijdvak en een aangiftetijdvak en waarom is dat verschil zo belangrijk?

Het loontijdvak is het tijdvak waarover werkgevers het loon aan de werknemers betalen. Krijgt een werknemer elke maand zijn loon over die maand, dan is het loontijdvak dus een maand. Een werknemer die elke vier weken zijn loon over vier weken krijgt, heeft een loontijdvak van vier weken. In één organisatie kunnen meerdere loontijdvakken naast elkaar toegepast worden. De werkgever bepaalt welke dat zijn, tenzij er in de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) afspraken over gemaakt zijn.

Tijdvakken zijn niet altijd hetzelfde

Het aangiftetijdvak is het tijdvak waarover de werkgever aangifte loonheffingen moet doen bij de Belastingdienst. Meestal is dat een periode van een maand of vier weken, maar in sommige omstandigheden is een aangiftetijdvak van zes maanden of een jaar mogelijk.
Bij een aangiftetijdvak van vier weken begint het eerste tijdvak altijd op 1 januari en eindigt het laatste tijdvak op 31 december. Het eerste en laatste aangiftetijdvak van een jaar loopt dan dus niet in de pas met het eerste en laatste loontijdvak.
Als het loontijdvak en het aangiftetijdvak niet gelijk zijn, moet de werkgever rekening houden met deze aandachtspunten:

  • Hij moet per aangiftetijdvak aangifte loonheffingen doen voor het bedrag dat hij in dat aangiftetijdvak betaald heeft als loon. Het aangiftetijdvak kan meerdere loontijdvakken beslaan.
  • Bij de datum aanvang inkomstenperiode mag hij geen datum invullen die buiten het aangiftetijdvak ligt. Is dat eigenlijk wel het geval, dan moet hij de eerste dag van het aangiftetijdvak invullen.
  • Per aangiftetijdvak moet hij het aantal loondagen (sv-dagen) invullen waarover de werknemer binnen dat tijdvak loon krijgt. Het maakt niet uit of het loon in dit aangiftetijdvak of in een ander aangiftetijdvak wordt uitbetaald.

(Bron: Rendement)